Leonard Nolens, Mark Strand, Silvia Avallone, Walid Soliman, Attila József, Rolf Schilling, Sándor Márai

De Belgische dichter en schrijver Leonard Nolens werd geboren in Bree op 11 april 1947. Zie ook alle tags voor Leonard Nolens op dit blog.

Burgerlijk bestaansminimum

Het is vandaag geen waarheid die ik zoek,
Geen Nazareense visser die mijn dood afpakt,
Geen Weense dokter die mijn penis spreekles geeft,
Geen Trierse filosoof die op de bank mijn volmacht heeft.

Vandaag is het geen goedheid die ik zoek,
Geen Gandhi, kaal en mager, woord tot op het been,
En geen Thérèse de Lisieux. (Wat zei dat kleintje weer?
Hard moet ik U voelen, anders is er chaos,
Hard en doodvermoeiend, anders ben ik niet gerust.’)

Geen goedheid, nee, verdomd, ik weet wat goedheid is.
Goedheid is een stinkend bed, een meisjesstem
Van zestig jaar, een fluimend propje vlees
In kussens van formol, een bibberende muizepoot
Waar ik van at, en die mij niet bekomt.

Vandaag is het geen schoonheid die ik zoek.
Schoonheid spreekt vanzelf als ik mijn handen opendoe
In het ivoor van mijn lievelingsakkoord, zeven vingers,
A, kleine terts, uit de nocturnes van Chopin,
Die teringlijder aan zijn Pleyel in Nohant.

Nee, het ware en het goede en het schone zijn vandaag
Een broodwinning voor ingenieurs, therapeuten en artiesten.
Maar ik, ik ben een dichter.
En op mijn nederige stoel, met mijn ambachtelijke trots
Zoek ik een degelijke, propere en zwierige manier
Om hier, vandaag, in deze tijd, alsnog te overleven.



Om twintig voor negen verliet ik geruisloos het lichaam
Van moeder en keek ik ons aan.

Ik zag ons daar allemaal liggen en staan
In mijn eerste verblinding.

Ik hoorde ons allemaal aan als de stem
Van een schaar en ik voelde mijn aanvang

Mijn bloedende navel bestreek het schreeuwende centrum
Van de wereld in deze kamer.

Ik kan uit mijn kamer van jullie niet weg.

Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)


De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.

The Garden

It shines in the garden,
in the white foliage of the chestnut tree,
in the brim of my father’s hat
as he walks on the gravel.

In the garden suspended in time
my mother sits in a redwood chair:
light fills the sky,
the folds of her dress,
the roses tangled beside her.

And when my father bends
to whisper in her ear,
when they rise to leave
and the swallows dart
and the moon and stars
have drifted off together, it shines.

Even as you lean over this page,
late and alone, it shines: even now
in the moment before it disappears.


The Midnight Club

The gifted have told us for years that they want to be loved
For what they are, that they, in whatever fullness is theirs,
Are perishable in twilight, just like us. So they work all night
In rooms that are cold and webbed with the moon’s light;
Sometimes, during the day, they lean on their cars,
And stare into the blistering valley, glassy and golden,
But mainly they sit, hunched in the dark, feet on the floor,
Hands on the table, shirts with a bloodstain over the heart.

Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)


De Italiaanse schrijfster Silvia Avallone werd geboren in Biella op 11 april 1984. Zie ook alle tags voor Silvia Avallone op dit blog.

Uit: Staal (Vertaald door Manon Smits)

“‘Het strand lag vol zeewier. En omgevallen boomstammen, en gestrande bootjes waarvan de romp helemaal onder de pluisjes zat. De vissers kwamen hier hun wrakken dumpen om geen afvalheffing te hoeven betalen.
Het was heerlijk om tot je kuiten in dat zachte deeg van zeewier weg te zakken, de lege schelpen te voelen die als tanden omhoogstaken en in hun voeten prikten. Miljoenen harige, bruine zeegrasbolletjes, allemaal hier neergekwakt door de zee. Aan de waterkant ploeterden ze door een zwarte algenlaag, een brij die rook naar pies en brood. Dit was hun geheime strandje.’

‘Ze hebben hun gezicht opgemaakt, veel te dik. De lippenstift loopt over de randen, de mascara druipt van de hitte en plakt hun wimpers aan elkaar, maar daar trekken ze zich niets van aan. Dit is hun eigen privé-verkleedpartijtje [sic], de provocatie die ze het raam uit gooien. Ze weten tenslotte dat er misschien wel iemand is die hen bespiedt en zijn broek losknoopt.’

Silvia Avallone (Biella, 11 april 1984)


De Tunesische dichter, schrijver, essayist en vertaler Walid Soliman werd geboren op 11 april 1975 in Tunis. Zie ook alle tags voor Walid Soliman op dit blog.

Uit: Three hours in Fiumicino (Vertaald door Jason Casper)

“The plane did not land immediately, as I had expected, but remained hovering over the airport for some time. Finally, a voice announced over the loudspeaker to fasten seatbelts, for the plane was about to begin its descent. The fat lady turned to me while inspecting her belt, as if this were some kind of police film, and said, “What an exciting trip!”
When the plane had finally landed at Fiumicino Airport, I noticed that it had stopped quite a distance away from the other aircraft. From the window I saw border police surrounding the plane in their vehicles as alarms began sounding from everywhere. The Carabineri descended and furnished their weapons, and I realized they had been ordered to investigate, making sure there was indeed a sick woman aboard the plane.
Two officers boarded, one of them with a walky-talky. The first went straight to the cockpit, while the other went toward the rear where the sick woman was. A few minutes passed before we heard the captain inform us over the loudspeaker that we would stay in Fiumicino Airport for some time, until the woman could be examined. A small airport bus then arrived, and we were told to get inside. Meanwhile, an ambulance approached to transport the patient.”

Walid Soliman (Tunis, 11 april 1975)


De Hongaarse dichter Attila József werd geboren op 11 april 1905 in Boedapest. Zie ook alle tags voor Attila József op dit blog.

Night on the outskirts (Fragment)

Slowly the light’s net is lifted
Out of the yard, and our kitchen
Fills with darkness
Like the hollows deep in a pool.

Silence –
The scrubbing brush creeps to life,
Above it, a patch of wall
Hesitates, hangs, not sure
Whether to stay or fall.

A night that wears oily rags
Heaves a sigh,
Halts in the sky;
Then settles on the outskirts,
Waddles over the squareAnd lights a bit of moon to see by.

Like ruins the factories loom.
But inside them a denser gloom
Even now is being produced. It sets,
A foundation for silence.

Through the windows of textile mills
Fly moonbeams in sheaves –
Moon thread till morning weaves
On motionless looms a fabric
Of girl workers’ dreams.

Farther on, like a cloistered graveyard,
The foundry, bolt makers, cement works
Echoing family crypts.
Too well these workshops keep
The secret of resurrection.
A cat’s claws on the fence;
And the simple night-watchman sees
A ghost, a flashing signal.
Coolly gleam
The beetle-backed dynamos.

Attila József (11 april 1905 – 3 december 1937)
In 1924


De Duitse dichter Rolf Schilling werd geboren in Nordhausen in de Harz op 11 april 1950. Zie ook alle tags voor Rolf Schilling op dit blog.

Vision einer Reise

Wir brachen auf — ins Unermeßliche —
So dachten wir dereinst — und keiner wagt
Den Widerspruch. Wir schauten häßliche
Gesichter, von der tollen Zeit zernagt.

Wir sahen tote Augen aufwärts starren
Aus schwarzen Särgen, Winterwind-umtost.
Papierne Vögel hielten uns zum Narren,
Umschwirrten uns und brachten keinen Trost.

Wir sahen Wälder in erfrorne Himmel ragen,
Und erst danach fand unser Weg zu Zielen:
Uns zu erwärmen, flohen wir und fielen
Zurück ins bürgerliche Wohlbehagen.

Was bleibt von den vergangenen Ekstasen?
Ein Hauch verfaulter Luft in leeren Vasen.

Rolf Schilling (Nordhausen, 11 april 1950)


De Hongaarse schrijver Sándor Márai werd geboren op 11 april 1900 in Kassa (nu Košice, Slowakije). Zie ook alle tags voor Sándor Márai op dit blog.

Uit: Embers (Vertaald door Carol Janeway)

“The General took out the letter, carefully smoothed the paper, set his glasses on his nose and placed the sheet under the bright light to read the straight short lines of angular handwriting, his arms folded behind his back.
There was a calendar hanging on the wall. Its fist-sized numbers showed August 14. The General looked up at the ceiling and counted: August 14. July 2. He was calculating how much time had elapsed between that long-ago day and today. “Forty-one years,” he said finally, half aloud. Recently he had been talking to himself even when he was alone in the room. “Forty years,” he then said, confused, and blushed like a school- boy who’s stumbled in the middle of a lesson, tilted his head back and closed his watering eyes. His neck reddened and bulged over the maize-yellow collar of his jacket. “July 2, 1899, was the day of the hunt,” he murmured, then fell silent. Propping his elbows on the desk like a student at his studies, he went back to staring anxiously at the letter with its brief handwritten message. “Forty-one,” he said again, hoarsely. “And forty-three days. Yes, exactly.”
He seemed calmer now, and began to walk up and down. The room had a vaulted ceiling, supported by a central column. It had once been two rooms, a bedroom, and a dressing room.
Many years ago–he thought only in decades, anything more exact upset him, as if he might be reminded of things he would rather forget–he had had the wall between the two rooms torn down. Only the column holding up the central vault remained. The castle had been built two hundred years earlier by an army supplier who sold oats to the Austrian cavalry and in course of time was promoted to the nobility. The General had been born here in this room.”

Sándor Márai (11 april 1900 – 22 februari 1989)


Zie voor nog meer schrijvers van de 11e april ook mijn vorige twee blogs van vandaag.