Marie Kessels, Christoph W. Bauer

De Nederlandse schrijfster Marie Kessels werd geboren in Nederweert op 11 december 1954. Zie ook alle tags voor Marie Kessels op dit blog.

Uit: Het lichtatelier

“Adembenemend mooi is het in elkaar grijpen van de papiervezels in het schepraam, dat ik al bijna met de soepele bewegingen van de ware papiermaker in de plastic bak met plantenpulp onderdompel en vliegensvlug naar me toe trek en optil tot boven de rand van de bak, zodat het overtollige water door de mazen of gaatjes van de zeef kan weglopen.
Eerst is het schepraam vol als een enorme bierpul met een kop van glinsterend schuim, dat nog trilt van de spuitmond van de tapkraan. Dan zakt de glinsterende massa langzaam in elkaar, terwijl ik de zeef schud en haastig nog wat papierpulp over de randen van het schepraam gooi om van het schuimende mengsel alleen nog een egaal vlies op de zeef over te houden.
Het oogvlies van de spiedende arend wordt dof, denk ik op het moment dat de papiervezels in een paar tellen een zo grote gedaanteverandering ondergaan dat hun plotselinge roerloze verschijningsvorm me doet duizelen.
Daar is mijn vel papier, op de bodem van het schepraam, waarvan ik nu voorzichtig het deksel moet verwijderen om de zeef met het vel erop te kunnen omkieperen op een stuk vlieseline.
Daar is al mijn vel papier!
Na dagen voorbereiding kan het niet meer wachten om kant-en-klaar tevoorschijn te komen, nog nat en slap, met diepe, gloeiende kleuren die straks bij het drogen zullen verbleken, maar verder helemaal af, helemaal voltooid, helemaal ten einde gevoerd met een razendsnelle zwaai van mijn armen, zodat de druipende zeef vacuüm getrokken wordt. Eén zwaai naar me toe en daarna driftige schudbewegingen, waarbij mijn handen zich vast om de twee helften van het schepraam klemmen.
Vergeleken bij die paar hectische seconden waarin heel veel tegelijkertijd gebeurt, is het omkeren van de zeef en het vastdrukken van het vel papier op een stuk nat vlieseline een langzame, bezonnen, plechtige en ook wat treurige handeling, die de nieuwsgierigheid bevredigt maar het hart leeg laat, zoals een bedachtzame liefkozing ons hart leeg kan laten zodra we eenmaal naar de toppen van de lust zijn opgestegen.
Toch is dit behoedzame koetsen van mijn vel papier en het lostrekken van de zeef net zo goed een magische daad, die het papier definitief een eigen leven geeft. Mooier dan op dit ogenblik van prille zelfstandigheid zal het nooit meer worden – het overtollige water stróómt alle kanten uit over de plank die als ondergrond dient en het papier schuimt en glanst en gloeit, en de randen ervan trillen als schijnvoetjes zonder dat hun onregelmatige vorm verandert of ook maar een millimeter van plaats verschuift.”

 

Marie Kessels (Nederweert, 11 december 1954)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Christoph W. Bauer werd geboren in Kolbnitz op 11 december 1968 (niet 26 september). Zie ook mijn blog van 26 september 2010 en ook alle tags voor Christoph W. Bauer op dit blog.

 

eufraat en tigris twee paradijselijke

eufraat en tigris twee paradijselijke
stromen ze komen vanuit de verticale
in de mozaïsche religie als in het
geloof van de indiërs ganges brahmapoetra
indus en oxus geen legendes rond het
leven van boeddha zonder oever geen johannes

geen orpheus en ook geen narcis die
de dood over het hoofd zag toen hij ertegenover
hurkte afgeleid door het vuurwerk van een
liefde die weet hoe ze zichzelf moet verdedigen van

het ene oorlogsjaar naar het andere aanvallen
verzilvert als spreekwoorden uit de minuten
sijpelen spinsels vechten zich een weg door
de windstilte als colonnes vermoeide soldaten
die denken dat ze op weg naar huis zijn en
geen idee waar de stroom hen heen

drijft als de wind opsteekt bobrowski
plotseling uit de in de kust lekkende
avond metaforen gieten lood in
de hielen en alle rivieren slechts preludes

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph W. Bauer (Kolbnitz, 11 december 1968)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e december ook mijn blog van 11 december 2018 en eveneens mijn blog van 11 december 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Karl Heinrich Waggerl, Emily Dickinson

De Oostenrijkse schrijver Karl Heinrich Waggerl werd geboren op 10 december 1897 in Bad Gastein. Zie ook alle tags voor Karl Heinrich Waggerl op dit blog.

Uit: Die stillste Zeit im Jahr

„Aber in meinem Bubenalter war es keineswegs die stillste Zeit. In diesen Wochen lief die Mutter mit hochroten Wangen herum, wie mit Sprengpulver geladen, und die Luft in der Küche war sozusagen geschwängert mit Ohrfeigen. Dabei roch die Mutter so unbeschreiblich gut, überhaupt ist ja der Advent die Zeit der köstlichen Gerüche. Es duftet nach Wachslichtern, nach angesengtem Reisig, nach Weihrauch und Bratäpfeln. Ich sage ja nichts gegen Lavendel und Rosenwasser, aber Vanille riecht doch eigentlich viel besser, oder Zimt und Mandeln.
Mich ereilten dann die qualvollen Stunden des Teigrührens. Vier Vaterunser das Fett, drei die Eier, ein ganzer Rosenkranz für Zucker und Mehl. Die Mutter hatte die Gewohnheit, alles Zeitliche in ihrer Kochkunst nach Vaterunsern zu bemessen, aber die mußten laut und sorgfältig gebetet werden, damit ich keine Gelegenheit fände, den Finger in den köstlichen Teig zu tauchen. Wenn ich nur erst den Bubenstrümpfen entwachsen wäre, schwor ich mir damals, dann wollte ich eine ganze Schüssel voll Kuchenteig aufessen, und die Köchin sollte beim geheizten Ofen stehen und mir dabei zuschauen müssen! Aber leider, das ist einer von den Knabenträumen geblieben, die sich nie erfüllt haben.
Am Abend nach dem Essen wurde der Schmuck für den Christbaum erzeugt. Auch das war ein unheilschwangeres Geschäft. Damals konnte man noch ein Buch echten Blattgoldes für ein paar Kreuzer beim Krämer kaufen. Aber nun galt es, Nüsse in Leimwasser zu tauchen und ein hauchdünnes Goldhäutchen herumzublasen. Das Schwierige bei der Sache war, daß man vorher nirgendwo Luft von sich geben durfte. Wir saßen alle in der Runde und liefen braunrot an vor Atemnot, und dann geschah es eben doch, daß jemand plötzlich niesen mußte. Im gleichen Augenblick segelte eine Wolke von glänzenden Schmetterlingen durch die Stube. Einerlei, wer den Zauber verschuldet hatte, das Kopfstück bekam jedenfalls ich, obwohl es nur bewirkte, daß sich der goldene Unsegen von neuem in die Lüfte hob. Ich wurde dann in die Schlafkammer verbannt und mußte Silberpapier um Lebkuchen wickeln, um ungezählte Lebkuchen.
Kurz vor dem Fest, sinnigerweise am Tag des ungläubigen Thomas, mußte der Wunschzettel für das Christkind geschrieben werden, ohne Kleckse und Fehler, versteht sich, und mit Farben sauber ausgemalt. Zuoberst verzeichnete ich anstandshalber, was ja ohnehin von selber eintraf, die Pudelhaube oder jene Art von Wollstrümpfen, die so entsetzlich bissen, als ob sie mit Ameisen gefüllte wären. Darunter aber schrieb ich Jahr für Jahr mit hoffnungsloser Geduld den kühnsten meiner Träume, den Anker-Steinbaukasten, ein Wunderwerk nach allem, was ich davon gehört hatte. Ich glaube ja heute noch, daß sogar die Architekten der Jahrhundertwende ihre Eingebungen von dorther bezogen haben.“

 

Karl Heinrich Waggerl (10 december 1897 – 4 november 1973)

 

De Amerikaanse dichteres Emily Dickinson werd geboren op 10 december 1830 in Amherst, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Emily Dickinson op dit blog.

 

I Years had been from Home

‘k Was jaren weg van huis geweest.
Toen stond ik er, de deur was dicht;
ik durfde hem niet open doen
omdat een onbekend gezicht

mij niet-begrijpend aan kon zien
en vragen wat ik wou.
Ik zocht een leven dat misschien
daar niet meer wezen zou.

Ik keek van raam naar raam,
zocht stunt’lig naar een woord.
De stilte van een oceaan
sloeg stuk tegen mijn oor.

Ik lachte met een lach van hout.
Dat angst voor deuren heeft
die dood en dreiging heeft aanschouwd
maar nimmer heeft gebeefd!

Ik legde op de klink
een aarzelende hand,
omdat zo’n deur soms openspringt;
en wie houdt dan nog stand?

Ik trok mijn vingers trug
als waren ze van glas.
Ik hield mijn beide oren vast,
nam als een dief de vlucht.

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

Emily Dickinson (10 december 1830 – 15 mei 1886)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e december ook mijn blog van 10 december 2018 en ook mijn blog van 10 december 2017 deel 3.

Thomas Verbogt, Eileen Myles

De Nederlandse schrijver Thomas Verbogt werd op 9 december 1952 geboren in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Thomas Verbogt op dit blog.

Uit: Hoe alles moest beginnen

“Onze lach
Het park mik ik al voordat ik het zie, een geur waarvan ik houd, het is de geur van de dag die nog maar kort geleden begonnen is, er zit licht in en beloftes. Alleen al daarom loop ik er elke dag doorheen. Het is de lente van 1992, ik ben naar de supermarkt geweest en nu op weg naar huis. Op een bank bij de ingang van het park zit een zware Oost-Europese man die op zijn klarinet swingend ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ speelt. Waarschijnlijk is hij net hier en hebben zijn musicerende landgenoten hem een loer willen draaien: ‘Speel dat maar. Daar zijn die Hollanders dol op.’ Een moeder duwt haar jonge dochter haastig voor zich uit, bang iets te moeten uitleggen. Als ik al veel verder ben, hoor ik het lied nog, een nieuwe variatie, nog steeds swingend. Ik ga op een bank bij de vijver zitten, en dan is het ineens een zondagnamiddag in december, ik ben bijna acht Ik loop naar het huis van Licia. Ze komt al naar buiten. We gaan naar het wijkgebouw, vier straten verder, waar die middag een paar films van Laurel en Hardy worden vertoond. Daar zijn we gek op, zo kijken we graag naar de wereld van volwassenen. In een zijstraat in de buurt van het wijkgebouw stopt een bestelbusje waarop in grote rode letters staat KWALITEIT IS ONZE RECLAME, en ook een naam, maar die naam zegt ons niets. Over zo’n slogan kunnen we lang praten, maar daar komen we nu niet toe, want uit het busje stappen Sinterklaas en een Zwarte Piet Ze hebben ruzie, en niet zo’n beetje ook. We horen dat het over geld gaat, maar snappen er verder niet veel van. En als Zwarte Piet Sinterklaas nijdig een duw geeft, krijgen we de slappe lach. Zwarte Piet beent op ons af en briest ‘Wat valt er te lachen?’ We maken ons uit de voeten. In het wijkgebouw lachen we even later harder dan de andere kinderen, opgelucht dat we onze lach alle ruimte mogen geven. Een van de films was die waarin Oliver Hardy met een gebroken been in het ziekenhuis ligt en Stan Laurel hem met een zak noten en hardgekookte eieren komt opzoeken. Die film zie ik nog regelmatig en telkens voel ik onze lach. Ik geloof dat veel van ons intens was, onze vrolijkheid, onze ernst, onze nieuwsgierigheid en vooral onze vriendschap.
Er zijn niet veel mensen in het park. De klarinettist hoor ik niet meer. Misschien heeft iemand hem gewezen op de ongelukkige muziekkeuze. liet komt natuurlijk door de herinnering van zojuist dat ik Licia het park in zie lopen, door de ingang recht tegenover me. Het is net alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Ze ziet me zitten, ze zwaait en terwijl ze dat doet, buigt ze even haar hoofd. liet is zo vreemd, ik weet dat het niet waar is, maar tegelijkertijd weet ik het ook niet zeker. Waarom komt Licia er niet aan? Waarom komt ze niet uit onze gelukkige tijd door al die jaren heen opnieuw naar me toe, alsof we het leven opnieuw gaan veroveren? En dat we opnieuw zeggen dat we niet zonder elkaar kunnen, natuurlijk niet, dat we onszelf alsjeblief niets moeten wijsmaken. De gedachte, het beeld, het vooruitzicht beneemt me bijna de adem, ik voel tranen in mijn ogen, ik wil opstaan, ik wil ook zwaaien, maar het is net alsof er iets is wat me zo zwaar maakt dat ik me niet kan bewegen.”

 

Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Eileen Myles werd geboren in Boston, Massachusetts, op 9 december 1949. Zie ook alle tags voor Eileen Myles op dit blog.

 

Film

Je bent als
een beetje fruit
je bent als
een maan die ik wil
vasthouden
Ik zei citroenglooiing
over jouw
heup
omdat het een
van mijn woorden is
over jou
dat ik fluisterde
in bed
dit fijnwrijven,
van het fruit &
dan alleen
met mijn boek
maar erin
schrijvend de pagina’s
wapperend
tegen mijn knokkels
in het
licht als een
zeil.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Eileen Myles (Boston, 9 december 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e december ook mijn blog van 9 december 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Mary Gordon, Delmore Schwartz

De Amerikaanse schrijfster Mary Catherine Gordon werd geboren op 8 december 1949 in Far Rockaway, New York. Zie ook alle tags voor Mary Gordon op dit blog.

Uit: Payback

“The Arizona sun is strong this February afternoon, but all the women are quite cool and comfortable. You might think that they chose the colors of their shorts and sleeveless tops to match the colors of the fruits they are eating: cantaloupe, watermelon, honeydew. Their fingernails and toenails are painted in various shades of opalescence: silver, rose, robin’s-egg blue. This is their weekly ritual: water aerobics, a manicure, a pedicure, then lunch (raw fruits, raw vegetables, whey protein–enriched smoothies) in front of one of their wall-sized TVs. Their children are grown; their husbands are somewhere.
They are waiting for the show that is their favorite, and for which they feel a proprietary pride because it started as a local cable show here in their own Brimston and has now gone national. But they knew it when.
“I just love her. I always have.”
“I’m crazy about everything about her.”
“When she goes after someone, I just feel good about things, like the world’s on the right track.”
“Blah blah blah and boo hoo hoo,” they say, imitating Quin’s inflection, toasting each other with their pastel smoothies.
#
“Good afternoon, lovers of justice. This is Quin Archer. And this is PAYBACK.
“Today’s show exposes a greedy dishonest father, Winston La Marr. He cheated his daughter Cindy of a legacy left by her grandmother and fled the country with a new woman. Cindy’s loving grandmother, Thelma La Marr, Winston’s mother, created a trust to ensure that her granddaughter would always be provided for . . . she particularly wanted Cindy to have a college education. But she was too trusting . . . perhaps not in her right mind . . . and the trust was set up with only herself and Winston as trustees, not Cindy. She felt secure giving Winston the money to invest, and he invested it in what were called ‘bearer bonds.’ Bearer bonds, my friends, are named as they are precisely because anyone holding them in their hand . . . or bearing them . . . can cash them in. And that is precisely what Winston La Marr did. Cashed in the bonds, fled the country, leaving his daughter impoverished.
“We’ve connected with him in this leafy upscale suburb of Philadelphia, an idyllic setting, my friends, I’m sure you all agree. Observe the wide, quiet street, the lush old trees. But I’m here to tell you that for Cindy growing up, life was far from idyllic. She went from living a comfortable middle-class life to being an impoverished child of a working mother—her mother went back to work as a secretary when her husband left and barely made ends meet—so Cindy was the victim and her victimizer went scot-free. Time and the world healed her; she is a brave, brave woman—married for thirty-six years with two lovely daughters and five sweet grandkids—until today. Because we’re here, all of us, you and I, and finally the victim will no longer be a victim but a payee. When she will get her PAYBACK.”

 

Mary Gordon (Far Rockaway, 8 december 1949)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Delmore Schwartz werd geboren op 8 december 1913 in New York. Zie ook alle tags voor Delmore Schwarz op dit blog.

 

Honden zijn Shakespeariaans, kinderen zijn vreemden

Honden zijn Shakespeariaans, kinderen zijn vreemden.
Laat Freud en Wordsworth over het kind spreken,
Engelen en platonisten zullen de hond beoordelen,
De rennende hond, die inhield, zijn neusgaten uitzette,
Daarna blafte en jankte; de jongen die zijn zusje kneep,
Het kleine meisje dat het lied van Driekoningenavond zong,
Alsof ze de wind en regen begreep,
De hond die kreunde terwijl hij de violen in concert hoorde.
—O, ik ben bedroefd als ik honden of kinderen zie!
Want ze zijn vreemden, ze zijn Shakespeariaans.

Vertel ons, Freud, kan het zijn dat lieve kinderen
Alleen maar lelijk dromen over natuurlijke functies?
En ook jij, Wordsworth, worden kinderen echt
Overschaduwd door glorie, ontleend aan de donkere natuur?
De hond die nederig langs de grond speurt ,
Het kind dat gelooft in dromen en bang is voor het donker,
Weten meer en minder dan jij: zij weten het heel goed
Noch droom noch kindertijd beantwoorden vragen goed:
Ook jullie zijn vreemden, kinderen zijn Shakespeariaans.

Kijk naar het kind, kijk naar het dier,
Verwelkom vreemden, maar bestudeer de dagelijkse dingen,
Wetende dat hemel en hel ons omringen,
Maar dit, dit wat we zeggen voordat het ons spijt,
Dit wat we leven achter onze onzichtbare gezichten,
Is noch droom, noch kindertijd, noch
Mythe, noch landschap, definitief, noch voltooid,
Want wij zijn incompleet en kennen geen toekomst,
En we jammeren of dansen onze ziel eruit
In kloppende lettergrepen voor het doek:
We zijn Shakespeariaans, we zijn vreemden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Delmore Schwartz (8 december 1913 – 11 juli 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e december ook mijn blog van 8 december 2020 en eveneens mijn blog van 8 december 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Dirk Stermann, Michael Krüger

De Duits-Oostenrijkse schrijver, presentator en cabaretier Dirk Stermann werd geboren op 7 december 1965 in Duisburg. Zie ook alle tags voor Dirk Stermann op dit blog.

Uit: Stoß im Himmel (Superknut)

„Ich stieg am Karlsplatz aus und ging am Musikverein mit seinem berühmten Goldenen Saal vorbei und am Hotel Imperial zum Ring. Es war Viertel nach neun, die Luft war klar, und Wien sah aus, als stünde ein Schönheitswettbewerb an, bei dem sich die Stadt einiges ausrechnete.
Ich schlenderte quer durch den ersten Bezirk, am Café Schwarzenberg, der Walfischgasse und dem Haus der Musik vorbei, über die Seilerstätte und die Himmelpfortgasse.
Vor dem Café Frauenhuber saßen drei Damen und spielten Karten. Die Kärntner Straße ging ich hinauf, über den Stephansplatz, den Graben und die Tuchlauben zu den Neun Chören der Engel und dann über den Judenplatz zur Schwertgasse.
Im »Sztuhlbein« schimpfte ein Israeli, wir seien alle Antisemiten, weil sich jemand darüber beschwert hatte, dass er rauchte. Er sah aus, als sei er schon einmal gestorben, Er war kugelrund, hatte eine Stoppelglatze, ein lächerlich weißes Gebiss und fleischige Lippen, die immer feucht waren, so als würde er sie immer wieder mit Schmalz einreiben. Er erinnerte mich an meinen russischen Freund Aleksey, den ich am Naschmarkt kennengelernt habe. Wir standen damals nebeneinander bei »Prof. Falafel« und warteten auf die ganz frischen Falafeln, die Gözde, mein Lieblingsfalafelverkäufer, gerade für uns zubereitete. Am Naschmarkt war eine Art Falafelkrieg ausgebrochen. »Dr. Falafel« hatte dort zwei Stände, mit großartigen Falafeln. Eine Großfamilie aus Israel betrieb sie. Sie waren Marktführer, bis »Prof. Falafel« eröffnete, eine jordanisch-ägyptische Großfamilie, für die Gözde arbeitete. Ein lukullischer Nahostkonflikt.
Mit seinen dicken Fingern bediente sich Aleksey aus einem 500-Gramm-Schälchen mit Humus. Seine ganze Hand war voll klebrigem Kichererbsenpüree und Sesampaste. Er sei Geschäftsmann, sagte er. Als er bemerkte, dass ich Deutscher war, erzählte er mir, er sei 1989 Handelsattaché der UdSSR in West-Berlin gewesen. Die amerikanischen Kollegen hätten ihn damals gewarnt: »Ihr müsst aufpassen«, sagten die Amerikaner. »Euer Gorbatschow, auf den müsst ihr
aufpassen!«
Aleksey fuhr jetzt direkt mit der Zunge in den Humus.
»Natürlich«, schmatzte er, »die Amis hatten Angst, dass sich was verändert. Für sie persönlich. Jeder von den Offizieren hatte in Berlin eine Villa, voll eingerichtet, vom Schirmständer bis zum Klopapierhalter. Das hat alles die Bundesrepublik bezahlt. Die Amerikaner haben schön blöd geschaut, als das vorbei war. Von wegen: ›Mr Gorbatschow, tear down this wall.‹ Einen Scheiß wollten die. Die hätten eher mitgeholfen, die Mauer noch ein bisschen höher zu bauen. Phantastische Villen waren das – Grunewald, Wannsee … Vom Feinsten!«

 

Dirk Stermann (Duisburg, 7 december 1965)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Michael Krüger werd geboren op 9 december 1943 in Wittgendorf. Zie ook alle tags Michael Krüger op dit blog.

 

Berlijn, stad van mijn kindertijd

Aan het einde van de straat, daar
waar er een knik in zit,
zodat je niet ziet
of hij doorloopt,

staat een oude hond,
die duidelijk niet weet
hoe hij thuiskomt.
Mij gaat het net zo.

Ik was er vrij zeker van
dat ik hier ooit heb gewoond.
In het huis aan de overkant
werd destijds een bom onschadelijk gemaakt.

Een jonge vrouw brengt triomfantelijk
haar afval naar de container,
alsof het haar hele leven bevat.
Weg ermee. Ze observeert me lang,

maar komt tot andere conclusies.
Vanuit een open raam
dringt het huilen van een kind door.
Het moet dit huis zijn geweest.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Krüger (Wittgendorf, 9 december 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e december ook mijn blog van 7 december 2020 en eveneens mijn blog van 7 december 2018 en eveneens mijn blog van 7 december 2014 deel 2.

Julia Kasdorf, Evelyn Underhill

De Amerikaanse dichteres Julia Mae Spicher Kasdorf werd geboren op 6 december 1962 in Lewistown, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Julia Kasdorf op dit blog.

 

A Family History

At dusk the girl who will become my mom
must trudge through the snow, her legs
cold under skirts, a bandanna tight on her braids.
In the henhouse, a klook pecks her chapped hand
as she pulls a warm egg from under its breast.
This girl will always hate hens,
and she already knows she won’t marry a farmer.
In a dim barn, my father, a boy, forks hay
under the holsteins’ steaming noses.
They sway on their hooves and swat dangerous tails,
but he is thinking of snow, how it blows
across the gray pond scribbled with skate tracks,
of the small blaze on its shore, and the boys
in black coats who skate hand-in-hand
round and round, building up speed
until the leader cracks that whip
of mittens and arms, and it jerks around
fast, flinging off the last boy.
He’d be that one- flung like a spark
trailing only his scarf.

 

First Gestures

Among the first we learn is good-bye,
your tiny wrist between Dad’s forefinger
and thumb forced to wave bye-bye to Mom,
whose hand sails brightly behind a windshield.
Then it’s done to make us follow:
in a crowded mall, a woman waves, “Bye,
we’re leaving,” and her son stands firm
sobbing, until at last he runs after her,
among shoppers drifting like sharks
who must drag their great hulks
underwater, even in sleep, or drown.

Living, we cover vast territories;
imagine your life drawn on a map–
a scribble on the town where you grew up,
each bus trip traced between school
and home, or a clean line across the sea
to a place you flew once. Think of the time
and things we accumulate, all the while growing
more conscious of losing and leaving. Aging,
our bodies collect wrinkles and scars
for each place the world would not give
under our weight. Our thoughts get laced
with strange aches, sweet as the final chord
that hangs in a guitar’s blond torso.

Think how a particular ridge of hills
from a summer of your childhood grows
in significance, or one hour of light–
late afternoon, say, when thick sun flings
the shadow of Virginia creeper vines
across the wall of a tiny, white room
where a girl makes love for the first time.
Its leaves tremble like small hands
against the screen while she weeps
in the arms of her bewildered lover.
She’s too young to see that as we gather
losses, we may also grow in love;
as in passion, the body shudders
and clutches what it must release.

 

Een familiegeschiedenis

In de schemering moet het meisje dat mijn moeder zal worden
door de sneeuw sjokken, met koude benen
onder haar rok, een bandana strak om haar vlechten.

In het kippenhok pikt een kloek naar haar gebarsten hand,
terwijl ze een warm ei onder haar borst vandaan trekt.
Dit meisje zal altijd een hekel hebben aan kippen,
en ze weet al dat ze niet met een boer zal trouwen.
In een schemerige schuur, mijn vader, een jongen, schept hooi
onder de dampende neuzen van de holsteiners.
Ze zwaaien op hun hoeven en slaan gevaarlijk met de staart,
maar hij denkt aan sneeuw, hoe hij waait
over de grijze vijver, bekrast met schaatssporen,
aan de kleine vuurgloed op de oever, en de jongens
in zwarte jassen die hand in hand schaatsen,
alsmaar rond, snelheid opbouwend
totdat de leider die gesel van wanten en armen
doet kraken, en hij snel rond-
flitst, de laatste jongen van zich afschudt.
Hij zou die ene zijn – afgeschud als een vonkje,
alleen achter zijn sjaal aan.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Julia Kasdorf (Lewistown, 6 december 1962)

 

De Engelse dichteres Anglo-katholieke mystica en theologe  Evelyn Underhill werd geboren op 6 december 1875 in Wolverhampton, Staffordshire.  Zie ook alle tags voor Evelyn Underhillop dit blog.

 

The Naval Reserve

From the undiscovered deep
Where the blessed lie at ease —
Since the ancient navies keep
Empire of the heavenly seas —
Back they come, the mighty dead,
Quick to serve where they have led.

Rushing on the homeward gale,
Swift they come, to seek their place
Where the grey flotillas sail,
Where the children of their race
Now against the foe maintain
All they gave their lives to gain.

Rank on rank, the admirals
Rally to their old commands;
Where the crash of battle falls,
There the one-armed hero stands.
Loud upon his phantom mast
Speak the signals of the past.

Where upon the friendly wave
Stand our squadrons as of old,
Where the lonely deed and brave
Shall the ancient torch uphold —
Strive for England, side by side,
Those who live and those who died.

 

Evelyn Underhill (6 december 1875 – 15 juni 1941)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e december ook mijn blog van 6 december 2018 en ook mijn blog van 6 december 2017

Alleen voor volwassenen (Godfried Bomans)

 

Bij Sinterklaas

 

 

Uit:  Alleen voor volwassenen

“Nu het sinterklaasfeest nadat, komt mij een gebeurtenis in herinnering uit mijn Nijmeegse studententijd. Nijmegen had toen een zogenaamde stads-sinterklaas, een functie, die jarenlang op bevredigende wijze ver-vuld werd door een gepensioneerd majoor bij de cavale-rie, van Titsen genaamd. De man kon werkelijk paard-rijden en het was een stichtende aanblik hem, voorover op het paard liggend, met de mijter diep in het voor-hoofd gedrukt en de tabbaard als een vaan achter zich aanwapperend, door de binnenstad te zien voortjagen. De jeugd voelde, dat er met deze oude niet te schertsen viel. Hiermee waren zijn mogelijkheden echter uit-geput, want eenmaal op het bordes van het stadhuis aangeland, had hij de aldaar verzamelde menigte volstrekt niets te zeggen. Hij bepaalde zich tot zegenin-gen, die hij met de linkerhand achteloos uitvoerde, terwijl hij met de rechter af en toe een glaasje tot zich nam. De plaatselijke geestelijkheid nam hier terecht aanstoot aan en men zag om naar een nieuwe bisschop. De keuze viel op Piet Ramakers. Ramakers was een der kroegtijgers van de sociëteit. In het grijs verleden had hij zich voor de beoefening der rechtswetenschap ingeschreven en sindsdien geen bal meer uitgevoerd. Zulke figuren zijn altijd populair en wel om een eigenaardige reden. De meeste studenten willen de indruk wekken van niet te studeren. Zij doen echter op tijd hun examens. De bedoeling van deze fictie is, dat hun vorderingen aan louter genialiteit worden toegeschreven. De aanwezigheid nu van ie-mand, die dit ook werkelijk niet doet, geeft aan het sprookje een soort waarschijnlijkheid, die het anders niet hebben zou. Hij neemt het risico op zich van niets te doen, zijn vrienden tooien zich met dit geleende aureool en komen toch vooruit. Het is zijn functie een bepaalde studentikoze houding waar te maken. In zijn persoon vertegenwoordigt hij datgene, wat gebeurt, ais men niet werkt en tevens onbegaafd is. Hij bewijst de genialiteit der anderen. In ruil hiervoor ontvangt hij onkwetsbaarheid.
Ramakers was er onmiddellijk voor te vinden. Hij weigerde echter paard te rijden, omdat hij die kunst niet machtig was. Men opperde nu het idee, dat hij zich aan de andere kant van de Waal zou opstellen om zich daarna in vol ornaat over de brug naar Nijmegen te bewegen. Ook hiertegen had Ramakers bezwaren. Hij meende, dat het van geen sterfelijk mens gevergd kon worden om bijna een kilometer, van Lent naar Nijmegen, bisschoppelijk voort te schrijden. De grote afstand en de forse windkracht maakten dit liturgisch onuitvoerbaar. Toen kwam iemand op de gedachte van een roeiboot. Sinterklaas zou in een sloep plaats nemen, die gesleept werd door een aantal kleinere bootjes, geroeid door Zwarte Pieten. Gezien de sterke stuwing van de Waal zou men aan de andere oever een flink eind stroomopwaarts van wal steken om precies aan de voet van de steile Grotestraat de Nijmeegse grond te betreden.”

 

Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)
Godfried Bomans als Sinterklaas in 1967

 

Zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn blog van 5 december 2018.

Zie ook mijn vorige blog van vandaag.

Advent (Inge Lievaart), Rainer Maria Rilke

 

Bij de Tweede Advent

 

De Annunciatie door Nicolas Poussin, 1657

 

Advent


Ik wou mijn hart versieren
dat het Hem waardig werd:
met glinsterende deugden
vond Hij de deur versperd.

Toen wou ik het ontruimen
dat Hij het leeg aantrof:
vergeefs, de bezem van ’t berouw
verdichtte slechts het stof.

Ten einde raad besloten
om dan maar niets te doen:
zag ik mijn deur-van-wacht-maar-af
voorbijgaan als toen.

Geen deugdelijk berouwen,
noch deugdelijke daad
of deugdelijk onthouden
gaf recht op zijn gelaat.

Maar toen ik moest erkennen:
‘Ik heb voor U slechts schuld,
geen plaats, geen eer, geen liefde’:
heeft Hij mijn hart vervuld.

 

Inge Lievaart (14 april 1917 – 15 oktober 2012)
De Maartenskerk in Oosterend (Texel), de geboorteplaats van Inge Lievaert

 

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

 

De Boodschap aan Maria

Niet dat een engel binnentrad (daarom)
ontstelde haar. Zo min als andren om
een zonnestraal of maneschijn bij nacht
die in hun kamer stoornis heeft gebracht,
opvliegen -, werd zij wegens de figuur
waarin deze engel ging, gram te moede;
het ontging haar haast, hoe de weg naar hier
hard voor englen is. (O als wij bevroedden
hoe rein ze was. Werd een hinde op ’t zicht
van haar gelaat, die eens in ’t bos haar boeide,
niet zo diep geraakt, dat op de stond hier,
en zonder paar, uit haar de eenhoorn groeide,
het dier uit licht, het reine dier -.)
Niet dat hij binnentrad, maar dat hij dicht,
als van een jongeling het aangezicht,
zo bij haar bracht; dat zijn blik en degeen
waarmee zij keek, zo in elkander sloegen
als was daarbuiten alles eensklaps heen
en, wat miljoenen zagen, wilden, droegen,
in haar bijeengegaard: die twee alleen;
zien en ’t geziene, oog en oogverblijden
nergens anders dan op deze plaats -: zie,
dat veroorzaakt schrik. En zij schrokken beiden.

Dan zong de engel haar zijn melodie.

 

Vertaald door Jozef van Acker

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Italiaanse uitgave van Rilkes gedichten

 

Zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn blog van 5 december 2018.

Rainer Maria Rilke

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

Die zweite Elegie

JEDER Engel ist schrecklich. Und dennoch, weh mir,
ansing ich euch, fast tödliche Vögel der Seele,
wissend um euch. Wohin sind die Tage Tobiae,
da der Strahlendsten einer stand an der einfachen Haustür,
zur Reise ein wenig verkleidet und schon nicht mehr furchtbar; (Jüngling dem Jüngling, wie er neugierig hinaussah).
Träte der Erzengel jetzt, der gefährliche, hinter den Sternen
eines Schrittes nur nieder und herwärts: hochauf-
schlagend erschlüg uns das eigene Herz. Wer seid ihr?
Frühe Geglückte, ihr Verwöhnten der Schöpfung, Höhenzüge, morgenrötliche Grate
aller Erschaffung, – Pollen der blühenden Gottheit,
Gelenke des Lichtes, Gänge, Treppen, Throne,
Räume aus Wesen, Schilde aus Wonne, Tumulte
stürmisch entzückten Gefühls und plötzlich, einzeln, Spiegel, die die entströmte eigene Schönheit
wiederschöpfen zurück in das eigene Antlitz.
Denn wir, wo wir fühlen, verflüchtigen; ach wir
atmen uns aus und dahin; von Holzglut zu Holzglut

geben wir schwächern Geruch. Da sagt uns wohl einer: ja, du gehst mir ins Blut, dieses Zimmer, der Frühling
füllt sich mit dir . . . Was hilfts, er kann uns nicht halten,
wir schwinden in ihm und um ihn. Und jene, die schön sind,
o wer hält sie zurück? Unaufhörlich steht Anschein
auf in ihrem Gesicht und geht fort. Wie Tau von dem Frühgras hebt sich das Unsre von uns, wie die Hitze von einem
heissen Gericht. O Lächeln, wohin? O Aufschaun:
neue, warme, entgehende Welle des Herzens -;
weh mir: wir s i n d s doch. Schmeckt denn der Weltraum,
in den wir uns lösen, nach uns? Fangen die Engel wirklich nur Ihriges auf, ihnen Entströmtes,
oder ist manchmal, wie aus Versehen, ein wenig
unseres Wesens dabei? Sind wir in ihre
Züge soviel nur gemischt wie das Vage in die Gesichter
schwangerer Frauen? Sie merken es nicht in dem Wirbel ihrer Rückkehr zu sich. (Wie sollten sie’s merken.)
Liebende könnten, verstünden sie’s, in der Nachtluft
wunderlich reden. Denn es scheint, dass uns alles
verheimlicht. Siehe, die Bäume sind; die Häuser,
die wir bewohnen, bestehn noch. Wir nur ziehen allem vorbei wie ein luftiger Austausch.
Und alles ist einig, uns zu verschweigen, halb als
Schande vielleicht und halb als unsägliche Hoffnung.

Liebende, euch, ihr in einander Genügten,
frag ich nach uns. Ihr greift euch. Habt ihr Beweise? Seht, mir geschiehts, dass meine Hände einander

inne werden oder dass mein gebrauchtes
Gesicht in ihnen sich schont. Das gibt mir ein wenig
Empfindung. Doch wer wagte darum schon zu sein?
Ihr aber, die ihr im Entzücken des anderen zunehmt, bis er euch überwältigt
anfleht: nicht m e h r -; die ihr unter den Händen
euch reichlicher werdet wie Traubenjahre;
die ihr manchmal vergeht, nur weil der andre
ganz überhandnimmt: euch frag ich nach uns. Ich weiss, ihr berührt euch so selig, weil die Liebkosung verhält,
weil die Stelle nicht schwindet, die ihr, Zärtliche,
zudeckt; weil ihr darunter das reine
Dauern verspürt. So versprecht ihr euch Ewigkeit fast
von der Umarmung. Und doch, wenn ihr der ersten Blicke Schrecken besteht und die Sehnsucht am Fenster
und den ersten gemeinsamen Gang, e i n m a l durch den Garten:
Liebende, seid ihrs dann noch? Wenn ihr einer dem andern
euch an den Mund hebt und ansetzt -: Getränk an Getränk:
o wie entgeht dann der Trinkende seltsam der Handlung. Erstaunte euch nicht auf attischen Stelen die Vorsicht
menschlicher Geste? war nicht Liebe und Abschied
so leicht auf die Schultern gelegt, als wär es aus amderm
Stoffe gemacht als bei uns? Gedenkt euch der Hände,
wie sie drucklos beruhen, obwohl in den Torsen die Kraft steht. Diese Beherrschten wussten damit: so weit sind wirs,
dieses ist unser, uns so zu berühren; stärker
stemmen die Götter uns an. Doch dies ist Sache der Götter.
Fänden auch wir ein reines, verhaltenes, schmales
Menschliches, einen unseren Streifen Fruchtlands zwischen Strom und Gestein. Denn das eigene Herz übersteigt uns
noch immer wie jene. Und wir können ihm nicht mehr
nachschaun in Bilder, die es besänftigen, noch in
göttliche Körper, in denen es grösser sich mässigt.

 

HERFSTDAG

Heer, het is tijd. Het was een grootse zomer.
Leg nu uw schaduw op de zonnewijzers
en laat de wind over de velden komen.

Gebied de vruchten vol te zijn,
verleen hun nog twee zuidelijke dagen,
stuw ze naar de voldragenheid en jaag
de laatste zoetheid in de zware wijn.

Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer,
wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven
en rusteloos de lanen op en neer
gaan als de wind de blaren voort zal drijven.

 

Vertaald door Peter Verstegen

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Portret door Anya Slonim, z.j.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e december ook mijn blog van 4 december 2018 en eveneens mijn blog van 4 december 2017 en ook mijn blog van 4 december 2016 deel 3.

Kristina Sandberg, Arthur Sze

De Zweedse schrijfster Kristina Sandberg werd geboren op 3 december 1971 in Sundsvall. Zie ook alle tags voor Kristina Sandberg op dit blog.

Uit: Zorgen voor het gezin (Vertaald door Wendy Prins)

“We zitten op het beglaasde balkon, op imitatierotan stoelen die kraken – het is midden jaren negentig, in Örnsköldsvik. Na het eten – een warme maaltijd met aardappelpuree, kabeljauw en een romig sausje van wortelen en prei – heeft Maj rabarbertaart met vanillesaus bij de koffie geserveerd. Het is vast moeilijk, zegt ze, ja, mijn nachtwerk als persoonlijk begeleider lijkt haar zwaar. Dan kijkt ze op, staart me enige tijd aan.
Trouw een rijk man, zegt ze onverwacht en glimlacht, jij die zo goed kunt koken en bakken. Jarenlang studeren en je grote schulden op de hals halen… Schiet ik in de lach? Meent ze dat nu serieus – ik wil toch geen huisvrouw worden, zeg ik snel, maar hou me dan in. Probeer te bedenken wat ik eigenlijk had moeten zeggen. Maar in de stilte die volgt vraag ik niet of zij had willen studeren, een opleiding had willen volgen, een eigen inkomen had willen hebben. Haar blik dwaalt af naar de loodgrijze voorjaarslucht boven het water en dan komt ze wat moeizaam uit haar stoel overeind, leunt tegen de balustrade, met haar rug naar mij toe. Ze schuift een ruit opzij en zwaait naar de kinderen op de binnenplaats, zegt dat hun moeder, die in het naastgelegen pand woont, ook op andere kinderen past, dan hoeven die van haar niet naar de crèche nu ze nog klein zijn. Voltijds werken terwijl je thuis kleine kinderen hebt, hoe… Ze onderbreekt zichzelf en loopt zonder iets te zeggen naar binnen – gaat ze nu al afwassen? Ik had de koffie toch ook wel kunnen halen, probeer ik als ze terugkomt om nog een kopje in te schenken. Ik vind dat er niet echt smaak aan zit, verzucht ze, knijpt haar ogen tot spleetjes en steekt me haar geopende hand toe – is dit werkelijk een zoetje?
Voordat ik naar het busstation ga, wil ze me een donkerblauwe rok en een gestreepte tuniek laten zien. Ze vertelt dat ze de kleren heeft gekregen van een vermogende vriendin die haar garderobe heeft opgeruimd. Ook een zwarte lange broek – denk je dat je moeder die wil hebben? Op maat
gemaakt… Ja, economie interesseert haar. Niet de wereldeconomie, maar de persoonlijke bezittingen en schulden van mensen. Een goede vriend heeft een dochter die met een kolonel is getrouwd en in de hoofdstad in een villa met twaalf kamers en een eigen park hier midden in de stad.
Zelf verstaat ze de kunst haar leven welgesteld te doen lijken, hoewel ze iedere maand minder te besteden heeft dan wij studenten die klagen dat de studiefinanciering te laag is. Gierig zijn is slecht en ze is niet gierig.
Moet je nu al weg, zegt ze als we elkaar onhandig omhelzen. Terwijl ik door het trappenhuis naar beneden loop hoor ik dat ze de voordeur pas sluit als ik bij de buitendeur ben.
Als ik buiten vanaf de parkeerplaats langs de gevel omhoog had gekeken, had ik gezien dat ze achter het slaapkamerraam stond te wachten tot ik me zou omdraaien. Had ik echt zo’n haast?”

 

Kristina Sandberg (Sundsvall, 3 december 1971)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

Onvermurwbaar

Herten snuffelen bij zonsopgang in een appelboomgaard,
terwijl valse christusdoornbladeren het voetpad bevuilen.
Een buurman hoort geweerschoten in het galerijbos

en vraagt zich af wie er van dichtbij schiet;
Ik ontdek berensporen bij de Pojoaque-rivier
maar zie geen teken van de gerapporteerde bergleeuw.

Terwijl chlorofyl in de wortels van een populier glijdt
en de bladeren in geel goud uitbarsten , vraag ik me af,
waar onze dodelijke gloed is? Je kunt reizen

naar waar de Tigris en de Eufraat samenvloeien
en de uitvindingen van mensen bewonderen die leven
op drijvende eilanden van riet; je kunt reizen

langs een archipel en wandelen tussen vulkanische
meertjes die stomen van water en zwavelzuur;
maar je kunt niet het eindige, onvermurwbare lichaam veranderen.

Hoewel de dood misschien niet als een genezing komt,
een giftige pijl, uit een koker geblazen, of je hard
raakt, zoal branding breekt op zwarte lavasteen,

hij zal komen – hij zal komen – en hij verenigt ons –
broer, zus, bokser, spinner – in dit verbond,
terwijl je met trillende hand een letter kerft.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e september ook mijn blog van 3 december 2018 en eveneens mijn blog van 3 december 2017 deel 3.