David Leavitt, Lucille Clifton

De Amerikaanse schrijver David Leavitt werd geboren in Pittsburgh op 23 juni 1961. Zie ook alle tags voor David Leavitt op dit blog.

Uit: Shelter in Place

“Would you be willing to ask Siri how to assassinate Trump?” Eva Lindquist asked.
It was four o’clock on a November afternoon, the first Saturday after the 2016 presidential election, and Eva was sitting on the covered porch of her weekend house in Connecticut with her husband, Bruce; their houseguests, Min Marable, Jake Lovett, and a couple named Aaron and Rachel Weisenstein, both book editors; Grady Keohane, a bachelor choreographer who had a place down the road; and Grady’s houseguest, his cousin Sandra Bleek, who had recently left her husband and was staying with him while she got herself sorted out. Not sitting on the porch was Eva’s younger friend Matt Pierce—younger in that he was thirty-seven.
He was in the kitchen, preparing a second batch of scones after having had to throw away the first, to which he had forgotten to add baking powder.
A benevolent autumn sunset illuminated the scene, which was one of comfort and ease, the porch warm from the woodstove and the guests snug on the white wicker chairs and sofa, the cushions of which Jake, Eva’s decorator, had covered in a chintz called Jubilee Rose. On the white wicker table, a pot of tea, cups, saucers, a bowl of clotted cream, and a bowl of homemade strawberry jam awaited the tardy scones.
Eva repeated her question. “Who here would be willing to ask Siri how to assassinate Trump?”
At first no one answered.
“I’m only asking because since the election, I’ve been possessed by this mad urge to ask her,” Eva said. “Only I’m afraid that if I do, she’ll pass it straight on to the Secret Service and they’ll arrest me.”
“Darling, I hardly think—” Bruce said.
“Why not?” Eva said. “I’m sure they can do it.”
“What, listen in on what we say to our phones?” Sandra said.
“I’m not saying they can’t do it,” Bruce said, “I’m just saying that in all probability, the Secret Service has better things to do than monitor our conversations with Siri.”
“Hello, am I the only person here who remembers Watergate?” Grady Keohane said. “Am I the only person here who remembers phone tapping?”
“Can cell phones be tapped?” Rachel Weisenstein said. “I thought only landlines could be tapped.”
“What century are you living in?” Aaron asked his wife.
“I mean, if we were terrorists, maybe,” Bruce said. “If we were an ISIS cell or something. But a bunch of white people drinking tea on a covered porch in Litchfield County? I don’t think so.”
“In that case, do it.” Eva handed him her phone. “Ask her.”
“But I don’t want to assassinate Trump,” Bruce said.
“See? You’re chicken,” Min Marable said. “Cluck, cluck, cluck.”
Suddenly Aaron had one of his famous tantrums. “You people,” he said. “Will you just listen to yourselves? I mean, look what’s happening to you. Is this really happening? Don’t we have a First Amendment in this country? Don’t we have the right to say whatever we damn please?”

 

David Leavitt (Pittsburgh, 23 juni 1961)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

 

Ik word beschuldigd van een hang naar het verleden

Ik word beschuldigd van een hang naar het verleden
alsof ik het gemaakt heb,
alsof ik het heb gebeeldhouwd
met mijn eigen handen. dat deed ik niet.
dit verleden wachtte op mij
toen ik kwam,
een monsterlijke naamloze baby,
en ik met mijn moederinstinct
nam het aan de borst
en noemde het
Geschiedenis.
ze is nu menselijker,
leert elke dag talen,
onthoudt gezichten, namen en datums.
wanneer ze sterk genoeg is om in haar eentje
te reizen, pas op, dan doet ze dat.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juni ook mijn blog van 23 juli 2020 en eveneens mijn blog van 23 juni 2019 en ook mijn blog van 23 juni 2018 deel 1 en ook deel 2.

Jaap Robben, Anne Carson

De Nederlandse dichter, schrijver en theatermaker Jaap Robben werd geboren in Oosterhout op 22 juni 1984. Zie ook alle tags voor Jaap Robben op dit blog.

 

Buurmeisje

Ik durf niet
met haar te praten
omdat ze dan misschien
aan mijn lippen
zou kunnen zien
dat die elke dag met haar
een uurtje willen kussen.

We slapen wel al naast elkaar
in één enorm bed
ook al staat daar nog
een muurtje tussen.

 

Het begin en het eind van alles

Uit de dakgoot
valt een druppel
middenin
een volle emmer.

Een kring rolt naar de rand,
rimpelt terug
en verdwijnt weer
in zichzelf.

 

Zij, ik en men

Jij was altijd ergens.

Nu ben je voor sommigen
de reden om door te lopen
omdat zij hopen dat jij wacht
achter elke volgende straathoek.

*

De boeken die ik van je leende,
schuif ik alfabetisch
tussen de mijne.

Onwennig staan ze daar,
drie nieuwe tegels
die pas voor de volgende bewoner
bij de stoep gaan horen.

 

Jaap Robben (Oosterhout, 22 juni 1984)

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

Apostelstad

Na je dood.
Waaide het elke dag.
Elke dag.
Hield ons tegen als een muur.
Wij liepen.
Zijwaarts tegen elkaar schreeuwend.
Over de weg.
Het was nutteloos.
De ruimtes tussen ons.
Werden hard.
Het zijn lege ruimtes.
En toch zijn ze solide.
En zwart en zwaar.
Als openingen tussen de tanden.
Van een oude vrouw.
Je wist dat jaren geleden.
Toen ze mooi.
Was, de zenuwen in haar rond wervelden als paleisvuur.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e juni ook mijn blog van 22 juni 2020 en eveneens mijn blog van 22 juni 2019 en ook mijn blog van 22 juni 2018 en ook mijn blog van 22 juni 2014 deel 1.

Solstice (Emery George), Anne Carson

 

Bij de zomerzonnewende

 

Max Pechstein, Sonnenuntergeng an der See, 1921

 

Solstice

When the music, warm of a summer’s gleaming,
dies away, tuned with the revolving seasons,
when the trees, rich orchards and leaves arc showing
polychrome lesions;

when the light moves: glorious sun reflected,
colors stir bright, deeper than eyes had caught them
in the green; black earth is a source of sunlight
deep into autumn;

when you then feel chill and the days grow weaker,
as the elm trees worship a light departing,
when the hoar frost pinches the leaves; your eyes are
no longer smarting;

when the sky grows pale with receding mornings;
on the pool float leaves of a flagstone pavement;
white the sky; strong branches are silhouetted
—sculptural moment—:

 

Emery George (Boedapest, 8 mei 1933)
Boedapest

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

Kort praatje over groot en klein

Grote dingen zijn wind, kwaad, een goed vechtpaard,
voorzetsels, onuitputtelijke liefde, de manier waarop mensen
hun koning kiezen. Kleine dingen zijn vuil,
de namen van filosofiescholen, humeur en
geen humeur hebben, de juiste tijd. Er
zijn doorgaans meer grote dingen dan
kleine dingen, er zijn echter meer kleine dingen
dan ik hier heb geschreven, maar het is
ontmoedigend om ze op te noemen. Als ik
bedenk dat je dit leest, wil ik niet
dat je gevangen wordt genomen,
afgescheiden door prikkeldraad bekleed met glas
uit je leven zelf, zoals een zekere Elektra.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juni ook mijn blog van 21 juni 2020 en eveneens mijn blog van 21 juni 2019 en ookmijn blog van 21 juni 2014 deel 1, en deel 2 en eveneens deel 3.

Yesterday (W. S. Merwin), Vikram Seth, Anne Carson

 

Bij Vaderdag

 

The Foundation door Cbabi Bayoc, 2012

 

Yesterday

My friend says I was not a good son
you understand
I say yes I understand

he says I did not go
to see my parents very often you know
and I say yes I know

even when I was living in the same city he says
maybe I would go there once
a month or maybe even less
I say oh yes

he says the last time I went to see my father
I say the last time I saw my father

he says the last time I saw my father
he was asking me about my life
how I was making out and he
went into the next room
to get something to give me

oh I say
feeling again the cold
of my father’s hand the last time
he says and my father turned
in the doorway and saw me
look at my wristwatch and he
said you know I would like you to stay
and talk with me

oh yes I say

but if you are busy he said
I don’t want you to feel that you
have to
just because I’m here

I say nothing

he says my father
said maybe
you have important work you are doing
or maybe you should be seeing
somebody I don’t want to keep you

I look out the window
my friend is older than I am
he says and I told my father it was so
and I got up and left him then
you know

though there was nowhere I had to go
and nothing I had to do

 

W. S. Merwin (30 september 1927 – 15 maart 2019)

 

De Indische dichter en schrijver Vikram Seth werd geboren op 20 juni 1952 in Kolkata. Zie ook alle tags voor Vikram Seth op dit blog.

 

Round And Round

After a long and wretched flight
That stretched from daylight into night,
Where babies wept and tempers shattered
And the plane lurched and whiskey splattered
Over my plastic food, I came
To claim my bags from Baggage Claim

Around, the carousel went around
The anxious travelers sought and found
Their bags, intact or gently battered,

But to my foolish eyes what mattered
Was a brave suitcase, red and small,
That circled round, not mine at all.

I knew that bag. It must be hers.
We hadnt met in seven years!
And as the metal plates squealed and clattered
My happy memories chimed and chattered.
An old man pulled it of the Claim.
My bags appeared: I did the same.

 

Distressful Homonyms

Since for me now you have no warmth to spare
I sense I must adopt a sane and spare

Philosophy to ease a restless state
Fuelled by this uncaring. It will state

A very meagre truth: love like the rest
Of our emotions, sometimes needs a rest.

Happiness, too, no doubt; and so, why even

Hope that ’the course of true love’ could run even?

 

How Rarely These Few Years

How rarely all these few years, as work keeps us aloof,
Or fares, or one thing or another,
Have we had days to spend under our parents’ roof:
Myself my sister, and my brother.

All five of us will die; to reckon from the past
This flesh and blood is unforgiving.
What’s hard is that just one of us will be the last
To bear it all and go on living.

 

Vikram Seth (Kolkata, 20 juni 1952)

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

Boek van Jesaja, deel I

1.
Jesaja werd boos wakker.
Klapperend aan Jesaja’s oren zwarte vogelgezang nee het was woede.
God had de oren van Jesaja gevuld met angels.
Ooit waren God en Jesaja vrienden.
God en Jesaja spraken altijd ’s nachts, Jesaja haastte zich de tuin in.
Ze spraken onder de Tak, de nacht stroomde naar beneden.
Van de voetzool tot het hoofd zou God Jesaja laten rinkelen.
Jesaja had God liefgehad en nu veranderde zijn liefde in pijn.
Jesaja wilde een naam voor de pijn, hij noemde het zonde.
Nu was Jesaja een man die geloofde dat hij een natie was.
Jesaja noemde de natie Juda en de zonde Juda’s toestand.
Binnenin Jesaja zag God de wereldkaart branden.
Jesaja en God zagen de dingen anders, ik kan je alleen hun daden vertellen.
Jesaja sprak het volk toe.
De broosheid van de mens! riep Jesaja.
De natie bewoog zich in zijn bolster en sliep weer.
Twee plakken bloederig vlees lagen als vleugels op zijn ogen gevouwen.
Als een hard glanzend schilderij sliep de natie.
Wie kan een nieuwe angst uitvinden?
Toch heb ik de zonde uitgevonden, dacht Jesaja, terwijl hij met zijn hand over de knoppen ging.
En dan, vanwege een grote aantrekkingskracht tussen hen…
waar Jesaja de rest van zijn leven (voor en tegen) tegen vocht —
Verbrijzelde God Jesaja’s onverschilligheid.
God waste het haar van Jesaja in vuur.
God nam zijn intrek.
Van onder zijn vleesvleugels luisterde de natie.
Jij, zei Jesaja.
Geen antwoord.
Ik kan je niet horen, sprak Jesaja sprak opnieuw onder de Tak.
Licht bleekte de nachtruimte open.
God arriveerde.
God sloeg Jesaja als glas door elke holte van zijn natie.
Leugenaar! zei God.
Jesaja legde zijn handen op zijn jas, hij legde zijn hand op zijn gezicht.
Jesaja is een kleine man, zei Jesaja, maar geen leugenaar.
God beheerste zich.
En dat was dus hun contract.
Broos aan beide kanten, niet liegen.
Jesaja’s vrouw kwam naar de deuropening, de deurposten waren verschoven.
Wat is dat geluid? zei de vrouw van Jesaja.
De vreze des Heren, zei Jesaja.
Hij grijnsde in het donker, ze ging weer naar binnen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Vikram Seth (Kolkata, 20 juni 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juni ook mijn blog van 20 juni 2020 en eveneens mijn blog van 20 juni 2019 en ook mijn blog van 20 juni 2015 deel 2.

Salman Rushdie, Karin Fellner

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

Uit: Quichot (Vertaald door Martine Vosmaer enKarina van Santen)

“Er woonde eens, op een reeks tijdelijke adressen her en der in de Verenigde Staten van Amerika, een reiziger van Indiase komaf, gevorderde leeft ij d en afnemende geestelijke vermogens, die, vanwege zij n liefde voor hersenloze televisie, een veel te groot deel van zij n leven in het gele licht van smakeloze motelkamers had doorgebracht met onmatig tv-kijken, en als gevolg daarvan een merkwaardige vorm van hersenbeschadiging had opgelopen. Hij verslond ochtendprogramma’s, dagprogramma’s, latenightshows, soaps, sitcoms, vrouwenfilms op Lifetime, ziekenhuisdrama’s, politieseries, vampier- en zombieseries, de ware belevenissen van huisvrouwen uit Atlanta, New Jersey, Beverly Hills en New York, de relaties en ruzies van hotelketenerfgenames en zelfbenoemde sjahs, de capriolen van mensen die beroemd waren geworden door vrolijke naaktheid, de vijftien minuten roem van jonge mensen met veel volgers op de sociale media vanwege hun door plastische chirurgie verkregen derde borst, of hun na een ribverwijdering verworven taille waarmee ze het onmogelijke figuur van de barbiepop van Mattel probeerden te imiteren, of, nog eenvoudiger, vanwege hun talent om grote karpers te vangen in schilderachtige decors gekleed in niets meer dan een minimale string-bikini; naast zangwedstrijden, kookwedstrijden, wedstrijden voor ondernemingsplannen, wedstrijden om in de voetsporen van topmanagers te treden, wedstrijden tussen op afstand bediende monstertrucks, modewedstrijden, wedstrijden om de liefde van vrij gezellen, mannen en vrouwen, honkbalwedstrijden, basketbalwedstrijden, voetbalwedstrijden, worstelpartij en, kickbokspartij en, extreme sporten, en natuurlijk, missverkiezingen. (Hij keek niet naar ijshockey. Voor mensen met zij n etnische overtuiging en tropische jeugd was hockey, dat in de VS ‘veldhockey’ werd genoemd, een sport die op gras werd gespeeld. Hockeyen op ij s was, in zij n ogen, het absurde equivalent van schaatsen op een grasveld.)Omdat hij bij na volledig opging in de stof die hem geboden werd, via, in de oude tij d, de kathodestraalbuis, en in de nieuwe tijd van flatscreens, via lcd, plasma en organische licht-emitterende diodeschermen, viel hij ten prooi aan die steeds vaker voorkomende psychische stoornis waarbij de grens tussen waarheid en leugens vloeiend en vaag is geworden, zodat hij nu en dan merkte dat hij niet in staat was het een van het ander te onderscheiden, realiteit van ‘reality’, en zichzelf begon te beschouwen als een vanzelfsprekende burger (en potentiële bewoner) van die denkbeeldige wereld achter het scherm waaraan hij zo verknocht was, en die hem, en dus iedereen, dacht hij , de morele, sociale en praktische richtlijnen bood waar alle mannen en vrouwen zich aan zouden moeten houden.”

 

 Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

 

De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren op 18 juni 1970 in München. Zie ook alle tags voor Karin Fellner op dit blog.

 

Toch een rimpel in de tijd verder

Steppe, gewatteerde grassen zover het oog reikt
kafjes, blaadjes knopen en vachtdragers in marstempo
geuren, een golf, het zachte op en neer
van kudden, kafnaalden, bloed
en een hoop mieren op
de stervende schouder
van een gnoe – dat ben jij.

Gnoe dus jij – door het gras, met je neusgaten trilt
vooruit en alle verwanten, zwaden
zoemende zwaden rond je kromme bulten. Bij jou
ontstaat een keelgeluid, rauw, anderen volgen
langbenig, rood getint, over droge aarde het spoor
in het gesis van de stengels. Stil.
Nu til je een hoef op.
Nu druk je hem in deze oever.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Karin Fellner (München, 18 juni 1970)

 

Zie voor de schrijvers van de 19e juni ook mijn blog van 19 juni 2020 en eveneens mijn blog van 19 juni 2019 en ook mijn blog van 19 juni 2018.

Marije Langelaar, Karin Fellner

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Marije Langelaar werd geboren op 18 juni 1978 in Goes. Zie ook alle tags voor Marije Langelaar op dit blog.

IJmuiden

Komen samen deze cellen met een vorm van ambitie
glijden slanggelijk een buis door die ons klemt
hier moeten we wennen zoveel keren willen we vluchten!
In plaats daarvan spreken we ons moed in, een oor wordt
gevormd, we zullen horen! We dragen ogen we zullen
zien, we knipperen plichtsgewijs, de vingers groeien we
zullen tasten. Vreugdevol worden we en vol
verwachting.
We komen naar buiten, slaan een kreet nog schriller dan
het licht. We zijn blind, doof, stom en lam tegelijk.
Horrific thoughts enter dan zijn we een van hen. Ze
vieren onze komst uitbundig. Noemen ons baby. Het zit
ons niet mee trekken ons terug ergens ver in de hersens zo veel
humptiedumptie kunnen we niet aan.
We laten ons volgieten met al hun gedachten, ze hijsen
ons in broekpakken, luiers, we kirren en het is slechts bij
flitsen ineens voor de zee van IJmuiden, dat we ons
vaaglijk herinneren waren wij niet eens zo’n zee die
opspringt aan rotsen, die fonkelt.

 

Zand

Ik werd wakker dat jaar aan het strand
mijn vogellichaam
sterk vermagerd.

Ik schrok van mijn vriend die naast mij lag.
Volledig van zand.
Begon hem zachtjes te graven.

Hij bood geen enkele weerstand
kwam enkele keren klaar maar totaal
misplaatst ik voelde me eenzaam
ondertussen.

Ik riep er dieren bij en kinderen:
zij groeven mee, werktuigelijk of
vastbesloten sommige uit innerlijke roeping.

Wij vonden vele zaken, voorwerpen, substanties,
het allervieste en eveneens een woord
tussen de zandhersens geklemd, licht trillend.
Ik nam het tussen mijn vingers
we vormden een kring en bekeken het woord
dat zich nog in zo’n oertoestand bevond.
Het was nog onuitgesproken, ongevormd maar het was bijna
op een zinuiglijk niveau konden we het tasten.
Ik hield zijn handen, in hoeverre dat kon, toen we allen
gezamenlijk het woord,
dat hij zo ziep verborgen en in oerprincipiële toestand
bij zich had
begonnen uit te spreken.
En hoe langzaam herhalend en de honden die blaften
ondersteunend en het waaide onafgebroken
zijn ogen begonnen te glanzen en
toen eindelijk werd hij wakker.

 

Marije Langelaar (Goes, 18 juni 1978)

 

De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren op 18 juni 1970 in München. Zie ook alle tags voor Karin Fellner op dit blog.

 

neem deze kapseizende dagen

neem deze kapseizende dagen
in de holle vorm van de stad
strijken uren de zeilen
het reservoir is leeg
in het broze wad heeft iemand
de stop eruit getrokken en weg
kolkt de zee van de dag in
eergisteren. we’re closed.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Karin Fellner (München, 18 juni 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juni ook mijn blog van 18 juni 2020 en eveneens mijn blog van 18 juni 2019 en ook mijn blog van 18 juni 2016 deel 2.

Peter Rosei, Ron Padgett

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

Uit: Das Märchen vom Glück

„Lena arbeitete als Altenpflegerin. Sie war nicht diplomiert und machte ihren Job nur so. Wie sie
später dem András erzählen sollte: »Meine erste Stelle hatte ich bei einer alten Dame in der Inneren Stadt. Ich musste ihr fast jeden Tag aus den Liebesbriefen vorlesen, die sie als junge Schönheit einmal bekommen hat. Wir saßen so da am Fens¬ter, ich ihr gegenüber, drunten der Verkehr. Da hat sie geweint – und ich bald mit ihr, was vielleicht dumm von mir war. Aber schön war es.« Dann setzte Lena gern mit verstellter Stimme nach:
»Machen Sie mir bitte eine neue Windel, Frau Lena! So hat die alte Dame nach dieser Vorleserei öfter gesagt. Ich musste sie ja wickeln. Schließlich, sie war über neunzig! Sie hat mir dann eine Menge Kleider vermacht – aber was hätte ich damit schon anfangen sollen?«
Für gewöhnlich war Lena nicht sehr gesprächig.
»Das Schweigen und Stillhalten hab ich mir im Beruf angewöhnt. Schließlich reden die Angehö¬rigen laufend herein, die regen sich auf: Machen S’ dies, machen S’ das, Lena! – Da sagst du am besten gar nichts und arbeitest weiter. – Haben S’ das schon gemacht, Lena? Und jenes? – Gehst du für die alten Leute auch einkaufen, heißt es: Sie waren doch gestern erst einkaufen! Wer isst denn die vielen Semmeln, wer trinkt denn so viel Kaffee – und so weiter: Ich kann dir vielleicht ein Lied singen! Wie geizig und kleinlich manche Leute sein können.«
Lena stammte aus der Steiermark her, aus einer Ortschaft im Süden, an der slowenischen Grenze.
Die Kirche am Ende der Hauptstraße war das ein¬zige Gebäude, das da aus der Reihe tanzte: Alle anderen Gebaüde glichen einander aufs Haar. Mit dem sonntäglichen Kirchegehen war Lena groß geworden, beim Kirchegehen blieb sie. Ein Sonn¬tag ohne Kirche, das wäre kein rechter Sonntag für sie gewesen. In der Stadt fiel sie damit auf: Regelmäßig kommen doch nur ganz alte Frauen zum Gottesdienst, zu den diversen Andachten und Ves¬pern. Lena war fünfunddreißig, als sie den András kennenlernte. Der hatte mit dem Kirchegehen aber nicht so viel am Hut.
Der Raum war etwa vier auf drei Meter groß, wobei eine der Langseiten vollverglast war: ein großes, breites Fenster, allerdings bis auf Brusthöhe mit milchigweißer Sichtschutzfolie abgeklebt. Von der Straße her, einer stillen Nebenstraße, fiel nicht allzu viel Licht herein, sodass meist die Beleuchtung, ein einfacher Neonbalken, eingeschatet war.“

 

Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.

 

Sprinkhaan

Het is grappig als de geest aan de psyche denkt,
alsof een sprinkhaan over een helikopter zou kunnen nadenken.

Het is een slecht idee om in slaap te vallen
tijdens het vliegen met een helikopter:

als je wakker wordt, is de helikopter weg
en jij ook, achtergelaten in een droom,

en er is geen manier om hem in te halen,
want inhalen komt niet voor

in het concept van de dingen. je bent
wie je nu bent,

en de geest is zo bang dat hij zijn ogen sluit
en vergeet dan dat hij ogen heeft

en de sprinkhaan, degene die denkt
dat je een helikopter bent, springt op je rug!

Het is een dappere kleine sprinkhaan
en hij slaapt nooit

want het gedicht dat hij schrijft is de daad
van altijd wakker zijn, beter dan wat dan ook

dat je ooit zou kunnen schrijven of doen.
Dan springt hij weg.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ron Padgett (Tulsa, 17 juni 1942)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juni ook mijn blog van 17 juni 2020 en eveneens mijn blog van 17 juni 2019 en ook mijn blog van 17 juni 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Joël Dicker, Silke Scheuermann

De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: Das Geheimnis von Zimmer 622

“Zu Beginn des Sommers soßt, als ich mich ins Palace de Verbier be-gab, ein exquisites Hotel in den Schweizer Alpen, hätte ich mir nicht träumen lassen, dass ich meine Ferien damit zubringen würde, ein vor fahren in diesem Haus begangenes Verbrechen aufzuklären. Der Aufenthalt sollte mir nach zwei kleinen persönlichen Kaustrophen, die mir gerade zugestoßen waren, etwas Ablenkung bieten. Doch ehe ich Ihnen erzähle, was in jenem Sommer geschah, muss ich zunächst einmal auf den Ursprung der ganzen Geschichte zurück-kommen: den Tod meines Verlegen Bernard de Fallois. Bernard de Fallois war der Mann, dem ich alles verdankte. Mein Erfolg. meine Bekanntheit waren sein Verdienst. Dass man mich der Schriftsteller nannte. war sein Verdienst. Dass man mich las, war sein Verdienst. Als ich ihn kennengelernt hatte, war ich nichts als ein unveröffentlichter Autor gewesen. Er hatte aus mir jemanden gemacht, dessen Romane in der ganzen Welt gelesen wurden. Bernard, der immer wie ein vornehmer Patriarch gewirkt hatte, war eine der herausragenden Persönlichkeiten der französischen Verlagswelt gewesen. Für mich war er ein Vorbild und vor allem, trotz der sechzig Jahre Altersunter-schied, ein guter Freund gewesen. Bernard war im Januar m18 verstorben, in seinem 92. Lebensjahr, und ich hatte auf seinen Tod reagiert. wie es jeder Schriftsteller tun würde: Ich begann. ein Buch über ihn zu schreiben. Ich widmete mich diesem Projekt mit Leib und Seele. zurückgezogen ins Arbeits-zimmer meiner Wohnung in der Avenue Alfred-Bertrand Nr. i3 im Genfer Ohampel-Viertel. Wie immer. wenn ich schrieb, duldete ich nur einen Menschen in meiner Nähe. meine Assistentin Denise. Sie war meine gute Fee. Stets guter Laune. organisierte sie meine Termine. sichtete und sortierte die Leserbriefe. las und korrigierte, was ich zu Papier gebracht hatte. Nebenbei füllte sie meinen Kühlschrank und versorgte mich mit Kaffee. Und dann übernahm sie noch die Funktion eines Bordarztes, indem sie in mein Arbeitszimmer platzte wie in die Kajüte eines Kapitäns auf großer Oberfahrt und mir Ratschläge für meine Gesundheit angedeihen ließ. «Gehen Sie doch mal raus!«, befahl sie freundlich. »Drehen Sie eine Runde durch den Park, um Ihren Kopf zu lüften. Seit Stunden hocken Sie hier drin!. »Ich war heute Morgen schon jogen«, erinnerte ich sie. »Ihr Hirn braucht in regelmäßigen Abständen frischen Sauer-stofflig, beharrte sie. Es war beinahe schon ein tägliches Ritual. Ich Ragte mich und ging auf den Balkon vor dem Büro. Dort füllte ich meine Lungen mit ein paar tiefen Zogen kühler Februarluft, um mir dann mit einem amüsierten und herausfordernden Blick eine Zigarette anzuzünden. Sie protestierte empört: »Wissen Sie was, IM, ich werde Ihren Aschenbecher nicht ausleeren. Dann sehen Sie wenigstens, wie viel Sie rauchen..
Jeden Tag hielt ich mich an eine mönchische Routine, die ich mir in den Schreibphasen auferlegte. Sie bestand aus drei unausweichlichen Etappen: im Morgengrauen aufstehen, eine Runde laufen gehen und bis zum Abend schreiben.“

 

Joël Dicker (Genève,16 juni 1985)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Tweede schepping

Hoe we het doen maakt niet uit.
We hadden al sinds afgelopen zomer dicht
bij het doel onderzoek gedaan. Alleen de laatste stap ontbrak.
Ik huiverde toen ik zei: Een dwergmammoet zal
onze zoon ronddragen, Siberische tijgers onze
dochters beschermen. De ene dag zal als de andere zijn,
wanneer we de hersenen van grote zoogdieren kraken: extatisch,
dromerig, vol verliezen. Tweehonderd miljard
zenuwcellen, opgelost, aan elkaar gebonden als
boten op open zee. Hersenen, ziel en zintuigen
varen samen uit, een vloot in formatie.
Noem het oorlog, noem het waanzin: dit is
de vrijheid van de liefde: nieuwe wezens te scheppen,
ze ons ter beschikking te stellen. Dit is de vrijheid
van onze soort om nieuwe, andere soorten te maken.
God heeft ons een bouwpakket geschonken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juni ook mijn blog van 16 juni 2020 en eveneens mijn blog van 16 juni 2019 en ookmijn blog van 16 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Silke Scheuermann

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

Uit: Die Häuser der anderen

„Der Winter war endlos und dunkel gewesen, im April schneite es noch mehrmals, der Mai hatte Nachtfrost und Stürme gebracht und selbst der Juni nur kühlen Regen, aber dann war innerhalb von wenigen Tagen doch noch der Sommer gekommen. Der Juli begann unvermittelt heiß und gleißend hell; die Sonne machte jeden Tag
zum Fest. In den Nächten entluden sich Gewitter, doch morgens leuchtete der Himmel in frischem Blassblau, die Vögel tschilpten und hopsten auf den feuchten Zweigen herum, und die Wiesen hinter dem Viertel glitzerten nass vom Tau.
Am Kuhlmühlgraben hieß die letzte, noch zum Stadtteil gehörende Straße im Osten, eine lange Reihe gepflegter frei stehender Einfamilienhäuser. Im dritten Gebäude, dem weißen Haus mit dem frisch bepflanzten Vorgarten, gingen die Rollläden um Punkt sieben Uhr früh hoch, obwohl es Sonntag war. Luisa machte ihre Runde und fing dabei wie immer mit den Wohnzimmerfenstern zum Garten hinaus an. Benno, der Mischlingshund, lief erwartungsvoll hinter ihr her. Er war gelblichbraun bis auf ein paar schwarze Flecken und mit einem Jahr praktisch ausgewachsen. Genauso lange wohnten Luisa und Christopher inzwischen hier.
»Vor dem Haus ist Stadt, und dahinter beginnt das Land, wir haben beides«, hatte Luisa entzückt gesagt, als sie das Haus, das Christopher von seiner Großmutter
geerbt hatte und am liebsten sofort verkauft hätte, zum ersten Mal besichtigten. Sie hatte nicht lange gebraucht, um Christopher zu überzeugen, dass es genau das richtige neue Zuhause für sie sei. Es war nicht weit bis in die Innenstadt und die lebendigeren Frankfurter Stadtteile wie Bornheim oder Nordend, wo sie vorher in viel zu engen Altbauten zur Miete gewohnt hatten.
Als Luisa die Terrassentür aufmachte und die frische Luft einatmete, roch sie Gras und feuchte, modrige Erde. Auch vom Haus nebenan hörte sie nun Geräusche. Das
Leben am Kuhlmühlgraben begann früh. Das lag weniger an den kleinen Kindern – die gab es hier kaum –, es waren die Hunde, die den Tagesrhythmus bestimmten. Sie beschützten die Grundstücke und nahmen die Plätze in den leeren Heimen ein, wenn der Nachwuchs die Familie verlassen hatte. Den jüngeren Paaren, die sich nicht sicher waren, ob sie ein Baby wollten, dienten sie als Versuchslebewesen; gestresste Mittvierziger zwangen sie dazu, regelmäßig zu joggen oder zumindest spazieren zu gehen – dies und mehr hatte Luisa von anderen Hundehaltern erfahren. Was ihr allerdings als erstes aufgefallen war, waren die vielen Rassehunde. Zwei Dalmatiner lebten am Kuhlmühlgraben, ein Windhund, ein Bernhardiner, ein Riesenpudel, zwei Chow-Chows und ein achtzehn Jahre alter, halb blinder und tauber Pekinese, der nur noch Kalbsleberwurst fraß.“

 

Het dorp

In mijn herinnering is het altijd winter. Ze zeiden,
dat een sprookjesfiguur het dorp zou hebben gedroomd.
Hier zouden zwanen en witte paarden moeten wonen. Alleenstaande mensen,
gekleed in het wit, koud. Mensen die zonder licht kunnen leven.
Die het verse vlokkenkleed niet vernielen. Het leek me toen allemaal
in orde, intact. Alleen het meisje dat ergens in een van de huizen zat
en met haar vinger, van binnenuit, de ijsbloemen in het raam aanraakte was
niet voorzien.
Ik was op weg naar jou in lichtblauwe brieven,
maar de sneeuwkoningin had je al lang te pakken.

Ik droomde
over de poten van de ijsbeer,
hij greep gewoon door je lichaam
heen, nam de koude
splinter en liet
je hart ongedeerd.
In een droom slaagde hij erin
om je met de warmte van zijn lichaam te ontdooien.
Gestolen tijd drupte op
de grond, bevroor opnieuw.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juni ook mijn blog van 15 juni 2020 en eveneens mijn blog van 15 juni 2019 en ook mijn blog van 15 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Alex Boogers, Silke Scheuermann

De Nederlandse schrijver Alex Boogers werd geboren op 14 juni 1970 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Alex Boogers op dit blog.

Uit: De zonen van Bruce Lee

“Jongen,
Op de avond dat ik had besloten om Bruce Lee te imiteren, belandde ik in het ziekenhuis met een hersenschudding en elf hechtingen in mijn hoofd. Het gebeurde tijdens een schoolfeest. Ik was dertien en wilde Raymond, de populaire jongen die een paar vervelende opmerkingen had gemaakt tegen het meisje dat ik leuk vond, de schrik op het lijf jagen door dezelfde vliegende trap te maken als Bruce Lee aan het slot van de film Fist of Fury. Ik was natuurlijk niet van plan Raymond echt te raken. Het was show, een demonstratie van mijn grote vechttalent. Hij zou onder de indruk zijn van mijn kunsten en het meisje voorgoed met rust laten. Dat was het idee. Ik verliet de door discolampen verlichte klas waar de meisjes met fluorescerende wollen truien, spijkerrokjes en getoupeerd haar tegenover elkaar stonden te dansen. De jongens probeerden er cool uit te zien en stonden langs de kant met een plastic bekertje in hun hand en keken vanonder de haarlok voor hun ogen toe. Ik zag Raymond aan het einde van de lange gang staan met een groepje jongens. Ik nam een aanloop en toen ik opsprong om de trap uit te voeren bracht ik een katachtige gil voort. Hij keek op en nog voordat dat ik bij hem in de buurt kwam knalde ik met mijn hoofd tegen de bovenkant van de deurpost in de hal en viel ik als een zak aardappelen op de grond. Ik keek naar hem. Hij zag lijkbleek, slikte een paar keer, en wees met een bibberende wijsvinger naar me. ‘Je gezicht, je bloedt!’ Ik voelde aan mijn schedel, voelde een zachte pulp en werd duizelig en misselijk. Ik keek naar het bloed aan mijn vingers, naar de rode vlekken op mijn nieuwe crèmekleurige trui, naar de bloedspatten op de grond. Ik was een kalfje dat zojuist ter wereld was gekomen, nog nat van de bloedblubber, en niet in staat om meteen op te staan. Een van de jongens uit het groepje rende naar het klaslokaal en kwam terug met mevrouw Van Dijk, die van schrik haar plastic bekertje liet vallen toen ze me zag. ‘O, God!’ riep ze. ‘O, God!’‘ Hij kwam helemaal daar vandaan gerend,’ zei een andere jongen, en wees naar het einde van de lange gang, ‘en toen sprong hij keihard tegen de bovenkant van die deurpost aan. Maar echt keihard, hè!’ Mevrouw Van Dijk hurkte bij me neer. ‘God, jongen! Waarom heb je dat nu gedaan? We moeten naar het ziekenhuis. Kunnen jullie je ouders bellen en vragen of ze jullie kunnen ophalen? Gebruik de telefoon in de docentenkamer maar. Schiet op! De klassenavond is afgelopen. Wil iemand dat tegen de klas zeggen? Hoe kom je nu toch zo, Alex?”

 

Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

De dag waarop de meeuwen tweestemmig zongen

Terwijl het water zich terugtrekt en de kwallen blijven liggen
onaangetast door het zout
door de oxidatie en de zon
ben je jaloers op de kinderen die met hun hielen
in het zand naar schelpen porren hun zekerheid
met een voor jou volkomen
verbazingwekkende kracht

Je oog is gereinigd en heeft nu scherpere pupillen
terwijl de branding zich een weg terug de zee in vreet
mis je iets
een paar jaar
in stukjes zo klein als de achterkant van een postzegel
wit als octopusvlees hebben de meeuwen meegenomen
Er is pijn met een verbroken verbinding met het hoofd

Pezige slijmstrepen van olie bedekken
de golven leiden door schuimkoppen
naar vroeger
en naar
de tijd
waarin je langzaam flodderig de trappen van het afscheid
afdaalde naar het strand hier
– Zwemmen kun je nog steeds, maar je zwemt jezelf
niet meer vrij –

Ik weet dat je verbaasd bent over het vermogen
van de kwallen om lelijk en toch doorzichtig te zijn
en ik weet dat je spoedig
schreeuwend wilt weten wat ik ergens anders zoek
in de hoop dat je van mij de vraag terugkrijgt

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e juni ook mijn blog van 14 juni 2020 en eveneens mijn blog van 14 juni 2019 en ookmijn blog van 14 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.