Guillermo Arriaga

De Mexicaanse schrijver, scenarist, filmregisseur en producent Guillermo Arriaga Jordán werd geboren op 13 maart 1958 in Mexico-Stad en bracht zijn jeugd door in een van de meest gewelddadige buurten van de stad. Op 13-jarige leeftijd verloor hij zijn reukvermogen na een bruut straatgevecht. Hij studeerde af aan de Universidad Iberoamericana met een Bachelor in communicatie en een Master’s degree in geschiedenis en gaf cursussen in media studies, voordat hij begon te werken aan de ITESM. Guillermo Arriaga plande samen met Alejandro González Iñárritu elf korte films over de tegenstellingen in Mexico-stad. Na drie jaar en 36 ontwerpen verwierpen ze het oorspronkelijke plan en breidden drie verhaallijnen uit naar het scenario van de film “Amores Perros” (1999). De film kreeg een Oscar nominatie voor Beste Buitenlandse Film en een BAFTA Award voor Beste Buitenlandse Film, de Critics Week Grand Prize en de Young Critics Award op het filmfestival van Cannes in 2000, evenals vele andere prijzen. Het succes van “Amores Perros” leverde Arriaga en Iñárritu een uitnodiging op om de VS voor Focus Features de film “21 Grams” te maken. Arriaga ontving een BAFTA-nominatie voor zijn filmscript. Iñárritu en Arriaga voltooiden hun derde gezamenlijke film, “Babel”, in 2006. Het werk vormt met “Amores Perros” en 21 Grams” een ​​trilogie over de thema’s geweld en dood. De film kreeg een Oscar-nominatie in 2007 voor Best Original Screenplay. In 2007 ging de verfilming van zijn boek “El Búfalo de la Noche” geregisseerd door Jorge Hernandez Aldana, in première tijdens het Sundance filmfestival. In 2008 volgde de film “The Burning Plain”. Arriaga schreef het script en regisseerde uiteindelijk de film, met in de hoofdrol Charlize Theron. Arriaga debuteerde in 1991 als romansscheijver met “Escuadrón Guillotina”. Verder publiceerde hij als schrijver “Un Dulce Olor a Muerte” (1994), “El Búfalo de la Noche” (1999), in het Nederlands verschenen als “Nachtbuffel” (2006), “Retorno 201” (2006) en “El salvaje” (2016)

Uit: De ontembare

“Het was zeven uur toen ik na een lange siësta wakker werd. Het was warm. Een te hete zomer voor een stad waar het bijna altijd koud was. Mijn kamer, door mijn vader getimmerd van spaanplaat, bevond zich op de begane grond, naast het toilet voor bezoekers. Zonder ramen, verlicht door een kaal peertje aan een stuk ijzerdraad. Een vouwbed, een klein bureau.
De anderen hadden hun kamer op de bovenverdieping.
Door de niet meer dan twee centimeter dikke wanden kon ik hun dagelijkse bezigheden volgen. Hun stemmen, hun voetstappen, hun stilten.
Zwetend stond ik op. Ik opende de deur van mijn kamer en liep het huis in. Iedereen was er. Mijn oma zat op de bruine bank te kijken naar een quiz op de televisie, een enorm gevaarte dat de halve kamer in beslag nam. Mijn moeder stond in de keuken te koken. Mijn vader zat aan de keukentafel de brochures van hun reis naar Europa te bekijken.
Mijn ouders waren de eersten ooit binnen onze familie die een trans-Atlantische vlucht gingen maken. Ze zouden de volgende ochtend naar Madrid vliegen en twee maanden door verschillende landen reizen. Mijn broer Carlos, die zes jaar ouder was dan ik, aaide op zijn hurken onze hond King, een voskleurige boxer met een opvallend litteken links op zijn bovenlip, het gevolg van een messteek die hem was toegebracht door een dronken kerel toen hij als pup tegen hem op was gesprongen om te spelen. In hun kooi hipten Whisky en Wodka, de grasparkieten, van het ene stokje op het andere, hopend dat mijn oma snel een doek over de kooi zou doen zodat ze konden gaan slapen.
In mijn dromen zie ik vaak dat beeld van toen van mijn familie. Dat was de laatste keer dat ik iedereen samen zag. Vier jaar later zouden ze allemaal dood zijn. Mijn broer, mijn ouders, mijn oma, de parkieten, King.
De eerste dood, die van mijn broer Carlos, kwam eenentwintig dagen na die avond. Vanaf die dag werd mijn familie meegesleurd in een lawine van dood. Dood na dood na dood.
Twee broers had ik. Allebei verloren ze door mijn toedoen het leven. En het mag dan misschien niet helemaal mijn schuld zijn geweest, ik was er in ieder geval verantwoordelijk voor.
Ik deelde de grot die baarmoeder heet met een ander. Acht maanden lang groeide naast mij een identieke tweelingbroer. Samen hoorden we het hart van onze moeder kloppen, we voedden ons met hetzelfde bloed, zweefden in hetzelfde vocht, en onze handen, voeten en hoofden raakten elkaar lichtjes aan. Vandaag de dag weten we dankzij mri-scans dat tweelingen met elkaar strijden om ruimte in de buik van de moeder. Dat zijn duels op het scherpst van de snede, wrede territoriumgevechten zonder wapenstilstand, waarin een van de twee uiteindelijk de overhand krijgt.

 
Guillermo Arriaga (Mexico-Stad. 13 maart 1958)

Dave Eggers, Jenny Erpenbeck, Jack Kerouac, Henrike Heiland, Naomi Shihab Nye, Carl Hiaasen, Edward Albee, De Schoolmeester, Gabriele d’Annunzio

De Amerikaanse schrijver Dave Eggers werd geboren op 12 maart 1970 in Chicago. Zie ook alle tags voor Dave Eggers op dit blog.

Uit:De monnik van Mokka (Vertaald door Koos Mebius)

“Mokhtar Alkhanshali en ik spreken af elkaar in Oakland te treffen. Hij is net terug uit Jemen, waar hij ternauwernood aan de dood is ontsnapt. Mokhtar is Amerikaans staatsburger, maar werd desondanks door de Amerikaanse overheid in de steek gelaten, waarna hij aan Saoedische bommen en Houthi-rebellen moest zien te ontkomen. Het land kon hij niet meer uit. De vliegvelden waren verwoest, en over de weg naar het buitenland ontkomen was onmogelijk. Er waren geen evacuatieplannen, er werd geen hulp geboden. Het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten had duizenden Jemenitische Amerikanen aan hun lot overgelaten; ze zagen zich gedwongen op eigen houtje aan een blitzkrieg te ontsnappen – tienduizenden in de Verenigde Staten gefabriceerde bommen werden door de Saoedische luchtmacht boven Jemen afgeworpen.
Ik zit buiten bij de Blue Bottle Coffee aan Jack London Square op Mokhtar te wachten. Elders in de Verenigde Staten, in Boston, is een proces aan de gang waarin twee broers ervan worden beschuldigd een aantal bommen tot ontploffing te hebben gebracht tijdens de marathon van Boston, waarbij negen doden en honderden gewonden zijn gevallen. Hoog in de lucht boven Oakland houdt een politiehelikopter een staking van havenarbeiders in de Port of Oakland in de gaten. We schrijven 2015, veertien jaar na 11 september en het zevende jaar van Barack Obama’s presidentschap. Als land waren we na de paranoia van de periode-Bush in rustiger vaarwater gekomen; het opjagen en lastigvallen van Amerikaanse moslims was wel minder geworden, maar telkens als een moslim in de fout ging, laaide het vuur van de islamofobie weer een paar maanden op.
Als Mokhtar aan komt lopen, valt me op dat hij er ouder en rustiger uitziet dan de laatste keer dat ik hem zag. De man die daar zojuist uit zijn auto stapte draagt een beige broek en een paarse sweater. Hij heeft kort haar met gel erin en een kort, keurig sikje. Hij loopt opvallend kalm; terwijl zijn benen hem naar onze tafel op het trottoir brengen, beweegt zijn romp bijna niet. We schudden elkaar de hand, waarbij me aan zijn rechterhand een grote, rijk versierde zilveren ring opvalt, met daarin een opvallende robijnrode steen.”

 

 
Dave Eggers (Chicago, 12 maart 1970)

Lees verder “Dave Eggers, Jenny Erpenbeck, Jack Kerouac, Henrike Heiland, Naomi Shihab Nye, Carl Hiaasen, Edward Albee, De Schoolmeester, Gabriele d’Annunzio”

Marianne Thamm

De Zuid-Afrikaanse schrijfster, journalste en columniste Marianne Thamm werd geboren op 12 maart 1961 in Taplow, Engeland, als dochter van een ongeletterde Portugese communiste en een Duitse nazi-krijgsgevangene. Haar ouders trouwden na de oorlog in Engeland en emigreerden later naar Pretoria. Thamm groeide op in de minder gegoede suburbs van Pretoria tijdens de hoogtijdagen van de Apartheid. Haar werk is verschenen in verschillende lokale en internationale kranten en tijdschriften. Ze was een ghostwriter bij diverse boeken waaronder de bestverkopende “I Have Life – Alison’s Story en “When All Else Falls Tway – The Nigel Fairhead Story”. Ze heeft meegewerkt aan andere publicaties, waaronder “The Fairlady Collection – 40 Years of Fine Writing”. In 2014 werkte ze met P J Powers aan haar memoires, H”ere I Am”. Haar meest recente boek is “Hitler, Verwoerd, Mandela en Me”. (Nederlands: “De ondraaglijke blankheid van het bestaan”).

Uit: De ondraaglijke blankheid van het bestaan (Vertaald door Ronnie Boley)

“Meneer Tolmie had de gelaatsuitdrukking van een man die gewend is om met nabestaanden om te gaan. Zijn voorhoofd leek bevroren tot een permanente, meewarige frons, zijn mondhoeken wezen naar beneden, maar niet onvriendelijk. Zijn blik was vastberaden en toch zacht. Hij droeg een slecht zittend maar degelijk donker pak en had zichzelf aangeleerd om wat naar voren te leunen -niet te ver – ter bemoediging van degenen die een beroep deden op de diensten van uitvaartcentrum Doves. Dat was een laag gebouw van grijze baksteen, weggestopt op een soort bedrijventerrein in de buurt van station Somerset West in Kaapstad. De stapel leesvoer in de ontvangstruimte bood een fascinerend inkijkje in de uitvaartbranche. Terwijl ik met mijn vader Georg op een verfomfaaide bank zat te wachten tot meneer Tolmie klaar was met bellen, bladerde ik door het laatste nummer van het vakblad van de Landelijke Vereniging van Begrafenisondernemers. De advertenties waren boeiender dan de oersaaie verslagen over wie in welke regio wat voor promotie had gemaakt. Ik kwam te weten dat een volledig operationeel crematorium van meerdere verdiepingen in 1997 zo’n drie miljoen rand kostte. Dat leek een fors bedrag, maar daar stond natuurlijk tegenover dat je nooit zonder klandizie zat als je besloot in deze bedrijfstak te investeren. Doden zijn er altijd, al gaat het nog zo slecht met de economie. Doden moeten worden opgeruimd door levenden – en daar hangt een prijskaartje aan. Toen meneer Tolmie eindelijk zijn kantoor uit kwam -geruisloos dankzij het industriële, grijze, kamerbrede tapijt – bediende hij zich van alle passende, empathische gebaren. Een hartelijk knikje, een hand op de schouder van een rouwend familielid, in dit geval mijn vader, om hem zachtjes het kantoor binnen te loodsen waar een goedkoop fabrieksbureau stond met een drietal kastanjebruin beklede kantoorstoelen eromheen. Mijn vader vergezellen was het minste wat ik kon doen. Stevig hield hij een keurige, bruine envelop vast met alle vereiste documenten erin. De uitvaartpolis, mijn moeders oude, zwarte, Zuid-Afrikaanse identiteitsboekje met het trouwcertificaat. Hij was formeel gekleed in een lichtgrijs pak – het was een snikhete dag -, een wit overhemd met open boord en een paar glimmend gepoetste zwarte instappers. Naast hem zag ik er in mijn gemakkelijke spijkerbroek, T-shirt en gymschoenen vast en zeker oneerbiedig uit, volgens mijn vader althans. Maar ja, het was niet anders. Georg had zich lang op dit moment voorbereid. Typisch Duits. Alles keurig op orde voor de bureaucratische machine die op gang komt – bij geboorte, huwelijk, dood. Hij was niet te stuiten en voldeed met graagte aan elk verzoek. `ja, legitimatiebewijs, heb ik hier. Ja, oferlijdensakte, heb ik geregeld.’ Het was een leerzame gelegenheid, zo realiseerde ik me later, voor de dag waarop ik in mijn eentje op een van deze zelfde stoelen in ditzelfde kantoor zou zitten om mijn vaders uitvaart te regelen (zij het sans meneer Tolmie, die hier tegen die tijd niet meer zou zijn: `overspannen’ volgens de receptioniste). Maar zover was het nog niet. Toen meneer Tolmie begon te praten, bleek dat hij doof of hardhorend was. Zijn stem klonk iets te hoog, de toon net iets te gelijkmatig en strak, zonder de melodieuze accenten, stiltes en cadans die taal zijn nuance en betekenis verlenen.”

 
Marianne Thamm (Taplow, 12 maart 1961)

Nicodemus (Muus Jacobse)

Bij de vierde zondag van de vasten

 

 
Nicodemus door Jezus onderricht door Jacob Jordaens, c. 1625

 

Nicodemus

Meester, die ons van God gezondcn zijt
En ook de doden weer ten leven wekt,
Als straks de laatste dood mijn ogen dekt,
Zal ik dan leven in Uw eeuwigheid?

Want eeuwigheid is voor die het niet weet,
Het kind, maar die eens wist wordt oud en dort.
Wie die ten tweeden maal geboren wordt?
Wat bleef mij dan een droom van wat Gij deed? —

Dit is het woord van een die tot U kwam
Des nachts, maar die U niet verstond, en ging,
En U zag kruisigen — en die toen droef

Uw dode lichaam in zijn armen nam
En wikkelde in zijn herinnering
En in de geuren van zijn tuin begroef.

 

 
Muus Jacobse (13 september 1909 – 21 november 1972)
De Sint Janskerk in Hoorn op Terschelling. Muus Jacobse werd geboren in Hoorn.

 

Zie voor de schrijvers van de 11e maart ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

Leena Lehtolainen, Karl Krolow, Daan de Ligt, Frans Vogel, Willem Claassen, Amal Karam, Max Hermens, Eva Meijer, Helena Hoogenkamp

De Finse schrijfster Leena Lehtolainen werd geboren op 11 maart 1964 in Vesanto. Zie ook alle tags voor Leena Lehtolainen op dit blog.

Uit: Schüsse im Schnee (Vertaald door Gabriele Schrey-Vasara)

„Einen halben Kilometer vor Loberga Gård funktionierte das Navigationsgerät plötzlich nicht mehr. Die Karte verschwand, stattdessen erschien auf dem Bildschirm der Text, die Route sei nicht zu finden. Da ich wusste, dass die Straße am Tor des Gutshofs endete, machte ich mir keine Sorgen, obwohl auch das Handy meldete, es habe kein Netz. Ich fuhr weiter, bis der Schnee, der sich in einer Lichtung auf der Straße angesammelt hatte, den Wagen ins Rutschen brachte. Im selben Moment zerbarst das Heckfenster. Außer Glassplittern hagelte noch etwas anderes ins Auto. Schrotkugeln.
Ich hielt an, schaltete den Warnblinker ein, zog meine Glock und stieg aus, um den Schaden zu begutachten. In der Scheibe war ein fünf Quadratzentimeter großes Loch, von dem drei Risse ausgingen. Ich holte die Werkzeugkiste aus dem Kofferraum und klebte Panzerband über das Loch und die Risse, war dabei aber ständig auf dem Sprung, mich auf den Boden zu werfen, sollten weitere Schüsse fallen. Die Scheinwerfer machten mich zu einem leichten Ziel.
«Kapierst du Arschloch, dass hier Menschen sind!», brüllte ich in den Wald, doch der Schnee und der Sturm verschluckten meine Stimme. Ich stieg wieder ein und inspizierte eine der Kugeln. Sie maß allem Anschein nach vier Millimeter. Nur mit Mühe unterdrückte ich den Impuls, Gas zu geben und möglichst schnell wegzufahren. Hatte man etwa absichtlich auf mich geschossen? Wollte mir jemand Angst einjagen, damit ich es nicht wagen würde, zum Gutshof Loberga zu fahren? Der Gedanke stachelte mich auf: So leicht ließ ich mich nicht einschüchtern.
Es war nicht das erste Mal, dass ich mit einer Waffe bedroht wurde. Daran konnte und durfte man sich nicht gewöhnen. Wenn mich tatsächlich jemand loswerden wollte, noch bevor ich mein Ziel erreicht hatte, musste die Aufgabe, die mich dort erwartete, enorm wichtig sein. Im schlimmsten Fall sogar lebensgefährlich.
Ich holte ein paarmal tief Luft und ließ den Motor an. Obwohl ich langsam fuhr, erreichte ich schon nach einer Minute das Tor des Gutshofs. Es war geschlossen, aber links entdeckte ich in Höhe des Seiten-fensters eine Klingel, darüber eine Überwachungskamera. Da das Autofenster zugefroren war, musste ich die Tür öffnen, um zu klingeln. Ein Wappen schmückte das Tor. Zwei gekreuzte Schwerter, darunter ein stilisierter Luchskopf. Das gleiche Wappen hatte auch auf dem Brief geprangt, mit dem ich nach Loberga eingeladen worden war. Bald nachdem ich geklingelt hatte, glitt das Tor auf. Offenbar verließ sich die Person im Haus darauf, dass ich diejenige war, die sie erwartete.“

 
Leena Lehtolainen (Vesanto, 11 maart 1964)

Lees verder “Leena Lehtolainen, Karl Krolow, Daan de Ligt, Frans Vogel, Willem Claassen, Amal Karam, Max Hermens, Eva Meijer, Helena Hoogenkamp”

Ernst Wichert, Douglas Adams, Torquato Tasso, Georg Maurer, Josef Martin Bauer, Maartje Smits

De Duitse schrijver Ernst Wichert werd geboren op 11 maart 1831 in Insterburg. Zie ook alle tags voor Ernst Wichert op dit blog.

Uit:Das Duell

“Drei Universitätsfreunde, der Burschenschaft angehörig, mit nicht gewöhnlichem Eifer allem Zeitbewegenden zugewandt, hatten einander, als sie mit Ablauf desselben Semesters in das Philisterland abreisten, das feierliche Versprechen gegeben, an einem bestimmten Tage nach zehn Jahren in der Reichshauptstadt zusammentreffen zu wollen, nicht nur, um ein hoffentlich fröhliches Wiedersehen mit einem guten Glase Wein zu begießen und dabei der schönen Studentenzeit zu gedenken, sondern vielleicht mehr noch zur Prüfung, ob man in allerhand Hauptfragen des Lebens einig geblieben und auch weiter geneigt sei, dieselbe Richtung, wenn schon auf verschiedenen Straßen, einzuhalten. In zehn Jahren, hatten sie gemeint, könne sich so viel verändert haben, daß gleichsam ein neues Losungswort ausgegeben werden müßte: könne man das finden, so sei es gewiß ein gutes Zeichen fortdauernder innigster Zusammengehörigkeit.
Sie hatten in Leipzig und Heidelberg, zuletzt in Berlin studiert, und hier warteten sie einander nun vor einem Hause in der Dorotheenstraße ab, in welchem sich damals eine gemütliche Weinkneipe befunden hatte, die den Rendezvousplatz abgeben sollte. Das alte, noch an die Zopfzeit erinnernde Haus war inzwischen niedergerissen und durch einen Bau von doppelt so vielen Stockwerken ersetzt, die nun sämtlich anderen Zwecken dienten. Sie kundeten aber den Wirt aus, der eine Straße weiter sein altes Weinlager gekellert und eine Trinkstube ungefähr im früheren Stil eröffnet hatte. Dort saßen vormittags und abends die Gäste, denen es noch immer mehr auf einen guten Tropfen als auf eine glänzende Ausstattung des Lokals ankam, an einfachen Holztischen, und hier fanden auch die drei Freunde eine stille Ecke, in der sich’s behaglich von Vergangenheit und Zukunft heiter und ernst plaudern ließ. Vom Briefschreiben hielten alle drei nicht viel, so daß sie das wenige nicht ganz Berufsübliche, was jedem in dem Decennium passiert war, meist erst jetzt erfuhren. Auch das eigentlich nur in kurzen Randbemerkungen. Es geht alten Freunden so, daß sie lange Zeit fast für einander tot zu sein scheinen und beim Zusammentreffen die Empfindung haben, nie getrennt gewesen zu sein.
Der eine – Arnold Runge – hatte erst Theologie, bald aber, seine Freigeistigkeit fürchtend, Philologie studiert und war Gymnasiallehrer irgendwo in Schlesien, hatte auch geheiratet und sogar schon zweimal taufen lassen. Ein rechter Brausekopf, mit aufstehendem rotblondem Kraushaar und zwei breiten Schmarren über der linken Backe bis in den Mundwinkel hinein, jetzt nach der dritten Flasche wieder stark gerötet.“

 

 
Ernst Wichert (11 maart 1831 – 21 januari 1902)
Cover

Lees verder “Ernst Wichert, Douglas Adams, Torquato Tasso, Georg Maurer, Josef Martin Bauer, Maartje Smits”

John Rechy, Hilde Van Cauteren, Joseph von Eichendorff, Jakob Wassermann, Karel van de Woestijne, Chloé Delaume, Friedrich Schlegel

De Amerikaanse schrijver John Rechy werd geboren op 10 maart 1934 in El Paso, Texas. Zie ook alle tags voor John Rechy op dit blog.

Uit: Bodies and Souls

« Jesse James grasped the iron bars of the main gate, as if looking into an opulent prison, A guard approached, and he let go. In substitute defiance, he pushed his cowboy hat forward, squinting up. His brown eyes fixed on the crotch of one of the female statues; he felt a stirring between his long, lean legs. “I didn’t say it looks like the house in Gone with the Wind, I said it reminds me,” Lisa upheld. She took another delicious lick, close to the last, of a Baskin-Robbins ice-cream cone, flavor of the week, vanilla-pistachio. Some of it dripped onto her chest; she captured the melting sweetness with a finger and poked it into her mouth. Her breasts were becoming roundly full; because she was slender, and shorter than the five-foot-six she claimed, they appeared lush. She was blessed with truly violet eyes—and thick dark eyelashes, although her hair, worn loose and to her shoulders, was brown, auburn in spring, streaked blond by summer. In Mundelein, Illinois, she had wanted to be a movie star; she no longer cared about that, or about anything else. “Doesn’t it remind you of Gone with the Wind?’ she asked Orin. Orin stood very straight glaring at the gutted mansion—as close as he could come to it from the sidewalk. There were times when he looked like a grown Huckleberry Finn—reddish blond hair, mischievous blue eyes, lanky angular body neither short nor tall, just slightly too thin, a fair, almost translucent complexion unmarred by freckles. Then unexpectedly a somber look might push away the boyish smile, extend the tilt of his eyes—suddenly haunted eyes—and dark semicircles would deepen under them; a moody beauty would emerge, along with the impression of darkness—despite the glowing hair, the clear eyes so moistly blue at times they seemed to weep without tears. Approaching twenty-five, he aged or grew younger in alternating moods. Now he stared intensely at the naked statues on the aging lawn. His fair eyebrows knotted. In answer to Lisa’s question, he shrugged and shook his head. “My God, you didn’t see it?” Lisa said. “I thought everybody had.” She took the last bite of her cone, not swallowing it, letting the cream thaw slowly in her mouth, preserving the wonderful flavor. What it was gone, she said, “I’d like to go through all thirty-one Baskin-Robbins flavors.” She tasted her lips for any lingering sweetness. “Wouldn’t it be something to change names, like the ice-cream flavor of the week? Could I change my name each day, Orin?” she asked. “Sure,” Orin said. »

 

 
John Rechy (El Paso, 10 maart 1934)

Lees verder “John Rechy, Hilde Van Cauteren, Joseph von Eichendorff, Jakob Wassermann, Karel van de Woestijne, Chloé Delaume, Friedrich Schlegel”

Boris Vian, Manolis Anagnostakis, Peter McArthur, Samuel Ferguson, Georges Dor, Pedro Antonio de Alarcón, Otto Heinrich Kühner

De Franse schrijver, ingenieur, dichter, zanger en jazztrompettist Boris Vian werd geboren in Ville-d’Avray op 10 maart 1920. Zie ook alle tags voor Boris Vian op dit blog

Uit:Het schuim der dagen (Vertaald door Han Meyer)

Chloé keek hem nog steeds aan. Ze had blauwe ogen. Ze bewoog haar hoofd om haar krullende en glanzende haar naar achteren te schudden en legde, zonder enige aarzeling, met een resoluut gebaar, haar voorhoofd tegen de wang van Colin. Om hen heen viel een overvloedige stilte en het overgrote deel van de wereld scheen de gasvormige toestand te verkiezen en vervluchtigde.
Maar, zoals te verwachten was, hield de plaat op. Toen pas kwam Colin terug tot de echte werkelijkheid en merkte hij dat een deel van het plafond van glas was, waar een aantal bovenburen door zat te kijken, dat een dichte rij lissen de onderste helft van de muren aan het oog onttrok, dat verschillend gekleurde gaaanbood op een hercynisch schaaltje.
(…)

‘Chick kwam de winkel uit. Binnen had hij niks gevonden dat de moeite waard was. Onder het lopen keek hij naar zijn voeten in de rood-bruin leren schoenen en hij verwonderde zich er over dat de één hem de ene kant op wilde trekken, en de ander de tegenovergestelde kant. Hij dacht enkele ogenblikken na, construeerde in gedachten de bissectrice van de hoek en wierp zich in de richting van die lijn. Hij werd op een haar na overreden door een grote, zwaarlijvige taxi en hij dankte zijn lijfsbehoud slechts aan de sierlijke sprong, die hem op de voeten van een voorbijganger deed belanden, welke laatste vloekte en naar het ziekenhuis ging om zich te laten verzorgen.’

 

 
Boris Vian ( 10 maart 1920 – 23 juni 1959)
Cover Franse uitgave 

Lees verder “Boris Vian, Manolis Anagnostakis, Peter McArthur, Samuel Ferguson, Georges Dor, Pedro Antonio de Alarcón, Otto Heinrich Kühner”

Koen Peeters, Peter Zantingh, Ed Hoornik, Heere Heeresma, Peter Altenberg, Vita Sackville-West, Josef Weinheber, Taras Sjevtsjenko, Umberto Saba

De Vlaamse schrijver Koen Peeters werd geboren in Turnhout, 9 maart 1959. Zie ook alle tags voor Koen Peeters op dit blog.

Uit: De mensengenezer

‘En amid, wat betekent dat, Remi?’ vroeg nonkel Marcel.
‘Tussen, nonkel. Het gedicht zegt: de leeuweriken zingen dapper, zij vliegen, maar niemand kan hen horen tussen het lawaai van de wapens. In de klas hebben wij dat gedicht vanbuiten geleerd.’
‘Vanbuiten?’
‘Ja, want wij hebben in de klas nog geen Engels geleerd.’
‘Dus daarover ging dat gedicht,’ zei nonkel Marcel, zijn bezwete voorhoofd deppend met zijn zakdoek. ‘Daarover gaat het altijd. Overal zijn geheimen en opdrachten, droevige geheugensporen. Niemand is de eigenaar ervan, daarom blijven ze hangen tussen de mensen. Weet je waarom?’
Ik wist het niet.
‘In onze streek is te veel gebeurd.’
Hij wees in de verte naar de drie heuvels op een rij: de Kemmelberg, de Rodeberg, de Zwarteberg. Voor de rest was het landschap plat. Een strakgetrokken laken. Soms leken de schuren boven de graanvelden te zweven; bij de minste hitte zinderde de lucht. Elektriciteitsdraden huppelden op stelten naar de boerderijen en overal waren de boeren aan het werk, ook in de felle regen of wanneer een striemende wind uit de zee opstak.
Nonkel Marcel zei: ‘Onze streek is verdoemd. De geest schroeit iedereen met miltvuur.’
‘Welke geest, nonkel? Wat is miltvuur? Waarom verdoemd?’
‘De geest is onzichtbaar, maar hij is samengesteld uit de overblijfselen van lichamen. Uit zijn weggeschoten gezicht kijkt de geest ons aan. Zijn verhalen ratelen als een ekster, ze kwetteren.
Ze fluiten als een afgeschoten granaat.’
Ik zweeg.
‘Remi?’

 

 
Koen Peeters (Turnhout, 9 maart 1959)

Lees verder “Koen Peeters, Peter Zantingh, Ed Hoornik, Heere Heeresma, Peter Altenberg, Vita Sackville-West, Josef Weinheber, Taras Sjevtsjenko, Umberto Saba”

Ariane Sommer

De Duitse schrijfster, columniste en presentatrice Ariane Sommer werd geboren op 9 maart 1977 in Bonn. Als dochter van een Duitse diplomaat groeide zij op in verschillende landen en plaatsen, waaronder New Delhi, Sierra Leone, Parijs, Madrid en Miami. Ze behaalde haar eindexamen gymnasium aan het internaat Salem en verhuisde vervolgens naar Berlijn om politieke wetenschappen te studeren aan de FU Berlijn. In 2000 verscheen haar boek “Die Benimm-Bibel”. In 2009 werd de bundel korte verhalen “Foreign Affairs” gepubliceerd. Samen met Roman Libbertz publiceerde ze in 2015 de erotische roman “Lieben Lassen”. Van 2000-2002 was zij vaste columniste voor de Duitse Playboy, van 2001 tot 2002 voor Max. Daarnaast schreef zij gastcolumns voor o.a. Cosmopolitan, EMMA, Die Zeit, FAZ, Revue en BILD.de) , In het Brits-Chinese tijdschrift China Ethos verschijnt sinds 2008 een column van haar over cultuur, maatschappij en etiquette onder de titel “The Diplomat’s Daughter”. In het najaar van 2008 voerde ze naakt campagne voor de dierenrechtenorganisatie PETA tegen het dragen van bont. Vanaf 2000 speelde Sommer kleine rollen in tv-series en bijrollen in films zoals Oskar Roehler’s „Agnes und seine Brüder”. In 2002 verhuisde zij naar Londen, waar ze acteren studeerde aan het Actors Center. In 2005 vertrol zij naar Los Angeles. In 2007 kreeg zij een figurantenrol in “Kings of South Beach” (Girl at the Bar). In Duitsland presenteerde zij o.a. de tv-programma Top of the Pops, Lebensart en Die Supergärtner.

Uit: Lieben lassen

„Auf der Straße vertreibt die Sonne die letzten Splitter der Nacht aus meinen Augen. Für jetzt. Obwohl ich seit Tagen nicht geschlafen habe, fühle ich mich so beschwingt, als hätte die Erdanziehung keine Macht mehr über mich und ich könnte einfach mit einer weit ausgreifenden Bewegung der Arme abheben. Die Fensterläden eines der rostfarbenen Häuser neben mir werden aufgestoßen, und ein kleines Mädchen blinzelt verschlafen in die Außenwelt, reibt sich fröstelnd die Arme, der Mai zeigt sich morgens noch von seiner kühlen Seite.
Eine einsame Vespa knattert an mir vorbei, als ich den Tiber überquere, und im dunklen Wasser leuchtet golden der Petersdom. Kurz stelle ich mir vor hineinzuspringen, Gott zu besuchen, er ist bestimmt schon wach, so laut, wie ich ihn gerufen habe letzte Nacht.
Meine Absätze knallen auf den Asphalt, schlagen im Takt mit dem Herzschlag der Ewigen. In jedem Ort pocht unterschwellig ein Gedanke, ein Gefühl. In New York ist es Erfolg, in Shanghai Veränderung, in Paris die Liebe, und hier in Rom ist es Sex. Mit den Fingerkuppen streiche ich über die Hülle der Leica M9 in meiner Handtasche. Die Technologie ist nicht ganz so ausgefeilt wie die der Japaner, aber sie liegt gut in der Hand, und sie ist intimer, leiser als die Nikon mit ihrem klick, klick, klick.
Fotografie ist Schattenkomposition. Vielleicht fühle ich mich deswegen zur Kamera hingezogen. Still wie eine Spinne, die in ihrem Netz hockt und auf Insekten wartet, öffnet sie ihr Auge, schnappt im Bruchteil einer Sekunde zu und zieht sich dann wieder zurück in den ihr eigenen Zustand der Blindheit.
In Gedanken spiele ich mit meiner Beute, sein Lächeln gehört jetzt mir. Ich werde es den anderen Stücken meiner Sammlung hinzufügen, bis ich den perfekten Mann geschaffen habe.
An einem Zeitungskiosk in der Via Giuseppe Zanardelli kaufe ich Postkarten und schlendere anschließend auf die Piazza Navona, fast frei von Touristen, der frühe Morgen die einzige Tageszeit, an der sie erträglich ist, und ich kann das Wasser in Berninis Vierströmebrunnen plätschern hören.“

 
Ariane Sommer (Bonn, 9 maart 1977)