Rainer Maria Rilke, Geert Mak, Nikoloz Baratashvili

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

 

Ich will ein Garten sein

Ich will ein Garten sein, an dessen Bronnen
die vielen Träume neue Blumen brächen,
die einen abgesondert und versonnen,
und die geeint in schweigsamen Gesprächen.

Und wo sie schreiten, über ihren Häupten
will ich mit Worten wie mit Wipfeln rauschen,
und wo sie ruhen, will ich den Betäubten
mit meinem Schweigen in den Schlummer lauschen.

 

Ich ließ meinen Engel lange nicht los

Ich ließ meinen Engel lange nicht los,
und er verarmte mir in den Armen
und wurde klein, und ich wurde groß:
und auf einmal war ich das Erbarmen,
und er eine zitternde Bitte bloß.

Da hab ich ihm seine Himmel gegeben, –
und er ließ mir das Nahe, daraus er entschwand;
er lernte das Schweben, ich lernte das Leben,
und wir haben langsam einander erkannt…

 

Aus dem Leben eines Heiligen

Er kannte Ängste, deren Eingang schon
wie Sterben war und nicht zu überstehen.
Sein Herz erlernte, langsam durchzugehen;
er zog es groß wie einen Sohn.

Und namenlose Nöte kannte er,
finster und ohne Morgen wie Verschläge;
und seine Seele gab er folgsam her,
da sie erwachsen war, auf daß sie läge

bei ihrem Bräutigam und Herrn; und blieb
allein zurück an einem solchen Orte,
wo das Alleinsein alles übertrieb,
und wohnte weit und wollte niemals Worte.

Aber dafür, nach Zeit und Zeit, erfuhr
er auch das Glück, sich in die eignen Hände,
damit er eine Zärtlichkeit empfände,
zu legen wie die ganze Kreatur.

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)

Standbeeld in Ronda

Lees verder “Rainer Maria Rilke, Geert Mak, Nikoloz Baratashvili”

200 Jaar Hendrik Conscience, Joseph Conrad, Herman Heijermans, Grace Andreacchi

De Vlaamse schrijver Henri (Hendrik) Conscience werd geboren in Antwerpen op 3 december 1812. Zie ook alle tags voor Hendrik Conscience op dit blog. Dat is vandaag precies 200 jaar geleden.

Uit: De Leeuw Van Vlaanderen Of De Slag Der Gulden Sporen

“Na de stoet alzo enige tijd was voortgereden, struikelde het paard van een der ridders tegen de stronk van een afgehakte boom en bukte onvoorziens tot bij de grond. Hierdoor viel de ridder met de borst op de nek van zijn draver en geraakte bijkans uit de zadel. “Bij de Maagd!” riep hij in de Franse spraak. “Zo helpe mij God! Mijn paard slaapt onder mij.”
“Mijnheer De Chatillon,” antwoordde zijn gezel, lachende, “dat er een van u beiden sliep–dit geloof ik voorzeker.”
“De tong moet u branden, spotter!” viel De Chatillon uit. “Ik sliep niet. Twee uren vestig ik mijn ogen op die betoverende torens, die zich hoe langer hoe meer verwijderen. Maar men zou zich eer aan de galg zien, dan een goed woord uit uw mond te krijgen.”
Terwijl de twee ridders, zich dus schertsend toespraken, lachten de anderen lustig om het ongeval en de ganse stoet ontwaakte opeens uit de stille sluimering.
De Chatillon, die nu zijn paard weder op de been gebracht had, ziende dat men niet ophield met lachen, werd door zulke innige gramschap vervoerd, dat hij het beest ijselijk met de scherpe spoor in de buik stampte. Hierdoor steigerde het verwoed in de hoogte, en vloog eindelijk als een javelijn tussen de bomen heen. Geen honderd treden van daar liep het tegen de stam van een zware eik, en stortte deerlijk gewond ter aarde.
Gelukkig was het voor De Chatillon dat hij bij de schok ter zijde uit de zadel gevallen of gesprongen was. Niettegenstaande moest hij zich genoeg in de lenden bezeerd hebben, want hij bleef een ogenblik als gevoelloos liggen.
“Bedaar toch, ik bid u,” hernam De St.-Pol, “Ho! Gij zijt gewond, mijn broeder, er komt bloed uit uw maliehemd.”
De Chatillon trok de mouw van zijn rechterarm wat omhoog, en bemerkte dat een tak hem de huid opengekrabd had.
“Daar, zie!” sprak hij half getroost. “Het is niets–een schram. Maar bij de Hemel! Ik geloof dat die Vlaming ons met inzicht in deze behekste wegen brengt. Dit wil ik weten,–en zo weinig krijge ik genade om mijn zonden, indien ik hem niet aan de vervloekte eik doe ophangen.”

 

Hendrik Conscience (3 december 1812 – 10 september 1883)
Gedenkpenning

Lees verder “200 Jaar Hendrik Conscience, Joseph Conrad, Herman Heijermans, Grace Andreacchi”

Advent, Frédéric Leroy, Botho Strauß, Ann Patchett, Hein Boeken, T. C. Boyle

 

Bij de Eerste Advent

 

De aartsengel Gabriël verkondigt aan Maria de komst van Jezus door Robert Campin, ca. 1427–32

 

Advent

Advent is wachten. Wachten met verlangen
totdat het eindelijk gebeuren gaat
wat werd voorspeld in de profetenzangen;
wachten, tot God het Woord vervult in daad.

Advent is luist’ren. Luist’ren en verlangen
totdat de hemel lichtend opengaat
en je omspoeld wordt door de eng’lenzangen;
luisteren, totdat je hart meezingen gaat.

Advent is komen. Komen met verlangen
naar Bethlehem, waar God vlak voor ons staat
en onze mond vervult met nieuwe zangen
en waar geloof verandert in de daad.

Advent is bidden. Bidden vol verlangen
opdat Gods rijk van vrede komen gaat;
en Hij ons op de nieuwe aarde zal ontvangen
waar ons verlangen in aanbidding overgaat.

 

Nel Benschop (16 januari 1918 – 31 januari 2005)

Lees verder “Advent, Frédéric Leroy, Botho Strauß, Ann Patchett, Hein Boeken, T. C. Boyle”

Tahar Ben Jelloun, Daniel Pennac, Billy Childish, Henry Williamson

De Marokkaanse romanschrijver, dichter en essayist Tahar Ben Jelloun werd geboren in Fez op 1 december 1944. Zie ook alle tags voor Tahar Ben Jelloun op dit blog.

 

Uit: Leaving Tangier (Vertaald door Linda Coverdale)

 

“Yes, she might appear, and reveal a few of her secrets. Conditions are favorable: a clear, almost white sky, reflected in a limpid sea transformed into a pool of light. Silence in the café; silence on all faces. Perhaps the precious moment has arrived . . . at last she will speak!

Occasionally the men do allude to her, especially when the sea has tossed up the bodies of a few drowned souls. She has acquired more riches, they say, and surely owes us a favor! They have nicknamed her Toutia, a word that means nothing, but to them she is a spider that can feast on human flesh yet will sometimes tell them, in the guise of a beneficent voice, that tonight is not the night, that they must put off their voyage for a while.

Like children, they believe in this story that comforts them and lulls them to sleep as they lean back against the rough wall. In the tall glasses of cold tea, the green mint has been tarnished black. The bees have all drowned at the bottom. The men no longer sip this tea now steeped into bitterness. With a spoon they fish the bees out one by one, laying them on the table and exclaiming, “Poor little drowned things, victims of their own greediness!”

As in an absurd and persistent dream, Azel sees his naked body among other naked bodies swollen by seawater, his face distorted by salt and longing, his skin burnt by the sun, split open across the chest as if there had been fighting before the boat went down. Azel sees his body more and more clearly, in a blue and white fishing boat heading ever so slowly to the center of the sea, for Azel has decided that this sea has a center and that this center is a green circle, a cemetery where the current catches hold of corpses, taking them to the bottom to place them on a bank of seaweed. He knows that there, in this specific circle, a fluid boundary exists, a kind of separation between the sea and the ocean, the calm, smooth waters of the Mediterranean and the fierce surge of the Atlantic.”

 

Tahar Ben Jelloun (Fez, 1 december 1944)

Lees verder “Tahar Ben Jelloun, Daniel Pennac, Billy Childish, Henry Williamson”

Mihály Vörösmarty, Valery Bryusov, Ernst Toller

De Hongaarse dichter Mihály Vörösmarty werd geboren op 1 december 1800 in Puszta-Nyék. Zie ook alle tags voor Mihály Vörösmarty op dit blog.

 

Schön Ilonka

I

Lauernd sitzt der Jäger und versonnen,
hofft für seinen Bogen schnelles Wild,
immer höher und in Gold versponnen
zeigt nach Süden schon der Sonne Bild.
Doch vergebens: an verborgner Stelle
ruht das Wild sich aus an kühler Quelle.

Lange sitzt der Jäger auf der Lauer;
in der Dämmrung kommt ein Zeichen oft,
harrt des ganzen Sonnenbogens Dauer.
Da erscheint das Glück, das er erhofft:
Ach, kein Wild, des Falters leichte Schwinge,
und ein Mädchen folgt dem Schmetterlinge.

“Bunter Falter, Schmetterling, so golden!
Komm und sitz auf meinen Händen still;
führ mich auch, wenn du es willst, zur holden
Sonne, die schon untergehen will.”
Sagt’s und eilt so, wie die Rehe ziehen,
leicht und zärtlich ist des Mädchens Fliehen.

“Gott!” Auf springt der Jäger wie besessen,
“Königlich ist dieses Wild!” Und er
eilt beflügelt gleich und selbstvergessen
diesem schönen Mädchen hinterher.
Jäger, Mädchen, Falter – um die Wette
schließen sie des reinen Scherzes Kette.

“Hab ich dich!” Das Mädchen ruft’s voll Freude,
und sie hascht den bunten Schmetterling.
“Hab ich dich!” Der Jäger fängt die Beute,
wie er niemals eine schönre fing.
Und das Mädchen läßt den Falter fliegen,
sich vom Strahl des schönen Augs besiegen.

Vertaald door Günther Deicke

 

Mihály Vörösmarty (1 december 1800 – 19 november 1855)

Standbeeld in Székesfehérvár

Lees verder “Mihály Vörösmarty, Valery Bryusov, Ernst Toller”

Herinnering aan Ramses Shaffy

Herinnering aan Ramses Shaffy

Nederlands grootste chansonnier Ramses Shaffy is vandaag precies drie jaar geleden op 76-jarige leeftijd overleden.

De Nederlandse chansonnier en acteur Ramses Shaffy werd op 29 augustus 1933 geboren in de Parijse voorstad Neuilly-sur-Seine als zoon van een Egyptische diplomaat en een Poolse gravin van Russische afkomst. Zie ook alle tags voor Ramses Shaffy op dit blog.

 

Zonder bagage

De wereld heeft mij failliet verklaard
Ik heb me nog nooit zo goed en licht gevoeld als nu
Ik heb me nog nooit zo schoon en bevrijd gevoeld als nu
Weg met de kroegen
Weg gezuip
Weg zijn de katers
Dronken flaters
Glazige morgens
En hun zorgen; niet te betalen

De wereld heeft mij failliet verklaard
Het is een verbazingwekkend lot, waar men mij mee stoorde
Een verbazingwekkend lot, van wat eens bij mij behoorde
Geen parasieten
Geen gevlij
Geen gestroop meer
Geen gevrij
Geen gelik meer
’t Is voorbij, niets meer te halen

De wereld heeft mij failliet verklaard
Het is een geschenk van God en niet van de maatschappij
Het is een geschenk van God en dit is wat hij zei:
Je moet weer werken
Je moet weer zingen
Je moet weer lachen
Je moet weer spelen
Je moet weer geven
En beleven
Je moet weer stralen
De weg is vrij
De weg is open
De weg is mateloos van mij
Zonder bagage
Kan ik weer lopen
Want ik ben nu vogelvrij

De wereld heeft mij failliet verklaard
Ik ben ontstegen aan het groot krakeel
Ik ben ontslagen aan het maffe oordeel
Ik heb niets meer te verliezen
Ik heb alleen
Te winnen
Te beminnen
Te beginnen
Ik ben niet meer
Te achterhalen


Ramses Shaffy (29 augustus 1933 – 1 december 2009)

 

 

David Nicholls, Christophe Vekeman, Jan G. Elburg, Mark Twain, Jonathan Swift

De Engelse schrijver David Nicholls werd geboren op 30 november 1966 in Eastleigh, Hampshire. Zie ook alle tags voor David Nicholls op dit blog.

 

Uit: One Day

‘Exciting!’’ He was imitating her voice now, her soft Yorkshire accent, trying to make her sound daft. She got this a lot, posh boys doing funny voices, as if there was something unusual and quaint about an accent, and not for the first time she felt a reassuring shiver of dislike for him. She shrugged herself away until her back was pressed against the cool of the wall.
‘Yes, exciting. We’re meant to be excited aren’t we? All those possibilities. It’s like the Vice-Chancellor said, “the doors of opportunity flung wide…”’
‘“Yours are the names in tomorrow’s newspapers…”’
‘Not very likely.’
‘So, what, are you excited then?’
‘Me? God no, I’m crapping myself.’
‘Me too. Christ…’ He turned suddenly and reached for the cigarettes on the floor by the side of the bed, as if to steady his nerves. ‘Forty years-old. Forty. Fucking hell.’
Smiling at his anxiety, she decided to make it worse. ‘So what’ll you be doing when you’re forty?’
He lit his cigarette thoughtfully. ‘Well the thing is, Em – ’
‘‘Em’? Who’s ‘Em’? ’
‘People call you Em. I’ve heard them.’
‘Yeah, friends call me Em.’
‘So can I call you Em?’
‘Go on then, Dex.’
‘So I’ve given this whole ‘growing old’ thing some thought and I’ve come to the decision that I’d like to stay exactly as I am right now.’
Dexter Mayhew. She peered up at him through her fringe as he leant against the cheap buttoned vinyl headboard and even without her spectacles on it was clear why he might want to stay exactly this way. Eyes closed, the cigarette glued languidly to his lower lip, the dawn light warming the side of his face through the red filter of the curtains, he had the knack of looking perpetually posed for a photograph.”

 

David Nicholls (Hampshire, 30 november 1966)

Lees verder “David Nicholls, Christophe Vekeman, Jan G. Elburg, Mark Twain, Jonathan Swift”

Y. M. Dangre

De Vlaamse dichter en schrijver Y.M. (Yannick) Dangre werd op 30 november 1987 geboren in Kapellen. Dangre ging naar school op het Sint-Michielscollege in Brasschaat, waar hij in 2004 afstudeerde in de richting Latijn-Wiskunde. Tijdens zijn middelbare schoolcarrière ontwikkelde hij reeds zijn literair talent door het schrijven van enkele gedichtjes zoals elke puber doet, aldus Dangre. Enkele van deze gedichten werden in het jaarboek van zijn school gepubliceerd. Dangre maakte pastiches op de Franse symbolisten en debuteerde op tweeëntwintigjarige leeftijd met de roman Vulkaanvrucht, waarvoor hij de Debuutprijs kreeg. Hij begon aan deze roman te schrijven tijdens zijn universitaire opleiding. Een klein deel van de roman werd als voorpublicatie uitgebracht in de verhalenbundel Print is Dead (2009), door uitgeverij Meulenhoff/Manteau. In 2011 verscheen zijn dichtbundel Meisje dat ik nog moet, die genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs en waarmee hij de Herman de Coninckprijs won. Op 14 december 2011 nam Dangre deel aan de 22ste editie van het Groot Dictee der Nederlandse Taal waar hij met vijf fouten als tweede eindigde. In 2012 verscheen zijn tweede roman Maartse kamers bij De Bezige Bij. Zie ook alle tags voor Y.M. Dangre op dit blog.

 

De derde eenzaamheid

De dichter is een kant, een donkere
Helft van de mensheid waar het schijndood
En zondagse vernieling regent, waar de wolken smelten
Tussen de uitgelezen tanden van zijn weemoed.

Een schaduwland is hij, een knokig kroondomein
Van raadsels en te lang bewaarde mythes
Over witte zonnen die niemand meer bezoekt
En in wier stralen hij groeiend dakloos is.

Hij is als vanouds die kant, dat land
Van schuimende sterrenbeelden en echo’s te groot
Voor het vergeelde gras en de trouwe grafzerken
Van zijn keel. Hij dobbert rond in wanklank
Stoffig van alle seizoenen en eindigt megalomaan
Onbewoond.

 

Y.M. Dangre (Kapellen, 30 november 1987)

Yasmine Allas

De Nederlandse schrijfster en actrice Yasmine Allas werd geboren op 30 november 1967 in Mogadishu in Somalië. Allas’ vader werd vermoord in 1977, en acht jaar later vluchtte ze naar het buitenland. Toen ze in 1987 via Saoedi-Arabië en België in Nederland terecht kwam, volgde ze een toneelopleiding, en acteerde bij een aantal gezelschappen, waaronder De Trust en Nieuw Amsterdam. Haar debuutroman Idil, een meisje verscheen in 1998. In deze roman, over een Somalisch meisje dat zich staande probeert te houden in de harde Somalische mannengemeenschap, speelt het onderwerp vrouwenbesnijdenis een belangrijke rol. De generaal met de zes vingers uit 2001 werd ook alom geprezen. In 2004 verscheen De blauwe kamer, gevolgd in 2006 door eenessaybundel, Ontheemd en toch thuis, 2006. Een nagelaten verhaal, haar vierde roman, verscheen in 2009.

 

Uit: Idil

‘Haar schaamlippen zijn wat teruggetrokken’, hoorde ik haar zeggen. ‘Hoe groot moet het gat zijn?’
‘Als ze nog maar kan plassen ben ik tevreden’. Antwoordde mijn moeder. De vrouw gaf een paar flinke klappen tegen mijn schaamlippen om ze te laten opzwellen. Ze gebruikte geen verdovingsmiddel. Ik voelde dat ze aan mijn schaamlippen trok. Van boven naar beneden. Ik merkte het zagen van de mesjes en het knippen van de schaar. De pijn was zo ondraaglijk dat ik mijn billen omhoog tilde, maar de vrouwen drukten me onmiddellijk weer op de grond.

(…)

Mijn schaamlippen zijn weggesneden, mijn clitoris is weggehaald. Alles is daarna dichtgenaaid, er werd een piepklein tunneltje opengelaten. Overal kleefde bloed.”

 

Yasmine Allas (Mogadishu, 30 november 1967)

Mario Petrucci, Carlo Levi, Jean-Philippe Toussaint, C.S. Lewis

De Engelse dichter en schrijver Mario Petrucci werd geboren op 29 november 1958 in Londen. Zie ook alle tags voor Mario Petrucci op dit blog.

 

Uit: Curates and bishops

“W.H. Auden once described being among scientists as feeling like a shabby curate who’d strayed into a room full of dukes. When I accepted the post as the first ever poet in residence at BBC Radio 3, I developed a mild case of nerves. Not full-blown duodenal heave; more a queasy sense of being a slightly shabby wordsmith among the inveterately glossolalic.

Talking. Radio people are all so bloody good at it. Of course, like Auden, I was wrong to feel that way. At the Royal Philharmonic Society awards ceremony in 2004, the briljant young conductor Ilan Volkov described Radio 3 as “family”. Certainly, I was made to feel as far from shabby as one can imagine. Almost like family – though I knew from the outset it was something I’d also have to earn. Perhaps I can push my luck here and ask (hailing, as I do, from southern Italy) whether I joined the BBC family, or they mine? It’s certainly in the balance as to which is larger. Talking of families, my emotional understanding of radio (and of opera) probably began in an Italian family kitchen. Everyone talking at once – and yet everyone perfectly understood. It was a miraculous example of a multiple cross-talk system with no tuning facility. And no volume control.

Anyway, those initial nerves quickly melted away. So much so, that I seriously wondered whether I should take in a small cylinder of helium (from my lab days) and gulp a lungful before going on air, just to give the whole thing a Donald Duck soprano shake-up. More sensibly, I’m wondering what I did to end up waist-deep in a writer’s paradise: working with a community deeply attuned to the use of words and the subtleties of music. I also have to wonder if I’m suffering from a species of literary typecasting, as the ‘frontier man’ of residencies?”

 

Mario Petrucci (Londen, 29 november 1958)

Lees verder “Mario Petrucci, Carlo Levi, Jean-Philippe Toussaint, C.S. Lewis”