Stephen Fry, Charles Wright

De Engelse komiek, schrijver, acteur en presentator Stephen John Fry werd geboren in Londen op 24 augustus 1957. Zie ook alle tags voor Stephen Fry op dit blog.

Uit:  Het nijlpaard  (Vertaald door Harmien L. Robroch)

“Je kunt van zo’n klootzak als ik niet verwachten dat hij een goed verhaal kan vertellen. Het kost me goddomme al moeite genoeg om met dit kloteapparaat om te gaan. Ik heb de woorden geteld – dat doe ik elk uur – en als je de techniek moet vertrouwen, dan ziet het ernaar uit dat je er zo’n 97.776 te verstouwen krijgt. Succes. Je hebt erom gevraagd, je hebt me ervoor betaald, je houdt het maar uit. Zoals de man zei: ‘Ik heb geleden voor mijn kunst, nu is het jouw beurt.’ Niet dat dit nou zo’n beroerde ervaring is geweest. Ik drink tussen de middag geen alcohol meer bij het eten, loop niet kwijlend achter onbereikbare vrouwen aan en maak geen ruzie met die vreselijke mensen van hiernaast. En dat allemaal door Het Project, zoals jij het hardnekkig blijft noemen. Ik heb, op jouw voorstel, de afgelopen zeven maanden een min of meer regelmatig leven geleid, en ik heb me laten vertellen dat de positieve uitwerkingen me duidelijk zijn aan te zien in het gelaat, aan mijn taille en aan het wit van mijn ogen.
De routine was constant en ziekelijk aangenaam. Elke morgen, op een tijdstip waarop de meeste mensen nog aan een laatste borreltje denken voordat ze naar bed gaan, stond ik op, douchte ik, liep met lichte tred naar beneden, smakte een bord Kellogg’s naar binnen en leidde mijn onwillige slippers richting studeerkamer. Ik zet de computer aan – een handeling die mijn zoon Roman ‘in de matrix pluggen’ noemt – staar met walgende ogen naar de bagger die ik de vorige avond heb opgesteld, luister nog maar weer eens naar die godvergeten interviewbandjes met Logan, steek een Rothman op, en ga goddomme gewoon aan het werk. Als het een goede dag is geweest, verdwijn ik naar boven voor een feestelijk nummertje masturberen – wat Roman ongetwijfeld ‘in de matras pluggen’ zou noemen – en tot een uur of zeven denk ik niet eens aan drank. Al met al een waardig en rein leven.
Een huis huren op het platteland creëert het probleem dat iedereen opeens je beste vriend is. Ik moet voortdurend Oliver, Patricia en Rebecca en alle anderen van me afslaan die schijnen te denken dat mijn tijd onbeperkt is en mijn kelder bodemloos.
Zo nu en dan dumpt het Rotwijf hier een zoon of dochter voor een weekendje, maar die zijn allebei groot en lelijk genoeg om voor zichzelf te zorgen, en hebben van mij geen hulp nodig om hun jointje te draaien of hun spiraaltje in te brengen. Volgende week trekt Leonora in het huis dat ik haar heb gegeven en dan ben ik voorgoed van haar af. Ze is veel te oud om zo aan me te hangen.
Nee, over het geheel genomen zou ik willen zeggen dat het een groot succes is geweest. Als proces gezien, tenminste, als proces. Of het product iets is om over naar huis te schrijven is natuurlijk aan jou.”

 

Stephen Fry (Londen, 24 augustus 1957)

 

De Amerikaanse dichter Charles Wright werd geboren op 25 augustus 1935 in Pickwick Dam, Tennessee. Zie ook alle tags voor Charles Wright op dit blog.

 

Lichaam en Ziel II
(voor Coleman Hawkins)

De structuur van het landschap is oneindig klein,
Net als de structuur van muziek,
naadloos, onzichtbaar.
Zelfs de regen heeft grotere naden.
Wat het landschap bij elkaar houdt, en wat de muziek bij elkaar houdt,
Is geloof, lijkt het, geloof van het oog, geloof van het oor.
Niets van dat alles in de taal,
Echter, wolken die echter als bloesems van west naar oost sjouwen
Geblazen door de wind.
April, en alles is mogelijk.

Dit is het verhaal van Hsuan Tsang.
Als boeddhistische monnik ging hij van Xian naar Zuid-India
En terug- op de rug van een paard, van een kameel, van een olifant, en te
voet.
Het kostte hem tienduizend mijl, van 629 tot 645,
Bergen en woestijnen,
Op zoek naar de Waarheid,
het hart van het hart van de Werkelijkheid,
De Wet die hem zou helpen eraan te ontsnappen,
En al het daarmee gepaard gaande en onontkoombare lijden.
En hij vond het.

Tegenwoordig kijk ik naar de dingen, niet door ze heen,
En ga laag zitten, zo ver weg van de hemel als ik kan komen.
Het rif van de huilende kers bloeit koraal,
De lampen van de achterveranda van de buren gloeien als anemonen.
Venus met inktvisogen zweeft erboven.
Dit is het half uur, half licht, half donker,
als alles begint te schijnen,
En aforismen sluipen in de bomen,
Hun vleugels gevouwen, hun hoofden gebogen.

Elk waar gedicht is een vonk,
en streeft naar de toestand van het oorspronkelijke vuur,
Ontstaan uit de leegte.
Het is diezelfde leegte die het opnieuw wil aanwakkeren.
Het is diezelfde voortbrenging waardoor het opnieuw wil worden voortgebracht.
Vallende sterren.
April is identiek,
hemels, woordeloos, brandt af.
Het licht ervan is het licht waarmee we communiceren.
De bestemming is onze eigen bestemming, de hoop is de hoop waarmee we leven.

Wang Wei daarentegen
Kocht, voordat hij 30 jaar oud was, zijn beroemde landgoed aan de rivier de Wang
Net ten oosten van de oostkant van de Zuidelijke Bergen,
en woonde daar,
Af en toe, voor de rest van zijn leven.
Hij reisde nooit door het landschap, maar bleef erin,
Zelf een onderdeel van de natuur, dacht hij.
En wie zou nee zeggen
Tegen iemand die zo verwikkeld is in eenzaamheid,
in mislukking, dacht hij, en in lijden.

Middaghemel, de kleur Crème van Tarwe, een kleine
Klodder boter vaag aan de westelijke rand.
Te oud en lui geworden om gedichten te schrijven,
Kijk ik naar de sneeuwval
Van de appelbomen.
Landschap verzacht, zoals Wang Wei zegt, de scherpe randen van isolatie.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Charles Wright (Pickwick Dam, 25 augustus 1935)

 

Zie voor de schrijvers van de 24e augustus ook mijn blog van 24 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 24 augustus 2019 en ook mijn blog van 24 augustus 2018.

Serhiy Zhadan, Koos Dijksterhuis, Charles Reznikoff

De Oekraïense dichter, romanschrijver, essayist en vertaler Serhiy Viktorovych Zhadan werd geboren op 23 augustus 1974 in in Starobilsk, in het gebied Loehansk. Zie ook alle tags voor Serhiy Zhadan op dit blog.

 

LUKOIL

Wanneer Pasen eraan komt en de hemel ons meer welwillendheid toont
en iedereen zich inspant – want, wat wil je, zeggen ze, het is Pasen,
beginnen de doden in de aarde zich om te keren,
en duwen ze met hun ellebogen de koude klei opzij.
Ik heb al vrienden ten grave gedragen,
ik weet wat het is, je vrienden begraven,
zoals een hond een bot begraaft,
wachtend tot de hemel
                                               je meer welwillendheid toont.

Er zijn van die sociale groepen
waarvoor dergelijke rituelen van bijzonder belang zijn,
ik bedoel vooral de middelgrote business.
Iedereen heeft wel eens gezien
wat een droefheid hen treft, de regionale
vertegenwoordigers van Russische petroleumbedrijven,
wanneer ze samenkomen op het grenzeloze
kerkhofveld, om daar de zoveelste
broeder met weggeschoten longen te begraven;

iedereen heeft wel eens hun harde hartenklop gehoord
wanneer ze bij de doodskist staan
en hun schaarse tranen en snot afvegen
aan hun dolce en gabbana
en ze hennessy
                               achteroverslaan
                                    uit een wegwerpbeker.

“Kijk eens Kolja”, zeggen ze, “daar heb je dan je aftocht.
Op grenzeloze offshore-velden
vallen wij, als wilde ganzen in de herfst, in de koude
rakken van de vergetelheid, met hagel in onze lever.”

“Waar”, zo overleggen ze, “zullen we
onze broeder van voorzien
voor zijn lange tocht
naar het stralende Walhalla van Lukoil?
Wie zal hem begeleiden
in de donkere grotten van het vagevuur?”

“Grieten, zeggen ze allemaal, “grieten,
hij heeft grieten nodig,
goede grieten,
duur en zonder slechte gewoonten,
ze zullen hem opwarmen in de winter
ze zullen zijn bloed doen afkoelen in de lente,
aan zijn linkerkant moet een platinablondine liggen,
en aan zijn rechterkant moet een platinablondine liggen,
ja, zodanig dat hij zelfs niet merkt dat hij al dood is.”

“Och, die dood is een territorium waar onze creditkaarten
                                                                                                                      weinig vermogen.
De dood is het territorium van de olie,
                                                                               moge die dus zijn zonden wegwassen.
Aan zijn voeten zullen we wapens en goud leggen,
bont en fijngemalen peper.
In zijn linkerhand leggen we zijn laatste nokia,
in zijn rechterhand een amulet uit Jeruzalem.
Maar het belangrijkste zijn de grieten,
twee grieten, het belangrijkste, twee platinablonde grieten.”
“Ja, dat is het belangrijkste”, zegt iedereen instemmend.
“Het belangrijkste”, zeggen de grieten instemmend.
“Het aller-allerbelangrijkste”, beaamt Kolja vanuit zijn kist.

Met Pasen zijn we allemaal zo sentimenteel.
We staan te wachten totdat de doden  
opstaan en naar ons toe komen vanuit het hiernamaals.
Nooit interesseer je je meer voor de dood
dan wanneer je vrienden begraaft.

Terwijl ze de derde dag de wacht houden
bij de deur van het lijkhuis, overwint hij ten slotte de dood
door de dood, tijdens de ochtend van de derde dag, en hij loopt
naar hen toe vanuit het crematorium, hij ziet
dat ze allemaal in diepe slaap liggen
na drie dagen drinken,
ze liggen gewoon in het gras,
in ondergekotste
dolce en gabbana’s.

En dan neemt hij stil,
                                               om niemand te wekken,
bij één van hen
wat stroom voor zijn nokia,
en hij keert
naar de hel
terug
naar zijn blondines.

 

Vertaald door Eric Metz

 

Serhiy Zhadan (Starobilsk, 23 augustus 1974)

 

De Nederlandse schrijver, journalist en dichter Koos Dijksterhuis werd geboren op 23 augustus 1962 in Amersfoort. Zie ook alle tags voor Koos Dijksterhuis op dit blog

 

K(l)oos

Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedichten
en zit in ’t binnenst van mijn rijm ten troon
maar soms roert zich in mij een woordenkloon
en moet ik wel voor regeldiefstal zwichten.

Maar als een ander mij wil beentje lichten
en mij beschuldigt op zo’n boventoon;
ik hef mijn hand en hak: zijn Judasloon!
Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedichten.

Toch: soms als ik klassieke regels vond,
dan was ’t of ik ze zelf had opgeschreven
en warmde mij die echte scheppersgloed…

En daarom moet men mij het wel vergeven
als Kloos doorschemert in mijn woordenvloed
hij haalt mij zelf die woorden uit de mond!

 

Werklui

Ze vragen me de werkploeg te versterken
tot dusver doe ik aan geen opdracht mee
ik zap de hele dag door mijn tv
en heb geen fut en zin om te gaan werken

Toch stap ik maar eens naar die werklui toe
ik ben nou eenmaal liever lui dan moe

 

Wentelteefje

Een loopse jachthond paart gedwee
met tegelijk een reu of twee
‘Ik ben’, verklaart de teef terloops,
‘allicht als jachthond dubbelloops.’

 

Koos Dijksterhuis (Amersfoort, 23 augustus 1962)

 

De Amerikaanse dichter Charles Reznikoff werd op 30 augustus 1894 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Charles Reznikoff op dit blog.

 

Uit: Bij de bron van leven en zien, deel II, sectie 1: ‘Op zondag het strand verlaten in een tram’

Ze verlaten het strand op zondag in een tram,
een gezin van drie: moeder, zoon en dochter:
de moeder, ver in de dertig, blond haar, bezorgd gezicht;
de zoon, ongeveer twaalf jaar oud, tegenover haar gezeten,
en de dochter, ongeveer acht of negen, naast haar.
De jongen was ook blond; een knappe kleine kerel
met dromerige ogen. Het kleine meisje was heel gewoontjes;
mond naar beneden getrokken bij de hoeken,
scherpe boze ogen achter een bril.

Nauwelijks waren ze gaan zitten of de jongen zei zachtjes:
“Vandaag was een van de mooiste dagen die ik ooit heb meegemaakt.”
Het meisje zei schril: ‘Ik wou dat we in een van die huizen konden wonen’ –
kijkend naar de bungalows langs de kust –
“dan konden we elke dag naar het strand.”
De moeder antwoordde geen van twee.
Het strand waar ze vandaan kwamen was vol met arme mensen;
en de familie was goedkoop gekleed, maar netjes en brandschoon,
zelfs na een dagje uit.
Ik vroeg me zinloos af waar de vader was: aan het werk? dood? gescheiden?

Na een tijdje zei de moeder, haar woorden afwegend:
“Weet je meneer. . .”
Ik heb de naam niet verstaan: hij werd zo zacht uitgesproken.
Ze was met de jongen aan het praten.
“Elke woensdag gaat hij vissen.
Ik denk dat ik hem wel kan overhalen om je mee te nemen.’
De jongen antwoordde een minuut of twee niet
en zei toen met zijn zachte stem:
“Dat zou ik heel leuk vinden.”
“Kan ik ook mee?” vroeg het kleine meisje schril,
maar niemand antwoordde haar.

Moeder en zoon hadden alleen oog voor elkaar.
Ze pakte haar zakdoek en veegde zijn gezicht af.
Hij klaagde over iets in zijn oog…
zeker niet genoeg om het te laten knipperen…
en ze tilde het bovenste ooglid op
en liet het onderste ooglid zakken om ernaar te zoeken.

Het kleine meisje stond op en keek uit het raam
en de jongen zei tegen zijn moeder: ‘Ze trad op mijn tenen
en zei niet eens: Excuseer mij alstublieft.
De moeder wendde zich tot het kleine meisje en zei scherp:
‘Waarom zei je niet: Pardon?
Je had moeten zeggen: Excuseer mij, broer.’
Het kleine meisje zei niets,
gezicht naar het raam gekeerd,
met haar mondhoeken ver naar beneden en haar ogen,
helder en droog, scherp kijkend door haar bril.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e augustus ook mijn blog van 23 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 23 augustus 2018 en ook mijn blog van 23 augustus 2016 en ook mijn blog van 23 augustus 2015 deel 2.

Griet Op de Beeck, Charles Reznikoff

De Vlaamse schrijfster en columniste Griet Op de Beeck werd geboren in Turnhout op 22 augustus 1973. Zie ook alle tags voor Griet Op de Beeck op dit blog.

Uit: Gij nu

“Hoeveel senioren hij al tot in de groezelige details hun moeizame stoelgang had horen
toelichten, of de complicaties na hun prostaatoperatie, hij werd er wee van in zijn maag als hij eraan terugdacht. Alsof op een bepaalde leeftijd samen met vlotte erecties, haar en wat centimeters ook alle schaamte zomaar verdwijnt. Toegegeven, objectief hadden zij ook hun leeftijd, maar zij waren in hun hoofd nooit ouder geworden dan een jaar of vijfendertig, en dat merkte je in alles, vond hij. Hij deed nog elke dag zijn yogaoefeningen en als het weer een beetje meezat, ging hij joggen. Respect voor de tempel, noemde hij dat lacherig als hij dan bezweet en edelmoedig naar adem happend thuiskwam, in de stiekeme hoop dat zijn elf jaar jongere vrouw zijn inspanningen zou waarderen.
De ober schoof een stoel naar achter, uit beleefdheid moest Colette wel plaatsnemen, al had zij vast liever mogen kiezen naast wie ze ging zitten. De ober stelde de drie andere echtparen voor alsof het vrienden van jaren waren: Arie en Jacobien, Thijmen en Nelleke, Gilbert en Simonne. De ober sprak de namen verontschuldigend uit, omdat hij wist dat het vast niet helemaal juist klonk zo, waarop Arie wat pedant zei: ‘Much better already, much better.’ Marcel en Colette schudden handen, forceerden wat ogenschijnlijke vreugde bij het treffen van dit gezelschap, en daar zaten ze dan: vier Nederlanders en vier Belgen, verenigd op de Nijl.
‘Naar ik hoor is het eten op cruises van deze maatschappij voortreffelijk,’ zei Nelleke, die vast iemand was die maar moeilijk de stilte kon verdragen. Al van bij het eerste woord zat Jacobien instemmend te knikken, en ze begon toen kirrend een verhaal over hun reis naar Toscane, en wat zij toch allemaal aan gastronomisch genot… Marcel stopte met luisteren. Nog los van het verhaal dat hem al op voorhand geen lor interesseerde, bleek Jacobien op haar kin en wangen haar te hebben staan, een wirwarretje van haren van pakweg een centimeter, beetje slordig ingeplant, zoals een man zou
hebben met zielig weinig baardgroei die zich een week of drie niet had geschoren. En de haren waren ook nog donker, in tegenstelling tot die op haar hoofd. Sommige mensen hebben dubbel pech. Hoe minder hij ernaar wou kijken, hoe meer zijn blik ernaartoe werd gezogen, en net zij zat pal tegenover hem, tijdens de maaltijd. Terwijl Marcel manieren zocht om zijn appetijt niet helemaal te verliezen, vroeg Gilbert hem of zij ook van plan waren om naar de muzikale revue te gaan, straks.”

 

Griet Op de Beeck (Turnhout, 22 augustus 1973)

 

De Amerikaanse dichter Charles Reznikoff werd op 30 augustus 1894 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Charles Reznikoff op dit blog.

 

Nachtstuk

Ik zag in de schaduw van de tuin de schuur
en zag de sneeuw op het dak –
een langwerpige gloed in de maanverlichte nacht.

Ik kon niet rusten of mijn ogen sluiten,
hoewel ik wist dat ik vroeg moest opstaan
de volgende ochtend en weer aan het werk gaan,
en weer aan het werk gaan.

Die dag ging verloren – die maand ook;
en jaar na jaar voor zover ik weet.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e augustus ook mijn blog van 22 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 22 augustus 2019 en ook mijn blog van 22 augustus 2016 en ook mijn blog van 22 augustus 2015 deel 1 en ook deel 2.

X.J. Kennedy, Elisabeth Alexander

De Amerikaanse dichter, schrijver, vertaler en bloemlezer X.J. Kennedy werd geboren in Dover, New Jersey op 21 augustus 1929. Zie ook alle tags voor X. J. Kennedy op dit blog.

 

ANT TRAP

Innocuous as a dock, giving off whiffs
Of roast beef, rare, and bathtubfuls of gin
Free to the rank-and-file of working stiffs,
This tin-canned Siren lures the suckers in.
A skull and crossbones on her lid warns men—
As if they’d overhear!—to watch for reefs,
But how could that turn back an ant, his skin
Already bone, to whom death’s head is life’s?

Out through her punctured doors, down winding roads,
Each totes home his own and his kinsmen’s doom In trust.
Recall those fourteen-year-old broads
Who’d stand across the street from Napoleon’s Tomb,
Beckoning not with fingers but perfume
The tired GI in quest of other wars
And kinder arms than guns to come home from,
Remember how they stretched forth open pores.

Not that the gift he brought home was the clap,
Although he might have, no, nor just the can
Of Spanish fly our good Rotarian
Smuggled back home to storm the girl friend’s lap,
No dirtybook nor head cut from a Jap
Scrubbed to a whitened skull in some latrine,
Nothing to shove a pin through on a map,
But wider than La Belle France’s belle poitrine.

And now, kcmpt creature moving in his files,
Social, in press, with jawbone razored sleek,
Hopping the shuttle daily, vaulting miles
To and from Scarsdale, listening to the click
Of the same rails, back to his Blessed Isles
Delivered nightly—do his nerves go slack,
Eyes empty, does he sip with frozen smile
His scotch-and-water in a state of shock,

Or find, perhaps, his death so slow to come,
And slow death a far cry from what he needs,
That his sons hold him someone to turn from
And, drop-outs, seek some anarchy or creed
Of their own brew to live by? Growing numb,
His sunken livingroom erupting weeds,
He sees them blow their minds apart like bombs,
And, sooner than believe him, die from speed.

Then, too, the failure’s failure: grooved and scarred
The hands that planted dreams, but never plucked.
You see him in most bars if you look hard.
Thrashing the day’s war rumors. You’d suspect
Him of one long decline from having warred
With someone not himself. His stares extract
Invisible bayonets—he’d show the world,
Clean out the bastards. So his beers reflect.

By those soft weakening lights, you’d guess how all
That army shuttling through it in a train
With nothing but its sweetness on the brain
Must feel when, home, their pulsebeats falter and stall
And, clutching sides, they double up in pain,
Their footholds loosen, and they start to fall,
Reach forth slow feelers, grope, catch fast again,
Stiffening columns in behind a wall.

 

GEOMETRY

They say who play at blindman’s buff
And strive to fathom space
That a straight line drawn long enough
Regains its starting place And that two lines laid parallel
Which neither stop nor swerve
At last will meet, for, strange to tell,
Space throws them both a curve.

Such guesswork lets my hopes abide,
For though today you spurn
My heart and cast me from your side
One day I shall return;
And though at present we may go
Our lonely ways, a tether
Shall bind our paths till time be through
And we two come together.

 

X.J. Kennedy (Dover, 21 augustus 1929)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Elisabeth Alexander werd geboren op 21 augustus 1922 in Linz am Rhein. Zie ook alle tags voor Elisabeth Alexander op dit blog.

 

De anderen

Talen
die ik het niet versta
woorden
die ik niet ken
gezichten
die vreemde uitdrukkingen
hebben
kom ik tegen
in de tram
bij de supermarktkassa’s
en kinderen
die zwijgend
het vreemde vergezellen
kijken me aan
omdat ik net zo vreemd voor ze
ben
en ik denk erover na
of deze mensen
graag in dit land
zijn
en ik zou ze graag hebben
gevraagd
wat ze denken
als ze het nieuws
zien
of de politici horen
praten
maar eigenlijk weet ik het
bijna zeker
dat niemand van ons ze
zou missen
als ze op een dag
uit het stadsbeeld
van mijn woonplaats
en van die van de andere
Duitsers
weg zouden blijven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Elisabeth Alexander (21 augustus 1922 – 17 januari 2009)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e augustus ook mijn blog van 21 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 21 augustus 2019 en ook mijn blog van 21 augustus 2016 en ook mijn blog van 21 augustus 2016 deel 2.

Anneke Brassinga, Li-Young Lee

De Nederlandse dichteres, schrijfster en vertaalster Anneke Brassinga werd geboren in Schaarsbergen op 20 augustus 1948. Zie ook alle tags voor Anneke Brassinga op dit blog.

 

De goede afloop

Wat doen we hier eigenlijk, vragen we
ons niet af zolang het huppelen van wijsjes
uit de luidsprekerboxen voortgaat, in de bomen
hangen ze onzichtbaar, en wij maar denken
dat het vogels zijn die kwinkeleren –

wat doen we hier? Eerst eens voelen of
de voeten warm genoeg en niet al te pijnlijk
verknobbeld zijn, dan even goed luisteren
naar het lichte geborrel in de diepte van ons
ingewand, oude waarzegster die laat weten

of we alweer verrekken van honger zo niet
dorst, je komt er immers niet achter anders
en het moet niet in het honderd lopen in het
hier, het verzandende, de bossige verstuiving
waar de limonadekraampjes de een na de ander

luchtspiegeling blijken als je hijgend dacht
er te zijn – in het hier waar je wandelt en,
door steeds het niet te kunnen laten nog weer
om te kijken naar waar je vandaan kwam,
niet ophoudt te struikelen over stronken,

schrammen op te lopen van ruwe eikenschors
en roest- of bloedrood prikkeldraad,
resten van beschaving. En hoe vaker je terug-
blikt, voortzwoegende, op de wonderschone
zonsopgang roerloos in je rug boven het verre

geboomte dat onhoorbaar ruist, hoe beter je
weet: dat ontwaken van de frisheid van limoenen,
die paradijselijke eerste hap van de tropische
verrassing in een jasje van melkchocolade –
het verblindend prille komt niet weerom.

Wat doen we hier? Wat we niet doen
is opletten. Of is de afgrond onzichtbaar, of
bestaat er geen afgrond voordat je erin valt,
langs gladde steenwand suist? Het gaat
gezwind. In het gras naast de beek op de bodem

wacht God, zo blij als een moeder die al die
tijd thuis is gebleven, met ’n schaaltje pinda’s,
sherry in het glas. En vanachter de bloeiende
bomen, eindelijk daar komen ze, de vermisten
voor wie je onmisbaar, die jij niet missen kon.

 

Alle dagen

De oorlog wordt niet meer verklaard,
maar voortgezet. Het ongehoorde
is alledaags geworden. De held
blijft uit de gevechten weg. De zwakke
is naar de vuurlinies opgerukt.
Het uniform van de dag is het geduld,
het ereteken de armzalige ster
van de hoop boven het hart.

Het wordt verleend
als er niets meer gebeurt,
als het trommelvuur verstomt,
als de vijand onzichtbaar is geworden
en de schaduw van eeuwige bewapening
de hemel bedekt.

Het wordt verleend
voor de desertie,
voor de dapperheid tegenover de vriend,
voor het verraden van onwaardige geheimen
en het in de wind slaan
van om het even welk bevel.

 

Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948) 

 

De Amerikaanse dichter Li-Young Lee werd geboren op 19 augustus 1957 in Jakarta, Indonesië. Zie ook alle tags voor Li-Young Lee op dit blog.

 

Kleine vader

Ik begroef mijn vader in mijn hart.
Nu groeit hij in mij, mijn vreemde zoon,
Mijn kleine wortel die geen melk drinkt,
Kleine bleke voet verzonken in ongekende nacht,
Kleine klokveer net nat
In het vuur, kleine druif, ouder van de toekomst
Wijn, een zoon de vrucht van zijn eigen zoon,
Kleine vader die ik loskoop met mijn leven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Li-Young Lee (Jakarta, 19 augustus 1957)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e augustus ook mijn blog van 20 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 20 augustus 2019 en ook mijn blog van 20 augustus 2017 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Jonathan Coe, Li-Young Lee

De Engelse schrijver Jonathan Coe werd geboren op 19 augustus 1961 in Birmingham. Zie ook alle tags voor Jonathan Coe op dit blog.

Uit: Klein Engeland (Vertaald door Otto Biersma en Petra van der Eerden)

“Het was druk op de weg, en de rit naar Benjamins huis duurde bijna anderhalf uur. Ze reden door het hart van Midden-Engeland, waarbij ze min of meer de loop van de rivier de Severn volgden, door de plaatsjes Bridgnorth, Alveley, Quatt, Much Wenlock en Cressick. Een kalme, weinig memorabele reis met als enige uitschieters tankstations, pubs en tuincentra, en hier en daar de bruine borden van de National Trust die de verveelde reiziger verwezen naar verder afgelegen attracties zoals natuurparken, landgoederen en arboretums. De bebouwde kom van elk plaatsje werd niet alleen aangegeven door een plaatsnaambord, maar ook met een snelheidspaal die aangaf hoe snel Benjamin reed en de waarschuwing dat hij gas moest terugnemen.
‘Doodziek word je van die snelheidscontroles,’ zei Colin. ‘Ze proberen je alleen maar geld uit je zak te kloppen.’ ‘Misschien helpt het om ongelukken te voorkomen,’ zei Benjamin.
Zijn vader gromde sceptisch.
Benjamin zette de radio aan, die zoals gebruikelijk op Radio 3 stond. Hij had geluk: het langzame deel van het pianotrio van Fauré. De melancholieke, pretentieloze melodie vormde vandaag niet alleen een toepasselijke begeleiding voor de herinner    ingen aan zijn moeder die voortdurend door zijn hoofd gingen (en vermoedelijk ook door dat van Colin), maar ook een muzikale weerspiegeling van de flauwe bochten in de weg en zelfs het gedempte groen van het landschap waar die doorheen voerde. Het feit dat de muziek onmiskenbaar van Franse herkomst was, maakte geen verschil: er was overeenkomst, een gedeelde geest. Benjamin voelde zich helemaal thuis bij deze muziek.
‘Zet die herrie alsjeblieft uit,’ zei Colin. ‘Kunnen we niet naar het nieuws luisteren?’
Benjamin liet de laatste dertig of veertig seconden van het stuk uitspelen en schakelde toen over naar Radio 4. Het actuele nieuwsuurtje was aan de gang en ze werden meteen overstelpt met de zoveelste woordenstrijd tussen de presentator en een politicus. Over een week waren er verkiezingen. Colin zou op de Conservatieven stemmen, zoals hij al bij alle verkiezingen sinds 1950 had gedaan, en Benjamin wist zoals gebruikelijk niet op wie hij moest stemmen, hij wist alleen dat hij deze keer niet zou stemmen. Geen enkel argument dat ze de komende week op de radio zouden horen, zou daarin verschil maken. Het grote nieuws van vandaag leek eruit te bestaan dat de premier, Gordon Brown, die er alles aan deed om herkozen te worden, er door een toevallig aanwezige microfoon op was betrapt dat hij een potentiële kiezer omschreven had als een ‘bekrompen mens’, en daar waren de media meteen bovenop gedoken.
‘De premier heeft zijn ware gezicht laten zien,’ zei een Conservatief parlementslid triomfantelijk. ‘Iedereen die met terechte zorgen komt, noemt hij bekrompen. En daarom zullen we in dit land nooit een constructief debat kunnen voeren over het immigratieprobleem.’

 

Jonathan Coe (Birmingham, 19 augustus 1961)

 

De Amerikaanse dichter Li-Young Lee werd geboren op 19 augustus 1957 in Jakarta, Indonesië. Zie ook alle tags voor Li-Young Lee op dit blog.

 

Visies en interpretaties

Omdat dit kerkhof een heuvel is,
moet ik omhoog klimmen om mijn doden te zien,
halverwege een keer stoppen om uit te rusten
naast deze boom.

Het was hier, tussen de verwachting
van uitputting en uitputting,
tussen dal en piek,
dat mijn vader naar me toe kwam

en we arm in arm naar de top klommen .
Hij wiegde het boeket dat ik had meegebracht,
en ik, als goede zoon, sprak nooit over zijn graf,
rechtopstaand als een deur achter hem.

En het was hier, op een zomerdag, dat ik ging zitten
om een oud boek te lezen. Toen ik opkeek
vanaf de middagverlichte pagina zag ik een visioen
van een wereld die haast kwam en een wereld die haast ging.

De waarheid is dat ik mijn vader niet heb gezien
sinds hij stierf, en nee, de doden
lopen niet arm in arm met mij.

Als ik ze bloemen breng, doe ik dat zonder hun hulp,
de bloesems niet altijd helder, fakkelachtig,
maar vaak zo zwaar als een doorweekte krant.

De waarheid is dat ik hier op een dag met mijn zoon kwam,
en we tegen deze boom rustten,
en ik in slaap viel en droomde,

een droom die ik, toen mijn jongen me wakker maakte, vertelde.
Geen van ons begreep hem.
Toen gingen we naar boven.

Zelfs dit is niet nauwkeurig.
Laat ik opnieuw beginnen:

Tussen twee smarten, een boom.
Tussen mijn handen, witte chrysanten, gele
chrysanten.

Het oude boek dat ik uitgelezen heb
heb ik sindsdien keer op keer opnieuw gelezen.

En wat ver was, wordt dichtbij,
en wat dichtbij is, wordt dierbaarder,

en al mijn visioenen en interpretaties
hangen af van wat ik zie,

en tussen mijn ogen is er altijd
de regen, de migrerende regen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Li-Young Lee (Jakarta, 19 augustus 1957)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e augustus ook mijn blog van 19 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 19 augustus 2019 en ook mijn blog van 19 augustus 2017 deel 2.

Marc Degens, Ted Hughes

De Duitse schrijver Marc Degens werd geboren op 18 augustus 1971 in Essen. Zie ook alle tags voor Marc Degens op dit blog.

Uit: Selfie ohne Selbst

„Um neunzehn Uhr sind Herr Rutschky und ich in der »Bar Centrale« in der Yorckstraße in Berlin verabredet. Ich bin schon ein paar Minuten früher am verabredeten Ort, vor der Bierkneipe nebenan sitzt mein früherer Agenturkollege Kristof Magnusson an einem Tisch vor einem Haufen Notizen und schreibt. Wir unterhalten uns kurz, dann sehe ich auch schon Herrn Rutschky um die Ecke kommen und verabschiede mich von Kristof. Ich begrüße Herrn Rutschky, und wir beide setzen uns in das vornehme italienische Restaurant, in dem wir uns schon Ende der neunziger Jahre, noch bevor ich nach Berlin gezogen war, regelmäßig getroffen hatten. Das Treffen ist sehr schön. Er trinkt Weißwein, ich Bier. Wir unterhalten uns über Toronto und das Leben in Kanada, dann endlich kommen wir auch auf seine Krebserkrankung zu sprechen. Herr Rutschky hat keine Haare mehr auf dem Kopf und bereits sechs Chemotherapien hinter sich. Seine prognostizierte Lebenserwartung betrage noch vier Jahre. Dann sei er fast achtzig, erzählt er mir, das reiche, irgendwann müsse auch mal Schluss sein. Ich nicke stumm. Anschließend sprechen wir über unsere Arbeit. Ich erzähle ihm von meinem neuen Romanprojekt, er wiederum berichtet von seinem nächsten Tagebuchband, der die Wendejahre bis 1992 darstellt. Ich frage ihn, ob er es jemals bereut habe, dass er keine Kinder hat. Herr Rutschky schüttelt den Kopf und sagt, er habe ja mich und die anderen jungen Menschen, zu denen er immer den Kontakt gesucht habe. Ich freue mich über diese Antwort. Zum Schluss lädt er mich ein, wie früher so oft, und sagt, wie charmant er den Abend fand. Wir sehen uns wieder, erklärt er zum Abschied zweimal. Ich hoffe, dass das stimmt, und freue mich bereits auf das Wiedersehen. Drei Tage später fliege ich zurück nach Kanada.
Im September bestelle ich mir sein gerade erschienenes zweites Tagebuch In die neue Zeit und lasse es mir nach Toronto schicken. Ein halbes Jahr später, als ich gerade dabei bin, eine E-Mail an Kathrin Passig zu schreiben, erhalte ich die Nachricht, dass Herr Rutschky in der Nacht gestorben sei. Ich fange an zu weinen. Dann ziehe ich seine Bücher aus dem Regal, breite sie auf dem Boden aus,
fotografiere sie und veröffentliche das Foto auf Instagram, Twitter und Facebook.
Den Post verknüpfe ich mit einem Link zu einem Text von mir, den ich vor ein paar Jahren für ein Radiofeature geschrieben hatte: »Einen Meister habe ich nicht gehabt, aber einen Mentor: Michael Rutschky. Ich kenne einige Autoren, die durch die sogenannte ›Rutschky-Schule‹ gegangen sind – ich glaube, dieses Wort ist tatsächlich angebracht. Ich habe Michael Rutschkys Bücher bewundert, so traurig, so dankbar #MichaelRutschky ihn angeschrieben, damals war ich noch Student. Michael
Rutschky wohnte in Berlin, ich im Ruhrgebiet, auf dem Germanistentag 1997 in Bonn haben wir uns das erste Mal getroffen.“

 

Marc Degens (Essen,  18 augustus 1971)

 

De Engelse dichter en schrijver Ted Hughes werd geboren op 17 augustus 1930 in Mytholmroyd, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Ted Hughes op dit blog.

 

Kraai en de zee

Hij probeerde de zee te negeren
Maar die was groter dan de dood, zoals ze groter was dan het leven.

Hij probeerde met de zee te praten
Maar zijn brein sluiterde en zijn ogen vertrokken ervan als van open vuur.

Hij probeerde de zee te mogen
Maar die schudde hem af – zoals een dood ding je afschudt.

Hij probeerde de zee te haten
Maar voelde zich meteen een gore droge konijnenkeutel op de winderige klif.

Hij probeerde gewoon met de zee in de wereld te zijn
Maar zijn longen waren niet diep genoeg

En zijn opgewekte bloed sloeg eraf
Als een waterdruppel van een heet fornuis.

Uiteindelijk

Draaide hij zich om en stapte hij weg van de zee

Zoals een gekruisigd man zich niet kan bewegen.

 

Vertaald door Daan Doesborgh

 

Ted Hughes (17 augustus 1930 – 28 oktober 1998)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e augustus ook mijn blog van 18 augustus 2018 en ook mijn blog van 18 augustus 2017 en ook mijn blog van 18 augustus 2016 en ook mijn blog van 18 augustus 2013 deel 1 en ook deel 2.

Ted Hughes

De Engelse dichter en schrijver Ted Hughes werd geboren op 17 augustus 1930 in Mytholmroyd, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Ted Hughes op dit blog.

 

Pike

Pike, three inches long, perfect
Pike in all parts, green tigering the gold.
Killers from the egg: the malevolent aged grin.
They dance on the surface among the flies.

Or move, stunned by their own grandeur,
Over a bed of emerald, silhouette
Of submarine delicacy and horror.
A hundred feet long in their world.

In ponds, under the heat-struck lily pads –
Gloom of their stillness:
Logged on last year’s black leaves, watching upwards.
Or hung in an amber cavern of weeds

The jaws’ hooked clamp and fangs
Not to be changed at this date;
A life subdued to its instrument;
The gills kneading quietly, and the pectorals.

Three we kept behind glass,
Jungled in weed: three inches, four,
And four and a half: fed fry to them –
Suddenly there were two. Finally one

With a sag belly and the grin it was born with.
And indeed they spare nobody.
Two, six pounds each, over two foot long.
High and dry in the willow-herb –

One jammed past its gills down the other’s gullet:
The outside eye stared: as a vice locks –
The same iron in his eye
Though its film shrank in death.

A pond I fished, fifty yards across,
Whose lilies and muscular tench
Had outlasted every visible stone
Of the monastery that planted them –

Stilled legendary depth:
It was as deep as England. It held
Pike too immense to stir, so immense and old
That past nightfall I dared not cast

But silently cast and fished
With the hair frozen on my head
For what might move, for what eye might move.
The still splashes on the dark pond,

Owls hushing the floating woods
Frail on my ear against the dream
Darkness beneath night’s darkness had freed,
That rose slowly towards me, watching.

 

Night-Ride on Ariel

Your moon was full of women.
Your moon-mother there, over your bed.
The Tyrolean, the guttural,
Mourning and remaking herself.
It was always Monday in her mind.
Prouty was there, tender and buoyant moon,
Whose wand of beams so dainty
Put the costly sparkle
Into Cinderella. Beutscher
Moon of dismemberment and resurrection
Who found enough parts on the floor of her shop
To fill your old skin and get you walking
Into Tuesday. Mary Ellen Chase,
Silver nimbus lit, egg eyes hooded,
The moon-owl who found you
Even in England, and plucked you out of my nest
And carried you back to collage,
Dragging you all the way, your toes trailing
In the Atlantic.

Phases
Of your dismal-headed
Fairy godmother moon. Mother
Making you dance with her magnetic eye
On your daddy’s coffin
(There in the family film). Prouty
Wafting you to the ballroom of broken glass
On bleeding feet. Beutscher
Twanging the puppet strings
That waltzed you in air out of your mythical grave
To jig with your Daddy’s bones on a kind of tightrope
Over the gap of your real grave.

Mary Ellen Moon of Massachusetts
Struck you with her chiming claw
And turned you into an hourglass of moonlight
With its menstrual wound
Of shadow sand. She propped you,
On her lectern,
Lecture-timer.

White-faced bolts
Of electrocuting moonlight-
Masks of the full or over-full or empty
Moon that tipped your heart
Upside down and drained it. As you flew
They jammed all your wavelengths
With their criss-cross instructions,
Crackling and dragging their blacks
Over your failing flight,
Hauling your head this way and that way
As you clung to the sun – to the last
Shred of the exploded dawn
In your fist-

That
Monday.

 

Kraai strijkt neer

Kraai zag de kudde bergen, stomend in de ochtend.
En hij zag de zee
Donkergerugd, met heel de aarde in zijn lussen.
Hij zag de sterren, het zwart in dampend, zwammen van
het nietswoud, hun sporen maskerend, het virus van
God.
En hij rilde bij de gruwel van de Schepping.
In de hallucinaties van de gruwel
Zag hij die schoen, zonder zool, verregend,
Die op een heide lag.
En er was die vuilnisbak, bodem weggeroest,
Een speelplaats voor de wind, in een woestenij van poelen.
Er was die jas, in de donkere kast, in de stille kamer,
in het stille huis.
Er was dat gezicht, dat een sigaret rookte tussen het schemerend
raam en de sintels van het vuur.
Bij het gezicht, die hand, bewegingloos.
Bij die hand, die beker.
Kraai knipperde. Hij knipperde. Niets vervaagde.
Hij staarde naar het bewijs.
Niets ontsnapte hem.(Niets kon ontsnappen.)

 

Vertaald door Daan Doesborgh

 

Ted Hughes (17 augustus 1930 – 28 oktober 1998)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e augustus ook mijn blog van 17 augustus 2021 en ook mijn blog van 17 augustus 2019 en ook mijn blog van 17 augustus 2016 en ook mijn blog van 17 augustus 2014 deel 2.

Miriam Van hee, Charles Bukowski

De Vlaamse dichteres en slaviste Miriam Van hee werd geboren in Gent op 16 augustus 1952. Zie ook alle tags voor Miriam Van hee op dit blog.

 

Op het uitstel wachten

wie laat wie vallen
als van een boom de
moegekleurde bladeren
wanneer komt de volgende halte?

o god laat ze het niet geloven
dat van de huizen de tuintjes
dat van de middenweg met goud en
zonder bomen

als een deur in de avond
laat je me vrij
alice heten of sophie en met
blote voeten op gebroken schelpjes
lopen, zomaar tot de zon weggaat
ouder worden
het grote wonder niet meer dromen
weetjewel et puis la pluie
et puis

 

Les doux plaisirs de l’automne

zacht en met onnodige
treurigheid hebben wij met velen
het landschap gekleurd
met kamers gespeeld

hoe lang nog staat
enkel het verdriet te wachten in de morgen –
niet hij wiens naam ik niet
onthouden heb, onthoudbaar zijn enkel
de straten welke we nooit samen
bewandeld hebben rue du jardin
rue d’Angleterre rue
de la petite gare

niet hij wiens lippen
zuiver waren als van
een prins?

 

Een romantische ziel

nooit word ik moe, zei ze,
elke dag droom ik de ramen
vol wolken en groene bomen.

in een veel te lange winter ging ze dood
omdat god niet in de hemel was
het leven niet mooi
en van de herinnering enkel
het kleed herkenbaar

 

Miriam Van hee (Gent, 16 augustus 1952)

 

De Amerikaanse dichter en fictieschrijver Charles Bukowski werd geboren op 16 augustus 1920 in Andernach, Duitsland. Zie ook alle tags voor Charles Bukowski op dit blog.

 

Escapade

Het einde van de genade, het einde van
wat er toe doet.
Het oog op de bodem van de fles
is dat van jou
dat terug knipoogt.
Oude stemmen, oude liedjes
zijn een slang die weg
kruipt

Mannen worden gek van het staren in lege gezichten.
Waarom niet?
Wat kunnen ze anders?
Ook ik heb dat gedaan.

Het oog op de bodem van de fles
knipoogt terug.
Het is allemaal een trucje.
Alles is een trucje.
Er is iets anders aan de hand.
Maar waar?
Niet hier.
Niet daar.

Traag kruipen we richting het imbeciele,
we verwelkomen het als een
minnaar

Ik ben deze wedstrijd met mezelf beu,
maar het is in deze stad
de enige sport.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Charles Bukowski (16 augustus 1920 – 9 maart 1994)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e augustus ook mijn blog van 16 augustus 2019 en ook mijn blog van 16 augustus 2016 en ook mijn blog van 16 augustus 2015 deel 2.

Guillaume van der Graft, Mary Jo Salter

De Nederlandse dichter Guillaume van der Graft (eig. Willem Barnard) werd op 15 augustus 1920 geboren in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Guillaume van der Graft op dit blog.

 

Aan Iokaste

Bij ontstentenis van vrouwen
waren alle mannen planten,
gaven zelfs misschien wel bloemen,
als er niet aan alle kanten
poolijs was, oost, west, noord, zuid,
en totaal geen hemelstreken.
Alleen wind die zinneloos
op de huizen zich liet breken.
Als geen vrouwen meer bestonden,
waren ook die huizen leeg,
was ons hart leeg, was ons lijf leeg,
alle levensteeken veeg;
zaten wij mistroostig samen
zonder arbeid of gesprek
en verhief een hond reikhalzend
naar de maan zijn trieste bek.
Gingen wij dan dood, dan vloekten
wij op ons onvruchtbaar leven,
want wij waren nooit geboren,
waren altijd weggebleven.

 

In exilio

I
Het oud klavier is hopeloos ontstemd.
Als grijze draden tussen zwarte haren
klinkt de verwelkte toon van enk’le snaren
en alle geestdrift wordt vermoeid gedempt.

Maar als de wind er zich mee gaat bemoeien
waait hij twee eeuwen zonder moeite weg,
ik sta weer aan een rozenheg en leg
mijn oor te luister aan muziek die vloeien

komt uit de meisjeskamer van een buiten.
Zij speelt een sierlijk spel en op de ruiten,
de toetsen en haar poederhaar glanst licht.

Ik kan niets zien van haar bedwelmd gezicht,
alleen den cavalier die, wat gebogen,
het blad omslaat herken ik, aan mijn ogen.

 

II
’s Nachts droom ik van mijn aankomst op de kade
waar zij woont en van haar betraand gezicht.
Maar ’s morgens in het onbarmhartig licht
luister ik naar de regen, lig te raden

hoe lang het nog zal duren eer ik vrijkom.
Dan neemt het ruisen mijn gedachten mee
naar huis en naar de havens en de zee,
naar vorig jaar Augustus en zijn rijkdom.

Ik denk aan het kanaal waarop wij roeiden,
de late kabbeling en de vermoeide
schepen voor anker, aan de tuin vol ooft,

aan vrede en aan haar genegen hoofd
en aan de glimlach van verstandhouding
tussen haar oogen en de schemering.

 

Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010)
Guillaume van der Graft, getekend door Kees Wennekendonk, z.j.

 

De Amerikaanse dichteres Mary Jo Salter werd geboren op 15 augustus 1954 in Grand Rapids, Michigan. Zie ook alle tags voor Mary Jo Salter op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

 

TROMPE-L’OEIL

In heel Genua
zie je ze: ramen met openstaande luiken.
Dan spat de illusie uiteen.

Maar dat is niet waar. Jij wist
dat de luiken slechts opgeschilderd waren.
Je wist het keer op keer.

De claim van het opgeschilderde luik
dat het ooit het oog
van het raam sluit is een openlijke leugen.

Je merkt op hoe zijn schaduwgrendels
in een enkele hoek de muur raken,
zoals de vastzittende wijzers van een klok.

Wie heeft het vaker dan twee keer per dag
nodig het bij het rechte eind te hebben?
Wie heeft echte schaduw harder nodig dan spelen?

In het huis, een eindeloze
stapel kleding om te wassen.
Op een buitenmuur de verse verf ervan

opgehangen om te drogen–
hemden wapperen op een fries
niet gerimpeld door een briesje,

zoals de woorden die op deze regel zijn vastgepind.
En het vreemde woord is een leugen:
die tweede “l” in “l’oeil”

die er alleen uitziet als een “l” en stom is.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mary Jo Salter (Grand Rapids, 15 augustus 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e augustus ook mijn blog van 15 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2019 en ook mijn blog van 15 augustus 2016 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2015 deel 2 en ook deel 3.