Onno Kosters, Kester Freriks, Aristide von Bienefeldt, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov, Norman Rush, Robert Greacen

De Nederlandse dichter Onno Kosters werd geboren op 24 oktober 1962 in Baarn. Zie ook alle tags voor Onno Kosters op dit blog.

 

De boot

De ramen zijn in dit oud woonhuis
hoger dan gebruikelijk in de voorgevel geplaatst,
zodat wanneer je hier naar buiten kijkt,
over de rand van je bloedeigen vergetelheid,
je oog niet anders dan schuin omhoog
naar peppelkruin en straatlamp reikt,

stilleven dat staat boven de dampende,
zwarte aarde onder al dit groen,

je vanachter een patrijspoort naar boven
blikt, op je één-na-laatste ademteug,
zinkende naar boven zwemt,
je kop stotend aan sloten,
grendels, gewassen pantserglas,
klinknagels en vleugelmoeren,
je haren wiegend in de onderwaterwind,
je handen zonder horen piepend langs het glas,
je naar beneden stijgt,

nature morte schuin omhoog
uit de onderbuik van dit jouw schip,

mijn lief, mijn lief, ja had nou maar
je werk ook zélf in MoMA uitgestald,
dan deed het er, eenmaal gesnapt,
geen moer meer toe dat wat je voor je zag
in deze lijst schuin boven dit
oud woonhuis stond.

Trompe-l’oeil met de dampende,
zwarte aarde onder al dit groen.

 

Vijftien regels (zestien regels)

Vul de straten met gaten, regel het scheepvaartverkeer
de verkeerde, de kant op,

schiet een ijskast naar het binnenste van de komeet,
schiet in eigen doel, schiet het voorbij. Regen

een boog, span deze, richt een pijl van water
op een roos van licht: regen
een boog. Span deze, richt een pijl van water
op een roos van licht: regen een boog. Span –

lever een pakbon zonder pak,
scheer je met een scalpel,
poets je handen met schoensmeer,

zet tussen de middag een ontbijt van chili con carne en ijs toe op tafel.

Onderbreek nu eenmaal voorgoed waar je mee bezig bent, maar niet
voor de vorm: voor je het laat
voor wat het werd.

 

 
Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)

 

De Nederlandse schrijver (Cornelis Christophel Maria) Kester Freriks werd geboren in Djakarta, Indonesië, op 24 oktober 1954. Zie ook alle tags voor Kester Freriks op dit blog.

Uit: Het nieuwe vogels kijken

“Het is najaar. Een vlucht Grauwe Ganzen of Rietganzen in v-vorm vliegt hoog voorbij langs de hemel, zuidwaarts. Ze zijn afkomstig uit noordelijke streken, waar de winter is ingevallen. De zon staat laag, is even later al achter de horizon verdwenen. Sneeuw en ijs maken voedsel onbereikbaar.
Niet alleen ganzen vliegen in dit gestroomlijnde patroon, ook Kraanvogels trekken in sierlijke lijnen weg van de kou naar gebieden met een milder klimaat, overwinteringsgebieden. De middeleeuwse dichter Jacob van Maerlant roemde de vorm van een zwerm reizende Kraanvogels, alsof ze een letter in de lucht schrijven. Deze v-formatie is misschien wel een van de bekendste beelden uit de vogeltrek. Het verschijnsel is nauwgezet bestudeerd. Iedere vogel vliegt schuin achter zijn voorganger, de vleugelpunten raken elkaar ternauwernood. De eerste vogel breekt de luchtweerstand, waarvan de andere vogels profijt hebben. De werveling die door de vleugelslag van de eerste vogel ontstaat, een soort opwaartse luchtstroom, biedt de daarachter vliegende vogel voordeel. Neemt hem als het ware mee. In afwisseling neemt een vogel de leiding. Door deze manier van samenwerken kunnen de vogels anderhalf keer zo ver vliegen als anders het geval zou zijn.
De even sierlijke als scherpgepunte v, die in de trektijd het hemelruim doorklieft, begeleid door het luide gakken van de ganzen of het onderlinge trompetten van de Kraanvogels, spreekt al generaties lang vogelliefhebbers aan. De ‘contactroep’, zoals het onderling converseren in de zwerm heet, toont de saamhorigheid. Kijk, daar zoeken vogels nieuwe horizonten, nieuwe leefgebieden. Het zijn vaak families die samen onderweg zijn. De symboliek van vogeltrek, verbonden met de wisseling der seizoenen, behoeft nauwelijks uitleg. Mensen beschouwen het zoeken naar nieuwe werelden als teken van levenskracht en verwachting. Voeg daarbij de raadsels waarmee de vogeltrek nog altijd is verbonden en we betreden een terrein dat onuitputtelijk belangstelling wekt en velen bekoort en zelfs betovert.
Vogeltrek en richtingsgevoel roepen behalve bewondering ook vragen op, voor iedereen die aandacht heeft voor de natuur. Hoe vindt de Boerenzwaluw zijn weg terug naar de schuur van zijn vorig broedseizoen? Hoe weten vogels in Afrika dat in onze landen de lente aanbreekt? Waar halen ze de kracht en energie vandaan die duizenden kilometers af te leggen? En vooral: hoe vinden vogels de weg? Steeds geavanceerder onderzoek en technologie met behulp van satellietzenders laten zien dat vogels zich oriënteren op de stand van de zon, maan en sterren en sterrenbeelden, en ook gebruik maken van visuele bakens als kustlijnen, rivieren, bergketens. Trekvogels volgen min of meer vaste routes over land en zee. Het navigatievermogen lijkt wel toverij. Maar er zijn altijd vogels die afdwalen, zogenoemde dwaalgasten en zeldzaamheden.”

 

 
Kester Freriks (Djakarta, 24 oktober 1954)
Cover

 

De Nederlandse schrijver Aristide von Bienefeldt (pseudoniem van Rijk de Jong) werd geboren op 24 oktober 1964 in Rozenburg bij Rotterdam. Zie ook alle tags voor Aristide von Bienefeldt op dit blog.

Uit:Confessions of a Son and Heir (Vertaald door Liz Waters)

“The only thing I inherited from my father’s side was the inordinate urge to copulate, so I’ll only deal indirectly with this branch of the family here. As anyone knows, quality is preferable to quantity: on my father’s side there are at least seventy cousins wandering the planet and on my mother’s side there’s only me. Her two older sisters never had children. Apart from a few subjects of my father’s kingdom who have made their fortunes abroad (and who are spoken very highly of by his family – as so in many families, the possession of money is a synonym for intelligence), my cousins all resemble each other so closely that they are interchangeable. My father died twenty years ago. He was at odds with his brothers and sisters all his life. The only one I ever felt any fondness for was his sister Greta, who never married and who was very much involved with the offspring of her brothers and sisters. She twirled the skipping rope and acted as a horse for the little ones, and she was also open minded enough to mice a drag on a joint when the sixties came to the Lowlands – which is where any similarity with the former American president ends, since as far as I know she took no part in the orgies and blow-outs which made those years so surprisingly different. Five years ago my mother and I arranged her funeral. It was a stiflingly hot summer day. I wore a dark blue suit; my mother was dressed in black. Since the great majority of auntie’s relatives live in the eastern part of the country and therefore seldom see the sea, they arrived decked out in very thin, colourful, scanty clothing with a view to visiting the beach later in the day. The gravedigger was a slim young man with a face as white as paper whose coming out had been limited to myself when a month previously I had sucked him off in a little park in Werkmansgat – to his satisfaction as well as to mine. God had supplied him with an extremely well-furnished reproductive organ. It took about ten minutes before my mouth filled with millions of lukewarm spermatozoids. In contrast to my usual habit, I swallowed everything. He accompanied the coffin containing the bodily remains of auntie, followed by the motley, lurching crowd like a carnival procession without lanterns as they walked to the freshly dug trench in the middle of the graveyard. Before entrusting the blond timber to the earth, the gravedigger cleared his throat. I looked at what he had between his legs: it was completely flattened by his trousers, which were both baggy and close-fitting, and I deeply regretted that he had not been wearing his working uniform when he did slid his member into my mouth four weeks before.”

 

 
Aristide von Bienefeldt (24 oktober 1964 – 20 januari 2016)

 

De Duitse dichter Karl August Georg Maximilian Graf von Platen–Hallermünde werd geboren op 24 oktober 1796 in Ansbach. Zie ook alle tags voor August Graf von Platen op dit blog.

 

Ich möchte, wenn ich sterbe, wie die lichten

Ich möchte, wenn ich sterbe, wie die lichten
Gestirne schnell und unbewußt erbleichen,
Erliegen möcht ich einst des Todes Streichen,
Wie Sagen uns vom Pindaros berichten.

Ich will ja nicht im Leben oder Dichten
Den großen Unerreichlichen erreichen,
Ich möcht, o Freund, ihm nur im Tode gleichen;
Doch höre nun die schönste der Geschichten!

Er saß im Schauspiel, vom Gesang beweget,
Und hatte, der ermüdet war, die Wangen
Auf seines Lieblings schönes Knie geleget:

Als nun der Chöre Melodien verklangen,
Will wecken ihn, der ihn so sanft geheget,
Doch zu den Göttern war er heimgegangen.

 

Ich bin wie Leib dem Geist

Ich bin wie Leib dem Geist, wie Geist dem Leibe dir;
Ich bin wie Weib dem Mann, wie Mann dem Weibe dir,
Wen darfst du lieben sonst, da von der Lippe weg
Mit ew′gen Küssen ich den Tod vertreibe dir?
Ich bin dir Rosenduft, dir Nachtigallgesang,
Ich bin der Sonne Pfeil, des Mondes Scheibe dir;
Was willst du noch? Was blickt die Sehnsucht noch umher?
Wirf alles, alles hin: du weißt, ich bleibe dir!

 

Je vaak te zien …

Je vaak te zien, dat is me niet gegeven
en ’t is verboden naar je toe te komen,
Je bijna nooit te spreken en een schromen
je aan te kijken, is hier mijn hele leven.

Maar van je dromen, dichten, plannen smeden,
om jou te naderen, is mij niet ontnomen,
dat zal mij altijd door ten goede komen
en met zo weinig stel ik mij tevreden.

Want ach! Ik heb al erger leed gedragen,
en deze pijn van nu is haast gering,
in plaats van lijden, een zoet onbehagen.

Mijn wens, bij anderen, stuitte op afkeuring.:
Jij hebt hem niet verhoord, maar afgeslagen
heb je hem ook niet, mijn zoete lieveling!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 
August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835)
Standbeeld in Ansbach

 

De Vlaamse auteur Ernest Claes werd geboren op 24 oktober 1885 te Zichem. Zie ook alle tags voor Ernest Claes op dit blog.

Uit: Kobeke

“Kobeke is geboren in een leemen hut van’t Kempenland, dat het schoonste land van Vlaanderen is, en ’t was op een zondagachternoen in de Sint-Jansmaand, en zijn vader en zijn moeder waren arme menschen.
De hut waar Kobeke geboren is ligt daar heelemaal op haar eigen bezijden de zandbaan. De witte leemmuren zijn scheef getrokken omdat het strooien dak er te zwaar op weegt. Daar is een scheeve deur in den gevel. Daar is een groot vensterke en nog een klein vensterke. En dan is er nog het deurke van den geitenstal en het schuurke. Als er een stuk leem uit de muren valt plakt vader Broos daar een versche klakke leem tegen en gaat er eens met den witborstel over. Als er een vlok stroo uit het dak waait steekt vader Broos daar weer ander stroo in.
Tusschen de hut en de zandbaan ligt de putkuip. ’t Is een put met een zwikboom die in ’t midden kwinkwankt op een mik; aan den eenen kant hangt de puthaak, aan het ander end een versleten ketelke vol steenen om den aker gemakkelijker boven te trekken. De zwik is zoo hoog als ’t dak. Ze doet denken aan de galg. Langs den kant van de zandbaan is er al lang een plank van de putkuip, maar het vuurkruid dat er binnen in wast, is er dweers door gegroeid en het gat is toe. Als Lulle-Mie de geit voorbij dat vuurkruid wandelt keert ze met een vieze snuit haar kop terzij. Neven de putkuip wast er ook een vlierstruik, nu volop in de blom. Vlak daarachter ligt de houtmijt. Kapucienkes tegen het endeke haag, klimop over het planken kot van Pardoes den hond, en tegen Paschen wordt ieder jaar door vader Broos alles gewit. Een stukske land achter het huis, een voorschoot wei daarneven, en voor de rest is ’t ommetom al dennebosch en hei.
En stil.”

 

 
Ernest Claes (24 oktober 1885 – 2 september 1968)
Huize Ernest Claes in Zichem

 

De Duitse schrijfster Zsuzsa Bánk werd geboren op 24 oktober 1965 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Zsuzsa Bánk op dit blog.

Uit: Heißester Sommer

“Jetzt steht sie da, vielleicht anderthalb Meter vor Anna, als hätte sie Angst, näher zu kommen. Die anderen sind zur Seite getreten, bilden einen Halbkreis. Sie ahnen, daß sie nicht stören dürfen, wenden sich ab, zögernd, gehen ein, zwei Schritte, schauen in ihre Taschen, ihre Hefte, auf ihre Uhren. Nach Annas Vortrag hat sie in der Menge gestanden und gewartet, bis die anderen ihre Fragen gestellt, mit Anna gesprochen haben, hat ihnen über die Schultern geschaut, auf Annas Tisch, auf das Papier, die Stifte. Anna ist es seltsam vorgekommen, aber sie hat sich nichts dabei gedacht, sich nicht gefragt, wer sie sein könnte, weil es viele gibt, die das tun: stehenbleiben, wenn andere schon da stehen.
Sie fragt Anna: Bist du – ?, und sagt Annas Namen, als ob Anna eine andere sein könnte, wo doch hier jeder weiß, wer sie ist, schon weil es auf den Plakaten auf dem Gang, an der Tür und am Podium steht. Später sagt sie, gleich habe sie gewußt, daß sie es ist, Anna, sie hätte nicht fragen müssen. Im Radio habe sie das Gespräch mit ihr gehört, am Morgen, in einem dieser neuen Magazine, als sie ihren ersten Tee getrunken habe, erklärt sie, fast, als müsse sie sich entschuldigen, dafür, daß sie hier steht und Anna anspricht. Aufgesprungen sei sie, um das Radio lauter zu drehen, die anderen seien sofort still gewesen, um zuzuhören, und dann sei sie durch die Stadt gefahren, habe auf ihre Uni, ihre Kurse verzichtet, ihre Eltern seien einverstanden gewesen, sei durch diese Halle gelaufen, durch diese große Halle, um jetzt, hier, vor Anna zu stehen. Sie fragt, also, bist du?, und sagt Annas Namen, ihren ganzen Namen, mit einer Stimme, die wenig sicher, die fast ängstlich klingt, und Anna denkt, was fällt ihr ein, was erlaubt sie sich, sie weiß doch, daß ich es bin, jeder hier weiß es, und sie sagt, ja, die bin ich, in einem Ton, der zu verstehen gibt, daß sie nicht angesprochen werden will, als sei sie für jedermann jederzeit ansprechbar.
Márti ist es, die jetzt ihren Namen sagt, den Anna schon weiß: Márti. Anna kennt ihre Eltern. Sie kennt sie gut, besonders ihre Mutter, und sie fragt, obwohl es unnötig ist, dann bist du die Tochter von – ? Márti nickt, schnell, eifrig, als habe Anna sie endlich erlöst, endlich befreit, mit dem Namen ihrer Mutter, den Anna jetzt noch einmal sagt, Zsóka, langsam, als wollte sie jeden einzelnen Buchstaben klingen lassen, Zs-ó-k-a, um dann Mártis Namen zu sagen, mit einem überdeutlichen: Du bist also, als müßte sie sich dem Gedanken, daß sie es ist, für die Anna sie von Anfang an gehalten hat, doch erst annähern. Anna liegt dieser Satz auf den Lippen, vom Zeitvergehen, vom Großwerden, aber sie sagt ihn nicht.”

 

 
Zsuzsa Bánk (Frankfurt am Main, 24 oktober 1965)
Cover

 

De Engels – Amerikaanse dichteres Denise Levertov werd geboren op 24 oktober 1923 in Ilford, Essex. Zie ook alle tags voor Denise Levertov op dit blog.

 

Settling

I was welcomed here—clear gold
of late summer, of opening autumn,
the dawn eagle sunning himself on the highest tree,
the mountain revealing herself unclouded, her snow
tinted apricot as she looked west,
Tolerant, in her steadfastness, of the restless sun
forever rising and setting.
Now I am given
a taste of the grey foretold by all and sundry,
a grey both heavy and chill. I’ve boasted I would not care,
I’m London-born. And I won’t. I’ll dig in,
into my days, having come here to live, not to visit.
Grey is the price
of neighboring with eagles, of knowing
a mountain’s vast presence, seen or unseen.

 

At The Justice Department November 15, 1969

Brown gas-fog, white
beneath the street lamps.
Cut off on three sides, all space filled
with our bodies.
Bodies that stumble
in brown airlessness, whitened
in light, a mildew glare,
that stumble
hand in hand, blinded, retching.
Wanting it, wanting
to be here, the body believing it’s
dying in its nausea, my head
clear in its despair, a kind of joy,
knowing this is by no means death,
is trivial, an incident, a
fragile instant. Wanting it, wanting
with all my hunger this anguish,
this knowing in the body
the grim odds we’re
up against, wanting it real.
Up that bank where gas
curled in the ivy, dragging each other
up, strangers, brothers
and sisters. Nothing
will do but
to taste the bitter
taste. No life
other, apart from.

 

 
Denise Levertov (24 oktober 1923 – 20 december 1997)
High Road. Ilford

 

De Amerikaanse schrijver Norman Rush werd geboren op 24 oktober 1933 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Norman Rush op dit blog.

Uit: Subtle Bodies

“Genitals have their own lives, his beloved Nina had said at the close of an argument over whether even the most besotted husband could be trusted one hundred percent faced with the permanent sexual temptations the world provided. It was the kind of conversation that went with the early days of a marriage, of their marriage. He had been rebutting her silly but fiendish thought experiments and had gotten tired of the game. She was a genius at imagining inescapable sex traps. There could be a nun suffering from hysterical blindness that would probably become permanent unless she received a sacrificial screw from some- body’s husband, alas. He looked around. Good thing there were no nuns on the plane, at least none in costume. When you’re traveling you’re nothing, until you land, which is what’s good about it, Ned thought.
Nina, riding in furious pursuit, felt like bucking in her seat to make the plane go faster through the night. She was still enraged. She felt like a baby. She thought, You are a baby: no, he is, he is, my lamb.
Maybe the matronly pleasant-seeming woman sitting next to her was wise. She was old enough to be. Anything was possible. And it might not hurt to talk to an adult other than my incessant mother, she thought. She had to call her mother when they landed, first thing. It’s just that she won’t shut up about my pregnancy, she thought. Her attempted pregnancy, was what she meant. She regretted telling her mother about it.
I love my mother, she wanted to tell the woman next to her. It was just that her mother was overflowing with pregnancy lore that had nothing to do with reality. She’d been unkind when her mother said, You smell differently when you’re pregnant, because she’d said in response, Oh really? How do you smell then? With your uterus? All her mother had been trying to say was that there was a change in the odor a woman’s body gives off during pregnancy. But then her mother regularly declared that there was a mystical “subtle body” inside or surrounding or emanating from every human being and that if you could see it, it told you something. It told you about the essence of a person, their secrets, for example. It was all about attending closely enough to see them. They varied in color and brightness. Her mother claimed she could see them, faintly. She wanted Nina not to be oblivious to the subtle bodies of the people she met. That would protect her from deceivers, whoever they might be. Ma suggested Ned be on the qui vive also.”

 

 
Norman Rush (San Francisco, 24 oktober 1933)
Cover

 

De Ierse dichter en essayist Robert Greacen werd geboren op 24 oktober 1920 in Derry (Londonderry). Zie ook alle tags voor Robert Greacen op dit blog.

 

OPERATION JUBILEE

Francais! Ceci est un coup de main et non pas l’invasion.

Fox showed me a leaflet he had preserved
From a business appointment in Dieppe on 19th August, 1942,
When he’d been on a day trip with some Canadians.
They called it Operation Jubilee.

`I’ll always remember a notice that read:
Chasse gardee. Entrée interdite sous peine de poursuite.
A Canadian bully-boy riddled it with gunfire.
The raid? A shambles, yes, a total shambles
Lightened by the occasional ludicrous incident —
A Colonel surrendering with his men to a German captain.
Salutes from each and congratulations from the Colonel
On the efficiency of the Captain’s troops.
Warriors from a fading tapestry
Heel clicking in a butcher’s shop.’

`And then the beaches insulted with corpses,
The anarchic architecture of death and wreckage,
The screams, the hastily bandaged heads.
I’ll spare the details you can see in Goya.’

`I went back there a while ago.
There’s a stone of remembrance near the cemetery.
On which they’ve cut the words:
Their Name Liveth for Evermore’

`Ah yes, as a Sergeant from Toronto put it –
Buddy, it was one helluva trip.’

 

 
Robert Greacen (24 oktober 1920 – 13 april 2008)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e oktober ook mijn blog van 24 oktober 2015 deel 2.

Dolce far niente, Hélène Swarth, Louis Couperus, Jan Prins, August Graf von Platen, Guillaume van der Graft

 

Dolce far niente

 

 lisse3-licht
Lisse is op een grijze augustusdag minder fleurig dan in de bollentijd.
Dit is het gemeentehuis.

 

Bloemenlanden

De landen bloeien, lichte lustwaranden
Van luchteblauw en wolkenroze, of printen
De prille hemel wilde op aard zijn tinten.
En lilablauw versmelten lucht en landen.

De klare waatren, bleek-azuren linten,
Die – slootje of beek – der velden vlak omranden,
Zij vangen op de kleur der hemelwanden,
Maar lijken blauw van louter hyacinthen.

Kil waait de Aprilwind en de stilgekomen
Treurende schemer doet tot grauw versterven
D’ extasejubel, ademende aromen,

Van bei die blijde lenteveldenverven.
Nu bloeit alleen de hemel van mijn droomen.
O zaalge Landen! zal ik u beërven?

 

 
Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941)
Lente in het Vondelpark, Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth

 

Narcis

Aan den boord eener beeke
Zie ik leliën droomend staan,
Wijl de golfjens om haar stengels
Schuimend gaan.

Een rei als van nymphen,
Die zich beuren uit de beek,
Een rei als van sneeuwwitte bruidjens,
Zoo kuisch, zoo bleek.

En in heur midden heft zich
Een enkele narcis,
Die kwijnt op zijn stengelken
Van droevenis.

De leliën smachten van minne
Voor die geluwde narcis;
Zij geuren haar zoetste geuren,
Zoo zwoel… zoo frisch.

En de goudgele bloeme nijgt zich
Steeds verder naar den vliet,
Tot hij in den zilveren spiegel
Zijn beeldtnis ziet.

Zoo koud en zoo kil is het water…
Zijn zoenen prangt
De bloem op het beeld, waar minnend
Hij over hangt.

En de leliën lisplen droeve,
Dat nog steeds met des jongelings lust
De bloem zijne beeldtnis
Op ’t water kust…

 

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Narcissen aan de Lange Vijverberg in Den Haag, de geboorteplaats van Louis Couperus

 

Tulpen

Gij die, op uw steel gestegen,
schijnt te zijn uit zon gedegen,
die met uw doorvlamd gewaad
drachtig in de velden staat,

gij die, nog in ’t morgendoomen,
tegen vroege–voorjaarsboomen
ijl de verten bloeit en brandt,-
in de verten van mijn land,

in de verten, waar de scholen
witgedekte wolken dolen,
waar de wereld in het rond
uitligt aan den horizont,-

in de statige avonduren
ligt gij met de wijde vuren
uwer levensheerlijkheid
voor mijne oogen uitgespreid,-

en nog diep in kalme nachten
zien, herdenkend mijn gedachten
en bij menigten geplant
in de schoonheid van mijn land.

 


Jan Prins (5 februari 1876 – 9 februari 1948)
Tulpen op het Grotekerkplein in Rotterdam, de geboorteplaats van Jan Prins

 

An die Tulpe

Andre mögen Andre loben,
Mir behagt dein reich Gewand;
Durch sein eigen Lied erhoben
Pflückt dich eines Dichters Hand.

In des Regenbogens sieben
Farben wardst du eingeweiht,
Und wir sehen was wir lieben
An dir zu derselben Zeit.

Als mit ihrem Zauberstabe
Flora dich entstehen ließ,
Einte sie des Duftes Gabe
Deinem hellen bunten Vließ;

Doch die Blumen all’, die frohen
Standen nun voll Kummer da,
Als die Erde deinen hohen
Doppelzauber werden sah.

Göttin! o zerstör’ uns wieder,
Denn wer blickt uns nur noch an?
Sprach die Rose, sprach der Flieder,
Sprach der niedre Thymian.

Flora kam, um auszusaugen
Deinen Blättern ihren Duft:
Du erfreu’st, sie sagt’s, die Augen,
Sie erfreu’n die trunkne Luft.

 

 
August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835)
Tulpen en narcissen bij de Markgraf Georg Brunnen in Ansbach,
de geboorteplaats van August Graf von Platen

 

De Nederlandse dichter Guillaume van der Graft (eig. Willem Barnard) werd op 15 augustus 1920 geboren in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Guillaume van der Graft op dit blog.

 

Lente in den vreemde

April – ik denk voortdurend aan mijn land.
Unter den Linden denk ik aan de olmen
zwaarmoedig langs een rinse waterkant,
aan steden waar de eeuwen traag vermolmen.

Ik denk aan buitenplaatsen en patrijzen,
de groene schaduw van het grachtenloof.
Ik kan niet helpen dat er lome wijzen
pianospelen in mijn achterhoofd.

Ik doe geen moeite om ze vast te houden,
de kathedraal zal wel verdronken zijn.
Er vloeit ergens achter de bronzen wouden
uit wonden in den einder donk’re wijn.

Schroefwater dat om wrakke steigers kolkt
en in de brakke avondwind seringen,
schakeringen der stilte, wie vertolkt
in taal of atonaal uw aarzelingen?

 

Le cygne van Saint-Saëns

De zwanen blijven op zichzelf in koor
buiten de perken van het park en drijven
de maanschijf schakende de schelfzee door;
de zwanen zijn hun wanen één zet voor,
vandaar ook dat zij nimmer wenen
maar op een langverbeide cantilene
het hoofd opheffen nu ik zit te schrijven.

 

De kanarie

De vogel in de rieten kooi
bezong het licht als goed en mooi.
Het duister lag hem minder goed,
hij had zo weinig bloed.

Veren had hij, niet van gewicht,
een keel in plaats van een gezicht,
een snavel en een eigeleider
en op zijn rug een vleugelspreider.

De wereld is een wijzerplaat,
zong hij, waarop het licht rondgaat.
Een dag is maar een uur, zong hij.
De spijlen hielpen hem daarbij.

Maar ’s avonds als het donker wordt,
valt er een schaduw in zijn strot.
De stilte wordt voortdurend breder
en zet zich dreigend naast hem neder.

Hij schrompelt in zoals de maan,
straks kan hij zelfs de kooi uitgaan.
Hij doet het niet. Hij steekt zijn lied
diep in het dons van zijn verdriet.

 

 
Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010)
Portret door de beeldhouwer Dennis Coenraad

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e augustus ook mijn blog van 15 augustus 2016 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2015 deel 2 en ook deel 3.

Onno Kosters, Kester Freriks, Aristide von Bienefeldt, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov, Norman Rush, Robert Greacen

De Nederlandse dichter Onno Kosters werd geboren op 24 oktober 1962 in Baarn. Zie ook alle tags voor Onno Kosters op dit blog.

 

Naar Tilburg

In de hete trein die dag
is hij de enige die niet belt.
(Hij heeft hier geen bereik
en er zijn geen nieuwe berichten.)

(Hoofdmenu – echoput. Ringtones.)
(Krijgen die kids toch nog een
stukje klassieke muziek mee.)

Nooit meer stil is het in de coupé.
Hij trekt zijn kop in, schildpad
mag ik oversteken.

Het meisje tegenover hem
lijkt vijftien maar leest
tussen gesprekken en sms’jes door
Inleiding Nederlands Recht
en haar buikje piept, lief
ballonnetje, onder haar truitje uit.
Sereen is het woord niet
voor de blik op haar gezicht.
Allesoverziend in retrospectief.
Haar vreemdheid is hem vertrouwd,
haar huid. (Hij heeft hier geen bereik
en er zijn geen nieuwe berichten.)

Zijn ontvankelijkheid is echter,
kristalhelderder dan pas gewassen glas.
Waarin regenbogen strijken, zebra
mag ik oversteken. Waarop druppels
stáán. Daar onder dat dekschild
dat de buitenwereld tegen hem
in bescherming neemt. Tegen hem
inneemt. Onder dekking van de nacht:
een recce van zichzelf. Under cover.
Gespannen: zijn huid zit hem als gegoten,
als naar binnen gegoten: als lood.
(Hij heeft hier geen bereik
en er zijn geen nieuwe berichten.)

Hij moet er kortom nodig
eens even helemaal uit.

Maar de intercity hobbelt
met twintig kilometer per uur
achter een goederentrein aan.

 

 
Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)

Lees verder “Onno Kosters, Kester Freriks, Aristide von Bienefeldt, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov, Norman Rush, Robert Greacen”

Onno Kosters, Kester Freriks, Aristide von Bienefeldt, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov, Norman Rush, Robert Greacen

De Nederlandse dichter Onno Kosters werd geboren op 24 oktober 1962 in Baarn. Zie ook alle tags voor Onno Kosters op dit blog.

 

De omgekeerde wereld

En als hij dan bij mij in zijn
afdeling aan de deur komt,
Robinson komt geldlopen:
wat een portret.
 
Een ziedend oogcontact (een vette knipoog
maar ik, literator tenslotte,
bied hem een madeleine van eigen deeg,
een bloomrijke sigaar – daar
heeft hij niet van terug),
 
zijn optrede achter de rug
en hij loopt zoals hij poept,
z’n verboden bootmansstoel onder z’n kont;
vliegen kan hij niet (de geest is sterk,
maar het vlees is sterker), zijn helm
van haar (Robinson die niks gebeuren kan,
en zie, het gebeurt),
 
zijn spierballen die zich, volgevreten knolgewassen,
aan de aarde van zijn zwartgespannen T-shirt
trachten te ontworstelen,
zijn onooglijke bril (een prachtig montuur
en waarachtig niet duur), zijn onoirbaar
gehoorapparaat, de inzetters en sponzen
die uit zijn gordel steken,
het broodje bal dat nog uit zijn holle kies riekt,
het convenant gevelonderhoud dat hem uit de achterzak piept,
de wisser.
    
De man voor het raam.
De man naast de muur.
 
Ik vraag hem hoe het gaat en hij antwoordt:
‘Het kon niet beter. Anders ging het wel beter.’
 
Het gevoel op de ladder. Als een vis op het hoge.
 
Dus ik lappen.

 

 
Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)

Lees verder “Onno Kosters, Kester Freriks, Aristide von Bienefeldt, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov, Norman Rush, Robert Greacen”

Aschermittwoch (August Graf von Platen)

Bij Aswoensdag

 

 
De strijd tussen carnaval en vasten door David Vinckboons (1620 – 1629) 

 

Aschermittwoch

Wirf den Schmuck, schönbusiges Weib, zur Seite,
Schlaf und Andacht teilen den Rest der Nacht nun;
Lass den Arm, der noch die Geliebte festhält,
Sinken, o Jüngling!

Nicht vermummt mehr schleiche die Liebe, nicht mehr
Tret im Takt ihr schwebender Fuß den Reigen,
Nicht verziehn mehr werde des leisen Wortes
Üppige Keckheit!

Mitternacht ankünden die Glocken, ziehn euch
Rasch vom Mund weg Küsse zugleich und Weinglas:
Spiel und Ernst trennt stets ein gewagter, kurzer,
Fester Entschluss nur.

 


August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835)
Ansbach. August Graf von Platen werd geboren in Ansbach.

 

Zie voor de schrijvers van de 10e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Onno Kosters, Kester Freriks, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov, Norman Rush

De Nederlandse dichter Onno Kosters werd geboren op 24 oktober 1962 in Baarn. Zie ook alle tags voor Onno Kosters op dit blog.

 

Helm (bloem)

Zoals het begon,
mond die uit een kamer klonk,
maar aanhield, niet meer los-
liet: mij, de jouwe. Krul je tong.
 
Zoals het begon, winterzon
in de Zadelstraat,
een winkel waar ze vleugels verkochten
die ik zelf verzon en daarna bouwde
van 120 grams papier: uitknipte en vouwde,
op de aslijn perforeerde
en er een draagstel
van draadjes in monteerde.
Waar je voor viel, waar je me mee op-
 
tilde en ik zo je stempel vond.
 
Zoals het begon, winterzon,
voorjaarsgeuren,
lichte kleuren zo nabij en zo voorbij
de rand van waar ik stond,
zo aanraakbaar, lolly op tafel: stijl
 
waarlangs ik tot je vruchtbeginsel glij.
 
Zoals het begon, winterzon,
voorjaarsgeuren, zomerstop
bij de Dom.
 
Zoals het begon, winterzon,
voorjaarsgeuren, zomerstop, najaarskolk
in de dorst
 
van je kelk.
 
Zoals het begon,
 
tot het deze winter
dan eindelijk begon.

 

De man in de muur

Hij pikte er die dag met zorg zijn moeder uit.
Een vrouw met vlechten, die ze kortte toen ze,
die dag op haar heetst, de man nam die hij niet
voor het kiezen had. Daar lag deels zijn zorg.
 
Hij knipte er die dag met zorg zijn poppetjes uit,
uit weekbladen meegaand papier. De Margriet.
De vrouw en haar huis. De tennisballade. Zinnelijke
silhouetten en driekwartsopnamen van idealen
 
waarvoor Plato zich niet zou hoeven schamen.
Blanke nymfen, lange wimpers, dito benen,
pareltanden, in creaties van de Burda of serene
om zich heen geweven transparante nachtgewaden.
 
Hij lijmde die dag met zorg die papieren tijgerinnen
op het schetspapier. Stiekem dacht hij nog wel eens
dat de hoes van Zappa’s Sgt Pepper’s zijn idee was,
op mysterieuze wijze geciteerd. Soms verzon hij
 
dat hij zijn klassieken al kende voor ze het werden.
Al was het maar om het volgende: hij leerde die dag
zorgvuldig in de originelen de originelen van de
originelen onderscheiden. Het hart van de zaak.

Maakte er zijn eigen variaties op. Raadsel: welke pot
staat ’s morgens te blinken, zit ’s middags vet en
aangeslagen terneer en wordt ’s avonds haveloos,
bcrstcnsvol en vol barsten aangetrofïcn bij het vuil?

En hij pikte er die dag met dat feilloos gevoel
de moeder van zijn kind uit. Zij was het die daar,
in de aanzwellende menigte, eruit sprong door de
totale overgave aan haar vanzelf sprekende echo.

 

 
Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)

Lees verder “Onno Kosters, Kester Freriks, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov, Norman Rush”

Onno Kosters, Kester Freriks, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov

De Nederlandse dichter Onno Kosters werd geboren op 24 oktober 1962 in Baarn. Zie ook alle tags voor Onno Kosters op dit blog.

 

Rivierenwijk

Gestorven en geslapen wordt er hier,

de liefde bedreven, de liefde ontkend,
de ene. De andere in een ander bestolen.

Hier wordt ontwaakt en geboren, gesmeekt
en jarenlang de lust gekoeld, onder een ster
in de ruit in de hemel, die dichttrekt.

Mijn wijk is de wereld, glanzende daken
vangen de regen, schudden als het opklaart
de flanken, maar zonder dat iemand het merkt.

Door overvolle dakgoten, op bersten staande
afvoerpijpen, in razende wildwaterstraten,

hier onder een herrezen zon wast het leven.

 

Filmgedicht 1

Het geluid van de aanstaande dood:
stilte die knarst in een steenoude wind.
De wet van de vlakte, het recht
heeft zijn loop.

Bijna alles de tinten van zonlicht aan scherven –
de zon zelf, de boog, de aarde, de gekliefde
lippen, het geheugen
dat dit zich inkerft.

(Niet de ogen die oplichten, even,
in een onbewogen aangezicht.)

De boog als de horizon zelf en de horizon zelf:
het einde dat in het begin ligt,
dat schuil gaat
achter de boog die de bel die de man op de schouders
van de jongen torst.

Niet de boog begeeft het,
het licht kantelt de avond in.

(Niet de lucht
die oplicht in de kleur die oplicht
in het onbewogen aangezicht
waar de dood zich nu bezegeld weet.)

 

 
Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)

Lees verder “Onno Kosters, Kester Freriks, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov”

Onno Kosters, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov

De Nederlandse dichter Onno Kosters werd geboren op 24 oktober 1962 in Baarn. Zie ook alle tags voor Onno Kosters op dit blog.

 

Gedicht tot de zee

Zee als bodemloze bodem, aanvankelijke
ondergang die schatten opbrengt; inzicht
dat wie opdiept eerst moest zinken,

dat wie zonk niet wist dat hij niet zocht naar
wat hij vond, maar vond wat er, Marco-gelijk,
gevonden worden moest: Dasajevs hand voorbij.

Zee als uitzicht voor wie vast zit, Ruby, Silvio,
verte zonder land in zicht, cel
waar je in ronddoolt, waar dan Windows

soms een deur naar buiten biedt,
mits ontgrendeld, mits met mate,
dat wil zeggen, meestal niet.

Zee als polder, voedingsbodem
voor gewassen die niet aarden in een
niet-brood-, wel welvaartsziek systeem.

Zee die wijzelf ten diepste zijn, zog
zonder schip dat wij nog maar zo zelden volgen.
Zee neem mij mee, zee wijs en wees mijn weg.

 

De man in de muur (Fragment)

Het nieuws wordt verpakt in de vis van morgen.
Lezen wij de ingewanden van het wezen dat hapt
naar lucht, dat spartelt. In het water op het droge.
Hoofdpersonen rennen aan de inktzwarte plas voor-

bij. De man in de muur, only in it for the money,
metselt zich in, wordt dan wat ik al van hem maakte.
Schepsel van mijn kop en been van mijn merg,
kloppend orgaan van deze ontzette inwendige mens.

Als voorbereid op mijlen onder zee verdwijnt
een laatste rechthoek luchtblauw licht. Zuinig
met zuurstof! Luidt nu het devies, de noodklok
in de verte. Hij zet zich op het onontslapen bed

in die totaal zwarte kamer, die huivering wekt. Men
hoort nog het tikken in het witsel, lijkenwindsel,
maar men zoekt er niets achter, ja pa ging een pakje
sigaretten halen, plakte een geeltje op zijn monitor,

‘Ben even weg, tot later’, was getekend, ‘Godot’.
Humor, dus wordt de tafel gedekt, de pasta gekookt,
worden glazen gevuld en ligt op zijn plek keurig een
placemat. Zijn stoel staat comfortabel klaar, Eliah! Eliah!

Ze hebben geen idee wat ze doen, zijn geliefdste gezin,
ze missen alleen de vaas, zien nog niet de bloemen
in de tuin, nat nog, slap al, oogverblindend, het zwart
in de bloeiwijze besloten, als een bedoelde barst.

Hij hoort het getik van het bestek, maakt zijn eigen op.
Hij ruikt de pasta, de kruiden, het wijnrode zoet.
Hij schikt zich voorbeeldig, legt zijn oor te luisteren, daar
aan de andere kant van de muur, waar het koud wordt

 

Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)

Lees verder “Onno Kosters, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov”

August Graf von Platen, Onno Kosters, Ernest Claes

De Duitse dichter Karl August Georg Maximilian Graf von Platen–Hallermünde werd geboren op 24 oktober 1796 in Ansbach. Zie ook alle tags voor August Graf von Platen op dit blog.

 

Das Sonett an Goethe

Dich selbst, Gewalt’ger, den ich noch vor Jahren
Mein tiefes Wesen witzig sah verneinen,
Dich selbst nun zähl ich heute zu den Meinen,
Zu denen, welche meine Gunst erfahren.

Denn wer durchdrungen ist vom innig Wahren,
Dem muß die Form sich unbewußt vereinen,
Und was dem Stümper mag gefährlich scheinen,
Das muß den Meister göttlich offenbaren.

Wem Kraft und Fülle tief im Busen keimen,
Das Wort beherrscht er mit gerechtem Stolze,
Bewegt sich leicht, wenn auch in schweren Reimen.

Er schneidet sich des Liedes flücht’ge Bolze
Gewandt und sicher, ohne je zu leimen,
Und was er fertigt, ist aus ganzem Holze.

 

Der Pilgrim vor St. Just

Nacht ist’s und Stürme sausen für und für,
Hispanische Mönche, schließt mir auf die Tür!

Laßt hier mich ruhn, bis Glockenton mich weckt,
Der zum Gebet euch in die Kirche schreckt!

Bereitet mir was euer Haus vermag,
Ein Ordenskleid und einen Sarkophag!

Gönnt mir die kleine Zelle, weiht mich ein,
Mehr als die Hälfte dieser Welt war mein.

Das Haupt, das nun der Schere sich bequemt,
Mit mancher Krone ward’s bediademt.

Die Schulter, die der Kutte nun sich bückt,
Hat kaiserlicher Hermelin geschmückt.

Nun bin ich vor dem Tod den Toten gleich,
Und fall in Trümmer, wie das alte Reich.

 

Der Strom, der neben mir verrauschte, wo ist er nun…

Der Strom, der neben mir verrauschte, wo ist er nun?
Der Vogel, dessen Lied ich lauschte, wo ist er nun?
Wo ist die Rose, die die Freundin am Herzen trug,
Und jener Kuß, der mich berauschte, wo ist er nun?
Und jener Mensch, der ich gewesen, und den ich längst
Mit einem andern Ich vertauschte, wo ist er nun?

 

August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835)
Portret door Moritz Rugendas

Lees verder “August Graf von Platen, Onno Kosters, Ernest Claes”

Zsuzsa Bánk, August Graf von Platen, Onno Kosters, Norman Rush

De Duitse schrijfster Zsuzsa Bánk werd geboren op 24 oktober 1965 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 24 oktober 2009 en ook mijn blog van 24 oktober 2010.

 

Uit: Die hellen Tage

„Ich kenne Aja, seit ich denken kann. Ich habe kaum eine Erinnerung an eine Zeit vor ihr, an ein Leben, in dem es sie nicht gegeben hat, keine Vorstellung, wie sie ausgesehen haben könnten, Tage ohne Aja. Aja gefiel mir sofort. Sie sprach laut und deutlich und kannte Wörter wie Wanderzirkus und Schellenkranz. Zwischen anderen sah sie winzig aus, mit ihren kleinen Händen und Füßen, und als müsse sie dem etwas entgegensetzen, sprach sie in langen Sätzen, denen kaum jemand folgte, als wolle sie beweisen, dass sie laut reden konnte, ohne Pause und ohne Fehler. Sie zog in dem Jahr zu uns, in dem für uns Kinder nichts lustiger war, als unsere Namen rückwärts aufzusagen und uns laut Retep oder Itteb zu rufen. Aja hieß immer nur Aja.
Wir fanden uns, wie sich Kinder finden, ohne zu zögern, ohne Umstände, und sobald wir unser erstes Spiel begonnen, unsere ersten Fragen gestellt hatten, verbrachten wir unsere Tage miteinander, fädelten sie auf wie an einer endlosen Kette, und hielten jede Unterbrechung, mit der andere uns trennten, für eine Zumutung. Wenn Aja zu mir kam, öffnete sie unser Hoftor lautlos. Niemand konnte unser Tor lautlos öffnen und schließen, weil es ein großes Tor auf Rollen war, das jeden Besuch vor den letzten Schritten zur Haustür ankündigte, und dessen Geräusch wir bis unters Dach und bis in die hintersten Winkel des Gartens hören konnten. Nur Aja öffnete unser Tor so leise, dass es niemandem auffiel, auch nicht, dass sie über den Hof lief, und ich wunderte mich, wie still sie sein, wie unbemerkt sie kommen und gehen konnte.
Wir müssen uns im Sommer begegnet sein, im Sommer, der Aja umgab, als gehöre er ihr, als gehörten sein Licht, sein Staub, seine langen hellen Abende ihr, und durch den sie sich ohne Jacke und Schuhe, mit einem gelben Hut, den sie im Schrank ihrer Mutter gefunden hatte, bewegte wie durch ein großes, lichtes Haus, dessen Zimmer ohne Türen ineinanderliefen.”

 

Zsuzsa Bánk (Frankfurt am Main, 24 oktober 1965)

Lees verder “Zsuzsa Bánk, August Graf von Platen, Onno Kosters, Norman Rush”