Dolce far niente (Daan de Ligt, Jan Kal)

 

Dolce far niente

 


De “Zes min” van Bisschoppelijk College Schöndeln, Roermond

 

Reünie

de lange gangen met de vale tegels
-er hing nog steeds de geur van natte jassen-
leidden onveranderd naar de klassen
waar ik zuchtte onder strenge regels

ik had gezworen nooit terug te keren
tot ik die lijst zag met daarop jouw naam
het stille meisje bij het hoge raam
dat mij geduldig hielp Latijn te leren

je ogen glansden vurig als voorheen
dezelfde zachte stem, nog steeds verlegen
waarom gingen de wegen toch uiteen

ik voelde het werd tijd voor klare wijn
en zei wat ik die jaren had verzwegen:
we zijn nog niet aan ‘t eind van ons Latijn.

 

Daan de Ligt (Den Haag, 1953)

Lees verder “Dolce far niente (Daan de Ligt, Jan Kal)”

Dolce far niente (Nijmegen, Dennis Gaens)

Dolce far niente

Hoeveel steden deze stad is

I

Dan is er altijd nog de stad die ik via sluiproutes langs buitenwegen binnenkom.

Over de straten aan de rand fietsen meisjes met onhandige benen die snel vrouwen willen worden en tot die tijd kauwgom kauwen. Wat verder leunt een man op zijn rollator, wachtend op een bus die hij ook vandaag niet neemt.

Het is die stad met een plein dat een lakmoesproef is, waar de mannen van de welpen worden gescheiden en waaromheen jongens cirkelen op scooters waarvan het voorwiel niet altijd gebruikt wordt.

Dan is er de plek waar alle bussen, ongeacht hun bestemming, samenkomen voor vertrek – daar waar we elkaars richting van een display lezen.

 

Ooijpolder bij Nijmegen

 

II

Dan is er nog die stad waar fietsen op de stoep gestapeld staan, waar studentenkamers stof vangen. Aluminiumfolie, geplooid langs pitjes van gasfornuizen, kan niet voorkomen dat keukens waar meer dan zeven man koken, plakkerig worden. Ook de aardappels zijn hier al dente en alles smaakt een beetje naar de afwas van gisteren.

Er zijn lange straten vol huizen die naar oud hout ruiken. Een nieuwe vloerbedekking wordt zorgvuldig aan de vormen van een antieke trap aangepast. Er komt een laklaag op de leuning. Er staan daar watercoolers, espressomachines en in de koelkasten: enkel melk en broodbeleg. De gangen zijn breder en de plafonds hoger, daar waar we alleen op afspraak naar binnen gaan.

Dan zijn er nog de tuinen waar de partytenten bijna jaarrond achter de deur staan, al is het maar zodat de frietpan droog blijft. Er is een aparte koelkast voor het bier. Alleen op oudejaarsavond wordt de tent voor een week ingeklapt

 

Bussen bij Centraal Station Nijmegen

 

III

Dan is er nog de stad waar de Italiaan bij de Turk zijn inkopen doet. Waar goed volk elkaar gedag zegt. Waar de buurtwinkel nog bestaansrecht heeft.

Er staan hier genoeg bomen, alsof we ze verzamelen. De waarheid is: we vinden het leuk om naar dingen te kijken. Eén keer per jaar trekken we meubels naar buiten, al was het maar om elkaar te zien lachen en de bezoekers te begroeten.

 


Waalkade, Nijmegen

 

Waar ‘s zomers de kampvuren op het strand de boten de weg naar de kade wijzen.

Meer dan dat is het de stad die als een decor achter de Waal staat gestapeld. Waar we niet terugkomen naar de mensen, maar naar de verhalen die er wonen.

Het is de stad die ik elke dag dwars door het centrum verlaat en van een afstand welterusten wens.

 

Dennis Gaens (Susteren, 1982)

 

Zie voor de schrijvers van de 25e augustus ook mijn blog van 25 augustus 2012 deel 1 en eveneens deel 2.

Dolce far niente (Bergen, Adriaan Roland Holst)

Dolce far niente

Een Winteravondval

Gouden stille kusten en de zee nog blauw,

en de blijde vele golven, die er spelen,

en die witte vlucht van vooglen – o, de vele

meeuwen zwevend door de zuiverende kou,

zwermend als een bui, als een gevleugeld sneeuwen,

en hun kreten af en aan over mijn hoofd;

heb ik ooit wel in een ander lied geloofd

hier op aard dan de verloren kreet der meeuwen?

En zij zwenken en verdwijnen, en het is

nu weer stiller, en het gouden uur wordt later,

en ik loop verloren verder langs het water

van der eeuwen eenzame geheimenis.

En de kust wordt grijzer, en de schemeringen

komen nu, en ook de groote zee wordt grijs,

en de golven zingen – o, de vreemde wijs

van die andre wereld, die de golven zingen –

En zij zingen nader en mijn hart bevangt

een onmetelijk vervreemden uit dit leven,

en ik loop als in een bijna overzweven

naar dat rijk, waarheen ik altijd heb verlangd.

 

Bergen aan Zee, duinen

 

Spiegelende ligt het uit de zee verschenen

ver en in het westen en den dood voorbij –

die daar leven zingen, en zij roepen mij,

maar de zee, zij zingt en glinstert om hen henen.

Eeuwig eiland – o, der zaligen domein,

waarheen onder zeilen hunner laatste droomen

slechts de stervende vervoerden overkomen –

waar de menschen eenzamer en schooner zijn.

En ik weet niet, is het heimwee of verlangen,

een herinnering of al een voorgevoel?

Houdt het leven met een ongeweten doel

mij, bevlogene, hier hunkerend gevangen?

O, waarom dan die herinnering, waarom

geen geheel onterven en een niet meer weten?

Wat kan ik hier doen? Als ik niet kan vergeten

waar ik eenmaal leefde ga ik dolend om,

om, zonder een dak, zonder een doel, geboren

aan de droeve zijde van den vreemden dood,

en ik werp mij uit der menschen oude nood

altijd weer in mijnen droom terugverloren….

 

Bergen aan Zee, strand

 

Toen…. een antwoord toch?….neen, een voorbijgaand mensch

en zijn vluchtig avondgroeten langs mij henen;

‘k zag hem na tot hij in donker was verdwenen,

toch misschien zijn broeder aan der wereld grens?

’t Was een visscher uit het oude dorp, daarginter

waar de duinen lager worden, en hij ging

bukkend onder wrakhout door de schemering,

denkend aan de lange nooden van den winter.

En ik ga hem na, maar langzamer dan hij,

bukkend onder leed, dat ik had moeten lijden –

o, verzuimde smart – o, wroeging, waar de tijden

nu geen redding meer uit geven, en de zee

 

…de “lage herberg” Het Huis met de Pilaren in Bergen…

 

zingt, maar lokt niet meer, en ik blijf aangewezen

op dit klein bestek van weedom en berouw,

en de winteravond valt, en door de kou

wankel ik – en toch, ik voel, er is genezen

in rampzaligheid, en, huivrend, weet ik weer

hoe het heimwee, dat deze aarde houdt bevlogen,

mij – waarom dan ook – het zingende vermogen

schonk, en verder valt er niet te vragen, en ik keer

tot het oud gehucht, dat daar ligt weggedoken,

minder eenzaam toch, en zie, daar op het duin

in de lage herberg waar de visschers zijn

wordt de lamp nu voor den avond opgestoken.

 

Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 – 5 augustus 1976)

Standbeeld door Marie Andriesse in Bergen

 

Zie voor de schrijvers van de 24e augustus ook mijn blog van 24 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Dolce far niente (Amsterdam, J. C. Bloem)

Dolce far niente

 

De Dapperstraat

 

 

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

 

J. C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)

 

Zie voor de schrijvers van de 23e augustus ook mijn blog van 23 augustus 2010.

Dolce far niente (Amsterdam, Theo Thijssen)

Dolce far niente

Uit: Jongensdagen

‘Juffrouw, m’n broertje kocht daarnet een pakje postzegels van drie cent, maar er zit zoowat niks in. Nou staat hij buiten te huilen, – Ko kreeg zelf tranen in z’n oogen van de gedachte – en of u het nou niet ruilen wil.’

‘Heeremenschen!’ riep de juffrouw verontwaardigd uit, en zij maakte zich gereed weer naar achter te gaan. ‘Heeremenschen, sta je dáárvoor volk te schreeuwen. Ruilen doen we niet, hoor.’

Ko bleef haar sprakeloos aankijken; de enveloppe hield hij haar voor.

‘Ga maar gauw m’n winkel uit, marsch!’ zei de juffrouw.

‘Maar voor drie centen is toch afzetterij!’ riep toen Ko ineens uit.

‘Heb ik van me leven!’ schreeuwde de juffrouw, en zij kwam achter haar toonbank vandaan geloopen, regelrecht op Ko af. Die holde weg, den winkel uit. Midden op straat bleef hij staan. ‘Afzetter!’ riep hij. Henk kwam naar hem toe; hij begreep alles. ‘Afzetter!’ schreeuwde hij mee.

De juffrouw keek niet eens meer, en ging weer naar haar kamer achter den winkel.

Een man bleef staan op straat. ‘Wat is er?’ vroeg hij nieuwsgierig.

Het was een meneer; een groote, deftige meneer. Misschien kon die helpen. Ko begon te vertellen; hij liet de enveloppe zien.

 


Zicht vanuit de Jordaan op de Westerkerk

 

Verschillende, en buitenlandsche staat er op!’ zei Henk.

‘En dàt zit er in!’ sprak Ko bitter; en hij liet den heer de postzegels zien.

‘’t Zijn toch mooie postzegels, voor drie centen,’ meende de heer. Hij lachte even en liep verder.

Stom van verbazing keken de broers elkaar aan. Dát mooie postzegels!

‘Laat dan nòg eens kijken,’ zei Henk.

En voor den derden keer keken ze de postzegels na. Er was geen enkele bijzondere bij. Ze wierpen woedende blikken naar het winkeltje.

‘Ga mee maar, Henk!’ zei toen Ko, ‘ga nou maar mee naar huis. Tegen zulke afzetterij kunnen wij niet op.’

En hij nam de mand weer aan z’n arm, en stapte voort.

Henk volgde met een bedrukt gezicht en sprak geen woord.

Zoo liepen ze stil door tot de Westermarkt.

‘Jammer, hè?’ vroeg Ko zacht.

‘Wat?’ kwam Henk onnoozel.

‘Van je drie centen,’ antwoordde Ko.

Henk zuchtte eens, en gaf geen antwoord. Het wàs hard.“

 


Theo Thijssen(16 juni 1879 – 23 december 1943)
Beeld van Theo Thijssen in de Amsterdamse Jordaan door Hans Bayens

 

Zie voor de schrijvers van de 22e augustus ook mijn 2 blogs van 22 augustus 2011.

Dolce far niente (Haarlem, Sylvia Hubers, Bertus Aafjes)

Dolce far niente

 

Voor Haarlem

Ik droomde me een man als een kunstwerk
en ik moest naar Haarlem gaan

Ik droomde van Oude Meesters, op een vingerknip
beschikbaar, om de hoek van de straat
en ik moest naar Haarlem gaan

Ik droomde me kunstenaars in galeries
kunstenaars op terrassen, kunstenaars als vrienden
en ik moest in Haarlem zijn

 

Haarlem, Sint Bavo

 

Ik droomde vaten vol kunstig bier
door bierkunstenaars gebrouwen en ik moest
in Haarlem drinken

Ik droomde me een stad die niet bestaat
een stad als een kunstwerk, uitgevouwen
over de grond door vaardige creatoren

een stad waarin ik rond zou lopen
o en ah zou zuchten

ik droomde me een stad
die bestaat
van mooi

 

Sylvia Hubers (Sassenheim,28 mei 1965)

Lees verder “Dolce far niente (Haarlem, Sylvia Hubers, Bertus Aafjes)”

Dolce far niente (Amsterdam, Gerard Reve)

Dolce far niente

 

Uit: De Avonden

 

“Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweentwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte. Hij keek op zijn lichtgevend horloge, dat aan een spijker hing. Kwart voor zes, mompelde hij, het is nog nacht. Hij wreef zich in het gezicht. Wat een ellendige droom, dacht hij. Waar ging het over? Langzaam kon hij zich de inhoud te binnen brengen. Hij had gedroomd, dat de huiskamer vol bezoek was. Het wordt dit weekeind goed weer, zei iemand. Op hetzelfde ogenblik kwam een man met een bolhoed binnen.


Op de hoek: Jozef Israëlskade (Schilderskade 66)

 

Niemand lette op hem en hij werd door niemand begroet, maar Frits bekeek hem scherp. Opeens viel de bezoeker met een zware bons op de grond.
Was dat alles? dacht hij. Wat gebeurde er verder? Niets, geloof ik. Hij sliep weer in. De droom ging voort, waar hij was opgehouden. De man lag, met de bolhoed over zijn gezicht gedrukt, in een zwarte doodskist, die in een hoek van de kamer op een lage tafel stond. Die tafel ken ik niet, dacht hij, zou die geleend zijn? Hij keek in de kist en zei luid: Daar zitten we in ieder geval morgen nog mee opgescheept. Dat hoeft niet, zei een man met een kaal hoofd, een rood gezicht en een bril, wedden dat ik de begrafenis nog op vanmiddag twee uur geregeld kan krijgen?
Hij werd opnieuw wakker. Het was twintig minuten over zes. Ik ben al uitgeslapen, zei hij bij zichzelf, daarom word ik zo vroeg wakker. Ik heb nog een flink uur.
Hij sluimerde langzaam in en trad voor de derde maal de huiskamer binnen. Er was niemand. Hij liep op de kist toe, keek erin en dacht: Hij is dood en begint te bederven.

(…)

 


In het midden: Jozef Israëlskade (Schilderskade 66)

 

“Een heerlijke verkwikkend ochtendwandeling’ mompelde hij. Bij het afdalen van de trap kefte een hond bij de benedenburen, toen hij hun deur passeerde. Hij trok de straatdeur zacht dicht en volgde de met ijs bedekte gracht tot de rivier. Die, uitgezonderd in het midden, met een donkere ijslaag was toegevoren.”

 

Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006)

 

Zie voor de schrijvers van de 20e augustus ook  mijn blog van 20 augustus 2011`deel 1 en eveneens deel 2 en eveneens deel 3.

» Reageer (0)

Dolce far niente (Amsterdam, Jan Campert)

 

Dolce far niente

 

Lied van Amsterdam

Verlaat ‘t Centraal en zie de stad,
die zich voor de stad ontvouwt
gelijk een waaier, baan naast baan,
van parelgrijs en goud.
Het parelgrijs der morgenlucht,
die over de Amstel stijgt,
het goud van zon en herfstseizoen,
dat al ten einde neigt.

Welk oord gij ook om haar verliet,
zij komt u tegemoet
met kaden, Damrak en de Beurs
en schepen onder ‘t roet,
met torens rank breed en sterk van steen
en rank van makelij
en, als ge goede oren hebt,
met roepen over ‘t Y.

Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd
met vensters waar al ‘t licht door stroomt,
dat van den Amstel slaat,
wanneer de winter ‘t water stremt
en ‘t volk te schaatsen gaat.

Wie ’s avonds voor die vensters staat
hij ziet den warmen gloed,
die boven Leidsche en Rembrandtplein
de wolken walmen doet doet;
hij ziet, wanneer hij oogen heeft,
de onbewogen wacht
van Heerengracht en Keizersgracht
bij ‘t ingaan van de nacht.

 

Keizersgracht

 

Die, trouwloos van aard als ik,
eens Amsterdam verried,
hij vindt geen rust aleer zijn schuld
gedelgd is met een lied
en waar hij zwerft en wat hij zoekt
vindt hij ter wereld niet,
voordat hij weer de duiven rond
den Westertoren ziet.

En niet aleer zijn voetstap weer
de oude stad hervindt,
de Wallen, ‘t Kolkje, de Zeedijk,
of voordat hij de wind
bij Schreierstoren heeft gevoeld
te waaien door zijn haar,
niet eer houdt Amsterdam voor hem
haar liefste vreugde klaar.

 

Zeedijk

 

Want die het diepste wordt bemind
zij toeft in Amsterdam,
zoo brandt, in edel goud gevat,
‘t juweel gelijk een vlam,
en waar het hart slaat van mijn land
slaat ook haar franke hart
rood is haar mond, o Amsterdam,
en zie haar haren zwart.

Nu dit beeld mij niet meer verlaat,
bij dag niet noch bij nacht
weet ik dat ieder sterveling
wel eens wordt thuisgebracht.
Hij neemt zijn staf, hij schoeit den voet
en keert vanwaar hij kwam;
hij delgt zijn schuld en dicht een lied
voor haar en Amsterdam

 

Jan Campert (15 augustus 1902 – 12 januari 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e augustus ook mijn blog van 19 augustus 2011 deel 2 en ook mijn blog van 19 augustus 2010.

Dolce far niente (Amsterdam, Mezrab, verhalen aan het IJ)

Dolce far niente

 

De Iraanse dichter, zanger, acteur en politiek wetenschapper Fereydoun Farrokhzad werd geboren op 7 oktober 1938 Teheran. Farokhzad voltooide de opleiding politieke wetenschappen met een doctoraat in de Bondsrepubliek Duitsland. Hij was de jongere broer van de beroemde Perzische dichteres Forough Farrokhzad. Farokhzad wordt nog steeds beschouwd als een van de meest bekende zangers en entertainers van de moderne Iraanse muziek geschiedenis. Veel sterren van de Iraanse muziek scene van de jaren 1970 bereikten in zijn uitzendingen een grotere bekendheid. In politieke opzicht zette Farokhzad zich in voor een seculiere koers en voor de scheiding tussen staat en religie. Hij pleitte voor het herstel van het Iraanse Keizerrijk op een democratische grondslag en thematiseerde dat, net zo goed als zijn verzet tegen de heersende geestelijken sinds 1979, in politieke strijdliederen. Als criticus van het theocratische regime in Iran vanaf 1979 werd hij op 6 Augustus vermoord in 1992 in zijn huis in Bonn. Fereydoun Farrokhzad werd begraven op de Bonner Nordfriedhof.

 

Atombombe


Sie wollen uns überzeugen,
dass es nur ein weisser Pilz ist –
der mit den Pappeln flüstert.
Oder ein Pfau der gerade sein Rad schlägt.
Aber der weisse Pilz hat schwarze Schatten –
und der junge Pfau trägt giftige Pfeile.
Man kann ein Buch –
über den Kopf halten –
und an Wunder glauben.
Man kann auch wie ein kranker Hund –
unter den Tisch kriechen –
und sich einen besseren Tod wünschen.

 


Mezrab, naast het Wilhelmina Pakhuis, Veemkad

 

Warmates


Warmates, Warmates were human and free
Men and women of pride and simplicity
Had put themselves amongst the nation’s unrest
Warmates, Warmates

Their death cloths, tri color Flag of Iran
In their minds, nothing but a promise and a pact
The pact which would charge them in the battlefield
Warmates, Warmates

They were loaded with the love of nation
They were away from temptations of the spirit and body
They were the green sincerity of “The Word”
Warmates, Warmates

Warmates were the heroes of dignity
All their lives, they have struggled only for one goal
Until they had opened the doors of freedom
Warmates, Warmates

Warmates were like rain drops
Pure and honest, they were Warmates to all lovers
They were the lion and sun of the Iranian Flag
Warmates, Warmates

They have risen up and become martyrs
They have climbed beyond the inferior human needs
They have reached the pure human integrity
Warmates, Warmates

They have risen and died for us
They have died amongst our arms
They have left us the pieces of motherland
Warmates, Warmates

The children who will be born tomorrow
Will know about the story of our Warmates
Will read their names upon the sunshine
Warmates, Warmates

Where are those brave men and women today?
That our being is due to their uprising!
That their hearts are beating inside the Iranian Flag
Warmates, Warmates

Once again we will all gather around
We will speak of our Warmates
We will write in the history and on the sorrow, about our
Warmates, Warmates

Thousands of springs and summers will come and go
Thousands of snows and rains will fall
Masses will once again love “The essence of Love”
By the will of our
Warmates, Warmates ……

 

Vertaald door Ahreeman X

 



Fereydoun
Farrokhzad (7 oktober 1938 – 6 augustus 1992)

 

Zie voor de schrijvers van de 18e augustus ook mijn blog van 18 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Dolce far niente (Amsterdam, Simon Carmiggelt)

Dolce far niente

 

Uit: Vreemdeling in Amsterdam

„Daar onze badkamer, door hoge ouderdom, geheel poreus geworden is, zijn ingrijpende, gruis verwekkende verbouwingen nodig, die ons aards verblijf een tijdje volstrekt onbewoonbaar maken. Daarom zitten we nu in een hotel.
In Amsterdam Centrum.
Het is een interessante situatie, die je kijk op de eigen stad verandert. Het dagelijks leven heeft een nieuw decor gekregen, dat je nooit eerder op deze manier hebt bekeken.
Het was er wel, maar je maakte er zelf deel van uit. Nu zit je er aan het ontbijt, of in het café een eindje verderop, waar je vroeger nooit kwam, naar te staren als een toerist uit den vreemde, die een paar dagen Amsterdam doet.
Mijn woning staat ook in het centrum, maar die keek uit op een plantsoentje, waar elke ochtend weer dezelfde vrouwen en mannen verschenen om hun honden de zo broodnodige recreatie te verschaffen. Omdat ze door die beesten werden gemotiveerd, had hun aanwezigheid een zekere logica.

Eerste Weteringplantsoen met Kronkelpad

 

Maar in het gedrag van de voorbijgangers die ik nu zie lopen zit geen enkele lijn. Er zijn er bij die kennelijk ergens naar toe gaan, maar zij vormen een te verwaarlozen minderheid. De meesten druilen maar wat rond, blijven om onverklaarbare redenen plotseling stilstaan of keren eensklaps op hun schreden met een niet te becijferen doel, dat echter spoedig weer als een fata morgana vervluchtigt.
Het is fascinerend om in deze stoet der duistere improvisaties opeens een man en een vrouw te zien met een zichtbaar ideaal. Zij dragen namelijk een vensterruit van zowat twee bij drie meter. Aangezien het geen voorwerp is dat men spelenderwijs onder de arm neemt, staat vast dat ze er ergens mee naar tóé moeten.“

Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)

Borstbeeld van Carmiggelt aan het Kronkelpad met tekstplaat:

“Als ik u raden mag: wordt schrijver”.

 

Zie voor de schrijvers van de 17e augustus ook mijn twee blogs van 17 augustus 2011.