Dolce far niente 5

 

Romenu heeft even vrij vandaag. Morgen weer de gebruikelijke berichten en ook de schrijvers van de 28e april.

 

 

 Winslow_Homer

Three Boys on the Shore door Winslow Homer, 1873

 

 

 

Middagzee

 

Vlakke middagzee plooit even
Aan heur rand in vlotte reven
Van het doode tij:
Ruischingen als ademhalen
Die in langer stilten dalen,
Murmelen voorbij.

 

Lichtdoorvloeide neevlen kleuren
Al de kommen die zij beuren
Bij het hemelsche gezicht,
Dat de schepen die er gleeën
Langs de verre stille zeeën,
Zweven in ’t verwolkte licht.

 

Over wazen wallen henen
Stort de zon in overlenen
Stroomen klaren gloed;
Van de stralen die zij wasschen
In de grondelooze plassen,
Stijgt een gouden gloed.

 

Jonge ranke knapen waden
Door de spiegelende baden,
Zingend hand in hand,
Naar waar neevlen openschijnen
En de zuivre kusten lijnen
Van een zalig land.

 


P.C. Boutens (20 februari 1870 – 14 maart 1943)

Dolce far niente 4

Romenu had even vrij vandaag. Morgen weer de gebruikelijke berichten en ook de schrijvers van de 18e maart.

 

Trijntjes dolce far niente.

’t Zit in de Golf van Napels niet,
Van Napels of Tarente;
Ook ’t Zandvoortsch kind heeft, als gij ziet,
Zijn dolce far niente.

‘’t Is lui, ’t is heet, ’t is brandend weer;
Hoe kan die meeuw nog vliegen?
‘k Lag liever plat op ’t water neer,
En liet mij zachtjes wiegen.’

Zoo spreekt zij, en ligt plat op ’t zand,
En laat het zonlicht spelen;
Of ’t bruine vel wat meer verbrandt
Kan haar geen oortje scheelen.


Dolce far niente door John Singer Sargent, 1907

Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)

 

 

Dolce far niente

De tv uit, lees geen kranten.
Geluk ligt binnen handbereik.
Kijk rustig hoe het gras groeit.
Drink een glas en zing een lied.
Tel sterren tot je dromen.

Ga vooral bij jezelf te rade.
Ga niet weg want je bent er al.

Dolce far niente door Daniel Ridgway Knight(1839 – 1924)

Rense Sinkgraven (Sint Jacobiparochie, 17 maart 1965)

 

 

Luieren

Ik lig de hele dag zalig languit
Te dromen en gerust op u te wachten.
Verlangen heeft mijn denken iets gekruid,
Precies genoeg om met plezier te smachten.

Ik luier feestlijk, mijn lichte gedachten
Bewegen zich om fris en geurig fruit
En bloemen, en ik luister of ‘k het zachte
donkere lokken hoor der diepe fluit.

Alle avonds fluit bij dat klein huisje ginder
Een jongen de vermoeide wereld stil.
En zoals aan een grote bloem een vlinder
Zich vastklemt met behaaglijk wiekgetril,
Weet ik van ver uw stralende ogen wenken
En kan nog maar alleen aan u gedenken.


Dolce far niente door Franz Xaver Winterhalter, 1836

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)

Dolce far niente 3

Romenu had opnieuw even vrij vandaag. Morgen weer de gebruikelijke berichten en ook de schrijvers van de 26e augustus.

 

De brug

Vreemdstil is het, water kabbelt, niets herinnert aan
de ingespannen dag. De Steven slaat drie maal.
Zuster maan verwarmt de brug. Uit het oosten
komt een zeilboot aangedreven. Langs een jakobs-
ladder stijgen zeven stervelingen door tot op
de boog, verdwijnen in een hemelplooi.

Overdag last de brug grond aan grond, is ze ding
voor druk vervoer, ’s nachts zweeft ze van haar
pijlers los, bindmiddel tussen stroom en firmament,
haar baldakijn lucide aanzet tot een hemelvaart.

Bij dag is ze plat bedrijf, bij nacht vervoering
voor de enkeling die hoogte zoekend haar ontmoet.
Zonder boog zou deze brug niet meer dan massa zijn,
haar hoogheid spant zich waar ze opzien baart.

 

Victor Vroomkoning (Boxtel, 6 oktober 1938)

Gezicht op Nijmegen vanuit Lent, 1900 – 1910, Evert Moll

 

 

Je moet niet slapen op de Waalbrug

Daar zitten we. De bogen van de brug staan als bolle
golven boven het water. Die brug is een belofte. We
moeten gaan.
Dave vindt dat ik op het verhaal vooruitloop.
In mijn hoofd ben ik er al.

Ik zeg: ‘Luister, meisjes krijgen mooie benen, jongens
grote voeten. Sommige dingen moet je laten gaan,
andere moet je achterna.’

Wij zitten daar en zijn afwezig; liggen liever dan
we lopen. We vergeten dat we uit net genoeg water
bestaan om een vloedgolf te vormen, vergeten dat
we verder kunnen komen.

Dave zegt: ‘Een brug is een brug.’

Het wordt tijd dat hij wakker wordt,
we moeten nodig dat water over.

 


Dennis Gaens (Susteren, 1982)

De Waalbrug bij Nijmegen

Dolce far niente 2, Freek de Jonge, Guus Luijters, Hanny Michaelis

Romenu had opnieuw even vrij vandaag. Morgen weer de gebruikelijke berichten en ook de schrijvers van de 23e augustus.

 

  

Raamgedicht

Ik heb de Zaan nog nooit bezongen
Die nauwelijks stromende rivier
Waar ik voor in zwom als jongen
Tussen de IJsberen en ’t wier
Ik stak haar over met het pontje
Ik heb haar dikwijls overbrugd
Jarenlang hetzelfde rondje
Oostzij heen en Westzij terug

Ik heb boven op de brug staan pissen
Op een onderdoor varende boot
Ik heb er vaak in staan te vissen
En wat ik ving was vooral dood
Ik dagdroomde van verre landen
Als ik aan haar oevers zat
Ik zag haar water even branden
Toen het Zaansch Veem had vlamgevat

De Zaan mist de allure van de Loire
Ze smaakt meer naar azijn dan wijn
De Zaan mist van de Waal het ware
Het internationale van de Rijn
De Zaan mist de lengte van de Amazone
Ze droogt al op bij Krommenie

Hier op de plek van dit theater
Keek ik ooit uit over de Zaan
Zonder besef dat ik daar later
Nog eens op het toneel zou staan
Waar ik altijd terug zou komen
Ik zie de planken als een vlot
Waarop ik spelen kan en dromen
Als onechte zoon van Don Quichot

De Zaan mist het Vlaamse van de Schelde
Alsook het pittoreske van de Vecht
Zo saai als de Zaan is een rivier slechts zelden
Ze kabbelt en daar is alles mee gezegd
De Zaan mist het blauwe van de Donau
En toch bezing ik haar hier fier
Want ach wie neemt het als hij jong is zo nauw
O Zaan mijn jeugd is mijn lievelingsrivier

 

 

Freek de Jonge (Westernieland, 30 augustus 1944)

Molenpanorama aan de Zaan, Frans Mars (1903 – 1973)

 

 

Kinkerstraatjes lopen samen

Kinkerstraatjes lopen samen
meestal door de Kinkerstraat

en hun geblondeerde haren
zijn als de manen van een paard

Kinkerstraatjes hebben witte
tanden en ze blijven altijd jong

want ze hebben niets om handen
Kinkerstraatjes zijn niet dom

en hun dochter is hun alles
met hun moeder zijn ze rijk

meestal in de straat van Kinker
en soms op de Haarlemmerdijk



Guus Luijters
(Amsterdam, 3 november 1943)

Gezicht op de Westerkerk, Amsterdam, Jan van der Heyden (1637 – 1712)

 

 

Onbekommerd toont Amsterdam…

Onbekommerd toont Amsterdam
haar rotte gebit, haar aan aardgas
stervende bomen, haar onrein water
waarin de zon zich weerkaatst.
Uit ontelbare vervuilde neusgaten
blaast ze kwaadsappige dampen
over haar daken vol televisie-antennes
en duiven, waarboven de hemel
licht wordt en weer donker, sterren
balanceren een paar minuten op de spits
van een kerktoren, carillons
mengen hun valse stemmen in
de oorverdovende musique concrète
van auto’s, ambulances, pneumatische
boren, sloophamers, hei-installaties
en overal kruipen mensen in en uit
de schulp van hun huis, hun krot,
hun dierbare, gehate puinhoop.



Hanny Michaelis
(19 december 1922 – 11 juni 2007)

Amsterdam, gezicht op de St. Nicolaaskerk, D.J. van Haaren (1878 – 1953)

 

Zie voor de schrijvers van de 23e augustus ook mijn blog van 23 augustus 2010.

Dolce far niente, P.A. de Génestet, S. Abramsz, E.J. Potgieter, Kees Stip

 

Romenu had even vrij vandaag. Morgen weer de gebruikelijke berichten en ook de schrijvers van de 17e augustus.

 

 

 

DOLCE FAR NIENTE

 

Ik lig in Hollands dierbaar duin,

Zo zacht in ’t lauwe zand,

En naast mij zit een blozend

kind, Een dochter van het strand.

 

Een zilvren wolkje speelt en drijft

Aan ’s Hemels blauwe boog;

Een zoele vrede straalt en daalt
Op aarde van omhoog.

 

Het zilvren wolkje lacht en lokt,

Als riep het:`o ga mee,

Reis met mij naar een beter land,

Ver over zee bij zee!

 

Zeg knaap, indien ge eens vleuglen hadt,

Zeg vloodt gij de aarde niet?

 ’t Is heerlijk in dees vrije lucht,

In ’t grensloos wolkgebied.’

 

Maar ik – ik lig in Hollands duin,

Zo goed in ’t lauwe zand,

En naast mij zit een blozend

kind, Een aardig kind van ’t strand…

 

Neen, schoon ik, wolkje, met u mee

Mocht vliên naar ’t schoonste land…

’k Ben nu te lui, ’k heb nu te lief, ’

k Bleef liggen hier in’t zand.

 

 

 


P.A. de Génestet (21 november 1829 – 2 juli 1861)

Bernardus Johannes Blommers, Badende jongens in Het Kanaal, 1908

 

 

 


Holland

 

Holland, ze zeggen, je grond is zo dras,

Maar mals zijn je weiden en puik is je gras,

En vet zijn je glanzende koeien.

Fris waait de wind door je wuivende riet,

Groen zijn je dorpjes in ’t nevelig verschiet;

Rijk staan je gaarden te bloeien.

Blank is je water en geurig je hooi.

Holland, mijn Holland, ik vind je zo mooi.

 

Holland ze zeggen, je bent maar zo klein,

Maar wijd is je zee en je lucht is zo rein,

En breed zijn je krachtige stromen.

Goud is je graan op je zand en je klei

Purper het kleed van je golvende hei;

Stoer zijn je ruisende bomen.

Holland, ik min je om je heerlijke tooi:

Holland, mijn Holland, ik vind je zo mooi.

 

 

 


S. Abramsz (23 april 1867 – 28 januari 1924)

J. Kelderman, Dorpsgezicht op Edam (s. a.)

 

 

 

 

Holland

 

Grauw is uw hemel en stormig uw strand,

   Naakt zijn uw duinen en effen uw velden,

U schiep natuur met een stiefmoeders hand,

Toch heb ik innig u lief, o mijn Land!

 

Al wat gij zijt, is der Vaderen werk;

   Uit een moeras wrocht de vlijt van die helden,

Beide de zee en den dwing’land te sterk,

Vrijheid een’ tempel en Godsvrucht een kerk.

 

Blijf, wat gij waart, toen ge blonkt als een bloem;

   Zorg, dat Europa den zetel der orde,

Dat de verdrukte zijn wijkplaats u noem’,

Land mijner Vaad’ren, mijn lust en mijn roem.

 

En wat de donkere toekomst bewaart,

   Wat uit haar zwangere wolken ook worde,

Lauw’ren behooren aan ’t vleklooze zwaard,

Land, eens het vrijst’ en gezegendst’ der aard’.

 

 



E.J. Potgieter (27 juni 1808 – 3 februari 1875)

Anthonie Pieter Schotel, Gezicht op het Gele bruggetje, Volendam, (s.a.)

 

 

 

Nog eens Holland

 

Ik hou van deze veel te lage grauwe

lucht boven dit nog eens zo lage land.

Kom kameraden, klim eens op een krant

en jubel dat we Holland willen houen.

 

Of ga eens juichen aan het vlakke strand

en waai van Callantsoog naar Westerschouwen.

In vijf minuutjes ben je al verkouwen

met natte voeten en een neus vol zand.

 

Al scheppend zag God neer uit den hoge

en scheidde toen het natte van het droge.

Dat hoeft hier niet. Bij ons schept Waterstaat

water uit land, en land waar water staat.

We plassen in de plassen met een boogje

en hebben er ons natje en ons droogje.

 

 

 


Kees Stip (25 augustus 1913 – 27 juni 2001)

Gezicht op Hoorn van Hendrick Cornelisz Vroom 1622

 

Nazomers Intermezzo (Dolce far niente)

Wegens tijdgebrek een kort nazomers intermezzo met twee gedichten van Johan Daisne en van Albertina Soepboer uit de bundel Het broeien van de zomer. (Uitgeverij 521, Amsterdam 2001)

Oogst

De zon reeds niet meer op zijn hoogst,
maar altijd is augustus mij
bijzonder lief geweest: de oogst
wordt ingehaald van velerlei.

Van wat geborgen in de klei
begon als een midwinterdroom,
en toen een bloem werd en een bij,
en vruchten, van hun rijkdom loom.

Maar ook van wat nog komen zal:
de zachte zon, de trage val
van het vergulde groene blad –

al wat een mens nog mag verwachten,
ondanks de steeds langere nachten,
als loon voor alles wat

hij heeft gedaan en niet gehad.

Johan Daisne (2 september 1912 – 9 augustus 1978)

 

De aankondiging

Nog maar in de late namiddag
van de zomer. Jouw braamhanden
rood op mijn rug. De dag lijkt
breder dan het is. De bomen
waaien donkerdergroen voorbij.

Je zegt dat het augustus is.

Maar in je ogen lees ik glashelder
het oker en het koper. De aarde is al
zwanger van de geur van stormregen.
Het jaagt door dieperbruine bossen.
Smaller sluiten dagen om ons heen.

Ik voel dat het bijna oktober is.

 

Albertina Soepboer (Holwerd, 3 december 1969)