Michael Ondaatje, James Frey, Chris van Geel, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt, Werner Dürrson, Gust Van Brussel

De Canadese dichter en schrijver Philip Michael Ondaatje werd op 12 september 1943 geboren in Colombo, Ceylon (nu Sri Lanka). Zie ook alle tags voor Michael Ondaantje op dit blog


“In 1945 our parents went away and left us in the care of two men who may have been criminals. We were living on a street in London called Ruvigny Gardens, and one morning either our mother or our father suggested that after breakfast the family have a talk, and they told us that they would be leaving us and going to Singapore for a year. Not too long, they said, but it would not be a brief trip either. We would of course be well cared for in their absence. I remember our father was sitting on one of those uncomfortable iron garden chairs as he broke the news, while our mother, in a summer dress just behind his shoulder, watched how we responded. After a while she took my sister Rachel’s hand and held it against her waist, as if she could give it warmth.
Neither Rachel nor I said a word. We stared at our father, who was expanding on the details of their flight on the new Avro Tudor I, a descendant of the Lancaster bomber, which could cruise at more than three hundred miles an hour. They would have to land and change planes at least twice before arriving at their destination. He explained he had been promoted to take over the Unilever office in Asia, a step up in his career. It would be good for us all. He spoke seriously and our mother turned away at some point to look at her August garden. After my father had finished talking, seeing that I was confused, she came over to me and ran her fingers like a comb through my hair.
I was fourteen at the time, and Rachel nearly sixteen, and they told us we would be looked after in the holidays by a guardian, as our mother called him. They referred to him as a colleague. We had already met him—we used to call him “The Moth,” a name we had invented. Ours was a family with a habit for nicknames, which meant it was also a family of disguises. Rachel had already told me she suspected he worked as a criminal.
The arrangement appeared strange, but life still was haphazard and confusing during that period after the war; so what had been suggested did not feel unusual. We accepted the decision, as children do, and The Moth, who had recently become our third-floor lodger, a humble man, large but moth-like in his shy movements, was to be the solution. Our parents must have assumed he was reliable. As to whether The Moth’s criminality was evident to them, we were not sure.
I suppose there had once been an attempt to make us a tightly knit family. Now and then my father let me accompany him to the Unilever offices, which were deserted during weekends and bank holidays, and while he was busy I’d wander through what seemed an abandoned world on the twelfth floor of the building. I discovered all the office drawers were locked.”

Michael Ondaatje (Colombo, 12 september 1943)


De Amerikaanse schrijver James Frey werd geboren op 12 september 1969 in Cleveland. Zie ook alle tags voor James Frey op dit blog

Uit: The Calling (Endgame Book 1)

“Endgame has begun. Our future is unwritten. Our future is your future.
What will be will be.
We each believe some version of how we got here. God made us. Aliens beamed us. Lightning split us, or portals delivered us. In the end, the how doesn’t matter. We have this planet, this world, this Earth. We came here, we have been here, and we are here now. You, me, us, the whole of humanity. Whatever you believe happened in the beginning is not important. The end, however. The end is.
This is Endgame.
We are 12 in number. Young in body, but of ancient people. Our lines were chosen thousands of years ago. We have been preparing every day since. Once the game begins, we must deliberate and decipher, move and murder. Some of us are less ready than others, and the lessers will be the first to die. Endgame is simple this way. What is not simple is that when one of us dies, it will mean the deaths of countless others. The Event, and what comes after, will see to that. You are the unwitting billions. You are the innocent bystanders. You are the lucky losers and the unlucky winners. You are the audience at a play that will determine your fate.
We are the Players. Your Players. We have to Play. We must be older than 13 and younger than 20. It is the rule, and it has always been this way. We are not supernatural. None of us can fly, or turn lead
to gold, or heal ourselves. When death comes, it comes. We are mortal. Human. We are the inheritors of the Earth. The Great Puzzle of Salvation is ours to solve, and one of us must do it, or we will all be lost. Together we are everything: strong, kind, ruthless, loyal, smart, stupid, ugly, lustful, mean, fickle, beautiful, calculating, lazy, exuberant, weak.
We are good and evil.
Like you.
Like all.
But we are not together. We are not friends. We do not call one another, and we do not text one another.”

James Frey (Cleveland, 12 september 1969)


De Nederlandse dichter en tekenaar Christiaan Johannes van Geel werd geboren op 12 september 1917 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Chris van Geel op dit blog.


Wanneer het mist en windstil is
hoor je van kauwen in de bomen
het drukke praten dingend on-
nerveus, het zich verplaatsen zonder
drukte, het huiselijke met
verstand, en je bent thuis als het
oktober is, dichtbij de nacht.


Witte nachtuil

Zij kijkt mij aan met kleine stippen
zij heeft geen naam, weegt niets, geen blad
voelt zich betast hoe stijf ze ook
zich vastklemt straks als ik het wil.

Ze is een driehoek van wit dons,
haar poten haken in mijn hand.
Geluk waar toch geen naam voor is
dan schoonheid die je zelf niet kent.

Je hoort het suizen
er is een betekenis
het is niet zegbaar

je mag het niet verliezen.



Het water ligt ontdaan bijna
van water onder stof,
de bomen zien hun eigen ogen
en ik door groen hun groen niet meer,
ze zijn verborgen in de bomen.

De lucht betrekt over het vee –
wanneer het licht zo donker wordt
licht fel het wit van koeien op.

Chris van Geel (12 september 1917 – 8 maart 1974)


De Ierse dichter en schrijver Louis MacNeice werd geboren op 12 september 1907 in Belfast. Zie ook alle tags voor Louis MacNeice op dit blog


It all began so easy
With bricks upon the floor
Building motley houses
And knocking down your houses
And always building more.

The doll was called Christina,
Her under-wear was lace,
She smiled while you dressed her
And when you then undressed her
She kept a smiling face.

Until the day she tumbled
And broke herself in two
And her legs and arms were hollow
And her yellow head was hollow
Behind her eyes of blue.

He went to bed with a lady
Somewhere seen before,
He heard the name Christina
And suddenly saw Christina
Dead on the nursery floor.


I Am That I Am

In the beginning and in the end the only decent
Definition is tautology: man is man,
Woman woman, and tree tree, and world world,
Slippery, self-contained; catch as catch can

Which when caught between the beginning and end
Turn other than themselves, their entities unfurled,
Flapping and overlapping—a tree becomes
A talking tower, and a woman becomes world.

Catch them in nets, but either the thread is thin
Or the mesh too big or, thirdly, the fish die
And man from false communion dwindles back
Into a mere man under a mere sky.

But dream was dream and love was love and what
Happened happened—even if the judge said
It should have been otherwise—and glitter glitters
And I am I although the dead are dead.

Louis MacNeice (12 september 1907 – 3 september 1963)


De Nederlandse dichteres en schrijfster Hannes Meinkema werd op 12 september 1943 geboren in Tiel. Zie ook alle tags voor Hannes Meinkema op dit blog.

Uit: Een krokodil is een zeer eenzaam dier

“Haar vader viel altijd zomaar haar kamer binnen. Zonder kloppen (wij hebben hier in huis niets voor elkaar te verbergen). Keek achteloos in al haar kasten, waar ze bij zat. Kun je nagaan wat ze doen als je op school bent. Niet te vertrouwen. Voortdurend onveilig in je kamer, of je nu huiswerk maakte of stiekem een boek las.
Maar dat broekje had ze ten minste schoon uitgewassen.
Ze was er.
Ze pakte de tas en liep naar de vooruitgang. ‘Dus we zien je vanavond weer terug’, zei de chauffeur met een grijns naar haar mond. Ze bloosde, vervelend. Ja, ze knikte, ja, struikelde bijna over de treden. Liep snel, te snel, de straat op. De chauffeursogen prikten in haar rug, haar benen (daartussenin). Nu kaarsrechtop lopen, niet zo, niet tè – nee ’t beste toch gewoon maar je hoofd wat laten zakken, verlangen naar een hoek om om te gaan.
Ze had de achteruitgang moeten nemen.
Maar ze was geen kind meer, zelfs de buschauffeur had het gezien.
Om de hoek stopte ze, haalde haar retourkaartje uit haar jaszak, stopte het in haar portemonnee, die in het voorste vakje van haar tas. Haar handen waren klam.
Marjolein woonde niet ver van de halte. Ze kreeg koffie. Ze zat het op een kussen op de grond op te drinken. Mond vol tanden. Gek, ze had zich hier weken op verheugd en nu het zover was kon ze Marjolein niet laten merken wat ze voelde.
‘We gaan naar Artis, vind je dat leuk? Als we om elf uur bij de krokodillen zijn, kunnen we zien hoe ze gevoederd worden. Dat gebeurt maar twee keer per week, dus je boft.’
Marjolein praatte veel. Ze kon er haast niet tussen komen. Het was plotseling erg moeilijk om erover te beginnen. Ze kon beter wachten tot een geschikt moment. In Artis. ‘Ja’, zei ze, ‘ja, dat lijkt me leuk.’
Ze glimlachte expres.
Marjolein leek helemaal niet op haar vader. Ze was ook een stuk jonger natuurlijk. Ze studeerde nog. ‘Hoe oud ben je?’ vroeg ze ineens. ‘Drie en twintig. En jij, veertien?’
Kleiner dan Marjolein had gedacht. Dat maakte het nog moeilijker om het te vertellen. Raar was dat: als je van te voren had bedacht dat je iemand iets ging vertellen, was het veel moeilijker om het te doen dan spontaan. Ja, ze zou wachten tot in Artis.”

Hannes Meinkema (Tiel, 12 september 1943)


De Nederlandse columnist, journalist en schrijver Eduard Maurits Elias werd geboren in Amsterdam op 12 september 1900. Zie ook alle tags voor Eduard Elias op dit blog.

Uit: Een bloemetje

“Evenmin als, naar waarheid, ontkend zou mogen worden, dat de journalistiek van de Rotterdamse Zandlopers of de Amsterdamse Kronkels, tot de letterkunde behoren, evenmin zou dat mogen worden gedaan ten aanzien van deze stukken van Annie Salomons.
Ik geloof niet, te mogen zeggen, dat hun poëtische eenvoud geraffineerd is. Dit zou trouwens een contradictio in terminis mogen heten. Niet geraffineerd dus, maar wèl – en dit dan ook ten voile en altijd – verfijnd.
Zo kwam het dat de gewone man zijn ongeduld nog wel eens wist te bedwingen om Straat of Rodenko te lijf te gaan, maar dat, wanneer er een opstel van Annie Salomons in stond, Maatstaf onmiddellijk ter hand genomen werd. Altijd komt het blad met de ochtendpost midden in het werk en menigmaal werden de resten van deze beide tijdelijk terzijde geschoven ‘om eerst Salomons te lezen’. Toen de Ooievaar beide bundeltjes bracht, werden zij daaruit nòg eens gelezen.
Is dit eigenlijk reeds niet genoeg-gezegd door wie bij een kroonjaar zijn hommage brengen wil aan een bewonderde dame?
Of mag ik, uit mijn herinnering, het toch wel verrassende feit constateren, dat ik haar, van het prille begin tot dit zelf-opgelegde einde, ben trouw gebleven over een lange pauze heen?
Want mijn herinnering gaat terug tot de beide Groene’s, die altijd met vreugde en spanning verbeide hoogtepunten van de week voor een gymnasiumjongen met grasgroene litteraire belangstelling. Er is altijd nog wel iets gebleven van de toenmalige heerlijkheid van het-bandje-van-de-verse-bladen-verwijderen, maar de diepe vreugde daarvan, zoals die toen was, lijkt nu onbegrijpelijk. Even onbegrijpelijk als het vroegste geluk om een nieuw-gekocht of gekregen boek, dat met àlles wat het had, een kleine roes verwekte: vóór het lezen al met zijn tastbaarheid: de band en het papier en ook met zijn verse, bijna bedwelmende geur van jonge inkt.”

Eduard Elias (12 september 1900 — 14 januari 1967)


De Nederlandse dichter en hoogleraar Jan Willem (Wim) Schulte Nordholt werd geboren in Zwolle op 12 september 1920. Zie ook alle tags voor Jan Willem Schulte Nordholt op dit blog.


De maat van dit oneindig wijde land
van wilgen, populieren, wilgen en van eiken,
de slag, waarmee een sterke, bruine hand
de riemen in het water neer doet strijken,
de rust, waarmee de wolken rand na rand
opschuiven over slingerende dijken,
de maat van dit oneindig wijde land,
waarvan de einders naar den hemel wijken;

dit is de maat, waarop ik had gedacht,
tussen een sterk, eenvoudig-vroom geslacht,
voorgoed in dit schoon land te willen leven.

Maar al wordt dit geluk mij niet gegeven,
genoeg zal mij, nu ‘k jou heb, zijn gebleven:
ogen, waarin heel Hollands hemel lacht.



Een kind loopt tussen grote mensen door
en het verzamelt in zijn kleine handen
een herfstbouquet van rode blaren voor
de jonge vrouw die zachtjes aan komt wandlen.

Men ziet het dad’lijk dat zij bij hem hoort.
Zij zal zijn moeder zijn, hij heeft haar ogen
maar zijn gezicht is zuiver blank ivoor,
het hare is door het geluk bewogen.

En ik, ik zie het als een dromer aan,
en warm loop ik van het geluk te dromen.
Ik zie daarginds de allerliefste gaan,
ik zie het kind onder de grote bomen,
Ik zie mijzelf diep in haar ogen staan
en ons geluk is eeuwig en volkomen.

Jan Willem Schulte Nordholt (12 september 1920 – 16 augustus 1995)
Liber amicorum voor Jan Willem Schulte Nordholt ter gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag.


De Duitse dichter en schrijver Werner Dürrson werd geboren op 12 september 1932 in Schwenningen am Neckar. Zie ook alle tags voor Werner Dürrson op dit blog.


Bergaufwärts Linden Kastanien
lichte Allee
der Himmel feinsäuberlich blau
klare Sicht in hüglige Fernen

ich sehe du siehst
der Frühling ist mild

Kein flatterndes Band im Wind kein
Hauch nichts steigt aus den Wiesen
ich frage du fragst wer
karrte die Seelen hinauf
zehntausendfach lieferte Brot
unnützen Essern die
hungern nicht lang

ich spüre du spürst
der Frühling ist lau

Aufwärts durch Linden Kastanien die
Rauchfahne hoch wer drehte
den Hahn auf schürte das Feuer
warf sie hinein wer wusch sich
die Hände mit Seife die
schrie nicht schäumte nicht

Schlaf schöner Schlaf
zehntausendfach siehst du
der Frühling ist blind

Ich frage du fragst niemand weiß
schwarzes Flattern im Wind der
Himmel grauer als grau wer
schob die Schlacke beiseite
kehrte die Asche zusammen wer
grub die Grube säte das Gras

ich höre du hörst die Zeugen
der Frühling ist schlau

Dicht geschlossen die Reihen
Linden Kastanien schöne Allee
der Himmel feinsäuberlich klar
kein flatterndes Band im Wind kein
Haar sattes Grün nichts
steigt aus den Wiesen

die Vögel zwitschern
der Frühling ist blau

Werner Dürrson (12 september 1932 – 17 april 2008)


De Vlaamse dichter en schrijver Gust Van Brussel werd geboren in Antwerpen op 12 september 1924. Zie ook alle tags voor Gust Van Brussel op dit blog.

Haar stem zingt in mijn ogen

Haar stem zingt in mijn ogen
een albatros wiekt over een verdwijnend schip
de balletdanser opent zijn vleugels
leven dood wonden strelen
zij haalt haar borstjes uit haar cups
het ronde vlees mals
de tepels groeien
ik hoor haar lied in mijn hals
zij krieuwelt in mij
ik heb nood aan haar vingers op mijn tors
haar stem zingt over het zinkend schip
het licht breekt open over de einder
ik houd haar jonge heup gesloten tegen me aan
ik verga in de zee
boven mij wordt de albatros zwart
in de zonneschijf
blijf nu bij me voorgoed


Midden in je tuin staan

Midden in je tuin staan een tuin
vol kleurenlust en weelderig
van roze rozerood tot goudoranje
zwaanwit het korenbloemenblauw
het gele van de avondzon en het paars
midden in je tuin je lievelingslied neuriën
in zoete geuren, teerbitter of anijs
exotisch peper gember citroenzuur
of donker amber
leven midden je fuchsias je gerberas
je aloë en lelies je jasmijn uit Perzië
rode anthurium en witte anjers
lichtrode cuphorbia kerststerren
en lepelplanten de gele alcantaria
en de rozen van overal op de planeet
de koningin pronkend in lange vazen
midden in je tuin staan
waar hoor ik je zingen
in die andere wereld

Gust Van Brussel (12 september 1924 – 20 mei 2015)


Zie voor nog meer schrijvers van de 12e september ook mijn blog van 12 september 2015 deel 2.

Michael Ondaatje, James Frey, Chris van Geel, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt, Werner Dürrson, Gust Van Brussel

De Canadese dichter en schrijver Philip Michael Ondaatje werd op 12 september 1943 geboren in Colombo, Ceylon (nu Sri Lanka). Zie ook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Michael Ondaantje op dit blog

Wells II

The last Sinhala word I lost
was vatura.
The word for water.
Forest water. The water in a kiss. The tears
I gave to my ayah Rosalin on leaving
the first home of my life.

More water for her than any other
that fled my eyes again
this year, remembering her,
a lost almost-mother in those years
of thirsty love.

No photograph of her, no meeting
since the age of eleven,
not even knowledge of her grave.

Who abandoned who, I wonder now.


What were the names of the towns

What were the names of the towns
we drove into and through

stunned lost

having drunk our way
up vineyards
and then Hot Springs
boiling out the drunkenness

What were the names
I slept through
my head
on your thigh
hundreds of miles
of blackness entering the car

All this
darkness and stars
but now
under the Napa Valley night
a star arch of dashboard
the ripe grape moon
we are together
and I love this muscle

I love this muscle
that tenses

and joins
the accelerator
to my cheek


Kissing the stomach

Kissing the stomach
kissing your scarred
skin boat. History
is what you’ve travelled on
and take with you

We’ve each had our stomachs
kissed by strangers
to the other

and as for me
I bless everyone
who kissed you here

Michael Ondaatje (Colombo, 12 september 1943)

Lees verder “Michael Ondaatje, James Frey, Chris van Geel, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt, Werner Dürrson, Gust Van Brussel”

Dolce far niente, Vachel Lindsay, Michael Ondaatje, James Frey, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt

Dolce far niente


Indian Summer in the White Mountains door Sanford Gifford, 1862


An Indian Summer Day on the Prarie

(In The Beginning)

THE sun is a huntress young,
The sun is a red, red joy,
The sun is an indian girl,
Of the tribe of the Illinois.


The sun is a smouldering fire,
That creeps through the high gray plain,
And leaves not a bush of cloud
To blossom with flowers of rain.


The sun is a wounded deer,
That treads pale grass in the skies,
Shaking his golden horns,
Flashing his baleful eyes.


The sun is an eagle old,
There in the windless west.
Atop of the spirit-cliffs
He builds him a crimson nest.


Vachel Lindsay (10 november 1879 – 5 december 1931)
Springfield. Vachel Lindsay werd geboren in Springfield.

Lees verder “Dolce far niente, Vachel Lindsay, Michael Ondaatje, James Frey, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt”

Michael Ondaatje, James Frey, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt

De Canadese dichter en schrijver Philip Michael Ondaatje werd op 12 september 1943 geboren in Colombo, Ceylon (nu Sri Lanka). Zie ook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Michael Ondaantje op dit blog.

Uit: The English Patient

“There are stories the man recites quietly into the room which slip from level to level like a hawk. He wakes in the painted arbour that surrounds him with its spilling flowers, arms of great trees. He remembers picnics, a woman who kissed parts of his body that now are burned into the colour of aubergine.
I have spent weeks in the desert, forgetting to look at the moon, he says, as a married man may spend days never looking into the face of his wife. These are not sins of omission but signs of preoccupation.
His eyes lock onto the young woman’s face. If she moves her head, his stare will travel alongside her into the wall. She leans forward. How were you burned?
It is late afternoon. His hands play with a piece of sheet, the back of his fingers caressing it.
I fell burning into the desert.
They found my body and made me a boat of sticks and dragged me across the desert. We were in the Sand Sea, now and then crossing dry riverbeds. Nomads, you see. Bedouin. I flew down and the sand itself caught fire. They saw me stand up naked out of it. The leather helmet on my head in flames. They strapped me onto a cradle, a carcass boat, and feet thud­ded along as they ran with me. I had broken the spareness of the desert.
The Bedouin knew about fire. They knew about planes that since 1939 had been falling out of the sky. Some of their tools and utensik were made from the metal of crashed planes and tanks. It was the time of the war in heaven. They could recognize the drone of a wounded plane, they knew how to pick their way through such shipwrecks. A small bolt from a cockpit became jewellery. I was perhaps the first one to stand up alive out of a burning machine. A man whose head was on fire. They didn’t know my name. I didn’t know their tribe.
Who are you?
I don’t know. You keep asking me.
You said you were English.”

Michael Ondaatje (Colombo, 12 september 1943)
Willem Dafoe als David Caravaggio en Juliette Binoche als Hana
in de gelijknamige film uit 1996

Lees verder “Michael Ondaatje, James Frey, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt”

Michael Ondaatje, James Frey, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt

De Canadese dichter en schrijver Philip Michael Ondaatje werd op 12 september 1943 geboren in Colombo, Ceylon (nu Sri Lanka). Zieook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Michael Ondaantje op dit blog.

Uit: The English Patient

She stands up in the garden where she has been working and looks into the distance. She has sensed a shift in the weather. There is another gust of wind, a buckle of noise in the air, and the tall cypresses sway. She turns and moves uphill toward the house, climbing over a low wall, feeling the first drops of rain on her bare arms. She crosses the loggia and quickly enters the house.
In the kitchen she doesn’t pause but goes through it and climbs the stairs which are in darkness and then continues along the long hall, at the end of which is a wedge of light from an open door.
She turns into the room which is another garden–this one made up of trees and bowers painted over its walls and ceiling. The man lies on the bed, his body exposed to the breeze, and he turns his head slowly towards her as she enters.
Every four days she washes his black body, beginning at the destroyed feet. She wets a washcloth and holding it above his ankles squeezes the water onto him, looking up as he murmurs, seeing his smile.
Above the shins the burns are worst. Beyond purple. Bone.
She has nursed him for months and she knows the body well, the penis sleeping like a sea horse, the thin tight hips. Hipbones of Christ, she thinks. He is her despairing saint. He lies flat on his back, no pillow, looking up at the foliage painted onto the ceiling, its canopy of branches, and above that, blue sky.
She pours calamine in stripes across his chest where he is less burned, where she can touch him. She loves the hollow below the lowest rib, its cliff of skin. Reaching his shoulders she blows cool air onto his neck, and he mutters.
What? she asks, coming out of her concentration.
He turns his dark face with its gray eyes towards her. She puts her hand into her pocket. She unskins the plum with her teeth, withdraws the stone and passes the flesh of the fruit into his mouth.
He whispers again, dragging the listening heart of the young nurse beside him to wherever his mind is, into that well of memory he kept plunging into during those months before he died.“

Michael Ondaatje (Colombo, 12 september 1943)

Lees verder “Michael Ondaatje, James Frey, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt”

Michael Ondaatje, James Frey, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias

De Canadese dichter en schrijver Philip Michael Ondaatje werd op 12 september 1943 geboren in Colombo, Ceylon (nu Sri Lanka). Zieook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Michael Ondaantje op dit blog.



Notes For The Legend Of Salad Woman

Since my wife was born
she must have eaten
the equivalent of two-thirds
of the original garden of Eden.
Not the dripping lush fruit
or the meat in the ribs of animals
but the green salad gardens of that place.
The whole arena of green
would have been eradicated
as if the right filter had been removed
leaving only the skeleton of coarse brightness.

All green ends up eventually
churning in her left cheek.
Her mouth is a laundromat of spinning drowning herbs.
She is never in fields
but is sucking the pith out of grass.
I have noticed the very leaves from flower decorations
grow sparse in their week long performance in our house.
The garden is a dust bowl.

On our last day in Eden as we walked out
she nibbled the leaves at her breasts and crotch.
But there’s none to touch
none to equal
the Chlorophyll Kiss



Michael Ondaatje (Colombo, 12 september 1943)

Lees verder “Michael Ondaatje, James Frey, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias”

Michael Ondaatje, Werner Dürrson, James Frey, Louis MacNeice, Eduard Elias

De Canadese dichter en schrijver Philip Michael Ondaatje werd op 12 september 1943 geboren in Colombo, Ceylon (nu Sri Lanka). Zie ook mijn blog van 12 september 2009 en ook mijn blog van 12 september 2010


(Inner Tube)

On the warm July river
head back

upside down river
for a roof

slowly paddling
towards an estuary between trees

there’s a dog
learning to swim near me
friends on shore

my head
back to the eyebrow
I’m the prow
on an ancient vessel,
this afternoon
I’m going down to Peru
soul between my teeth

a blue heron
with its awkward
broken backed flap
upside down

one of us is wrong

his blue grey thud
thinking he knows
the blue way
out of here

or me


The Time Around Scars

A girl whom I’ve not spoken to
or shared coffee with for several years
writes of an old scar.
On her wrist it sleeps, smooth and white,
the size of a leech.
I gave it to her
brandishing a new Italian penknife.
Look, I said turning,
and blood spat onto her shirt.

My wife has scars like spread raindrops
on knees and ankles,
she talks of broken greenhouse panes
and yet, apart from imagining red feet,
(a nymph out of Chagall)
I bring little to that scene.
We remember the time around scars,
they freeze irrelevant emotions
and divide us from present friends.
I remember this girl’s face,
the widening rise of surprise.

And would she
moving with lover or husband
conceal or flaunt it,
or keep it at her wrist
a mysterious watch.
And this scar I then remember
is a medallion of no emotion.

I would meet you now
and I would wish this scar
to have been given with
all the love
that never occurred between us.

Michael Ondaatje (Colombo, 12 september 1943)

Lees verder “Michael Ondaatje, Werner Dürrson, James Frey, Louis MacNeice, Eduard Elias”

Michael Ondaatje, Werner Dürrson, James Frey, Louis MacNeice, Eduard Elias, Hannes Meinkema, Gust Van Brussel, Stanislaw Lem, Marya Zaturenska, Elsa Triolet

De Canadese schrijver Philip Michael Ondaatje werd op 12 september 1943 geboren in Colombo, Ceylon (nu Sri Lanka). Zie ook mijn blog van 12 september 2007 en ook mijn blog van 12 september 2008en ook mijn blog van 12 september 2009.

Uit: Divisadero

By our grandfather’s cabin, on the high ridge, opposite a slope of buckeye trees, Claire sits on her horse, wrapped in a thick blanket. She has camped all night and lit a fire in the hearth of that small structure our ancestor built more than a generation ago, and which he lived in like a hermit or some creature, when he first came to this country. He was a self-sufficient bachelor who eventually owned all the land he looked down onto. He married lackadaisically when he was forty, had one son, and left him this farm along the Petaluma road.
Claire moves slowly on the ridge above the two valleys full of morning mist. The coast is to her left. On her right is the journey to Sacramento and the delta towns such as Rio Vista with its populations left over from the Gold Rush.
She persuades the horse down through the whiteness alongside crowded trees. She has been smelling smoke for the last twenty minutes, and, on the outskirts of Glen Ellen, she sees the town bar on fire —the local arsonist has struck early, when certain it would be empty. She watches from a distance without dismounting. The horse, Territorial, seldom allows a remount; in this he can be fooled only once a day. The two of them, rider and animal, don’t fully trust each other, although the horse is my sister Claire’s closest ally. She will use every trick not in the book to stop his rearing and bucking. She carries plastic bags of water with her and leans forward and smashes them onto his neck so the animal believes it is his own blood and will calm for a minute. When Claire is on a horse she loses her limp and is in charge of the universe, a centaur. Someday she will meet and marry a centaur.
The fire takes an hour to burn down. The Glen Ellen Bar has always been the location of fights, and even now she can see scuffles starting up on the streets, perhaps to honour the landmark. She sidles the animal against the slippery red wood of a madrone bush and eats its berries, then rides down into the town, past the fire. Close by, as she passes, she can hear the last beams collapsing like a roll of thunder, and she steers the horse away from the sound.
On the way home she passes vineyards with their prehistoric-looking heat blowers that keep air moving so the vines don’t freeze. Ten years earlier, in her youth, smudge pots burned all night to keep the air warm.”

Michael Ondaatje (Colombo, 12 september 1943)


De Duitse dichter en schrijver Werner Dürrson werd geboren op 12 september 1932 in Schwenningen am Neckar. Zie ook mijn blog van 12 september 2007 en ook mijn blog van 12 september 2008 en ook mijn blog van 12 september 2009.


blieben die Äpfel an
blattlosen Bäumen hängen oder sie
lagen vollzählig im Gras.

Fürs erste wird Schnee die
Äcker bestellen. Über verwischten Zeilen
vielleicht eine Rehspur oder Striche
von Krähenflügeln


Winter in Bosnien

Die zerfetzten Bäume, das
Trümmerholz von den Häusern
der Toten, Schrank Bett Stühle.

Verheizt, sagt der Mann, schiebt
mit klammen Fingern das letzte
Stück Fußboden in den

Küchenherd. Bleiben die Bücher,
sagt er. Falls keine Granate



Werner Dürrson (12 september 1932 – 17 april 2008)


De Amerikaanse schrijver James Frey werd geboren op 12 september 1969 in Cleveland. Zie ook mijn blog van 12 september 2007 en ook mijn blog van 12 september 2008 en ook mijn blog van 12 september 2009.

Uit: Bright Shiny Morning

„On September 4, 1781, a group of forty-four men, women and children who call themselves the Pobladores establish a settlement on land that is near the center of contemporary Los Angeles. They name the settlement El Pueblo de Nuestra Señora la Reina de Los Angeles de Porciuncula. Two-thirds of the settlers are either freed or escaped African slaves, or the direct descendants of freed or escaped African slaves. Most of the rest are Native American. Three are Mexican. One is European.

They can see the glow a hundred miles away it’s night and they’re on an empty desert highway. They’ve been driving for two days. They grew up in a small town in Ohio they have known each other their entire lives, they have always been together in some way, even when they were too young to know what it was or what it meant, they were together. They’re nineteen now. They left when he came to pick her up for the movies, they went to the movies every Friday night. She liked romantic comedies and he liked action films, sometimes they saw cartoons. They started the weekly outing when they were fourteen.

Screaming, he could hear her screaming as he pulled into the driveway. He ran into the house her mother was dragging her along the floor by her hair. Clumps of it were missing. There were scratches on her face. There were bruises on her neck. He pulled her away and when her mother tried to stop him he hit her mother, she tried again he hit her mother harder. Mother stopped trying.

He picked her up and carried her to his truck, a reliable old American pickup with a mattress in the back and a camper shell over the bed.He set her in the passenger seat carefully set her and he covered her with his jacket. She was sobbing bleeding it wasn’t the first time it would be the last. He got into the driver’s seat, started the engine, pulled out as he pulled out Mother came to the door with a hammer and watched them drive away, didn’t move, didn’t say a word, just stood in the door holding a hammer, her daughter’s blood beneath her fingernails, her daughter’s hair still caught in her clothes and hands.“


James Frey (Cleveland, 12 september 1969)


De Ierse dichter en schrijver Louis MacNeice werd geboren op 12 september 1907 in Belfast. Hij studeerde aan Oxford, waar hij afstudeerde in klassieke talen en filosofie. In 1930 trouwde hij met Giovanna Ezra en aanvaardde hij een baan als docent klassieke talen aan de Universiteit van Birmingham, een positie die hij bekleedde tot 1936, toen hij Grieks ging doceren aan de Universiteit van Londen. In 1941 trad hij in dienst van de British Broadcasting Company als schrijver en producent. Zoals veel moderne Engelse dichters vond MacNeice een publiek voor zijn werk door de Britse radio. Enkele van zijn bekendste toneelstukken, waaronder Christopher Columbus (1944) en The Dark Tower (1946), werden oorspronkelijk geschreven voor de radio en later gepubliceerd. Ondanks zijn omgang met jonge Britse dichters als Stephen Spender, WH Auden, Christopher Isherwood en andere linkse dichters wantrouwde MacNeice politieke programma’s als was hij wars van filosofische systemen. Hij was nooit een lid van de communistische partij of een andere fractie, en hij was heel eerlijk over de onduidelijkheden van zijn politieke opvattingen “My sympathies are Left,” schreef hij. “But not in my heart or my guts.”

Sunday Morning

Down the road someone is practising scales,
The notes like little fishes vanish with a wink of tails,
Man’s heart expands to tinker with his car
For this is Sunday morning, Fate’s great bazaar;
Regard these means as ends, concentrate on this Now,

And you may grow to music or drive beyond Hindhead anyhow,
Take corners on two wheels until you go so fast
That you can clutch a fringe or two of the windy past,
That you can abstract this day and make it to the week of time
A small eternity, a sonnet self-contained in rhyme.

But listen, up the road, something gulps, the church spire
Open its eight bells out, skulls’ mouths which will not tire
To tell how there is no music or movement which secures
Escape from the weekday time. Which deadens and endures.


The Brandy Glass

Only let it form within his hands once more –
The moment cradled like a brandy glass.
Sitting alone in the empty dining hall…
From the chandeliers the snow begins to fall
Piling around carafes and table legs
And chokes the passage of the revolving door.
The last diner, like a ventriloquist’s doll
Left by his master, gazes before him, begs:
‘Only let it form within my hands once more.’


Louis MacNeice (12 september 1907 – 3 september 1963)


De Nederlandse columnist, journalist en schrijver Eduard Maurits Elias werd geboren in Amsterdam op 12 september 1900. Na het Stedelijk Gymnasium in ‘s-Hertogenbosch studeerde hij rechten aan de universiteit van Leiden. Tijdens zijn universitaire opleiding begon hij reeds belangstelling te tonen voor literatuur en in 1924 produceerde hij zijn eerste literaire werk. Ook kreeg hij interesse in het zionisme met als gevolg dat hij redacteur werd bij De Joodsche Wachter, het blad van de Nederlandse Zionistenbond. Voorts gaf Elias er de voorkeur aan zich Israëliet te noemen in plaats van zichzelf als Jood te afficheren. Hij studeerde in 1927 af en startte in 1928 zijn werkzame leven met een baan in de journalistiek, een vak wat hij met een onderbreking tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn gehele verdere leven zou uitoefenen. In 1939 vertrok Eduard Elias, bezorgd over de oorlogsdreiging, eerst naar de Verenigde Staten en vervolgens naar Curaçao waar hij als ambtenaar werkte voor het Netherlands Information Bureau. Na zijn terugkeer in 1945 trad Elias in dienst bij Elseviers Weekblad, waar hij meerdere rubrieken verzorgde onder de pseudoniemen Flaneur en Edouard Bouquin en waarmee hij pagina 2 goeddeels vulde met zijn rubriek Praetvaeria. Slechts twee boeken verschenen onder pseudoniem, voor de overige titels tekende hij als Mr. E. Elias. Eduard Elias was mede-oprichter van het satirisch tijdschrift Mandril. Maandblad voor mensen (1948-1953) en had op Curaçao ook meegewerkt aan het literaire tijdschrift De Stoep.

Uit: Praetvaeria

Onze man Rudolf (die men gerust alomtegenwoordig mag noemen) was er weer bij toen
een heer in heftig debat gewikkeld was met een restauranthouder. Blijkens wat onze man Rudolf uit het opgewonden debat opving, kwam de zaak hierop neer: de heer had twaalf vlees-croquetten-om-mee-te-nemen gekocht, nadat hij van de ober de stellige verzekering had gekregen dat zij van extra-gemalen houtwol (met meel) waren gemaakt. De heer (die analyst bleek te zijn) had echter de vleescroquetten onderzocht en was tot de ellendige conclusie gekomen dat dat van die houtwol maar een smoesje was geweest en dat zij van gemalen Palthedozen (met meel) waren gemaakt. De restaurateur had uitgeroepen: „Een kind kan begrijpen, dat houtwol te kostbaar is voor vleescroquetten, die maar één gulden per stuk kosten!” Maar de analytische heer had zich niet laten overtuigen: „Uw ober heeft mij houtwol gegarandeerd!”, riep hij (hartstochtelijk) uit, “trouwens, in een zaak van de standing als de uwe verwacht ik eigenlijk niet minder; Palthedoos-croquetten kan ik bij mij op de hoek voor drie kwartjes per stuk krijgen. Daar behoef ik niet voor bij u te komen.” Het zal wel een rechtszaak worden, dacht onze man Rudolf.


Eduard Elias (12 september 1900 — 14 januari 1967)


De Nederlandse dichteres en schrijfster  Hannes Meinkema werd op 12 september 1943 geboren in Tiel. Zie ook mijn blog van 12 september 2006. Zie ook mijn blog van 12 september 2007 en ook mijn blog van 12 september 2008 en ook mijn blog van 12 september 2009.

Uit: Het binnenste ei

“Joost zit daar zijn krant te lezen en ik ben blij met hem. Zijn haar is aan de lange kant, zijn krullen steken horizontaal uit zijn hoofd. Ik ben trots als ik met hem op straat loop: alle meisjes kijken, Joost is een knappe jongen. Waarom heb je mij getrouwd, vroeg ik, ik ben zo onopvallend. Om de kuiltjes in je wangen als je lacht, zei hij – en ik lach veel als hij er is, ik lach nu hoewel hij niet naar me kijkt, ik lach omdat Joost me door met me te trouwen, de kans gegeven heeft een echt volwassenmensen-leven te leiden.”


“Ik weet het niet met Max. Soms denk ik hij is aardig, maar dan weer lijkt het of ik alleen de oppervlakte zie, dat hij daar onder al die tijd zijn eigen dingen denkt. Ik ken hem niet. […] Zijn manier van spreken is precieus. Ja, zegt hij dan, nu word ik wel heel persoonlijk – en komt met iets gewoons. Of: ik weet niet waarom ik er lust in heb je dit te vertellen – en ik denk: lust. Maar hij is niet iemand om in vertrouwen te nemen, dat zie ik wel.”


 “Ik bewonderde haar ook, natuurlijk (dat kan niet wederkerig zijn geweest). En op een hele vreemde manier had ik, terwijl ik haar bewonderde, ook met haar te doen. Want éen ding kon ik beter dan zij, hoewel het geen eigenschap was die door haar hoog werd gewaardeerd: ik kon tevreden zijn met éen ander mens in een huis te leven – Diana had een exclusieve relatie altijd benauwend gevonden.”



 Hannes Meinkema (Tiel, 12 september 1943)


De Vlaamse schrijver Gust Van Brussel werd geboren in Antwerpen op 12 september 1924. Zie ook mijn blog van 12 september 2008en ook mijn blog van 12 september 2009.

Uit: Sus De ongekroonde koning van de Vogelenmarkt

De Vlaamse zomers gingen voorbij zoals dat meestal gebeurde, half verzopen in de kletsende regen waaraan geen einde kwam of half gebakken in een gloeiende zon. De mensen van ’t stad zoals die van Antwerpen zichzelf noemen, trokken zogauw ze een dag vakantie hadden naar de Noordzeekust om er de verse garnaal van Zeebrugge te eten, scharrekes van Nieuwpoort of mosselen uit Ierzeke. Die een mond Frans konden klappen, al was het keskejevoe, reden naar de Ardennen om er rauwe hesp van de streek met omeletten of vers geplukte paddestoelen naar binnen te werken Als zij met vrienden kaarters bij het manillen een pot hadden gespaard, dienden die centen om bij de Walen hun buikske eens goed rond te eten op een gastro-nomisch weekend met zes gangen. Daar hielden ze dan dagen aan een stuk koppijn en een overladen maag aan over waar aspirine en maagzout goed voor waren. Als ze met een serieus stuk in hunne frak terugkwamen, dan trokken de feestvierders met schele ogen naar de doktoor om een briefke om een paar dagen uit te blazen, van hem los te krijgen. Daar hoorde natuurlijk wel wat smoelentrekkerij bij die de meeste doktoors rap begrepen. Zogauw ze hun betaald verlof hadden getrokken, vlogen ze in charters zover de portemonnaie het toeliet om er in de goddelijkste vakantieoorden uit hun reiscatalogen, hun verlofgeld tot de laatste cent op te doen. Veel was niet genoeg! De tijd van arm Vlaanderen was iets van overgrootvader. Er reden geen beestenwagens meer naar de koolputten van de Borinage gelijk jaren geleden en het kappen van de bieten in Frankrijk aan een hongerloon dateerde uit de oude tijd van voor de laatste Wereldoorlog. Het was allemaal veel plezanter geworden in ’t stad van Brabo.“


Gust Van Brussel (Antwerpen, 12 september 1924)
Vogeltjesmarkt, Antwerpen


De Poolse schrijver Stanislaw Lem werd geboren op 12 september 1921 in Lwów. Zie ook mijn blog van 12 september 2006.  

Uit: A Blink of an Eye (Vertaald door Christina Manetti)

In my current analysis of what has happened over the past forty years or so (since I wrote Summa technologiæ, and an earlier book, Dialogues), I will refer to various chapters of Summa—but not because I wrote it, or as an indulgence in self-praise. Readers should bear in mind that, during the half-century that is now coming to an end, I found myself in a terrible situation, cut off from information, scientific or otherwise, by the system in power in Poland at the time. Today, however, it seems that my way of getting around this was especially fortunate. I started by showing the similarities between two kinds of evolution, technological and biological. Then I began to consider the as yet unresolved problem of extraterrestrial civilizations, then turning later to a description of the development of “intellectronics” on Earth. My imagination gathered momentum, as the following chapter titles show: “Prolegomena on Omnipotence,” “Phantomology,” and “Creating Worlds.” “Lampoon on Evolution” completed the work.

This work reflected my tendency to observe the past from a bird’s-eye view. Maybe the distance in space and time was even greater for me. There was not much point, however, in a formulation that attempted to present future human endeavors in detail, together with the dangers that arise as a result. The innumerable predictions made in the second half of the twentieth century have been tripped up by attempts to describe the future in detail. Detailed predictions are simply impossible. I do not say this to defend myself, but rather because we know now about futurology’s failures when attempts have been made to go beyond generalizations.“


Stanislaw Lem (12 september 1921 – 27 maart 2006)


De Amerikaanse dichteres en schrijfster Marya Zaturenska werd geboren op 12 september 1902 in Kiev. Zaturenska vestigde zich in 1910 in de Verenigde Staten en nam studeerde aan de Universiteit van Wisconsin-Madison. Zij ontving het Amerikaanse staatsburgerschap in 1912 en trouwde in 1925 met de dichter Horatius Gregory. Samen met haar man, publiceerde ze een aantal bloemlezingen, waaronder in 1946 werk Een geschiedenis van de Amerikaanse poëzie, 1900 – 1940. Bekend werd Zaturenska in 1937 door haar bundel Cold morning sky, waarvoor haar in 1938 de Pulitzer Prize voor poëzie werd toegekend. Naast talrijke bundels als Threshold and hearth (1934) en The listening landscape schreef ze een biografie over het leven van Christina Georgina Rossetti. Haar laatste werk was de in 1974 verschenen gedichtenbundel “The hidden waterfall”.

Song of a Factory Girl

It’s hard to breathe in a tenement hall,
So I ran to the little park,
As a lover runs from a crowded ball
To the moonlit dark.

I drank in clear air as one will
Who is doomed to die,
Wistfully watching from a hill
The unmarred sky.

And the great trees bowed in their gold and red
Till my heart caught flame;
And my soul, that I thought was crushed or dead,
Uttered a name.

I hadn’t called the name of God
For a long time;
But it stirred in me as the seed in sod,
Or a broken rhyme.


The Runaway

Silent and stealthy days that hour by hour
Spring up unnoticed as a flower
In summer grass; and like a breath, a light, a feather,
Make my world’s weather,
I wished to weave a garland, deep and rare,
To wear upon my hair,
Or a long chain, intricate, strong, and fine,
To sound through stillness and to shine,
To bind the intangible days that so efface
Themselves with me, and run so dull a pace.
O they have run! They have gone! Nor have they set
Their seal of vast regret
Upon that wide and echoing door
That, opening, opens, shuts and sounds no more.
How to pursue Life’s Runaway? Let go
Forego the moons and waters of the mind:
Today is all that you shall find.


Marya Zaturenska (12 september 1902 – 19 januari 1982)


De Franse schrijfster Elsa Triolet Yur’evna werd geboren op 12 september 1896 in Moskou. Zij en haar zus, Lilya Brik kregen uitstekend onderwijs en waren in staat vloeiend Duits en Frans te spreken en piano te spelen. Elsa studeerde af aan het Moskouse Instituut voor Architectuur. Elsa genoten van poëzie en in 1915 raakte zij bevriend met de futuristische dichter en grafisch kunstenaar Vladimir Majakovski. In 1918, bij het begin van de Russische Burgeroorlog trouwde Elsa met de Franse cavalerie-officier Andre Triolet en emigreerde naar Frankrijk. Ze was de eerste die de poëzie van Majakovski in het Frans vertaalde. Later scheidde ze van Triolet. In 1928 ontmoette Elsa de Franse schrijver Louis Aragon. Ze trouwden en bleven 42 jaar samen. Triolet en Aragon hebben deelgenomen aan het Franse anti-fascistische verzet. In 1944 was Triolet de eerste vrouw die bekroond werd met de Prix Goncourt.

Uit: La mise en mots

„Je ne saurais être le Dr Doolittle, je ne suis qu’un exemple entre autres, à étudier comme d’autres, le cas échéant. Je parle de création, forte de ma seule ignorance, de mon expérience seule. Si je dis juste, des scientifiques reconnaîtront la chose, la nommeront, l’expliqueront. N’empêche que celui qui romance aura peut-être été le premier à découvrir cette chose, avant la science.

Il romance dans son langage intime, qui court dans le labyrinthe crânien à la vitesse d’une vie-seconde. Traduire ce langage-là en langage public, c’est comme limiter l’expression au code de la route. L’art d’une construction verbale qui provoquerait chez “l’autre”, chez le correspondant, ce que l’expéditeur avait l’intention de provoquer, l’essentiel et ses prolongements, c’est l’art de la mise en mots, la transposition du “langage intime” en langage public de convention.

Les mots sont ces quelques feuilles qui créent l’illusion d’un arbre avec toutes ces feuilles, l’illusion de tout dire, non seulement l’arbre mais encore sa fraîcheur, l’ombre, l’abri, l’âme. La convention des mots, toile peinte, maquillage, rend ambigu leur sens incomplet. Les textes de lois, tracts, publicité, qui exigent un comportement précis de ceux à qui ils s’adressent, se gardent bien du vague, mais les lois s’interprètent comme les tracts, la publicité rate souvent son coup, et même les simples interdictions manquent de netteté : à l’interdit de fumer, on a pu ajouter, même une Gitane. Voilà qui est plus clair. Exemple d’une interdiction et d’une publicité également précises.“


Elsa Triolet (12 september 1896 – 16 juni 1970)