A power is on the earth and in the air, From which the vital spirit shrinks afraid, And shelters him in nooks of deepest shade, From the hot steam and from the fiery glare. Look forth upon the earth—her thousand plants Are smitten; even the dark sun-loving maize Faints in the field beneath the torrid blaze; The herd beside the shaded fountain pants; For life is driven from all the landscape brown; The bird hath sought his tree, the snake his den, The trout floats dead in the hot stream, and men Drop by the sunstroke in the populous town: As if the Day of Fire had dawned, and sent Its deadly breath into the firmament.
William Cullen Bryant (3 november 1794 – 12 juni 1878) De Bryant Free Library in Cummington, Massachusetts. De bibliotheek werd in 1872 gesticht door de schrijver die in Cummington geboren werd.
boys i don’t promise you nothing but this what you pawn i will redeem what you steal i will conceal my private silence to your public guilt is all i got
girls first time a white man opens his fly like a good thing we’ll just laugh laugh real loud my black women
children when they ask you why is your mama so funny say she is a poet she don’t have no sense
Island Mary
after the all been done and i one old creature carried on another creature’s back, i wonder could i have fought these thing? surrounded by no son of mine save old men calling Mother like in the tale the astrologer tell, i wonder could i have walk away when voices singing in my sleep? i one old woman. always i seem to worrying now for another young girl asleep in the plain evening. what song around her ear? what star still choosing?
john
somebody coming in blackness like a star and the world be a great bush on his head and his eyes be fire in the city and his mouth be true as time
he be calling the people brother even in the prison even in the jail
i’m just only a baptist preacher somebody bigger than me coming in blackness like a star
klimmen
een vrouw gaat mij voor langs het lange touw. haar bungelende vlechten in de kleur van regen. misschien had ik vlechten moeten hebben. misschien had ik het lichaam moeten houden waarmee ik begon, slank en mogelijk als het bot van een jongen. misschien had ik minder moeten willen. misschien had ik de kom in mij moeten negeren die hunkerde om gevuld te worden. misschien had ik minder moeten willen. de vrouw passeert de kerf in het touw gemarkeerd zestig. Ik klim ernaartoe, worstelend, hand over hongerige hand
Tellen de dagen dat het zin heeft, dat hij honger heeft, thuisblijft, zijn jas vergeet, meegaat, stilzwijgt, zijn veters strikt, dooreet, moddergooit, wazig is, opstandig, bloedend, doodmager, projectielig.
Leggen onze gevoelens daaromtrent in doordringende kleuren op tafel, heldergeel, jammerzwart, gekoesterd bruin, levend rood, mul groen, bruin in draden, in frommels, in klonten, in scheuren.
Nodigen rook, wolken, elektriciteit, gevoelens, angsten, aura uit in bewaarpot. Sluiten.
Gaan ernstig kijken. Tellen de tabellen en kleuren op. Uitkomst is een weiland om het even waar omstreeks een uur of tien met een vlieger die hard trekt.
Nu ontpoppen de zaden vangt het barre ochtendlicht de handen
De kale schuur legt zijn muren voor ons neer
Nu – godswonder rommelt de donder
helle stralen belichten een langzaam toneel
de donkere stier die zijn lief ontkleedt en paart in een uithoek
dienstplichtig wapperen de vaandels gedempt vallen vruchten in het zand
Nauwelijks hoorbaar was de dag gegaan laatste verstommende kreten
Vertrek
Wanneer ik in een duistere plek in mijzelf en de wereld op haar achterste tandwiel begint het wapperen.
Het leven doet ons pijn het is een mossige scherpte glijden het strand in, snijden het water open.
Het ongemak wolft zich door de straat.
Woede slakt uit het woonhuis. Mijn man in zijn pijnlijkste lichaam.
Schiet nog eenmaal het zaad het lichaam in, mist, raakt het bed. We houden onze nek vast. Zoveel van vastigheid overschat we treffen elkaar binnenshuis. Hij heeft een meisje met lange benen mee. Ik draag een man met regenlaarzen aan. Het licht als een scherf in onze nek.
Ik moet weg, ik zeg het hem. Hij maakt een afwijzende beweging. Het stuiptrekken, het missend grijpen in onze ogen is geen ontmoeting geen vallen enkel een wond waarbinnen ons kind.
„REISEPASS, WASCHZEUG, GELD: Ich hatte alles beisammen. Ordentlich lagen die Dinge vor mir. Da weinte ich. Ich legte mich auf das Bett und weinte. Dann lag ich eine Weile reglos. Wieder wollte diese Traurigkeit über mich kommen, doch ich widerstand. Das Unglück ist schön. Ich sah einen großen Felsen; er fiel zum Meer hin ab. Ich stand auf dem Felsen und winkte. Ich war glücklich. Ich versuchte zu fliegen, und es gelang. jetzt kramte ich aus dem Kasten ein paar Hemden hervor, einen Pullover, Tennisschuhe. Manchmal zeigt man Dingen gegenüber eine Zuneigung, die man sich selbst stets versagen würde. Es ist schön, so zu hantieren. Ich mag das gern. Während ich zusammenpackte, klopfte es an der Tür. Eine Frau guckte herein und fragte, ob ich nicht zufällig ihre Brille im Flur oder auf der Treppe aufgelesen hätte. Als ich verneinte, sah ich, wie bekümmert die Frau war. Sie nickte nur und schloss dann die Tür. Ich hörte noch, wie sie nebenan klopfte. Gegen Mittag verließ ich das Bahia, es regnete ein wenig, ich stand auf der Straße und sagte: So! – als ob das etwas bedeutet hätte. Ziemlich rasch fuhr ich aus der Stadt hinaus. Über den Hügeln, die die Stadt im Westen einfassen und deren Anblick mir so vertraut war, sah ich einen Regenbogen stehen. Schön und deutlich in all seinen Farben stand er gegen den Hintergrund. Auf den Hügeln waren Windräder, die sich drehten. Wein wuchs dort. Einmal erhob sich eine Wolke von Vögeln aus einem Rebberg und spielte in der Luft. Ganz golden war die Luft über den Rebbergen, die braun waren. Die Sonne wartete, halb versteckt von den Wolken. Eine dieser Satellitensiedlungen, halb städtisch, halb in Felder und öde Flächen hineinverloren: Vor einem Italienerlokal machte ich halt. Ich stellte mich gleich an die Theke und bestellte Spaghetti. Die Fliegen, die herumkrochen, waren wie betrunken vom Küchendunst. Dem Koch rann der Schweiß unter seiner weißen Mütze hervor. Mit dem Schöpfer fasste er in den Kessel, hob die Nudeln aus dem brodelnden Wasser. Dann spritzte er Tomatensoße über die Nudeln, die eingeringelt in dem Plastikteller lagen, warf Reibkäse darüber und stellte mir den Teller hin. Ich esse gerne Spaghetti, ich esse sie jeden Tag. Der Koch nahm dann eine Handvoll aus der Masse des Teiges, der auf dem Brett war. Und während er den Teig geschickt zu einem Fladen auswalzte und -zog, sank die Masse des Teiges auf dem Brett fast unmerklich zusammen, blähte sich wieder, und zuletzt konnte man kaum noch die Stelle erkennen, an der der Koch in den Teig gegriffen hatte. Es waren nur wenige Leute in dem Lokal, so dass die Kellner, wenn nichts zu tun war, müßig an der Theke lehnten und miteinander plauderten. Einer von ihnen tanzte zu der Schlagermusik, die aus dem Automaten kam. Ancora tu.”
Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)
De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.
Overleversschuld
Hij is heel gemakkelijk te krijgen. Blijf gewoon leven en je zult zien dat je er steeds meer van krijgt. Je kunt hem houden of doorgeven, maar het is een goed idee om een klein deel te bewaren voor die avonden waarop je je zo goed voelt dat je vergeet dat je een mens bent. Sjouw hem dan naar boven en zweef vanaf het plafond naar beneden, dat bedekt is met sterren die gloeien in het donker met als enig doel mooi te zijn voor jou, en terwijl je wegzinkt, vervaagt hun schoonheid en dooft uit — Ik bedoel, zij vliegt uit de dichtstbijzijnde deur of het raam, het is een windvlaag die de haren op je onderarmen doet rijzen. Waten je armen maar groen, dan had je wellicht twee kleine gazons! Maar je armen zijn er gewoon en je bent kaput. Het is sowieso allemaal jouw schuld, en dat is altijd zo geweest — het vriendelijke woord dat je wilde zeggen, maar je deed het niet, de verschrikkelijke achteruitgang van het menselijk fatsoen, de opwarming van de aarde, thermonucleaire nachtmerries, je eigen kleine lafheid, jouw stomme idee dat je eeuwig zou leven — allemaal tua culpa. John Phillip Sousa heeft de sousafoon uitgevonden, wat ook jouw schuld is. De tonen klinken als monsterlijke ricochets.
Maar als je wakker wordt, lijkt je lichaam redelijk goed te passen, zoals een maatpak, en je ziet er niet zo slecht uit in de spiegel. Hallo daar, kerel! Oude kerel, jonge kerel, wat maakt het uit? Wie het ook was die zich gisteravond schuldig voelde, naar de hel met hem. Dat was toen.
Als hij groot is, koop ik een auto Kan hij die ’s zaterdags wassen. En een gazon. Dat moet hij dan maaien.
Oude vrouwtjes jaag ik de straat op. Kan hij die helpen oversteken. Knaapjes het wakke ijs. Die moet hij redden met levensgevaar.
Eenmaal toch moet ik het meemaken dat ik goedkeurend hem op de schouder kan kloppen. diep in de ogen kijk, verlegen mompel: ‘Jongen, je vader is trots op je.’
Anton Korteweg (Zevenbergen, 31 januari 1944) Zevenbergen, mark
Uit: Het mysterie van kamer 622 (Vertaald door Manik Sarkar)
“Toen ik aan het begin van de zomer van 2°18 naar het Palace de Verbier ging, een prestigieus hotel in de Zwitserse Alpen, kon ik onmogelijk vermoeden dat ik mijn vakantie zou wijden aan het oplossen van een moord die daar jaren geleden was gepleegd. De vakantie was bedoeld om mij een welkome afleiding te gunnen na twee kleine rampen die in mijn leven hadden plaatsgehad. Maar voordat ik jullie vertel wat er die zomer gebeurde, moet ik eerst nog even terugkomen op datgene wat aan deze hele geschiedenis ten grondslag ligt: de dood van mijn uitgever, Bernard de Fallois. Bernard de Fallois is de man aan wie ik alles verschuldigd ben. Mijn succes en mijn faam heb ik aan hem te danken. Ze noemden me De schrijver en dat komt door hem. Dankzij hem word ik gelezen. Toen ik hem ontmoette, was mijn werk nog niet eens uitgegeven: hij maakte van mij een schrijver die over de hele wereld werd gelezen. Bernard was, onder het uiterlijk van een elegante patriarch, een van de meest vooraanstaande figuren uit de Franse uitgeverswereld. Voor mij was hij een leermeester, en ook, ondanks de bijna zestig jaar die we scheelden, een goede vriend. Bernard stierf in januari 2018, in zijn tweeënnegentigste levensjaar, en ik reageerde op zijn dood zoals iedere schrijver dat zou doen: door een boek voor hem te schrijven. Ik stortte me erop met hart en ziel, opgesloten in de werkkamer van mijn appartement in de Geneefse wijk Champel, aan de avenue Alfred-Bertrand 13. Zoals altijd wanneer ik schreef, was de enige menselijke aanwezigheid die ik verdroeg die van mijn assistente Denise. Zij was de goede fee die over me waakte. Steevast goedgehumeurd hield ze mijn agenda bij, schiftte en sorteerde ze de lezerspost, herlas en corrigeerde ze wat ik had geschreven. Verder vulde ze mijn ijskast aan en zorgde ze ervoor dat ik nooit zonder koffie zat. Ten slotte vervulde ze de functie van scheepsarts wanneer ze aanmonsterde op mijn werkkamer, alsof ze na een eindeloze oversteek aan boord van een schip kwam, en me gezondheidsadviezen gaf. `Naar buiten!’ commandeerde ze op vriendelijke toon. ‘Ga maar wandelen in het park, je hoofd luchten. Je zit hier al uren opgesloten!’ `Ik heb vanochtend al hardgelopen,’ zei ik. `Je moet zorgen dat je hersenen regelmatig zuurstof krijgen!’ drong ze aan. Het was een haast dagelijks ritueel: ik bleef koppig weigeren en ging alleen even op het balkon staan. Ik vulde mijn longen met een paar teugen frisse februarilucht, dan wierp ik haar uitdagend een geamuseerde blik toe en stak een sigaret op. Ze protesteerde en zei: “Als je maar weet dat ik je asbak niet leeggooi, Joël. Dan besef je tenminste dat je rookt.”
Uit: De levenden herstellen (Vertaald door Jan Pieter van der Sterre en Reintje Ghoos)
“DIE NACHT DUS remde er een busje op een verlaten parkeerterrein, kwam scheef tot stilstand, de voordeuren sloegen dicht en een zijdeur schoof open, er kwamen drie gestalten tevoorschijn, drie schimmen die afstaken tegen het duister en bevangen waren door de kou — februari en ijskoud, natteneuzenweer, slapen met je kleren aan —, jongens kennelijk, die hun jasje tot de kin dichtritsten, hun muts tot hun wimpers afrolden, de vlezige bovenkant van hun oren onder hun fleece vest schoven, en blazend in hun bol gevouwen handen poolshoogte gingen nemen bij de zee, die op dat uur louter geluid was, geluid en duisternis. Jongens, ja, nu kon je het zien. Achter het muurtje dat het parkeerterrein van het strand scheidde, stonden ze op een rijtje te trappelen en diep adem te halen — pijnlijke neusgaten door de instroom van jodium en kou — en ze peilden die duistere vlakte waar tempo niet bestaat buiten het lawaai van exploderende golven, dat tumult dat aanzwelt tijdens het uiteindelijke neerstorten, ze tuurden naar wat daar dreunend voor hen lag, dat krankzinnige gebulder waar niets was om de blik op te richten, niets, behalve misschien de wittige schuimrand, miljarden tegen elkaar geslingerde atomen in een fosforescerende halo, en de drie jongens, verdoofd door de winter toen ze uit de bus stapten, bedwelmd door het donker boven zee, vermanden zich nu, stelden hun ogen en oren in, taxeerden wat hun te wachten stond, de swell, maten de deining op het oor, schatten de hoeveelheid brekers, de diepte, en herinnerden zich dat op volle zee gevormde golven zich altijd sneller voortbewogen dan de snelste boten. Prima, bromde een van de drie jongens bedaard, het wordt een mooie sessie, de andere twee glimlachten, waarna ze gedrieën terugliepen, traag, met hun zolen over de grond schrapend en om hun as draaiend, tijgers, ze keken op en tuurden in de duisternis voorbij het stadje, de nog dichte duisternis achter de kliffen, en toen keek degene die had gesproken op zijn horloge, nog een kwartiertje, jongens, en ze klommen terug in de bus om te wachten op de dageraad aan zee. Christophe Alba, Johan Rocher en hij, Simon Limbres. Terwijl de wekkers afgingen schoven ze hun laken weg en stapten uit bed voor een sessie waar ze kort voor middernacht per sms toe hadden besloten, een sessie bij halftij zoals er een paar per jaar voorkomen: ruwe zee, regelmatige deining, zwakke wind en geen hond ter plaatse. Jeans, jasje, ze glipten naar buiten zonder iets te eten of te drinken, niet eens een glas melk, een handje muesli, zelfs geen stuk brood, posteerden zich beneden voor de flat (Simon) of voor de poort van hun vrijstaande huis (Johan), en wachtten op het busje, dat ook stipt op tijd was (Chris), en terwijl ze normaal ondanks moederlijke vermaningen op zondag nooit vóór de middag opstonden, terwijl ze dan naar verluidt alleen maar konden pendelen tussen de bank in de zitkamer en de stoel in hun slaapkamer, één slappe hap, stonden ze nu om zes uur ’s ochtends te popelen, met losse veters en een stinkadem — “
Wat houd ik van de wind; hij kamt grassen en schuurt stenen glad, leidt mijn zaden, hij is er altijd, soms sterker, soms zwakker. Als ik de wind met jullie vergelijk, zoals jullie alles vergelijken, komen jullie er slecht af.
Hij heeft nooit geprobeerd mij een naam te geven zoals jullie. En toch: ik geef de voorkeur aan hem. In zijn onstoffelijke aanwezigheid is hij mijn vader en heer. Zijn manier, om mij aan te raken, doelbewust, zonder het valse gevoel de regen te brengen, geuren. Hij laat me vergeten hoe kleinzielig de wereld is die mij onkruid noemt.
Verbazingwekkend dat jullie de eindjes aan elkaar knopen, geheel zonder bezittingen, zonder eigen plek op de grond. Bovendien zijn jullie zwaar, Als beladen met tienduizend bloemen. Dat jullie volgens je eigen regels leven, kan ik slecht vermoeden. Wat ben ik blij dat ik geen wetten ken, die zoveel vernietiging brengen, zoveel leed.
Vertaald door Frans Roumen
Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)
En als toegift bij een andere verjaardag:
Klassiek voor Arno
Ik heb een handdoek om mij heen geslagen die nog naar hem ruikt en zo is hij hier en heel dicht bij me, gunt me het plezier wat liefde van zijn geur liet, op te dragen.
Hij douchte zich en als om mij te plagen had hij de celdeur schijnbaar op een kier gezet. Nu luister ik naar een klavier- concert, om – Brahms – mijn hartslag te verlagen.
Niet dat zijn naakte lichaam in mij lust schiep ooit, of toch wel ooit, maar nooit voor lang en ofschoon geen hartstocht ons dat toch verbood,
maar met die innige, volmaakte rust, waarmee hij me kust, op mond kust en op wangen, raakt hij een leven, dieper dan de dood.
Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957) In the Locker Room door Bruce Sargeant, z. j.
“De laatste jaren heb ik geen verhaal gehoord dat me niet al eens eerder was verteld. Elk gesprek was een herhaling van een ander gesprek. Elke nieuwe gebeurtenis leek zich al eens te hebben afgespeeld, op een ander moment, met andere gezichten en namen. Misschien lag het aan mij. Voordat ik vanochtend van huis vertrok zei Taij: “Jij bent, pap, ik heb het paard verplaatst naar C4.” “Vanavond, als ik weer thuis ben, goed?” “Nee, nu, papa!” “Je moet zo naar school.” “Het is bijna vakantie, we doen geen belangrijke dingen meer. De juf zegt dat dit de pretuurtjes zijn.” “Zegt ze dat, pretuurtjes? Gaat het er zo aan toe tegenwoordig? Ik had geen pretuurtjes vroeger.” Ik aaide hem over zijn hoofd, ritste mijn groene winterjack dicht en gaf hem een kus. “Pretuurtjes,” zei ik, met een lichte verbazing in mijn stem. “Vergeet je snoepjes niet in te nemen.” Hij ging met zijn hand door zijn blonde haar, alsof hij mijn aanraking ongedaan wilde maken. Hij was tien, een overdreven liefkozing werd al snel als iets kinderachtigs gezien. De lokken vielen onmiddellijk weer voor zijn gezicht “Dat zijn geen snoepjes, pap!” Een half uur later sta ik op een parkeerterrein bij het kleine winkelcentrum, vlak bij Albert Heijn, want daar hebben ze mooie, had Stephanie gezegd. De motor draait. De verwarming staat aan. Buiten wachten mannen met bomberjacks en verkleumde gezichten op klanten. Ik toets het nummer van Bleeker in en druk de telefoon tegen mijn oor. “Hallo?” De vertrouwde stem van Bleeker, haastig, nerveus als altijd, alsof hij in een migrantenwijk in Gouda, Den Haag of Rotterdam met een bord om zijn nek loopt waarop staat: MOSLIMS OPROTTEN! “Bleeker.” “Arthur? Waar ben je? Kom je nog hierheen? Wacht… Ja, ik ben er. Vijf minuutjes, ik moet zo een vergadering in. Lukt dat?” Ik zeg: “Ik moet een boom oppikken en ik heb nog een interview om uit te tikken. Maar luister -” “Wacht, Art, iemand zegt hier iets – wat?” De mannen bij het plein slepen de kerstbomen aan hun netten uit de verroeste container. Ze staan er al een week en doen me denken aan visserlieden op de Beringzee die in de vrieskou de kooien met degenkrabben binnenhalen, hopend op een vangst die het seizoen veiligstelt. Mannen met een ongeschoren gezicht, verkleumde handen, een kleine wollen muts op, en een opgebrand shaggie in de mondhoek. Ze houden elkaar warm met verhalen over Feyenoord. Ze grijnzen en stoten wolkjes rook naar buiten.”
Wat was ons doel; we waren voortdurend ’s nachts met vertraging onderweg destijds, toen de discotheken ons nog hun liefde iets te luid verklaarden en ons dat niet opviel, omdat we ons in het centrum van de straling bevonden; het was toen altijd klaarlichte dag, wij voortdurend met onze lichamen in de weer, die oneindig veel sterker waren dan verwacht, pretentieus, mooi; de droom loste op in de tijd; we waren beschikbaar voor elkaar. Wij wilden vergeten, wilden de vloek van onze afkomst vergeten. Hoe de priester het bloed dronk, de zondagen ons vlees roosterden, vader barbecuede, terwijl moeder het brood brak. In de tuin rijpten tomaten, wij groeiden op, vlinders op natuurlijke bloemen. Maar dan: de wereld op zijn kop, nieuwe natuurervaringen. Licht flikkerde, stenen werden gerookt. Welk doel, ik herinner mij het niet, en waarom geloofden wij toen alles bereikt hebben? Omdat wij in de steden altijd door licht gestuurd werden, door autokoplampen, reclameborden, glitters reflecterende winkelcentra? Omdat we dode insecten van de vloer raapten in lichte appartementen, afscheid namen van vrienden die het hadden over vermoeidheid? Ze zeiden dat ze op de rand van uitputting balanceerden, kregen er niet eens applaus voor. Welk doel toch, vandaag zie ik vreemde mannen door de straten snellen, weet niet waarheen, en jij bent een van hen.
“Vlak voor mijn vriendin besloot dat ze niet langer mijn vriendin was, ging ik met haar familie een week wandelen in de Ardennen. Van tevoren had ik speciale schoenen gekocht, waterdicht en met dikke zolen. De verkoper zei: ‘Deze kunnen niet stuk. Hier ga je de rest van je leven profijt van hebben.’ Thuis had ik de schoenen alvast ingelopen, dat had mijn vader aangeraden. Zoals hij me ook jaren terug, rond mijn achttiende, adviseerde om met leren schoenen zo snel mogelijk in plassen regen te stappen. ‘Wij hebben enorm brede voeten, dan moet je zulke trucjes toepassen. Om te wennen.’ In aanloop naar mijn wandelvakantie gaf hij me een plattegrond van de Ardennen mee. Ik wist al dat ik hem niet zou bekijken en toch had ik de kaart in mijn rugzak gestoken, die verder gevuld was met een waterfles, antimuggencrème, blarenpleisters, een opschrijfboekje en kleren natuurlijk, vooral T-shirts, omdat ik verwachtte dat ik de komende dagen veel zou zweten. Zuid-België in de ochtend. Bushaltes waarvan je niet direct kon zien of ze nog in gebruik waren. Kerken met daaromheen een bakkertje en een begraafplaats, losstaande huizen die leken te twijfelen bij welk gehucht ze hoorden. Het weinige leven dat hier was speelde zich af achter rolluiken of in een van de imposante bossen, die met glooiende weilanden en middeleeuwse bruggetjes aan elkaar waren verbonden. Verkeer was er nauwelijks, we moesten alleen vaart minderen voor groepjes wielrenners. Een paard in sukkeldraf. Twee tractoren. Als we nog even doorreden over deze weg zouden we in Frankrijk belanden, maar in plaats daarvan parkeerde mijn schoonvader zijn minibusje vlak bij Bouillon. Camping Halliru. We gingen er niet slapen, alleen de auto zou hier achterblijven, op dit afgelegen grind en beschut door een rij bomen, het was allemaal van tevoren uitgedacht. Mijn schoonfamilie hield van deze streek. De ouders hadden er een huisje waar ik inmiddels twee kersten had doorgebracht en alle vijf waren ze gewend aan wandelvakanties. Vorige zomer nog trokken ze met zijn vijven door de Italiaanse bergen, en heel geroutineerd controleerden ze nu hun bagage. Mijn schoonzusje ging na of ze genoeg mueslirepen bij zich had. Mijn vriendin benutte het moment om haar rugzak alsnog, overvallen door een plotse haast die ik niet begreep, opnieuw in te delen. Zoals gebruikelijk trok mijn schoonbroer intussen de meeste aandacht, met zijn fladderige overhemd, zijn sandalen, het ongewassen haar dat tot aan zijn middel kwam, en met de gitaar die hij als voornaamste bagage had meegenomen en waarvan hij nu kort de snaren beroerde.”
Komen slapend overal vandaan, mijn huis is een altijd donker verblijf voor dwaallichtjagers, mummies, winterdieren en voor de slapeloze handelaars die op de glinsterende boulevard van de Maanlicht Hotels vermoeidheid uit hun hoorn des overvloeds verkopen.
Over een windstille viaductspoorweg trekken jullie met vrachters en wagons in een slaapkonvooi van het licht naar het donker, de tunnels van de schemering ertussen houden jullie niet lang op.
Uiteindelijk kloppen jullie op mijn deur en smeken met een stem verstikt door dromen, met zieke vleugels en gescheurde schoenen om een ontwaken uit je wereldreis door de verlaten nachtmerrieachtige nacht.
„Die Tür aus Glas ist im Sommer offen, auch nachts und im Regen, und wenn ich in die Gemeinde fahre, um Post zu holen und Brot zu kaufen. In meiner Abwesenheit tritt niemand ein. Es ist nicht dasselbe, wenn ich zu Hause bin. In der offenen Tür tauchen Leute auf (sie erscheinen im Winter hinter Glas), vertraute und unbekannte, erwünschte und falsche, Gesichter und Mäntel im Gegenlicht, ein Uhrenhändler im Wagen aus Marseille, ein Nachbar, der Honig bringt, um erzählen zu können, ein vom Bergweg abgeirrter Tourist. Ein Lavendelbauer kommt an Erntetagen und bittet um Hilfe. Der Gemeindediener liest die Wasser-uhr und trinkt etwas Wein. Es kommen Zigeuner, die Körbe verkaufen, und es kommen zwei Damen der christlichen Redseligkeit, sie bieten Broschüren und Bibeln an. Eine Viper rutschte, als ich im Zeichnen war, grau und langsam über die Schwelle, krümmte sich an den Wänden entlang und verschwand hinter Büchern. Jahrelang bewegte sich, nachts um elf, eine Kröte hangabwärts durch das Licht. Der Marder (er scheint mein Marder zu sein) trug die Kopf- und die Schwanzhälfte eines zerlegten Gecko nacheinander an der Tür vorbei. Der Kater des Nachbarn erscheint mit einer Maus. Junge Vögel fliegen ins Zimmer, prallen ans Fenster und stürzen ab, verwirrt, betäubt, mit gebrochenen Flügeln. Elstern schwirren laut vorbei, randalierende Diebe der Vogelwelt, verschlagen und frech wie alte Füchse, und schaffen beiseite, was Licht fängt: Kupferteile, Scherben, Silberpapier. Eine Brille, lang verschwunden, wurde nach Jahren im Bach entdeckt. Es ist ein Raum, in dem gearbeitet wird. Vor der Tür steht ein alter Tilleul, er trägt zu allem bei, was mir möglich ist. Die Türe öffnet sich in dichtes Laub (im Winter in kahles Geäst), ich atme und schlafe im Baum, in Geräusch und Schatten des Baums, in seinem Duft. Die Wurzeln wachsen unter das Fundament, die Äste berühren das Dach und scheuern im Wind an den Ziegeln. Der Baum muss gelichtet werden, ich schneide die Äste. Er filtert Hitze, Licht und Wind, lässt den Regen erzählen, wirft bewegliche Schatten auf Gras und Mauern, grünen Schatten auf Tisch und Gläser, Sonnenflecken auf das Papier. Vögel durchfliegen ihn ohne Geräusch, Bienen halten sich auf, im Schatten brummend. Im ausgehöhlten Stamm ein Nest von Hornissen, das ich nachts mit Zement verschloss. Hinter dem Baum geht das Grasland hangaufwärts nach Süden. Unter Weißdorngestrüpp verfällt eine Mauer, die Lavendelfeld und Wiesen trennte. Wiesen und Feld sind verbraucht, voll Kraut und Dornen, das Gras ist üppig, aber verfilzt und wertlos, saftig im Frühling, im Sommer verdorrt, das Land vor Augen wird an den Hundstagen grau. Grau sind Bergrücken, Gräser und Steine, grün wie grau ist das staubige Laub.“
Half oktober
Heeft de herfstmaan een slaapmuts op, vergeet hij afscheid te nemen van de vlier, de wind trekt gouden handschoenen aan, om de laatste bladeren van de acacia in zijn dagboek te leggen; het eerste sneeuwvlokje aarzelt nog, het laat zich op mijn schouder vallen. De regen meent het goed met mij, Hij wandelt op het dak van de wereld In onhoorbare pantoffels. Maar Onze Lieve Heer heeft zevenmijlslaarzen aan en gaat voorbij aan de jaren waarin ik leef.
“27 maart 2007. Slechts een datum, maar ook zoveel meer dan dat. Die dag reed ik weg van huis. De opeenvolging van pijnlijke herinneringen ging te snel om van me af te schudden. Zelfs niet voor een dag, een minuut, of een moment. Ik reed met een omweg door Duitsland naar Spanje, maar algauw bleek Spanje niet groot en ver genoeg. De kilometers gingen hard, bijna net zo hard als mijn gedachten. Mijn hoofd stond bol van de woorden, de spiegels vol van de vrachtwagens, maar de weg voor mij was leeg. Blank. En vooral: vrij. 240.638, las ik op de display. Slechts de laatste 638 kilometers waren van mij. Ik reed weg van Amsterdam, van alles wat mijn leven beheerste en bepaalde, op weg naar een nieuwe, lege dag, die, in gedachten, alleen ingevuld kon worden in Spanje. Maar helaas kun je eenzaamheid niet vullen, daar ben ik inmiddels wel achter. Het was de eenzaamheid die mij vulde. Het leven bepaalde meer voor mij dan ik voor mijn leven. De rollenwisseling die hieraan vooraf was gegaan heb ik machteloos moeten toestaan, steeds verder weg rakend van mijn eigen speelterrein, de zijlijn op. Misschien dat het wel altijd zo geweest is. Misschien dat het gewoon zo is. Misschien dat mijn geloof in maakbaarheid meer weg heeft van dromen dan van wakker zijn. Dat weet ik niet. Hoe het ook zij, mijn ongeloof in grenzen knaagde als een bezetene aan mijn geloof in mogelijkheden. De acceptatie dat het leven van meer toevalligheden en omstandigheden aan elkaar hangt dan ik me ooit heb voorgenomen te accepteren, kroop grillig als een naaktslak bij me naar binnen. Het was oorlog binnen mijn eigen filosofie en het geschil had ik zelf op te lossen. Enerzijds volgde ik de paden van een droom, anderzijds vertrok ik uit een eerdere droom, die ik los moest zien te vlechten van mijn toekomst. Met het afsterven van Chantal en het inkrimpen van mijn hart, raakte ik meer en meer verstikt in de leegte, die als een koude deken om me heen was geslagen. De werkelijkheid verschuift en verwachtingen schuiven mee. Ze passen zich stilletjes aan de nieuwe straatstenen aan, die ik twee jaar geleden op een winderige ochtend in januari voor het eerst bewandelde. Vanaf die ochtend was alles anders. Het is moeilijk te bevatten wat er met je gebeurt als op jonge leeftijd de weg vooruit ophoudt te bestaan. Je kunt niet meer dromen en je durft niet meer te dromen zonder de pijn te voelen van de eenzaamheid die niet in te vullen blijkt.”
DE VOGEL IS HET TEGENOVERGESTELDE VAN ALLES – Maar niet het tegenovergestelde van lucht en hemel zij zijn het paleis en de danszaal van de vogelvolken.
Tot het einde van de nacht een kauw, die in de laatste sneeuw van de maartochtend roept, Het zou een ekster kunnen zijn, het zilveren kettinkje van Stella in de snavel, waar laat je het. Hij is niet het tegenovergestelde van het licht, de zee, de zomer, van stormen uit negentig richtingen van het nadir.
Hij is de zwarte wouw en heeft geen vijanden. Mijn vogel, maar hij kent mij niet.
“De volle maan, tragisch dien avond, was reeds vroeg, nog in den laatsten dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindeboomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van hare tragische tint, in een vagen hemel op. Een doodsche stilte spande alom als een sluier van zwijgen, of, na de lange middagsiësta, de avondrust zonder overgang van leven begon. Over de stad, wier wit gepilaarde villa-huizen laag wegscholen in het geboomte der lanen en tuinen, hing een donzende geluideloosheid, in de windstille benauwdheid der avondlucht, als was de matte avond moê van den zonneblakenden dag der Oostmoesson. De huizen, zonder geluid, doken weg, doodstil, in het loover van hunne tuinen, met de regelmatig opblankende rissen der groote gekalkte bloempotten. Hier en daar werd een licht al ontstoken. Plotseling blafte een hond, en antwoordde een andere hond en verscheurde de donsende stilte in lange, ruwe flarden; de nijdige hondekelen, heesch, ademloos, schor vijandig; plotseling ook zwegen zij stil. Aan het einde der Lange Laan lag diep in zijn voortuin het Rezidentie-huis. Laag, dadelijk in den nacht der waringinboomen, zigzagde het zijne pannendaken, het eene achter het andere, naar de schaduw van den achtertuin toe, met een primitieve lijn van dakteekening, over iedere galerij een dak, over iedere kamer een dak, tot éene lange daksilhouet. Vóor echter, rezen de witte zuilen der voorgalerij, met de witte zuilen der portiek, hoog blank en aanzienlijk op, met breede tusschenruimten, met groote openheid van ontvangst, met eene uitbreiding van indrukwekkend paleisportaal. Door de open deuren verschoot de middengalerij vaag naar achteren toe, met een enkel licht opgeglimd. Een oppasser ontstak de lantarens ter zij van het huis. Halfcirkels van groote, witte potten met rozen en chrysanten, met palmen en caladiums, bogen links en rechts wijd voor het huis naar ter zijde uit. Een breede grindlaan vormde den oprit tot in de witgezuilde portiek; dan strekte zich uit een wijd dor gazon, met potten omgeven, en, in het midden op een gemetseld voetstuk, een monumentale vaaspot, met een groote latania.”
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923) Borstbeeld van Couperus in Den Haag (detail)
Omdat het zandmannetje zijn zak verloor, zal ik dit millennium slapeloos zijn, Ik zal de gescheurde sandalen van de boze repareren waarmee hij over gedempte tapijten loopt.
Voor het feit dat zijn sombere bloemen, zijn wilde lachen mij opvrolijkt, voor het feit dat zijn hel mij slaap belooft, warme, bruine, rokende slaap, wil ik hem mijn dood als fooi geven.
Populieren van oude kranten gemaakte stijve regenwuivers, hun wintertakken kreukels zonder schaduw, populieren nog eerder geknakt dan omgehakt, op papier alleen levend sluiten ze zonder mee te tellen hoogstens ergens een veldje af na het spelen. Populieren niet in staat zelfs in hun kalme regens nog iets voor te stellen, door de bomen eens bos te zijn.
Maar ’s zomers soms langs een kanaal of op een flinke akker in rijen geplant nemen ze je ertussen, krijgen ze klein
Luik / Rue des Ramons
Tegen de helling word je een optocht in jezelf, de huizen leunen hoe laag ook als gewelf op je schouders, vogels komen niet hoger dan hun open kooi in het kozijn. De erewacht van woningen ontbeert veerkracht tot het eind en valt hogerop uiteen in een carrosseriebedrijf en een tuin achter een hekje uit een tijd voorbij. Schuin houdt dit op en schijnbaar gaat deze hang open door uit te lopen op iets anders door de dwang opzij te kruipen of het hoofd tegen de lucht te stompen. Ook rugwaarts ontsnap ik niet uit dit verkrompen randgebied.
Île d’amour
Kom er maar eens op, het ziet uit op alle kanten die je niet op kunt. Het kan niet op – met lucht op water tekenen ze zich af, de golven opposanten van een strand zonder afstand tot het land alsof het zand niets anders dan zichzelf omgaf – kom er maar eens af.
Geloof je nog steeds in grenzen? Vogels vliegen op boven je kaarten en muren, en dat is altijd zo geweest. Je hebt misschien wel eens gezien hoe de rook van je eigen vuur reisde op de wind die je niet kon zien zwevend over de vallei en omhoog en over de heuvels en over de volgende vallei en de volgende heuvel.
Heb je de dieren niet horen huilen en zingen? Of de stilte gehoord van de dieren die niet langer zongen? Nu weet je wat het is om bang te zijn. Je denkt dat dit een droom is? Het is geen droom. Denk je dat dit een theoretische vraag is? Waar hou je meer van dan van wat je denkt dat jouw unieke leven is? Het water wordt helderder. De zwanen vestigen zich daar en dobberen er.
Ben jij bereid om weer je plek in het bos in te nemen? leem en schors te worden een vallend blad te zijn. vanaf grote hoogte. om de worm te zijn die het blad eet en de vogel die de worm eet? Kijk naar de lucht: ben je bereid om weer de lucht te zijn?
Je denkt dat deze les te moeilijk voor je is. Je wilt dat de time-out eindigt. Je wil naar de film gaan zoals voorheen, met je vrienden samenzitten en eten. Het kan nu eindigen, maar niet op de manier zoals jij je voorstelt Je kent de geest die al zo lang tegen je praat – de geest die alles kan verklaren? Luister niet.
Je was ooit een staatsburger van een land genaamd Ik Weet Het Niet. Herinner je je de brandende boot die je daar naartoe bracht? Klim erin.