Ed Hoornik, Heere Heeresma, Vita Sackville-West, Peter Altenberg, Keri Hulme

De Nederlandse dichter en prozaïst Ed Hoornik werd geboren in Den Haag op 9 maart 1910. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007 en ook mijn blog van 9 maart 2008. en ook mijn blog van 9 maart 2009.

Tweespalt

Ik kan wel knielen en mijn schedel breken,
kluizenaar worden of wellicht cipier,
het kruis vereren, met gevangnen spreken,
in regen lopen om een nachtkwartier,

of, als Van Gogh, voor de berooiden preken,
mijn hemd verscheuren, arm zijn als een mier,
en met een scheermes mij het oor afsteken,
krankzinnig sterven; maar het helpt geen zier.

Onmachtig ben ik, God, U te belijden.
Poolstilte waart Gij, toen ik om u schreide,
wanhopig wachtend het gestelde uur.

Gij laat mij hongren zonder rust of duur;
Gij hebt mij lief achter een blinde muur.
Hoe haat ik U, hoe blijf ik U verbeiden.

 

Een vrouw beminnen

Een vrouw beminnen is de dood ontkomen,
weggerukt worden uit dit aards bestaan,
als bliksems in elkanders zielen slaan,
te zamen liggen, luisteren en dromen,
meewiegen met de nachtelijke bomen,
elkander kussen en elkander slaan,
elkaar een oogwenk naar het leven staan,
ondergaan en verwonderd bovenkomen.

‘Slaap je al?’ vraag ik, maar zij antwoordt niet;
woordeloos liggen we aan elkaar te denken:
twee zielen tot de rand toe vol verdriet.

Ver weg de wereld, die ons niet kan krenken,
vlakbij de sterren, die betoovrend wenken.
’t Is of ik dood ben en haar achterliet.

Hoornik

Ed Hoornik (9 maart 1910 – 1 maart 1970) 

 

De Nederlandse schrijver en dichter Heere Heeresma werd geboren in Amsterdam op 9 maart 1932. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007 en ook mijn blog van 9 maart 2008. en ook mijn blog van 9 maart 2009.

Uit: Hoe die twee elkaar ontmoetten

De zon scheen reeds rose en vermiljoen door de wolkeloze lucht en kleurde de toppen der bomen toen de man zijn boot naar de oever stuurde en aanlegde op een aangeslibde zandplaat in een bocht van de rivier. Nog voor de boeg van de boot goed vast was gelopen sprong de hond overboord, beet een paar maal in de lucht, en bevochtigde  langdurig de grond  waarna ze zich langdurig begon uit te rekken.  De man volgde haar, trager, en zuchtend. Om  te beginnen nam hij het touw dat vastzat aan een ijzeren  ring in de boeg, wikkelde het af en bevestigde dit  stevig aan enig struikgewas. Daarna begon hij  de boot uit te laden. Een kleine stevige vrij nieuwe boot,  breed, met hoge boorden, open van boeg tot spiegel al  stond er een lichtmetalen staketsel op voor een linnen  afdak zoals alle schepen in deze streken hebben. Het  zonnescherm had de man echter op de bodem gelegd zodat hij een vers bed had gewonnen waar het in de ruime plooien  goed toeven was. Aan de  alluminiumkleurige stangen hingen allerlei voorwerpen. Een kijker, kapmes, een kort dubbelloops  geweer, een witte medicijnkist met een vrijwel uitgewist  rood kruis, veldflessen, een bos gedroogde bloemen of  kruiden en meer van die zaken die hem van pas  konden komen. Dit alles liet de man hangen. Ze  waren niet direkt nodig en hij had niet de begeerte  zijn bezittingen te voelen, uit te stallen en om zich  heen te hebben. Ook de tussen twee houtblokken hangende  buitenboordmotor liet hij ongemoeid. Het ding  was in het gebruik nutteloos gebleken. De schroef  was niet beschermd en liep voortdurend vast in  de waterpest die in het water elegant meewuifde met de stroom.”

Heeresma

Heere Heeresma (Amsterdam, 9 maart 1932)

 

De Oostenrijkse schrijver Peter Altenberg werd geboren op 9 maart 1859 in Wenen. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007 en ook mijn blog van 9 maart 2008 en ook mijn blog van 9 maart 2009.

Uit: Das Buch der Bücher von Peter Altenberg

„THEATER-ABEND.
Sie konnte den Pudel nicht mit in das Theater nehmen. So blieb der Pudel bei mir im Café und wir erwarteten die Herrin.
Er setzte sich so, dass er die Eingangsthüre im Auge behalten konnte und ich hielt es für sehr zweckmässig, wenn auch ein wenig übertrieben, denn, bitte, es war ½ 8 Uhr und wir hatten bis ¼ 12 Uhr zu warten.
Wir sassen da und warteten.
Jeder vorüberrauschende Wagen erweckte in ihm Hoffnungen und ich sagte jedesmal zu ihm: »Es ist nicht möglich, sie kann es noch nicht sein, bedenke doch, es ist nicht möglich!«
Manchesmal sagte ich zu ihm: »Unsere schöne gute Herrin — — —!«
Er war direct krank vor Sehnsucht, wandte den Kopf nach mir um:
»Kommt sie oder kommt sie nicht?!«
»Sie kommt, sie kommt — — —« erwiderte ich.
Einmal gab er den Posten auf, kam zu mir heran, legte seine Pfoten auf meine Kniee und ich küsste ihn.
Wie wenn er zu mir sagte: »Sage mir doch die Wahrheit, ich kann alles hören!«
Um 10 Uhr begann er zu jammern.
Da sagte ich zu ihm: »Ja, glaubst du, mein Lieber, dass mir nicht bange ist?! Man muss sich beherrschen!«
Er hielt aber nichts auf Beherrschung und jammerte.
Dann begann er leise zu weinen.
»Kommt sie oder kommt sie nicht?!«
»Sie kommt, sie kommt — — —.«
Er legte sich nun ganz platt auf den Boden hin und ich sass ziemlich zusammengebückt auf meinem Sessel.
Er jammerte nicht mehr, blickte zur Eingangsthüre, während ich vor mich hinsah.”

altenberg

Peter Altenberg (9 maart 1859 – 8 januari 1919)

 

De dichteres en schrijfster Vita Sackville-West werd geboren op 9 maart 1892 in Kent. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007 en ook mijn blog van 9 maart 2008 en ook mijn blog van 9 maart 2009.

The Great Cats

 

The greater cats with golden eyes

Stare out between the bars.

Deserts are there, and the different skies,

And night with different stars.

They prowl the aromatic hill,

And mate as fiercely as they kill,

To roam, to live, to drink their fill;

But this beyond their wit know I:

Man loves a little, and for long shall die.

Their kind across the desert range

Where tulips spring from stones,

Not knowing they will suffer change

Or vultures pick their bones.

Their strength’s eternal in their sight,

They overtake the deer in flight,

And in their arrogance they smite;

But I am sage, if they are strong:

Man’s love is transient as his death is long.

Yet oh what powers to deceive!

My wit is turned to faith,

And at this moment I believe

In love, and scout at death.

I came from nowhere, and shall be

Strong, steadfast, swift, eternally:

I am a lion, a stone, a tree,

And as the Polar star in me

Is fixed my constant heart on thee.

Ah, may I stay forever blind

With lions, tigers, leopards, and their kind.

 

vita_sackville

Vita Sackville-West (9 maart 1892 – 2 juni 1962)
Portret door Shoshana Kertesz

 

De Nieuw-Zeelandse (Maori) schrijfster Keri Hulme werd geboren op 9 maart 1947 in Christchurch. Zie ook mijn blog van 9 maart 2009.

Uit: Unter dem Tagmond (The Bone People)

Eine Stunde später ist das Gespräch in Mäandern beim Fischen angelangt: Fischen im Meer, Kerewins Vorliebe und Spezialität, gegen Fischen in Flüssen und Seen, worin Joe, wie er bescheiden zugibt, Experte ist.
“Nicht wirklich”, sagt er kläglich. “Ich weiß eben nur, wo man die Fische findet. Sie auf orthodoxe Weise herauszuholen, das macht mir Schwierigkeiten.”
“Die vom Ministerium für Öffentliche Anlagen ausgesetzten Elritzen”, sagt Kerewin lachend, aber er gibt sich schockiert. Simon ist beinahe eingeschlafen, aber er rührt sich jedesmal, wenn sich einer von ihnen bewegt, um das Feuer zu schüren, oder Zigaretten hinüberzureichen.
“Entschuldigen Sie mich eine Minute”, sagt Joe schließlich und geht in die Küche. Er kehrt kurz darauf mit einer runden Flasche zurück.
“Komm, Tama, Zeit, schlafen zu gehen.”
Zwei Teelöffel von etwas, was wie Himbeersirup aussieht.
Sie liest das Etikett.
“Tricloryl!” Ihre Stimme überschlägt sich, als sie dieses Wort ausspricht. “Zum Teufel, er ist doch wohl noch ein bißchen zu klein für diese Art von Medizin?”
“Ich habe Ihnen gestern abend erzählt, wie es ihm mit dem Schlafen geht”, sagt Joe sanft. “Auf diese Weise haben wir wenigstens beide unsere Nachtruhe. Sonst hat er Alpträume um zwei Uhr morgens, und ich brauche drei Stunden, um ihn wieder zu beruhigen. Nacht für Nacht ist das kein Spaß.”
“Das kann ich mir vorstellen.”
Er hält Simon wie ein Baby, und das bringt ihr wieder zum Bewusstsein, wie schmächtig der Junge ist.
“E moe koe”, sagt der Mann zärtlich und küßt das Kind, dunkles Haar fällt über blondes.
“Sieh zu, ob du morgen etwas ganz Ungewöhnliches tun kannst”, er stellt ihn auf die Füße. “Zum
Beispiel zur Abwechslung einmal ein guter Junge sein.”

Keri_Hulme

Keri Hulme (Christchurch, 9 maart 1947)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e maart ook mijn vorige blog van vandaag.

Vita Sackville-West, Heere Heeresma, Ed Hoornik, Peter Altenberg, Heleen van Royen, Agnes Miegel, Umberto Saba, Keri Hulme, Ota Filip, Taras Sjevtsjenko

De dichteres en schrijfster Vita Sackville-West werd geboren op 9 maart 1892 in Kent. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007 en ook mijn blog van 9 maart 2008.

Beachwoods at Knole

How do I love you, beech-trees, in the autumn,
Your stone-grey columns a cathedral nave
Processional above the earth’s brown glory!

I was a child, and I loved the knurly tangle

Of roots that coiled above a scarp like serpents,

Where I might hide my treasure with the squirrels.

 

I was a child, and splashed my way in laughter

Through drifts of leaves, where underfoot the beech-nuts

Split with crisp crackle to my great rejoicing.

 

Red are the beechen slopes below Shock Tavern,

Red is the bracken on the sandy Furze-field,

Red are the stags and hinds by Bo-Pit Meadows,

 

The rutting stags that nightly through the beechwoods

Bell out their challenge, carrying their antlers

Proudly beneath the antlered autumn branches.

 

I was a child, and heard the red deer’s challenge

Prowling and belling underneath my window,

Never a cry so haughty or so mournful.

 

Moonlight

 

What time the meanest brick and stone

Take on a beauty not their own,

And past the flaw of builded wood

Shines the intention whole and good,

And all the little homes of man

Rise to a dimmer, nobler span;

When colour’s absence gives escape

To the deeper spirit of the shape,

 

— Then earth’s great architecture swells

Among her mountains and her fells

Under the moon to amplitude

Massive and primitive and rude:

 

— Then do the clouds like silver flags

Stream out above the tattered crags,

And black and silver all the coast

Marshalls its hunched and rocky host,

And headlands striding sombrely

Buttress the land against the sea,

— The darkened land, the brightening wave —

And moonlight slants through Merlin’s cave.

 

Vita_Sackville-West

Vita Sackville-West (9 maart 1892 – 2 juni 1962)
Portret door Philip Alexius de László, 1910

 

De Nederlandse schrijver en dichter Heere Heeresma werd geboren in Amsterdam op 9 maart 1932. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007 en ook mijn blog van 9 maart 2008.

Uit: Een jongen uit plan Zuid ’38-’43

,,Een vroege ochtend met een meloen van een zon in een helblauwe lucht. Mijn moeder opent een raam, buigt zich naar voren en kijkt omhoog. Haar gebeeldhouwd profiel snijdt in de beuk aan de Olympiakade. Een prachtig gezicht. Enthousiast grijpt mijn vader naar de altijd gereedstaande banjo naast het dressoir en jaagt er een jazzy riff uit, maar moeder gebaart om stilte. En nu horen we ook een naar soort gebrom en ze zegt: ‘Ik geloof dat het oorlog is.’ En ja, hoog in de blauwe hemel varen ze in dambordformatie over. De Junkers, geladen met valschermjagers. En daartussendoor klinkt het bommen van een stuk afweergeschut, ergens bij Schiphol. En de radio gaat aan. Het kinderkoor van Jacob Hamel.”

Heeresma

Heere Heeresma (Amsterdam, 9 maart 1932)

De Nederlandse dichter en prozaïst Ed Hoornik werd geboren in Den Haag op 9 maart 1910. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007 en ook mijn blog van 9 maart 2008.

 

Mijn dochter en ik

Voor Marianne

 

Terwijl ik lees voel ik mijn dochter kijken;

Ik laat niets merken en lees rustig door.

Haar leven doet zich helder aan mij voor:

Het zal in alles op het mijne lijken.

 

Niets kan ik doen, opdat zij zal bereiken,

Wat ik, amper gevonden, weer verloor;

Geen vindt van het geluk meer dan een spoor,

Ook zij niet, en ook zij zal het zien wijken.

 

Ik sluit het boek; wij zitten naast elkaar;

Geen woorden tusschen ons; slechts, even maar,

De glimlach van den een tegen den ander.

 

’t Is of ik in mijn eigen oogen staar,

En wat daar staat, het is als water klaar,

Als ik weer langzaam in mijzelf verander.

 

 

 

Overgang

 

Slaapkamerstilte, iedre morgen weer;

dag, die begint en niet is te ontwijken;

kleren, waarin mijn leven ligt te slijten;

lichaam, dat oud wordt, iedre hartslag meer;

gespiegeld hoofd, dat kijkt als ik mij scheer;

kamer daarachter die ook mee gaat kijken;

koude die ik dan langs mijn rug voel strijken;

wereld, waarin ik langzaam wederkeer:

 

gewone dingen uit mijn daagse doen:

huissleutel, zakmes, vulpen, paperassen,

die ik als een klein kind met name noem;

poeders voor als de pijn mij zou verrassen,

verzen van Achterberg en J.C. Bloem,

die als twee armen aan mijn lichaam passen.

 

HOORNIK

Ed Hoornik (9 maart 1910 – 1 maart 1970)

 

 

De Oostenrijkse schrijver Peter Altenberg werd geboren op 9 maart 1859 in Wenen. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007 en ook mijn blog van 9 maart 2008.

Uit: Café-Chantant

“Nach der Vorstellung, Mitternacht, soupieren die Kavaliere mit den »Stars«.
Fünf junge Damen sind es, Schwestern. Vier sind hellblond, mit tiefen Scheiteln in ihren seidenen leichten Haaren. Eine ist hellbraun, mit tiefem Scheitel in ihren seidenen leichten Haaren.
Alle fünf tragen weite seidene schwarze Kleider und hellgraue Empire-Hüte mit drei schwarzen Straußfedern. Eine sechste ist in Reserve da. Plötzlich ist sie verschwunden. Wohin?! Niemand könnte es ergründen. Entführt, versunken?!?
Siehst Du, wie gut es ist, daß eine in der Reserve ist?! Gleich bestellt man einen neuen Reservisten und ein schwarzes Seidenkleid und einen Hut Empire.
Ein Graf schrieb der wunderbaren Mage einmal in ihr englisches Stammbüchlein: »Wenn Sie haben eine üble Laune, mein Herr, so nehmen Sie nicht Beechams Pillen, sondern soupieren sie mit Mage, und Ihre Krankheit wird fort sein, ganz fort.«
Viele Herren versuchten seitdem dieses einfache Mittel und allen half es. Frohen Sinn verbreitet sie wirklich, wie ein Kind bei seinen Großeltern.
Ein Baron sagte einmal während eines Soupers: »Fünf little dogs wird man euch schenken, ihr Süßen, gelbe Hündchen mit dunklen Schnäuzchen. Alle werden zu gleicher Zeit auf eurem Schoße sitzen und – – –«
»Und?!« fragten die fünf jungen Mädchen.
»Und – – –. Kleine Hunde können nichts dafür.«
Die fünf Fräulein lachten darüber wie Kanarienvögel im Sonnenlichte. Ganze Trillerketten rollten sie, wie man bei »Harzern« sich auszudrücken pflegt.
»You are ein kleines Swein,« sagte Mage zu diesem Kavaliere und tippte ihn auf seine Glatze, welche er in höchstem Maße besaß.
Die Kavaliere bestellten fünf Eierpünsche. Dafür schwärmen die jungen Fräulein. »Keinen Champagner! Keinen Rheinwein! Eierpunsch! Eierpunsch, o bitte – –!«
»Ich vermutete gar nicht, daß im Eierpunsche soviel Poesie läge«, sagte einer der Kavaliere und leckte Mages Löffelchen ab.”

kokoschAltenberg

Peter Altenberg (9 maart 1859 – 8 januari 1919)
Portret door Oskar Kokoschka, 1909

 

De Nederlandse romanschrijfster en columniste Heleen van Royen werd geboren in Amsterdam op 9 maart 1965. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007.

Uit: De ontsnapping

“Niet dat het wat uitmaakt, maar mijn broer is dood. De aarde draait nog steeds om haar as. Mijn moeder gelooft nog steeds in God. Mijn vader weet nog van niets.
Jimmy ligt in zijn bed, met een koelinstallatie eronder. Morgen komt de kist, hij zal worden gecremeerd. Het zal precies gaan zoals hij het wilde. Ik heb alles tot in detail genoteerd en aan de begrafenisondernemer doorgegeven. Die was verbaasd dat ik hem te woord stond; ik vertelde dat mijn ouders gescheiden waren en dat mijn moeder er niet toe in staat was. Het leek me sterk dat hij dat nooit eerder had meegemaakt.
Mijn moeder heeft God bedankt, omdat Hij Jimmy tot zich heeft genomen voordat de dokter kwam. Jimmy had tegen de dokter gezegd dat hij een spuitje wilde. Hij was negentien, volgende week zou hij twintig worden, hij was volwassen. Mijn moeder vond het verschrikkelijk. Ze zei dat God zoiets moest beslissen, niet Jimmy. Mijn broer zei tegen haar dat het God heus niets zou uitmaken als hij wat eerder kwam, Hij zou het wel begrijpen.”

Rooyen

Heleen van Royen (Amsterdam,  9 maart 1965)

 

De Duitse dichteres Agnes Miegel werd op 9 maart 1879 in Königsberg geboren. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007.

 

 

Die Frauen von Nidden

 

Die Frauen von Nidden standen am Strand,

Über spähenden Augen die braune Hand,

Und die Boote nahten in wilder Hast,

Schwarze Wimpel flogen züngelnd am Mast.

 

Die Männer banden die Kähne fest

Und schrieen: “Drüben wütet die Pest!

In der Niedrung von Heydekrug bis Schaaken

Gehn die Leute im Trauerlaken!”

 

Da sprachen die Frauen: “Es hat nicht Not, –

Vor unsrer Türe lauert der Tod,

Jeden Tag, den uns Gott gegeben,

Müssen wir ringen um unser Leben,

 

Die wandernde Düne ist Leides genug,

Gott wird uns verschonen, der uns schlug!” –

Doch die Pest ist des Nachts gekommen,

mit den Elchen über das Haff geschwommen.

 

Drei Tage lang, drei Nächte lang,

Wimmernd im Kirchstuhl die Glocke klang.

Am vierten Morgen, schrill und jach,

Ihre Stimme in Leide brach.

 

Und in dem Dorf, aus Kate und Haus,

Sieben Frauen schritten heraus.

Sie schritten barfuß und tief gebückt

In schwarzen Kleidern bunt bestickt.

 

Sie klommen die steile Düne hinan,

Schuh und Strümpfe legten sie an,

Und sie sprachen: “Düne, wir sieben

Sind allein noch übrig geblieben.

 

Kein Tischler lebt, der den Sarg uns schreint,

Nicht Sohn noch Enkel, der uns beweint,

Kein Pfarrer mehr, uns den Kelch zu geben,

Nicht Knecht noch Magd ist mehr unten am Leben. –

 

Nun, weiße Düne, gib wohl Acht:

Tür und Tor ist dir aufgemacht,

In unsre Stuben wirst du gehn

Herd und Hof und Schober verwehn.

 

Gott vergaß uns, er ließ uns verderben.

Sein verödetes Haus sollst du erben,

Kreuz und Bibel zum Spielzeug haben, –

Nur, Mütterchen, komm, uns zu begraben!

 

Schlage uns still ins Leichentuch,

Du unser Segen, – einst unser Fluch.

Sieh, wir liegen und warten ganz mit Ruh” –

 

Und die Düne kam und deckte sie zu.

 

miegel

Agnes Miegel (9 maart 1879 – 26 oktober 1964)

 

 

De Italiaanse schrijver Umberto Saba werd geboren op 9 maart 1883 in Triëst. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007.

 

The Goat

 

I spoke with a goat.

She was alone in a field, tethered.

Sated with grass, bathed

by rain, she was bleating.

 

That steady bleating was like a brother

to my sorrow. And I replied

first as a joke, then because sorrow

is eternal, has one voice

and never varies;

the voice I heard

groaning, in a solitary goat.

 

In a goat with semitic features,

I heard pleading its case

every other trouble

every other life.

 

 

 

Ulysses

 

In my youth, I sailed the length

of the Dalmatian Coast. Small islands—

where an occasional seabird hung, suspended,

intent over prey—flowered on the surface

of the waves, slippery, covered with seaweed

like emeralds in the sun. When a full tide

and night annulled them, sails scattered

downwind towards the open sea to escape

their deceptions. Today, my kingdom

is this No Man’s Land. The port catches fire

with lights for others. The untamed

spirit still drives me to the wide sea,

the heart-wounding love of life.

 

 

Vertaald door Katherine Jackson

 

Umberto_Saba

Umberto Saba (9 maart 1883 – 25 augustus 1957)
Standbeeld in Triëst

 

De Nieuw-Zeelandse (Maori) schrijfster Keri Hulme werd geboren op 9 maart 1947 in Christchurch. Zij studeerde 1967/1968 rechten aan de universiteit van Canterbury, maar moest de studie wegens geldgebrek staken. Vervolgens nam zij allerlei baantjes aan, zoals postbode, kok en visser. In 1985 ontving zij voor haar roman  “The Bone People” de Booker Prize. In 1987 verscheen haar verhalenbundel Erzählungen “The Windeater. Te Kaihau”.

 

Uit: The Bone People

 

“She dresses and goes down to the beach, and sits on the top of a sandhill until the sky pales.

Another day, herr Gott, and I am tired, tired.

She stands, and grimaces, and spits. The spittle lies on the sand a moment, a part of her a moment ago, and then it vanishes, sucked in, a part of the beach now.

Fine way to greet the day, my soul … go down to the pools. Te Kaihau, and watch away the last night sourness.

And here I am, balanced on the saltstained rim, watching minute navyblue fringes, gill=fingers of tubeworms, fan the water … put the shadow of a finger near them, and they flick outasight. Eyes in your lungs … neat. The three-fin blenny swirls by … tena koe, fish. A small bunch of scarlet and gold anemones furl and unfurl their arms, graceful petals, slow and lethal … tickle tickle, and they turn into uninteresting lumps of brownish jelly … haven’t made sea-anemone soup for a while, whaddaboutit? Not today, Josephine … at the bottom, in a bank of brown bulbous weed, a hermit crab is rustling a shell. Poking at it, sure it’s empty? Ditheringly unsure … but now, nervously hunched over his soft slug of belly, he extricates himself from his old hutch and speeds deftly into the new … at least, that’s where you thought you were going, e mate? … hoowee, there really is no place like home, even when it’s grown a couple of sizes too small..“

 

Hulme-Keri

Keri Hulme (Christchurch, 9 maart 1947)

 

 

De Duits- en Tsjechisch-talige schrijver Ota Filip werd geboren op 9 maart 1930 in Ostrau. Hij studeerde journalistiek en werkte als redacteur bij verschillende kranten en bij de radio. In die tijd begon hij uit verveling de roman Cafe an der Straße zum Friedhof te schrijven, waarvoor hij in 1967 de grote prijs van de stad Ostrau ontving.  Een jaar na de bezetiing van Tsjechoslowakije werd hij gearresteerd en voor veertien maanden vastgezet. Daarna werkte hij een tijd lang o.a. als chauffeur en meubelmaker. In 1974 werden hij en zijn gezin „uitgeburgerd“ en sindsdien woont hij in Beieren. In 1986 ontving hij de Adelbert-von-Chamisso-Preis voor migrantenliteratuur.

 

Uit: Im Licht der goldenen Stadt

 

Was blieb nach 1945 von der grossartigen, natürlich vorwiegend deutschsprachigen jüdischen Kultur in Prag zurück? Der alte jüdische Friedhof mitten in Prag mit seinen in vier Jahrhunderten künstlich aufgeschütteten zwölf Erdschichten, mit ebenso vielen Gräberschichten und mit mehr als 12|000 Grabsteinen, ist heute – leider – eine Touristenattraktion; es blieben die Alt-Neue Synagoge, ein jüdisches Museum, mehr als 77|000 von den Nazis ermordete böhmische Juden und dann nur Geschichten, Legenden, Märchen und Erzählungen aus einer grossen, mehr als tausendjährigen Geschichte des Prager Judentums. Und Franz Kafka? Der wird in Prag inzwischen ganz geschickt vermarktet. Es wird nicht lange dauern, und westliche Touristen werden sich in Prag schicke T-Shirts mit der Aufschrift »I love Kafka« oder Wandteller mit Kafkas traurigem Gesicht kaufen können. Erst dann wird es in Prag richtig »kafkaesk«. Aber wenn Sie Kafkas Prag erleben wollen, dann besuchen Sie Franz Kafka auf dem jüdischen Teil des Friedhofs in Prag- Olgany. Hier werden Sie bestimmt keine oder nur wenige Touristen antreffen. Der neue jüdische Friedhof kann den Besuchern nämlich nicht wie der alte, von Touristen überlaufene in der Nähe der Pariser Strasse das Grab des legendären Prager Rabbi Loewy bieten, der den berühmten Golem schuf (Gustav Meyrink schrieb 1915 über den Golem einen herrlichen Roman), auch keine Berühmtheiten aus der Geschichte des Prager Ghettos, sondern nur den schlichten Grabstein mit Franz Kafkas Namen, mit den Namen seiner Eltern und Schwestern, und dann die Stille zwischen den schwarzen, von wilden Holundersträuchern überwachsenen Marmorsteinen mit ihren goldenen, längst vergessenen Namen von einst ehrwürdigen jüdischen Familien aus Prag und Umgebung. Die Geschichte wiederholt sich nicht, nicht einmal die Geschichte einer Literatur. Diese Regel trifft auch auf die Geschichte der grossartigen deutschen oder deutschsprachigen Literatur in Prag zu.

 

filip

Ota Filip (Ostrau, 9 maart 1930)

 

 

De Oekraïense dichter, schrijver en schilder Taras Sjevtsjenko werd geboren op 9 maart 1814 in Morynzi bij Kiev. In 1837 ging hij naar de kunstacademie en kon door te schilderen voorzien in zijn levensonderhoud. Vanaf 1838 concentreerde hij zich meer op het schrijven en in 1840 verscheen zijn eerste bundel Kobzar. In de jaren daarop volgden – onder de invloed van de reizen die hij door zijn vaderland maakte, en geconfronteerd jey onvrijheid en armoede – werken met een steeds rebelsere ondertoon. Taras Sjevtsjenko werd het prototype van de Oekraïense romanticus.

 

 

My Testament

 

When I am dead, bury me

In my beloved Ukraine,

My tomb upon a grave mound high

Amid the spreading plain,

So that the fields, the boundless steppes,

The Dnieper’s plunging shore

My eyes could see, my ears could hear

The mighty river roar.

 

When from Ukraine the Dnieper bears

Into the deep blue sea

The blood of foes … then will I leave

These hills and fertile fields —

I’ll leave them all and fly away

To the abode of God,

And then I’ll pray …. But till that day

I nothing know of God.

 

Oh bury me, then rise ye up

And break your heavy chains

And water with the tyrants’ blood

The freedom you have gained.

And in the great new family,

The family of the free,

With softly spoken, kindly word

Remember also me.

 

 

 

The Mighty Dnieper

 

The mighty Dnieper roars and bellows,

The wind in anger howls and raves,

Down to the ground it bends the willows,

And mountain-high lifts up the waves.

 

The pale-faced moon picked out this moment

To peek out from behind a cloud,

Like a canoe upon the ocean

It first tips up, and then dips down.

 

The cocks don’t crow to wake the morning,

There’s not as yet a sound of man,

The owls in glades call out their warnings,

And ash trees creak and creak again.

 

 

 

Vertaald door John Weir

 

Taras_Shevchenko_selfportrait_oil_1840

Taras Sjevtsjenko (9 maart 1814 – 10 maart 1861)
Zelfportret, rond 1840

 

Vita Sackville-West, Heere Heeresma, Ed Hoornik, Peter Altenberg, Heleen van Royen

De dichteres en schrijfster Vita Sackville-West werd geboren op 9 maart 1892 in Kent. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007 en ook mijn blog van 9 maart 2008.

  

Beechwoods at Knole

  

How do I love you, beech-trees, in the autumn,

Your stone-grey columns a cathedral nave

Processional above the earth’s brown glory!

 

I was a child, and I loved the knurly tangle

Of roots that coiled above a scarp like serpents,

Where I might hide my treasure with the squirrels.

 

I was a child, and splashed my way in laughter

 Through drifts of leaves, where underfoot the beech-nuts

Split with crisp crackle to my great rejoicing.

 

Red are the beechen slopes below Shock Tavern,

Red is the bracken on the sandy Furze-field,

Red are the stags and hinds by Bo-Pit Meadows,

 

The rutting stags that nightly through the beechwoods

Bell out their challenge, carrying their antlers

Proudly beneath the antlered autumn branches.

 

I was a child, and heard the red deer’s challenge

Prowling and belling underneath my window,

Never a cry so haughty or so mournful. 

 

 

Moonlight

 

What time the meanest brick and stone

Take on a beauty not their own,

And past the flaw of builded wood

Shines the intention whole and good,

And all the little homes of man

Rise to a dimmer, nobler span;

When colour’s absence gives escape

To the deeper spirit of the shape,

 

— Then earth’s great architecture swells

Among her mountains and her fells

Under the moon to amplitude

Massive and primitive and rude:

 

— Then do the clouds like silver flags

Stream out above the tattered crags,

And black and silver all the coast

Marshalls its hunched and rocky host,

And headlands striding sombrely

Buttress the land against the sea,

— The darkened land, the brightening wave —

And moonlight slants through Merlin’s cave.

 

 

  west

Vita Sackville-West (9 maart 1892 – 2 juni 1962)

 Portret door Philip Alexius de László, 1910

 

Lees verder “Vita Sackville-West, Heere Heeresma, Ed Hoornik, Peter Altenberg, Heleen van Royen”

Vita Sackville-West, Heere Heeresma, Ed Hoornik, Peter Altenberg, Heleen van Royen, Agnes Miegel, Umberto Saba

De dichteres en schrijfster Vita Sackville-West werd geboren op 9 maart 1892 in Kent. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007.

 

And so it ends

And so it ends,
We who were lovers may be friends.
I have some weeks in which to steel
My heart and teach myself to feel
Only a sober tenderness
Where once was passion’s loveliness.

I had not thought that there would come
Your touch to make our music dumb,
Your meeting touch upon the string
That still was vibrant, still could sing
When I impatiently might wait
Or parted from you at the gate.

You took me weak and unprepared.
I had not thought that you who shared
My days, my nights, my heart, my life,
Would slash me with a naked knife
And gently tell me not to bleed
But to accept your crazy creed.

You speak of God, but you have cut
The one last thread, as you have shut
The one last door that open stood
To show me still the way to God.
If this be God, this pain, this evil,
I’d sooner change and try the Devil.

Darling, I thought of nothing mean;
I thought of killing straight and clean.
You’re safe; that’s gone, that wild caprice,
But tell me once before I cease,
Which does your Church esteem the kinder role,
To kill the body or destroy the soul?

 

 

Days I enjoy

Days I enjoy are days when nothing happens,
When I have no engagements written on my block,
When no one comes to disturb my inward peace,
When no one comes to take me away from myself
And turn me into a patchwork, a jig-saw puzzle,
A broken mirror that once gave a whole reflection,
Being so contrived that it takes too long a time
To get myself back to myself when they have gone.
The years are too strickly measured, and life too short
For me to afford such bits of myself to my friends.
And what have I to give my friends in the last resort?
An awkwardness, a shyness, and a scrap,
No thing that’s truly me, a bootless waste,
A waste of myself and them, for my life is mine
And theirs presumably theirs, and cannot touch.

 

decoration

Vita Sackville-West (9 maart 1892 – 2 juni 1962)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Heere Heeresma werd geboren in Amsterdam op 9 maart 1932. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007.

Uit: Manifest voor de jaren zeventig

“Nu de georganiseerde schrijvers te duidelijk hebben aangetoond dat zij onvoldoende sociale of literaire persoonlijkheid bezitten om voor zichzelf een literair vakmanschap dan wel voor hun tek
sten een sociale of kulturele funktie op te eisen en nu zij zich daarom niet vergelijkbaar op de burgerlijke klassieke schrijvers kunnen beroepen, zijn zij er toe overgegaan om hun belangen te plaatsen in het kader van de sociale rechtvaardigheid. Zij hebben, zowel naar het jargon dat zij bezigen als naar de syndikalistiese denkbeelden die zij daarin uitdrukken, klaarblijkelijk de autoriteit van andere dan burgerlijke schrijvers aangewend om hun bestaansmogelijkheden te verdedigen. Maar laat men zich niet vergissen. Ook nu zijn de argumenten die de georganiseerde schrijvers aanvoeren alleen formeel juist. Schijnbaar hebben zij zich aan de zijde van de werkende massa geschaard. Maar zowel naar de vorm van hun organisatie als naar de inkleding van hun akties beogen deze schrijvers niets anders dan om met steun van de bestaande syndikaten hun eksklusieve en voor de massa onherkenbare teksten te kunnen blijven produceren. Evenals alle andere kleine zelfstandigen die hun bedreigde partikuliere belang verdedigen vanuit een syndikalistiese of pseudo-revolutionaire idee moeten zij beschouwd worden als reaktionaire opportunisten. Zij zijn de kruimeldieven van de mode.

Het zijn de nieuwe schrijvers die het meest te lijden hebben van de katterige onzin die vandaag de dag aan iedereen die lezen kan en wil en zelfs aan iedereen die nauwelijks lezen kan of het al niet meer wil wordt opgedrongen door de zogenaamde belangenbehartigers van alle Nederlandse schrijvers. Niet de gehele Nederlandse literatuur ondervindt op het ogenblik ernstige gevolgen van de koncentraties. De enige werkelijk bedreigde literatuur in ons land is die welke geproduceerd wordt door de aankomende en de beginnende schrijvers, degenen die nog geen enkel of slechts één enkel boek hebben kunnen publiceren. Op verschillende fronten wordt door de Nederlandse schrijversorganisatie strijd geleverd voor een verbetering van de ekonomiese positie van de literaire schrijvers. Maar het zijn de schrijvers die namens deze organisatie spreken die de ekonomiese positie van de nieuwe schrijvers nog onmogelijker maken dan hij nu al is.”

 

heeresma

Heere Heeresma (Amsterdam, 9 maart 1932)

 

De Nederlandse dichter en prozaïst Ed Hoornik werd geboren in Den Haag op 9 maart 1910. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007.

Sterilisatie

I

Zij dorst niet dadelijk naar ’t duister af te dalen,

bleef al maar dralen bij het wondende begin,

en dan, wijdloopig, om het duidelijk te verhalen

bleef zij plots steken midden in een zin,

 

waarin zijn naam toch nog te snel, te onvoorzichtig werd genoemd;

toen sprak zij enkel nog over haar broeder

bereid en fel, en tot in ’t schaamtelooze onverbloemd,

– en dieper dan een zuster leek ze mij toen moeder…

 

II

 

De jonge Jood: hij had zijn handen uit den arbeid stil zien worden,

en zocht en zwierf, maar leerde, zoeken heeft geen zin,

want voor zijn kracht was er geen doel; en hij verdorde,

toen iedre dag kwam met een eender leeg begin.

 

Maar op een keer aan tafel werd hij rood, greep naar de schalen,

vernielde ze, sprak dwaze dingen, dokters zeiden, hij is schizofreen,

en dreigden hem, totdat hij werkelijk ging malen;

vrouwen en paarden joegen door zijn droomen heen.

 

Daar hij geen geld bezat om zijn bewakers mild te stemmen

loerden zij dag en nacht op hun verzonken prooi,

toen hij dit merkte, braken de laatste remmen,

en werd hij vastgebonden in een kooi.

 

De anderen hebben tranen om zijn heil vergoten,

maar hij verstond te doen, alsof ’t hem niet deerde,

toch is hij nog – uit voorzorg – ingespoten,

een weinig tijds, voordat men hem steriliseerde.

 

den_haag_plein_met_witte_societeit_1907

Ed Hoornik (9 maart 1910 – 1 maart 1970)
Den Haag, het Plein met Societeit De Witte, 1907

 

De Oostenrijkse schrijver Peter Altenberg werd geboren op 9 maart 1859 in Wenen. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007.

 

Uit: So wurde ich

Ich saß im vierunddreißigsten Jahre meines gottlosen Lebens, Details kann eine Tageszeitung unmöglich bringen, ich saß im Café Central, Wien, Herrengasse, in einem Raum mit gepreßten englischen Goldtapeten. Vor mir hatte ich das “Extrablatt” mit der Photographie eines auf dem Wege zur Klavierstunde für immer entschwundenen fünfzehnjährigen Mädchens. Sie hieß Johanna W. Ich schrieb auf Quartpapier infolgedessen, tieferschüttert, meine Skizze “Lokale Chronik”. Da traten Arthur Schnitzler, Hugo von Hofmannsthal, Felix Salten, Richard Beer-Hofmann, Hermann Bahr ein. Arthur Schnitzler sagte zu mir: “Ich habe gar nicht gewußt, daß sie dichten!? Sie schreiben da auf Quartpapier, vor sich ein Portrait, das ist verdächtig!” Und er nahm meine Skizze “Lokale Chronik” an sich. Richard Beer-Hofmann veranstaltete nächsten Sonntag ein literarisches Souper und las zum Dessert diese Skizze vor. Drei Tage später schrieb mir Hermann Bahr: “Habe bei Herrn Richard Beer-Hofmann Ihre Skizze vorlesen gehört über ein verschwundenes fünfzehnjähriges Mädchen. Ersuche Sie daher dringend um Beiträge für meine neugegründete Wochenschrift “Die Zeit”!” Später sandte Karl Kraus, auch Fackel-Kraus genannt, weil er in die verderbte Welt die Fackel seines genial-lustigen Zornes schleudert, um sie zu verbrennen oder wenigstens “im Feuer zu läutern”, an meinen jetzigen Verleger S. Fischer, Berlin W., Bülowstraße 90, einen Pack meiner Skizzen mit der Empfehlung, ich sei ein Original, ein Genie, einer, der anders sei. S. Fischer druckte mich, und so wurde ich! Wenn man bedenkt, von welchen Zufälligkeiten das Lebensschicksal eines Menschen abhängt! Nicht?! Hätte ich damals, im Café Central, gerade eine Rechnung geschrieben über die seit Monaten nicht bezahlen Kaffees, so hätte Arthur Schnitzler sich nicht für mich erwärmt, Beer-Hofmann hätte keine literarische Soiree gegeben, Hermann Bahr hätte mir nicht geschrieben. Karl Kraus freilich hätte meinen Pack Skizzen unter allen Umständen an S. Fischer abgeschickt, denn er ist ein “Eigener”, ein “Unbeeinflußbarer”. Alle zusammen jedoch haben mich gemacht. Und was bin ich geworden?! Ein Schnorrer!”

 

decoration

Peter Altenberg (9 maart 1859 – 8 januari 1919)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 9 maart 2007.

De Nederlandse romanschrijfster en columniste Heleen van Royen werd geboren in Amsterdam op 9 maart 1965.

De Duitse dichteres Agnes Miegel werd op 9 maart 1879 in Königsberg geboren.

De Italiaanse schrijver Umberto Saba werd geboren op 9 maart 1883 in Triëst.

 

Vita Sackville-West, Heere Heeresma, Ed Hoornik, Heleen van Royen, Agnes Miegel, Umberto Saba, Peter Altenberg

De dichteres en schrijfster Vita Sackville-West werd geboren op 9 maart 1892 in een oude aristocratische familie die Knole House in Kent, Zuid-Oost Engeland in bezit hadden. Vita was het enige kind van Lionel Edward, derde lord Sackville en Victoria Josepha Dolores Catalina Sackville-West. Ze genoot een privé-opleiding en als kind begon ze met het schrijven van gedichten. Ze schreef haar eerste gedicht op 11-jarige leeftijd. Tussen 1906 en 1910 schreef Vita 8 romans en 5 toneelstukken. Chatterton, een drama bestaande uit drie aktes, is privé uitgegeven en verscheen in 1909. In 1913 trouwde Vita met de diplomaat, schrijver en criticus Harold Nicolson, met wie ze een lange tijd in Perzië woonde, en waarmee ze uiteindelijk op Sissinghurst Castle in Kent ging wonen. In het begin speelde ze ondanks haar gevoelens voor vrouwen haar rol als trouwe echtgenote, totdat Harold bekende dat hij relaties met mannen had. Het huwelijk bleef ondanks hun beider homoseksuele affaires in stand. Vita en Harold kregen twee kinderen, de latere kunstcriticus Benedict en de schrijver Nigel Nicolson. In 1923 stelde de kunstcriticus Clive Bell Vita voor aan Virginia Woolf en de twee werden geliefden. In de dertiger jaren publiceerde Vita Sackville-West The Edwardians (1930), ALL Passion spent (1931) en Family history (1932) die bestsellers werden.

 

Uit: Letters from Vita Sackville-West

“To Virginia Woolf, January 29, 1927
Near Hanover

My darling
I hoped I should wake up less depressed this morning, but I didn’t. I went to bed last night as black as a sweep. The awful dreariness of Westphalia makes it worse: factory towns, mounds of slag, flat country, and some patches of dirty snow. And you are going to the Webbs. Well, well….
Why aren’t you with me? Oh, why? I do want you so frightfully.
The only thing which gives me any pleasure is Leigh’s get-up. He has bought a short sheepskin coat, in which he evidently thinks he looks like a Hungarian shepherd, but horn-rimmed glasses and a rather loud pair of plus-fours destroy this effect. Dottie on the other hand has appeared in a very long fur-coat, down to the ankles, so thick as to make her quite round; she looks like a Russian grand-duke. We are all rather cross, and have rows about luggage. I want more than ever to travel with you; it seems to me now the height of my desire, and I get into despair wondering how it can ever be realised. Can it, do you think? Oh my lovely Virginia, it is dreadful how I miss you, and everything that everybody says seems flat and stupid.
I do hope more and more that you won’t go to America, I am sure it would be too tiring for you, and anyway I am sure you wouldn’t like it. Come to Beirut instead??”

vitas-w

Vita Sackville-West (9 maart 1892 – 2 juni 1962)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Simon Heere Heeresma werd geboren in Amsterdam op 9 maart 1932. Hij debuteerde in 1954 met de dichtbundel Kinderkamer, maar maakte furore in de jaren 60 en 70 binnen de provogeneratie. Vooral zijn Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming uit 1973 werden goed ontvangen. Hij schrijft in realistische huis-, tuin- en keukentaal. Heeresma’s schreef een spionageroman Teneinde in Dublin (1969). Een dagje naar het strand (1962) werd tweemaal verfilmd: in 1969 door Roman Polanski en in 1984 door Theo van Gogh.

Uit: Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp

“En daar was vader. De donderende slag waarmee deze de keukendeur achter zich dicht gooide deed het meubilair trillen. Vaders vrolijke bas schalde door het huis en knallend sloeg hij moeder op d’r gat.
‘Ondeugd!’ schreeuwde moeder en dreigde vader met de pollelepel waarbij de soep over haar hand liep.
Glimlachend zag hij het aan. Hij hield er van wanneer vader in een puik humeurtje was. Zo vaak kwam dat niet voor. Streep aan de balk.
‘Zo jan lul!’
‘Dag vader.’ Hij reikte vader de hand en kromp in elkaar toen deze hem even in zijn eeltknuist drukte.
‘Eten!’ riep vader.
‘Trek eerst je duffelse jekker uit en was je jatten, man,’ zei moeder.
‘Deze vuiligheid op m’n kleren en m’n lichaam is tenminste door eerlijk werk verkregen,’ meende vader.
‘Daar behoef je ons toch niet de dupe van te laten worden.’
Mopperend verdween vader in de slaapkamer.
‘Vlug jongen, de pannen naar binnen.’
Hij greep al toe. Ha, andijvie.
‘Soep!’ riep hij door de dichte slaapkamerdeur.
‘Vader, vandaag beginnen we
met soep!’
‘Wat voor soep?’ klonk het dof door het triplex.
‘Mochetone!’ antwoordde moeder. Ze zat al en vulde de borden.
De slaapkamerdeur ging open. ‘Wat zeg je nou?’ wilde vader weten, onderwijl het oude pyamajasje dichtknopend waar moeder vader het liefst thuis in zag.
‘Mochetone!’ zei moeder ongeduldig.
‘Mochetone,’ Vader schudde het hoofd. En ook hij viel stil. ‘Wat is dat?’ wilde vader weten.
‘Soep,’ zei moeder. ‘Dat zie je toch!’ en ze wees naar hun borden.
‘Ruikt eigenaardig,’ vond vader en roerde in de slierten. ‘Hoe zei je ook weer dat het heette.’
‘Pochonne,’ liet moeder weten.
‘Je zei anders zonet wat anders.’
‘Kom man. Eten!’ Moeders haar viel in slierten over haar voorhoofd. ‘Het is gewoon eens iets nieuws. Iets buitenlands. Dat kan toch ook lekker zijn.’

 

heeresma

Heere Heeresma (Amsterdam, 9 maart 1932)

 

De Nederlandse dichter en prozaïst Ed Hoornik werd geboren in Den Haag op 9 maart 1910. ‘s-Gravenhage 1910 – 1 maart Amsterdam 1970), dichter en. Hij debuteerde in 1936 met ‘ Het keerpunt’. Hoornik Werkte mee aan tijdschriften als Criterium en De Gids. Van 1943 tot 45 zat hij vast in Dachau. Zijn werk kwam geheel in het teken te staan van de confrontatie met de dood, die hij tijdens de oorlog van zeer dichtbij had meegemaakt in het concentratiekamp Dachau, en het schuldcomplex dat hij had, dat van de overlevende. Behalve in poëzie werkte hij deze tragische uitgangspunten uit in enkele korte romans (o.m. De overlevende, 1958), en in vrije verzen geschreven toneelstukken (o.m. De bezoeker, 1953).

 

Requiem

Te Middelharnis is een kind verdronken.
Sober berichtje in het avondblad:
’t stond bij een hooiberg die had vlam gevat
en bij een zolderschuit, die was gezonken.

Zes dagen heeft het in mij nageklonken.
Op het kantoor vroeg men: zeg, heb je wat?
Ik werkte door, maar steeds weer hoorde ik dat:
te Middelharnis is een kind verdronken.

En kranten waaien weg en zijn verouderd,
de dagen korten, nachten worden kouder,
maar over ’t water komt zijn kleine stem.

-Te Middelharnis, denk ik, ‘k denk aan hem
en bed zijn hoofdje tussen hart en schouder,
en zing voor hem dit lichte requiem.

 

Woeste-hoeve

 

De zomermiddag is als haar zoo blond;

het huis ligt hoog achter de steenen trappen;

door karrespooren ziet men kindren stappen;

soms ploft een appel hoorbaar op den grond.

 

Kleine insecten zingen om mijn mond

en om mijn oren en mijn stugge haren,

die eenmaal zacht als die van meisjes waren,

toen moeder lachend er een strik in bond

 

Als gij beseffen gaat, dat d’avond valt,

de herfst gaat waaien, en het pad versmalt,

zamel de appels in de ronde manden;

bouwt u een huis met ijzersterke wanden,

waarboven streren als karbonkels branden,

een Woeste Hoeve als een vuist gebald

 

hoornik

Ed Hoornik (9 maart 1910 – 1 maart 1970)

 

De Nederlandse romanschrijfster en columniste Heleen van Royen werd geboren in Amsterdam op 9 maart 1965. is. Ze is getrouwd met de televisiepresentator Ton van Royen Ze woont in Portugal.Toen ze 13 was pleegde haar vader zelfmoord door zich in de Sloterplas te verdrinken. Ze volgde het vwo en studeerde daarna te Utrecht aan de School voor Journalistiek. Ze studeerde in 1987 af, en werkte vervolgens onder meer bij het Haarlems Dagblad en bij Radio Noord-Holland. In 2000 debuteerde ze als romanschrijfster met De Gelukkige Huisvrouw.

 

Uit: Volkskrant Weblog (15 februari 2006)

“Gisteravond alvast 454 boeken gesigneerd. Ik mag niet klagen, maar ik doe het toch. Ik lijd. Ik lijd onder mijn succes. Succes kan een mens doodongelukkig maken, het kan aan je vreten, het kan je slopen, ja, lach gerust, ga je gang, maar het is waar. Die hele bullshit van gisteren, over de parkiet en het vliegtuig en de reis naar Nederland was een afleidingsmanoeuvre. Er was geen woord van gelogen, maar wat ik niet schreef, wat ik niet dúrfde of wilde schrijven, was de andere kant van de waarh
eid. Het is nu laat, te laat voor de waarheid, te laat voor een verkenning van de flinterdunne grens tussen de leugen en het echte leven, ik weet niet meer waar de leugen eindigt en het leven begint, ik weet wel dat het nu beter is om even te rusten, om te slapen. Morgen meer.”

Royen

Heleen van Royen (Amsterdam,  9 maart 1965)

 

De Duitse dichteres Agnes Miegel werd op 9 maart 1879 in Königsberg geboren. Zij wordt beschouwd als misschien wel de grootste vrouwelijke dichteres van balladen. Vooral in haar geboortestreek Oost Pruisen is zij niet vergeten. Zij vluchtte echter in 1945 naar Denemarken en leefde sinds 1948 in Bad Nenndorf. Zij werkte als journaliste en was vanaf 1927 zelfstandig schrijfster. In 1916 ontving ze de Kleistprijs en in 1940 de Goetheprijs van de stad Frankfurt am Main.

 

Heimweh

Ich hörte heute morgen
am Klippenhang die Stare schon.
Sie sangen wie daheim,
und doch war es ein andrer Ton.

 

Und blaue Veilchen blühten
auf allen Hügeln bis zur See.
In meiner Heimat Feldern
liegt in den Furchen noch der Schnee.

 

In meiner Stadt im Norden
stehn sieben Brücken, grau und greis,
an ihre morschen Pfähle
treibt dumpf und schütternd jetzt das Eis.

 

Und über grauen Wolken
es fein und engelslieblich klingt –
und meiner Heimat Kinder
verstehen, was die erste Lerche singt

Miegel

Agnes Miegel (9 maart 1879 – 26 oktober 1964)

 

De Italiaanse schrijver Umberto Saba werd geboren op 9 maart 1883 in Triëst. Hij noemde zijn eigen dichtwerk ‘een soort Odyssee van een man van onze tijd’. Naast poëzie schreef Saba verhalen, essayistische fragmenten, en vele brieven. Zijn vroegste verhalen beschrijven de wereld van zijn jeugd: de ‘wonderbaarlijke’, kosmopolitische stad die Triëst was, het leven in de joodse wijk. In de dreigende atmosfeer van de jaren dertig begon hij met het schrijven van korte en ultrakorte prozafragmenten, de Breviaturen en kleine verhalen, waarin hij op de Italiaanse en Europese actualiteit inhaakte en zich een scherp moralist betoont. Ook schreef hij de kleine roman Ernesto, het met grote gevoeligheid vastgelegde verslag van de eerste ervaringen van een jongen met volwassen worden en seksualiteit.

 

Groentewinkel

Groenten en fruit, de kleuren van het mooie

seizoen. Enkele manden waarin zoete

vlezige vruchten de begeerte wekken.

 

Er komt een knaap met blote benen binnen,

gebiedend, en weg is hij weer.

                                                        De kleine

bescheiden winkel lijkt opeens heel duister,

grijs als een moeder.

                                        Buiten, in het zonlicht,

spoedt hij zich weg, lichtvoetig, met zijn schaduw.

 

Vertaald door Ike Cialona

Saba

Umberto Saba (9 maart 1883 – 25 augustus 1957)

 

De Oostenrijkse schrijver Peter Altenberg werd geboren op 9 maart 1859 in Wenen als Richard Engländer. Peter Altenberg was het grootste Original in de Weense literatuur. Waar tijdgenoten meer kozen voor de pose van de schrijver als het chique, afstandelijke heertje, was Altenberg een bekend, en alom geliefd stadgenoot, die geen onderscheid maakte tussen hoog en laag, kunst en kitsch, schrijven en leven. Altenberg sprak met iedereen, Stadtmitte, Ringstrasse of Vorstadt, literator of prostituée. Er weefden zich veel verhalen om deze man heen, die zichzelf nauwelijks kon redden, maar bij zijn dood wel 100.000 Kronen op zijn rekening bleek te hebben. Midden jaren tachtig vervreemdde Altenberg van zijn familie en ging hij steeds meer het leven van een bohémien leiden. Hij werd eerst stamgast in Café Griensteidl, later in Café Central; het laatste Kaffeehaus gaf hij zelfs als thuisadres op. Hier zag hij de andere auteurs van Jung Wien – Alfred Polgar, Arthur Schnitzler. Ook vond hij er zijn grootste vrienden, bewonderaars en promotors: Hermann Bahr, de cultuurhistoricus Erich Friedell, architect Adolf Loos, en met name schrijver Karl Kraus (“Herr Karl”), die vaak voor hem zorgde. Zijn aanleg en ongeregelde levenswijze zorgden ervoor dat Altenberg steeds meer depressieve en paranoïde klachten kreeg. Alcohol speelde ook een rol, al geloofde Altenberg dat men zich eerder dood at.

 

Kaffeehaus

Du hast Sorgen, sei es diese, sei es jene – ins Kaffeehaus!
Sie kann, aus irgend einem, wenn auch noch so plausiblen Grunde, nicht zu dir kommen
ins Kaffeehaus!
Du hast zerrissene Stiefel – – Kaffeehaus!
Du hast 400 Kronen Gehalt und gibst 500 aus – – Kaffeehaus!
Du bist korrekt sparsam und gönnst Dir nichts – – Kaffeehaus!
Du bist Beamter und wärest gern Arzt geworden – – Kaffeehaus!
Du findest Keine, die Dir passt – – Kaffeehaus!
Du stehst innerlich vor dem Selbstmord – – Kaffeehaus!
Du hasst und verachtest die Menschen und kannst sie dennoch nicht missen — Kaffeehaus!
Man kreditiert Dir nirgends mehr – – Kaffeehaus!

Altenberg

Peter Altenberg (9 maart 1859 – 8 januari 1919)