Het laatste avondmaal (Nicolaas Beets)

 

Bij de tweede zondag na Pinksteren (Feest van het H. Sacrament)

 


Laatste Avondmaal door Valentin de Boulogne, ca. 1625

 

Het laatste avondmaal
Mark. XIV v. 22-24.

Toen hij zijn bijzijn was ontvloden,
Wien Jezus, in den laatsten nacht,
De bittre bete had geboden.
Die al zijn bloed aan ’t gisten bracht;
Toen Judas, om, naar ’t woord des Heeren,
Met haast te doen hetgeen hij deed,
Zijn heilig aangezicht vermeed,
Om met dien kus terug te keeren!

Toen de ijslijke ure was gekomen,
Waarin de kampstrijd aan zou gaan,
Werd op zijn wezen niets vernomen.
Dat angst of droef heid kon verraân;
Hij zag in wat Hij zou beginnen,
In ieder foltring Hem bereid,
Al zijn aanstaande heerlijkheid,
En in zijn strijden ’t overwinnen.

Nog eens tot de Elve dan gesproken,
Van liefde en eendracht, moed en trouw!
Toen heeft Hij plechtig ’t brood gebroken,
Daar elk van hen van eten zou.
Toen heeft Hij, aan dien heilgen dissche,
Den laatsten beker om doen gaan,
Zoo als ’t nog heden wordt gedaan,
Ter maaltijd der gedachtenisse.

O Beeldspraak van de felste smart:
Gebroken brood, vergoten wijn!
Moet gij voor mijn geloovig harte
Van ’s Heilands dood de teeknen zijn!
Gewis; zijn lichaam werd verbroken,
Om mij te redden van ’t verderf,
Zijn hand doorgriefd, zijn zij’ doorstoken,
Opdat ik Gods gena verwerf.

Als ik ’t gebroken brood dan ete,
En proeve den vergoten wijn,
Mijn Heiland! dat ik nooit vergete
Hoe veel en groot mijn zonden zijn!
Opdat ik voor mijzelf mij schame,
Maar, overtuigd van Gods gena,
Van uw gewijde tafel ga,
Op nieuw versterkt in uwen name.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
De Nieuwe Kerk in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

Zie voor de schrijvers van de 3e juni ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

St. Matthew (D. H. Lawrence)

 

Bij de eerste zondag na Pinksteren

 


De verschijning van Christus op de berg van Galilea door Duccio di Buoninsegna, 1308 – 1311

 

St. Matthew

They are not all beasts.
One is a man, for example, and one is a bird.

I, Matthew, am a man.

“And I, if I be lifted up, will draw all men unto me”–

That is Jesus.
But then Jesus was not quite a man.
He was the Son of Man
Filius Meus, O remorseless logic
Out of His own mouth.

I, Matthew, being a man
Cannot be lifted up, the Paraclete
To draw all men unto me,
Seeing I am on a par with all men.

I, on the other hand,
Am drawn to the Uplifted, as all men are drawn,
To the Son of Man
Filius Meus

Wilt thou lift me up, Son of Man_?
How my heart beats!
I am man.

I am man, and therefore my heart beats, and throws
the dark blood from side to side
All the time I am lifted up.

Yes, even during my uplifting.

And if it ceased?
If it ceased, I should be no longer man
As I am, if my heart in uplifting ceased to beat, to toss the
dark blood from side to side, causing my myriad secret
streams.

After the cessation
I might be a soul in bliss, an angel, approximating to the
Uplifted;
But that is another matter;
I am Matthew, the man,
And I am not that other angelic matter.

So I will be lifted up, Saviour,
But put me down again in time, Master,
Before my heart stops beating, and I become what I am not.
Put me down again on the earth, Jesus, on the brown soil
Where flowers sprout in the acrid humus, and fade into
humus again.
Where beasts drop their unlicked young, and pasture, and

drop their droppings among the turf.
Where the adder darts horizontal.
Down on the damp, unceasing ground, where my feet belong
And even my heart, Lord, forever, after all uplifting:
The crumbling, damp, fresh land, life horizontal and ceaseless.

Matthew I am, the man.
And I take the wings of the morning, to Thee, Crucified,
Glorified.
But while flowers club their petals at evening
And rabbits make pills among the short grass
And long snakes quickly glide into the dark hole in the
wall, hearing man approach,
I must be put down, Lord, in the afternoon,
And at evening I must leave off my wings of the spirit
As I leave off my braces
And I must resume my nakedness like a fish, sinking down
the dark reversion of night
Like a fish seeking the bottom, Jesus,
ICTHUS
Face downwards
Veering slowly
Down between the steep slopes of darkness, fucus-dark,
seaweed-fringed valleys of the waters under the sea
Over the edge of the soundless cataract
Into the fathomless, bottomless pit
Where my soul falls in the last throes of bottomless convulsion,
and is fallen
Utterly beyond Thee, Dove of the Spirit;
Beyond everything, except itself.

Nay, Son of Man, I have been lifted up.
To Thee I rose like a rocket ending in mid-heaven.
But even Thou, Son of Man, canst not quaff out the dregs
of terrestrial manhood!
They fall back from Thee.

They fall back, and like a dripping of quicksilver taking the
downward track.
Break into drops, burn into drops of blood, and dropping,
dropping take wing
Membraned, blood-veined wings.

On fans of unsuspected tissue, like bats
They thread and thrill and flicker ever downward
To the dark zenith of Thine antipodes
Jesus Uplifted.

Bat-winged heart of man
Reversed flame
Shuddering a strange way down the bottomless pit
To the great depths of its reversed zenith.

Afterwards, afterwards
Morning comes, and I shake the dews of night from the
wings of my spirit
And mount like a lark, Beloved.

But remember, Saviour,
That my heart which like a lark at heaven’s gate singing,
hovers morning-bright to Thee,
Throws still the dark blood back and forth
In the avenues where the bat hangs sleeping, upside-down
And to me undeniable, Jesus.

Listen, Paraclete.
I can no more deny the bat-wings of my fathom-flickering
spirit of darkness
Than the wings of the Morning and Thee, Thou Glorified.

I am Matthew, the Man:
It is understood.
And Thou art Jesus, Son of Man
Drawing all men unto Thee, but bound to release them
when the hour strikes.

I have been, and I have returned.
I have mounted up on the wings of the morning, and I
have dredged down to the zenith’s reversal.
Which is my way, being man.
Gods may stay in mid-heaven, the Son of Man has climbed
to the Whitsun zenith,
But I, Matthew, being a man
Am a traveller back and forth.
So be it.

 


D. H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)
Een vroeg 20ste-eeuws gezicht op St. Mary’s Church, Eastwood, de geboorteplaats van D. H. Lawrence. Het hoofdgedeelte van de kerk werd in de jaren zestig door brand verwoest.

 

Zie voor de schrijvers van de 27e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Pinksteren II (Willem de Mérode)

Prettige Pinksterdagen!

 

 
De nederdaling van de Heilige Geest door Francesco de Mura, midden 18e eeuw

 

Pinksteren II

Wij smeeken: met Uw Geestes gloed
Verteer ons als een offerande.
O, dit is onze diepe schande
Dat wij zoo koud zijn van gemoed.

Als een versiersel op ons hoofd
Willen we uw stille vlam wel dulden,
O God, vergeef ons onze schulden,
Dit: dat ons hart is uitgedoofd.

Neem weg, het vooze pronkend woord,
Dat U niet kent, ons niet behoort,
Geleend geluk, geborgde schande,

En hoor de oprechte rauwe kreet,
Die scheuren in Uw hemel reet
Verteer ons als een offerande.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 –  22 mei 1939)
Spijk, de geboorteplaats van Willem de Mérode, geschilderd door Ciano Siewert, z.j.

 

Zie voor de schrijvers van de 21e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Johannes (Willem de Mérode)

Bij de zesde zondag na Pasen

 

 
Sint Johannes de Evangelist door Vladimir Borovikovsky, tussen 1804 en 1809

 

Johannes

De dag verduisterde over ’t meer
De malve bergen brandden wijd.
Het glitsend water, heinde en veer,
Glimpte van vlugge zilvrigheid.
Daar schoot de visch op glanzen vin
De hoogten en de diepten in.

Licht wiebelde de kleine boot
Onder het groote bruine zeil.
De vader vierde ruim de schoot.
De jonge zonen onderwijl
Zagen hoe ’t net al blanker blonk
En voelden hoe het strakker zonk.

En langzaam werd het opgerukt
En in de wanke schuit gelegd.
De buit werd uit de lus geplukt,
Geschift; en weinig werd gezegd.
En slechts Johannes zong en riep
Toen ’t bootje ’t stadje binnenliep.

Jezus kwam langs het strand gegaan
En luisterde op zijn klare stem,
En zag zijn drukke blijdschap aan,
En Hij beminde hem.
En riep hem kalm, maar even blij:
Johannes! Kom, en blijf bij mij!

Wie kent de harten, en wie weet,
Wàt blik, wàt klank zóó diep ontroerd,
Dat men zijn huis en bloed vergeet
En plots aan alles is ontvoerd?
Nauw heeft hij Jezus’ stem gehoord,
Of ijlings zwingt hij zich van boord.

O hart dat roept, o hart dat hoort:
Ik heb u lief! Ik heb U lief!
De vreemden hebben ’t niet gehoord,
Toen Hij hem in zijn armen hief.
Maar voor Johannes is het licht:
Hij kent Gods hart en aangezicht.

En schoon des Heeren eenzaamheid
Zich over wijder kring verliest,
Blijft tot den dood Hem ’t hart gewijd,
Dat Hem bemint, dat Hij verkiest.
En, erfgenaam van ’s Heeren plicht,
Maakt hij de Moeder ’t leven licht.

O, na den korten tijd van rouw,
Had plotsling elk Hem levend weer.
Zij bleef de hooge klare Vrouw,
En hij de vriend slechts van den Heer.
Maar beiden roemden nooit genoeg
Dat elk des Heeren liefde droeg.

Die jong Gods hooge liefde won,
En levenslang zijn minnen droeg,
Werd als een zomerdag vol zon.
Een ieder wist en niemand vroeg.
En toen hij eindelijk verzonk,
Bleef lang de hemel licht en blonk.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
De Andreaskerk in het Groningse dorp Spijk, de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor de schrijvers van de 13e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

De hemelvaart (Nicolaas Beets)

 

Bij Hemelvaartsdag

 

 
Christi Himmelfahrt. Schilderij boven het hoofdaltaar in de Hofkirche, Dresden, door Anton Raphael Mengs, 1756

 

De hemelvaart
Handel. I. v. 4-12.

De verlatenen

Hij heeft voor ’t laatst den Berg bestegen,
En zijn disciplenschaar met Hem;
Nu klinkt nog eens zijn vriendenstem,
En uit zich in den jongsten zegen;
Daar rijst voor hun verbijsterd oog,
De Heer, nog zegenend omhoog,
En zweeft den ruimen hemel tegen.

Gewis ten hemel moest Hij varen,
Die uit den hemel was gedaald;
Die onder menschen had gedwaald,
Hernam ’t gebied der Englenscharen;
Het elfgetal, verstomd van schrik,
Staat met onafgewenden blik,
En houdt niet op Hem na te staren.

Maar ras onttrekt Hem aan hunne oogen
Een wolk, die om Hem henen zweeft,
En den verheven Christus heeft
Als met een wijd gewaad omtogen.
Is dit de wolke, die voorheen,
Op Isrels heiligdom verscheen,
Der heerlijkheid van God den Hoogen?

De Jongren waren diep verslagen,
En hielden ’t hoofd ter aard gebukt,
Als van een vreemden droom gedrukt,
En durfden vraag noch uitroep wagen.
Hun Heer was heerlijk weggegaan!
Maar wie, wie zou hun ziel voortaan
Versterken, leeren, onderschragen?

Weer beuren zij den blik ten hoogen,
Of niets meer zichtbaar zij van Hem!
– Daar vangt hun oor een hemelstem;
Twee Englen stonden voor hun oogen:
‘Gij Galileërs, staart niet meer!
Uw Heer komt even zeker weer,
Als Hij van u is weggetogen!’

Zoo treurt niet als verlaten weezen,
Keert weder naar Jeruzalem;
Gedenkt, vereert, verkondigt Hem;
Hij zal ook deze smart genezen.
Gaat henen en verwacht den Geest.
Hij komt, Hij komt op ’t Pinksterfeest!
De Zone Gods zij luid geprezen!

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Koepel van de Sint Bavo kathedraal in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

Zie voor de schrijvers van de 10e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Beloved, let us love one another,’ says St. John (Christina Rossetti)

Bij de vijfde zondag na Pasen

 


Ikoon van Jezus met St. Johannes de Geliefde Discipel door Ann Chapin, 2012

 

Beloved, let us love one another,’ says St. John

‘Beloved, let us love one another,’ says St. John,
Eagle of eagles calling from above:
Words of strong nourishment for life to feed upon,
‘Beloved, let us love.’

Voice of an eagle, yea, Voice of the Dove:
If we may love, winter is past and gone;
Publish we, praise we, for lo it is enough.

More sunny than sunshine that ever yet shone,
Sweetener of the bitter, smoother of the rough,
Highest lesson of all lessons for all to con,
‘Beloved, let us love.’

 

 
Christina Rossetti (5 december 1830 – 27 december 1894)
St John’s Church, Waterloo, Londen, de geboorte plaats van Christina Rossetti

 

Zie voor de schrijvers van de 6e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Der Weinstock und die Reben (Julie Hausmann)

Bij de vierde zondag na Pasen

 

 
Christus de ware wijnstok, Roemeense ikoon

 

Der Weinstock und die Reben
Joh. 15.

Geh’ ich des Weinstocks Blätter und Ranken
Ringsum in Gärten, in Tälern und Höh’n,
Wie sie im Winde grüßen und schwanken,
Hab’ ich so meine eig’nen Gedanken,
Glaub’ ernste Fragen daraus zu versteh’n:

„Bist du auch eine der grünenden Reben,
Die an dem Weinstock nicht bloß zum Schein
Lose von außen nur haften und kleben?
Ziehst du aus Ihm allein Kräfte und Leben?
Bist du im Geist und Wahrheit auch Sein?

Läßt du von unnützen, schädlichen Trieben
Willig und demütig stets dich befrein?
Bist du im Schmerz auch am Weinstock geblieben,
Brachtest du Früchte im Leiden und Lieben,
Deren sich Gott und die Menschen erfreun?

Bist du, seit deiner Erweckung zum Leben,
Täglich gewachsen an Leben und Kraft?
Ist dir geschehn, was verheißen den Reben,
Daß, was du batest, dir wurde gegeben,
Daß auf dem Flehn Er auch Wunder noch schafft?

Ach, diese weinlaub-gekröneten Höhen —
Greift ihre Sprache ins Herz nicht hinein?
Was ist an mir wohl von Leben zu sehen? —
Herr, mein Erbarmer, wie soll ich bestehen?
Pflanz’ in Dein Leben aufs Neue mich ein!

 

 
Julie Hausmann (19 maart 1826 – 15 augustus 1901)
De Petruskerk en het Zwarthoofdenhuis in Riga, de geboorteplaats van Julie Hausmann

 

Zie voor de schrijvers van de 29e april ook mijn vorige blog van vandaag.

The Good Shepherd (Stanley Moss)

Bij de derde zondag na Pasen

 

 
The Good Shepherd door Richard Hook (1914-1975)

 

The Good Shepherd

Because he would not abandon the flock for a lost sheep
after the others had bedded down for the night,
he turned back, searched the thickets and gullies.
Sleepless, while the flock dozed in the morning mist
he searched the pastures up ahead. Winter nearing,
our wool heavy with brambles, ropes of muddy ice,
he did not abandon the lost sheep, even when the snows came.

Still, I knew there was only a thin line
between the good shepherd and the butcher.
How many lambs had put their heads between the shepherd’s knees,
closed their eyes, offering their neck to the knife?
Familiar – the quick thuds of the club doing its work.
More than once at night I saw the halo coming.
I ran like a deer and hid among rocks,
or I crawled under a bush, my heart in thorns.

During the day I lived my life in clover
watching out for the halo.
I swore on the day the good shepherd catches hold,
trying to wrestle me to the ground and bind my feet,
I will buck like a ram and bite like a wolf,
although I taste the famous blood
I will break loose! I will race under the gates of heaven,
back to the mortal fields, my flock, my stubbled grass and mud.

 

 
Stanley Moss (Woodhaven, 21 juni 1925)
Woodhaven, Queens, de wijk in New York waar Stanley Moss geboren werd.

 

Zie voor de schrijvers van de 22e april ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Emmaüs (Felix Timmermans)

Bij de tweede zondag na Pasen

 

 
De Emmaüsgangers door Abraham Bloemaert, 1622

 

Emmaüs

‘Heer blijf bij ons, de zon gaat onder.’
Wij boden dan het avondbrood
de vreemde man, die langs de baan
met ons was meegegaan.
En wijl hij, ‘t zegenend, de ogen sloot,
gebeurde het: Zijn aangezicht
verklaarde in een hemels licht,
waarin Hij plotseling verdween…
Dit was het wonder.
Wij stonden weer alleen,
doch vouwden blij onz’ handen.
Het was alsof Hij door ons heen verdween
en ‘t licht in ons is blijven branden.
Blijf zo in ons, o Heer, de zon gaat onder!

 

 
Felix Timmermans (5 juli 1886 – 24 januari 1947)
De Sint-Gummarus kerk in Lier, de geboorteplaats van Felix Timmermans

 

Zie voor de schrijvers van de 15e april ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Thomas (Jan Willem Schulte Nordholt)

 

Bij Beloken Pasen

 

 
De ongelovige Thomas door Peter Paul Ruben, 1613 – 1615

 

Thomas

Als God bestond dan viel hij met ons samen
hier op aarde waar wij mensen zijn,
was hij het brood van ons, was hij de wijn
was hij de stem waarvoor we ons zouden schamen.

Was hij de groene ziel bij ons van binnen,
de vleugel die ons hart had aangeraakt,
het licht waarin ons leven was ontwaakt,
en onze pijn en wildernis van zinnen.

Hij is een glans die langs de sterren gaat,
een adem in een ontoegankelijk licht.
Hij is zo heilig dat hij niet bestaat.

Als ik hem niet aanraak met deze hand,
hem kus met deze mond, met dit gezicht
hem in mij opneem, en hij mij verbrandt.

 

 
Jan Willem Schulte Nordholt (12 september 1920 – 16 augustus 1995)
De Grote Kerk in Zwolle, de geboorteplaats van Jan Willem Schulte Nordholt

 

Zie voor de schrijvers van de 8e april ook mijn vorige twee blogs van vandaag.