Ernest van der Kwast, Rawi Hage, Adonis, Jonas T. Bengtsson, Chantal van Gastel, Inge Schilperoord

De Nederlandse schrijver Ernest van der Kwast werd geboren in Bombay, India, op 1 januari 1981. Zie ook alle tags voor Ernest van der Kwast op dit blog.

Uit: Het wonder dat niet omvalt

‘Step, step, los!’ De vrouwen beginnen met kikkersprongen. De billen op het zadel, de voeten op de grond. Tatjana Wechgelaar kijkt hen na. Ze is coördinator Fietsles voor Stichting Wilskracht Werkt. Na drie lessen mogen de vrouwen een voet op het linker- of rechterpedaal plaatsen, maar ook dan moet er worden gestept. ‘De balans is het belangrijkst,’ zegt de platinablonde Tatjana. ‘Trappen kan iedere idioot.’
De cursisten van Fietsles zijn vrijwel allemaal van allochtone afkomst. Vrouwen die nooit op een fiets hebben gezeten, die weinig buiten komen en ‘die de hele dag thuis baklava zitten te eten,’ zegt Tatjana. Ze leert hen allen fietsen. Door middel van kikkersprongen, theorielessen en speciale manoeuvres. Sommige vrouwen doen er twee maanden over, andere zijn een jaar bezig.
De cursus wordt twee keer per week gegeven, op Zuid en in Noord. Een les duurt twee uur en gaat altijd door, ook als het regent of vriest. Maar de weersomstandigheden zijn niet de grootste hindernis. ‘Dat is het zadel,’ zegt Tatjana. ‘Bijna alle cursisten hebben pijn aan hun billen, en natuurlijk aan de edele delen,’ fluistert ze. Dat komt deels door gebrek aan ervaring, maar ook door het overgewicht van sommige cursisten. Een met gel gevulde zadelhoes van de Action biedt uitkomst. Vrijwel alle vrouwen hebben er een.
Eén mevrouw heeft er zelfs drie, die ze over elkaar om haar zadel doet. ‘Maar ze heeft nog steeds pijn,’ zegt Tatjana, die haar cursisten ‘kuikentjes’ noemt – ook als ze honderdvijftig kilo wegen.
Drie jaar geleden is ze begonnen bij Wilskracht Werkt, nadat ze door haar vorige werkgever boventallig was verklaard. Er was al een fietsproject, maar dat liep niet zo lekker. ‘Daar ga ik mijn tanden in zetten, dacht ik,’ vertelt Tatjana. En dat heeft ze gedaan.
Vorig jaar leerde ze maar liefst honderd vrouwen fietsen door de straten van de stad. Daarnaast heeft ze de sociale dienst als klant binnengehaald.”


Ernest van der Kwast (Bombay, 1 januari 1981)


De Libanees-Canadese schrijver en fotograaf Rawi Hage werd geboren op 1 januari 1964 in Beiroet. Zie ook alle tags voor Rawi Hage op dit blog.

Uit: Cockroach

“I am in love with Shohreh. But I don’t trust my emotions anymore. I’ve neither lived with a woman nor properly courted one. And I’ve often wondered about my need to seduce and possess every female of the species that comes my way. When I see a woman, I feel my teeth getting thinner, longer, pointed. My back hunches and my forehead sprouts two antennae that sway in the air, flagging a need for attention. I want to crawl under the feet of the women I meet and admire from below their upright posture, their delicate ankles. I also feel repulsed — not embarrassed, but repulsed — by slimy feelings of cunning and need. It is a bizarre mix of emotions and instinct that comes over me, compelling me to approach these women like a hunchback in the presence of schoolgirls. Perhaps it’s time to see my therapist again, because lately this feeling has been weighing on me. Although that same urge has started to act upon me in the shrink’s presence. Recently, when I saw her laughing with one of her co-workers, I realized that she is also a woman, and when she asked me to re-enact my urges, I put my hand on her knee while she was sitting across from me. She changed the subject and, calmly, with a compassionate face, brushed my hand away, pushed her seat back, and said: Okay, let’s talk about your suicide. Last week I confessed to her that I used to be more courageous, more carefree, and even, one might add, more violent. But here in this northern land no one gives you an excuse to hit, rob, or shoot, or even to shout from across the balcony, to curse your neighbours’ mothers and threaten their kids. When I said that to the therapist, she told me that I have a lot of hidden anger. So when she left the room for a moment, I opened her purse and stole her lipstick, and when she returned I continued my tale of growing up somewhere else. She would interrupt me with questions such as: And how do you feel about that? Tell me more. She mostly listened and took notes, and it wasn’t in a fancy room with a massive cherrywood and leather couch either (or with a globe of an ancient admiral’s map, for that matter). No, we sat across from each other in a small office, in a public health clinic, only a tiny round table between us. I am not sure why I told her all about my relations with women. I had tried many times to tell her that my suicide attempt was only my way of trying to escape the permanence of the sun. With frankness, and using my limited psychological knowledge and powers of articulation, I tried to explain to her that I had attempted suicide out of a kind of curiosity, or maybe as a challenge to nature, to the cosmos itself, to the recurring light. I felt oppressed by it all.”


Rawi Hage (Beiroet, 1 januari 1964)


De Syrische schrijver Adonis (pseudoniem van Ali Ahmad Sa’id) werd geboren op 1 januari 1930 in Qassabin in het noorden van Syrië. Zie ook alle tags voor Adonis op dit blog.


Desert (Fragment)

Tower Square—(an engraving whispers its secrets
                                                       to bombed-out bridges . . . )
Tower Square—(a memory seeks its shape
                                                       among dust and fire . . . )
Tower Square—(an open desert
                                                       chosen by winds and vomited . . . by them . . . )
Tower Square—(It’s magical
to see corpses move/their limbs
in one alleyway, and their ghosts
in another/and to hear their sighs . . . )
Tower Square—(West and East
                            and gallows are set up—
                            martyrs, commands . . . )
Tower Square—(a throng
            of caravans: myrrh
                           and gum Arabica and musk
                                         and spices that launch the festival . . . )
Tower Square—(let go of time . . .
                                          in the name of place)

—Corpses or destruction,
                is this the face of Beirut?
—and this
             a bell, or a scream?
—A friend?
—You? Welcome.
            Did you travel? Have you returned? What’s new with you?
—A neighbor got killed . . . /

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

A game /
—Your dice are on a streak.
—Oh, just a coincidence /

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

                                Layers of darkness
                                and talk dragging more talk.

Adonis (Qassabin, 1 januari 1930)


De Deense schrijver Jonas T. Bengtsson werd geboren op 1 januari 1976 in Kopenhagen. Zie ook alle tags voor Jonas T. Bengtsson op dit blog.

Uit: Wie keiner sonst (Vertaald door Frank Zuber)

„Auf den grauen Platten des Bürgersteigs sind dunkle Flecken, wie Farbe. Die Kamera bewegt sich dichter heran. Blut, sagt mein Vater, ohne den Blick abzuwenden.
Wieder gehen wir die Straße entlang. Schnell, als müssten wir vor den Bildern im Fernsehen davonrennen. Ich glaube, wir sind auf dem Heimweg, aber bei der geschlossenen Metzgerei geht mein Vater nach rechts. Hinunter zum Hafen, durch die schmale, gepflasterte Gasse. Mein Vater setzt sich auf eine Eisenschwelle, ich setze mich so dicht wie möglich neben ihn. Das Wasser vor uns ist schwarz. Ein paar Kutter fahren ein, weiter rechts steht ein großer Kran, sein Haken hängt direkt über dem Wasser. Der Himmel ist grau. Mein Vater verbirgt das Gesicht im Mantelärmel, laute Schluchzer dringen durch den dicken Stoff. Er hält meine Hand so fest, dass es wehtut. »Jetzt haben sie ihn«, sagt er. »Verdammt, jetzt haben sie ihn.« Es ist das erste Mal, dass ich meinen Vater weinen sehe. Ich frage, ob er Palme kannte, aber er antwortet nicht. Er drückt mich fest an sich. Ich habe eiskalte Füße. »Jetzt haben sie ihn«, sagt er. Der Wind schäumt die Wellen auf. »Ich glaube, wir müssen bald umziehen«, sagt er.“

Jonas T. Bengtsson (Kopenhagen, 1 januari 1976)


De Nederlandse schrijfster Chantal van Gastel werd geboren op 1 januari 1980 in Breda. Zie ook alle tags voor Chantal van Gastel op dit blog.

Uit: Zwaar verguld!

“Floor komt het wc-hokje uit. ‘Alsof er een paar kilo bakstenen in mijn buik zit.’ Ze wast haar handen en kijkt naar mij. ‘Het geeft een drukkend gevoel naar beneden toe, is dat normaal?’ `Ik denk dat deze dag iets te veel van je gevergd heeft,’ zeg ik glimlachend omdat mijn vriendinnen mijn baan als dierenarts zo serieus nemen dat ze ook met hun eigen medische klachten naar me toe komen. Ze leunt met haar handen op de wastafel en zucht. ‘En mijn rug…’ `Je bent ook al de hele dag op de been,’ zeg ik, terwijl ik mijn handen op haar onderrug leg en haar spieren voorzichtig losmaak. ‘Misschien is het tijd om even een stapje terug te doen.’ `Ga zo meteen even lekker zitten…’ stelt Daphne voor. `Zitten?’ Floor lacht en veert meteen op. ‘Ik heb amper de kans gehad om met mijn knappe man te dansen. Dat ga ik eerst doen!’ `Ze voelt zich meteen beter,’ grap ik. `Het gaat alweer,’ antwoordt ze. ‘Het komt en gaat een beetje.’ Daphne steekt haar wijsvinger op. ‘Luister naar je lichaam, Floor.’ `Mijn lichaam wil dansen op mijn bruiloft.’ Ze slaat haar armen om ons heen. ‘En om goed te maken dat ik je zojuist tijdens het plassen bestormde, gun ik jou een plaatsje op de eerste rij tijdens mijn bevalling, Daph. Dan staan we weer quitte.’ Lachend verlaten we de wc. Dat aanbod sla ik liever af,’ antwoordt Daphne, maar ze is nauwelijks verstaanbaar door de harde muziek. Het feest is in volle gang. `Ik ga Mas zoeken,’ zegt Floor en ondertussen speur ik de ruimte af naar de man van mijn leven. Ik ontdek hem aan de andere kant van de volle zaal, aan een statafel. Hij staat te praten met zijn broer Robin, zijn beste vriend Kai — de eigenaar van deze club — én met mijn zusje Tamara. Ruben heeft zijn jasje en stropdas uitgetrokken en de boord van zijn overhemd is los. Het gesprek is geanimeerd. Tamara gooit haar hoofd schaterlachend achterover om iets wat hij zegt. Ik kan mijn ogen niet van hem afhouden. Kai neemt het woord en de aandacht van Ruben lijkt te verslappen. Hij kijkt over hem heen naar de dansende mensen in het midden van de zaal. Dan ziet hij mij. We kijken elkaar aan, hij lacht naar me en dat is alles wat ik nog zie. Hij zet zijn biertje op tafel en langzaam komt hij naar me toe. Als hij voor me staat, pakt hij mijn hand vast. Er gaan wat lichten uit en de eerste tonen van een John Mayernummer spelen. ‘Mag ik met mijn verloofde dansen?’ vraagt hij. Ruben en ik… Ik zal eerlijk zijn, een paar maanden geleden had ik niet meer durven hopen dat we ooit weer zo hecht zouden zijn. Ik zal niet beweren dat alles tussen ons plotseling opgelost is, maar ik heb me werkelijk nooit eerder zo met iemand verbonden gevoeld dan met hem sinds de dag dat ik me — op nogal beschamende wijze — volledig aan hem blootgegeven heb.“


Chantal van Gastel (Breda, 1 januari 1980)


De Nederlandse schrijfster Inge Schilperoord werd geboren op 1 januari 1973. Zie ook alle tags voor Inge Schilperoord op dit blog.

Uit: Muidhond

“Alles was zo ondraaglijk. Vooral de nabijheid van al die mannen. De misselijkmakende etensgeuren.
Maar dat was nu voorbij, even plotseling als het was begonnen. Ondanks alles had het toch plotseling geleken. Vorige week was de zoveelste rechtszitting; de hele dag in het beklaagdenbankje, de woorden van zijn advocaat, die zoals altijd langs hem heen gleden.
En gistermiddag dan de officiële brief van het gerechtshof. Hij was in hoger beroep vrijgesproken. Toch nog. Tegen alle vrees in. Daarmee kwam alles te vervallen: de eerder opgelegde gevangenisstraf, de tbs-behandeling. Er was onvoldoende bewijs. Het shirt waar, zoals de officier van justitie het noemde, volgens de verklaringen van het slachtoffer belastende sporen op zouden zitten, was niet teruggevonden. ‘Het Openbaar Ministerie kan nu nog een keer in beroep gaan,’ legde zijn advocaat hem op de gang uit, ‘maar dat verwacht ik niet.’ Alleen als er meer bewijs gevonden zou worden, kon de zaak worden heropend. Maar wie kon zeggen of dat zou gebeuren? Voor nu was hij vrij.
Hij slikte moeizaam. Alsof er iets hards en puntigs, een graat, vastzat in zijn keelgat. Hij schraapte zijn keel, zuchtte, sloot zijn ogen en sperde zijn neusgaten open. Hij richtte zich op zijn ademhaling, voordat de spanning zich zou vastzetten in zijn schouders. Dat had hij zo geleerd tijdens de pre-therapie, zoals dat werd genoemd. Of ook wel: individuele dadertherapie, therapie die in de gevangenis een aanvang nam en hem zou voorbereiden op de behandeling in de kliniek. Een paar weken geleden was die opgestart met de gevangenispsycholoog. De eerste fase.
‘Nu rustig ademhalen,’ fluisterde hij tegen zichzelf en hij keek naar het vage silhouet van zijn gezicht in de ruit, de uitstekende kin en scherpe jukbeenderen, zijn voorhoofd. ‘In door je neus.’ Hij sloot zijn ogen even kort en opende ze weer, ‘vasthouden, en dan langzaam, langzaam uit door je mond.’ Tien keer herhaalde hij dit, altijd tien keer. ‘Zo brengen we het middenrif tot rust en laten we alle stress van ons afglijden. Voeten op de aarde.’ Hij bleef fluisteren, ook al was hij de enige passagier in de bus. Hij voelde hoe zijn middenrif tot rust kwam, zijn adem kalmeerde, en ondertussen masseerde hij met zijn knokkels de harde pijnlijke spieren van zijn nek.”


Inge Schilperoord (Den Haag(?), 1 januari 1973)


Zie voor nog meer schrijvers van de 1e januari ook mijn vorige drie blogs van vandaag.

Rawi Hage

De Libanees-Canadese schrijver en fotograaf Rawi Hage werd geboren op 1 januari 1964 in Beiroet en groeide op in Libanon en Cyprus. Hij verhuisde in 1984 naar New York City. In 1991 verhuisde hij naar Montreal, waar hij fotografie studeerde aan het Dawson College en Fine Arts aan de Concordia University. Hij begon vervolgens te exposeren als fotograaf en werk van hem is verworven door het Canadese Museum of Civilization in de hoofdstad van Canada. Hij heeft een MFA van de Université du Québec in Montréal (UQAM). Naast zijn werk als schrijver en beeldend kunstenaar was Hage ook een tijd taxichauffeur in Montreal. Hage publiceerde journalistiek en fictie in verschillende Canadese en Amerikaanse tijdschriften en in de PEN America Journal. Voor zijn debuutroman, “De Niro’s Game” (2006) ontving hij de internationale IMPAC Dublin Literary Award 2008. Het boek werd genomineerd voor de Scotiabank Giller-prijs 2006 en de 2006 Governor General’s Award voor Engelse fictie. “De Niro’s Game” kreeg ook twee prijzen in Quebec, de Hugh MacLennan Prize for Fiction en de McAuslan First Book Prize. Zijn tweede roman “Cockroach” verscheen in 2008 en werd ook genomineerd voor de Giller Prize, de Governor General’s Award en de Rogers Writers ‘Trust Fiction Prize. Hage was de winnaar van de Hugh MacLennan Prize for Fiction in 2008 en 2012 voor zijn boeken “Cockroach” en “Carnival”. In augustus 2013 werd hij de negende Vancouver Public Library’s writer in residence. Hage is de partner van romanschrijfster Madeleine Thien.

Uit: De Niro’s Game

“Ten thousand bombs had landed on Beirut, that crowded city, and I was lying on a blue sofa covered with white sheets to protect it from dust and dirty feet.
It is time to leave, I was thinking to myself. My mother’s radio was on. It had been on since the start of the war, a radio with Rayovac batteries that lasted ten thousand years. My mother’s radio was wrapped in a cheap, green plastic cover, with holes in it, smudged with the residue of her cooking fingers and dust that penetrated its knobs, cinched against its edges. Nothing ever stopped those melancholic Fairuz songs that came out of it.
I was not escaping the war; I was running away from Fairuz, the notorious singer.
Summer and the heat had arrived; the land was burning under a close sun that cooked our flat and its roof. Down below our white window, Christian cats walked the narrow streets nonchalantly, never crossing themselves or kneeling for black-dressed priests. Cars were parked on both sides of the street, cars that climbed sidewalks, obstructed the passage of worn-out, suffocating pedestrians whose feet, tired feet, and faces, long faces, cursed and blamed America with every little step and every twitch of their miserable lives.
Heat descended, bombs landed, and thugs jumped the long lines for bread, stole the food of the weak, bullied the baker and caressed his daughter. Thugs never waited in lines.
His motorcycle’s cadaverous black fumes reached my window, and its bubbly noise entered my room. I went downstairs and cursed Fairuz on the way out: that whining singer who makes my life a morbid hell.
My mother came down from the roof with two buckets in her hands; she was stealing water from the neighbour’s reservoir.
There is no water, she said to me. It only comes two hours a day.
She mentioned something about food, as usual, but I waved and ran down the stairs.
I climbed onto George’s motorbike and sat behind him, and we drove down the main streets where bombs fell, where Saudi diplomats had once picked up French prostitutes, where ancient Greeks had danced, Romans had invaded, Persians had sharpened their swords, Mamluks had stolen the villagers’ food, crusaders had eaten human flesh, and Turks had enslaved my grandmother.”

Rawi Hage (Beiroet, 1 januari 1964)