Pas op voor de hitte (Annie M.G. Schmidt), Ghayath Almadhoun, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

Heatwave door Jane Denman, 2019

 

Pas op voor de hitte

Denk aan juffrouw Scholten,
die is vandaag gesmolten,
helemaal gesmolten, op de Dam.
Dat kwam door de hitte,
daar is ze in gaan zitten
– als je soms wil weten hoe dat kwam.
Ze hebben het voorspeld: Pas op, juffrouw, je smelt!
Maar ze was ontzettend eigenwijs…
Als een pakje boter,
maar dan alleen wat groter,
is ze uitgelopen, voor het paleis.

Enkel nog haar tasje
lag daar in een plasje…
Alle kranten hebben het vermeld
op de eerste pagina.
Kijk het zelf maar even na.
Ja, daar staat het, kijk maar: dame smelt.

Die arme juffrouw Scholten…
helemaal gesmolten…
Als dat jou en mij eens overkwam…
Laten we met die hitte
overal gaan zitten…
maar vooral niet midden op de Dam.

 

Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)
Kapelle, de geboorteplaats van Annie M.G. Schmidt

 

De Zweeds – Palestijnse dichter, toneelschrijver, journalist en literair criticus Ghayath Almadhoun werd geboren op 19 juli 1979 in Damascus. Zie ook alle tags voor Ghayath Almadhoun op dit blog.

Hoe ik een dichter werd

Haar verdriet viel van het balkon en brak. Ze kreeg behoefte aan een nieuw verdriet. Toen ik met haar naar de markt ging, bleken de prijzen van verdriet onwaarschijnlijk hoog, dus adviseerde ik haar een tweedehands verdriet te kopen. We vonden een verdriet dat in goede staat verkeerde, het was alleen een beetje groot. Het had aan een jonge dichter toebehoord, die die zomer zelfmoord had gepleegd, vertelde de handelaar ons. Het verdriet beviel haar wel en we besloten het te nemen. Maar we waren het niet eens met de prijs, dus zei de handelaar dat hij er, als we het verdriet zouden kopen, gratis een pakketje leed uit de jaren zestig bij zou geven. We stemden in met zijn voorstel en ik was blij met het extra leed, waarop we niet hadden gerekend. Toen ze merkte hoe gelukkig ik ermee was, zei ze: ‘Je mag het hebben.’ Ik deed het leed in mijn tas en we gingen op weg. Die avond schoot het me weer te binnen. Ik haalde het uit mijn tas en bekeek het van alle kanten. Het was van hoge kwaliteit en verkeerde in goede staat, hoewel het al een halve eeuw was gebruikt. Kennelijk had de handelaar geen idee van de waarde gehad, anders had hij het ons vast niet gegeven in ruil voor de aanschaf van het onbeduidende verdriet van een jonge dichter. Wat me vooral tevreden stemde, was dat het existentieel leed was, dat bovendien uiterst professioneel in elkaar was gezet, met prachtige, bijzonder verfijnde details. Het had vast toebehoord aan een geleerde of een ex-gevangene. Ik begon het te gebruiken en zo werd de slapeloosheid mijn dagelijkse metgezel en werd ik een voorstander van de vredesbesprekingen. Ik ging niet meer op bezoek bij mijn naasten, het aantal memoires in mijn boekenkast groeide en ik uitte nog maar zelden mijn mening. Mensen werden me dierbaarder dan het vaderland en ik begon me te vervelen. Maar wat ik vooral opmerkelijk vond, is dat ik een dichter werd.

 

Vertaald door Djûke Poppinga

 

Ghayath Almadhoun (Damascus, 19 juli 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e juli ook mijn blog van 19 juli 2020 en eveneens mijn blog van 19 juli 2019 en mijn blog van 19 juli 2017 en ook mijn blog van 19 juli 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Zonnige toekomst (Driek van Wissen), Steffen Popp, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

Heat Wave door Chris Breier, 2016

 

Zonnige toekomst

Doordat de zon zo onbarmhartig scheen
Was hier op onze opgewarmde aarde
Veel extra sterfte onder de bejaarden;
Wij raken aardig door de oudjes heen.

Dus blijven onze zomers zo extreem
Dan is straks de vergrijzing geen probleem.

 

Driek van Wissen (12 juli 1943 – 21 mei 2010)
De Prinsentuin in Groningen, de geboorteplaats van Driek van Wissen

 

De Duitse dichter en schrijver Steffen Popp werd geboren op 18 juli 1978 in Greifswald. Zie ook alle tags voor Steffen Popp op dit blog en ook mijn blog van 18 juli 2010.

 

De zee bewoont mij, zoals licht een stad

De open balkons lichtten op, eilanden aan de ringweg
de lucht lag in het rond, een pont, waarschijnlijk sliep ze

ik vleide mijn hoofd in haar romp
trof een stroming, het regime van rivieren
onder de bruggen en in de tunnels
de instrumenten
lichtketenen, die zich bewogen.

Aan de haven
was ik alleen met het water, dat daar aan land gaat
havenkranen bevestigden het continent
aan zijn randen, op de achtergrond zwoegden
de zeeën

 

Vertaald door Alfred Schaffer en Gregor Seferens

 

Steffen Popp (Greifswald, 18 juli 1978)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juli ook mijn blog van 18 juli 2020 en eveneens mijn blog van 18 juli 2019.

Tsead Bruinja, Steffen Popp

De Nederlandse dichter Tsead Bruinja werd geboren in Rinsumageest op 17 juli 1974. Zie ook alle tags voor Tsead Bruinja op dit blog.

 

U treft mij op een moment

ik wilde net gaan zitten aan de ongelakte tafel
in de woonkamer van mijn appartement in amsterdam-west
het is de donderdagmiddag vlak voor de deadline van dit gedicht
de kozijnen in de erker druppelen na van de aanhoudende regen
de waarde van mijn woning keldert omlaag
maar mijn buurman houdt het droog
handdoeken vangen de ellende op

tussen de wolken door valt zonlicht
op de rossige haartjes van mijn bovenarm
thee schommelt in het glas heen en weer
mijn pen krast inmiddels driest in het papier

ver weg bijna aan het eind van zijn leven
speelt andrés segovia op mijn stereo albeniz
ik kan niet horen of hij last heeft van spataderen
of er lange grijze haren uit zijn oren groeien
of dat hij bij het spelen rare bekken trekt
zoals heavy metalgitaristen doen bij een solo

een spotlight gericht op de tong uit hun mond
op een uitgeprint A4’tje naast mijn notitieboek lees ik
dat ik iets specifieks ga zeggen over een tentoonstelling
iets over een onderlaag die onbedekt wordt gelaten soms
maar ik schrijf even niet

ik kijk naar een verwelkte witte roos
die weken geleden na een optreden
in een wijnfles werd gezet door mijn geliefde
alle blaadjes zitten er nog aan

bruine randen hebben ze gekregen
het is een cliché dat weet ik maar het is zo
en met de liefde gaat het goed
dus beticht mij niet
van goedkope symboliek

dan moet er nog een doorkijkje komen naar een bijbels tafereel
in deze tekst waar ik nu toch al zoveel wit mee heb bedekt
misschien iets over koning salomo of het gelaat van mozes
dat glansde toen hij de berg afkwam

maar dan denkt u dat ik mij vereenzelvig
met iemand die god heeft gezien en toch ook weer niet
en dat zet u weer op een afstand

terwijl ik wil dat u voelt dat u er bij bent
bij mijn milde paniek in de lekkende woonkamer
de rossige haartjes op mijn onderarm
ver weg vanuit de juiste hoek belicht

 

een koor zingt

een koor zingt
en het erbarmen maakt de lucht om ons heen
zo dik als stroop

dan stopt de plaat
alle ingewanden
vallen uit het lied

waar wij naar kijken
alsof onze eerste kribbe
een gitaarkoffer was

 

Een kwal licht op in zee

voor Tonnus Oosterhoff

een kwal licht op in zee
roep niet

een stoel staat leeg in de kamer
kan niet tegelijk op de stoel en de bank

we gaan naar de brug naar
geleidelijk een nieuwe toonsoort

kom je de zon roept
ja ik ga mee

‘hello texas’

de bureaustoel roept ook
armleuning trekt ze
een bedelkleed aan

het licht helpt met een stralend
gezicht witgoud bladerhuis
naar de ondergang

binnenzon is ook goed
het kussen zacht genoeg
voor dijend zitvlees

veert het
ja alles veert

dag
dag

 

Tsead Bruinja (Rinsumageest, 17 juli 1974)

 

De Duitse dichter en schrijver Steffen Popp werd geboren op 18 juli 1978 in Greifswald. Zie ook alle tags voor Steffen Popp op dit blog en ook mijn blog van 18 juli 2010.

 

Silvae (uitgedund)

Hars loopt uit de bomen, zoals altijd
staan de bossen, groen en van hout
voor mijn raam, en overal op aarde
waar geen veld is, geen tuin
                              geen huis als het mijne.

Soms een dier, aan de onderkant van het blad
een reebruine schietschijf met weinig
rake schoten uit het vorige jaar –
                                       twee oeroude paarden
slepen ontworteld hout, tegen de schemering
komen de jagers, men ziet hun gele
                                           sportschoenen oplichten.

 

Vertaald door Alfred Schaffer en Gregor Seferens

 

Steffen Popp (Greifswald, 18 juli 1978)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juli ook mijn blog van 17 juli 2021 en ook mijn blog van 17 juli 2020 en eveneens mijn blog van 17 juli 2019 en ook mijn blog van 17 juli 2017 en eveneens mijn blog van 17 juli 2016 deel 2.

William Irwin Thompson

De Amerikaanse dichter, sociaal filosoof en cultuurcriticus William Irwin Thompson werd geboren op 16 juli 1938 in Chicago, Illinois. Zie ook alle tags voor William Irwin Thompson op dit blog.

 

Hart Crane and William Yeats

Always at an edge with oceans,
near the night,
he slept
open as anemones
whose tendrils know
the slightest touch of quiet
and cannot be forced to flower.

Always under oceans in the night,
the single muscle
within the durable, opening shell
feels the brute dark presence
of the Devonian night
float immensely by.

Closing, they involve
whatever the intruding sea
has dropped
in their astonished flesh.

 

Ode to Marsyas

I.
Music seems reconciled with silence.
Palestrina, Tanis, and Machaut:
instants of silver on the still dark sea.

 

II.
The idle men and unharvested corn
are orange in the autumn afternoon sky,
as hard upon the earth
the dance excites the dust.
Those who are too old for dancing
sit outside the circle
and scrape the bark of dirt from their wooden feet.
Then the singing begins,
stretching across the drums
as the men, holding their arms in tight along their sides,
float above the violence of their feet.
The skirts spin their colors from the sun,
The blouses dampen and begin to cling
With shadows to the shadowed huts.

 

III.
Toscanini once
conducted a flawless Ninth,
and all the passengers
clapped,
with shouted hands
encores to Elysium.

 

Nachtwacht

Noem deze nacht catacombe,
dit gekozen werk,
gebroken sacrament.
Babels gave van tongen,
poëzie splitst de hemel op.

Dus naar de hel met kunst,
morgen ga ik beginnen
onverbiddelijk voor Hem alleen.
(Kan ik de tong
stom als knieën buigen
en een altaarrail maken van brute tanden?)

Ooit,
met opengebroken mond,
blunderend als zijn ogen,
tuimelde Saul van zijn beest,
herkreeg het licht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

William Irwin Thompson (16 juli 1938 – 8 november 2020)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juli ook mijn blog van 16 juli 2021 en ook mijn blog van 16 juli 2020 en eveneens mijn blog van 16 juli 20919 en ook mijn blog van 16 juli 2017 deel 2.

Jean Christophe Grangé, Steffen Popp

De Franse schrijver Jean Christophe Grangé werd geboren op 15 juli 1961 in Parijs. Zie ook alle tags voor Jean Christophe Grangé op dit blog.

Uit: Bloeddorstige driften (Vertaald door Floor Bosboom)

“Dát was het. Precies wat ze zocht.
De Pradaschoenen die ze in de Voguevan vorige maand had gezien. De onopvallende, beslissende toets die het helemaal af zou maken. Met het jurkje dat ze voor ogen had – een klein zwart dingetje dat ze voor een prikje had gekocht in de rue du Dragon – zou het perfect zijn. Echt cool. Glimlach. Jeanne Korowa rekte zich uit achter haar bureau. Ze wist eindelijk wat ze die avond zou dragen. Perfect. Zowel naar de vorm als naar de geest.
Ze checkte nogmaals haar mobieltje. Geen berichten. Een steek van angst deed haar maag ineenkrimpen. Scherper, dieper dan de vorige. Waarom belde hij niet? Het was al over vieren. Was het niet al te laat om de afspraak te bevestigen?
Ze wuifde haar twijfels weg en belde de Pradawinkel in de avenue Montaigne. Hadden ze de schoenen? Maat 39? Ze zou ze voor zevenen komen ophalen. Kortstondig gevoel van opluchting. Onmiddellijk weggevaagd door een andere zorg. Ze stond al 800euro rood … Met die schoenen zou dat meer dan 1.300 worden.
Maar het was 29 mei. Over twee dagen zou ze haar salaris krijgen. 4.000 euro. Geen cent meer, inclusief toeslagen. Ze zou de nieuwe maand dus voor de zoveelste keer ingaan met een derde minder te besteden. Ze was het gewend. Ze speelde het bancaire hinkelspel nu al jaren met een zekere behendigheid.
Ze sloot haar ogen. Zag zich al in haar glanzende pumps. Vanavond zou ze een andere vrouw zijn. Onherkenbaar. Sensationeel. Onweerstaanbaar. De rest zou kinderspel zijn. Toenadering. Verzoening. Nieuw begin.
Maar waarom belde hij niet? Hij had gisteravond toch zelf contact met haar gezocht? Voor de honderdste keer die dag opende ze haar inbox en las de e-mail.”

 

Jean Christophe Grangé (Parijs, 15 juli 1961)

 

De Duitse dichter en schrijver Steffen Popp werd geboren op 18 juli 1978 in Greifswald. Zie ook alle tags voor Steffen Popp op dit blog.

 

Hotelsituatie, het onafgebroken liggen

Zelfverzekerd hart, neon, de ongemerkte overslag van deze goederen
– hoe dan ook nadenken, hoe dan ook wakker blijven –

zoals de buitenwereld ons betovert, in zijn pieken en dalen
de avond is vol taal maar de woorden gaan kreupel

de lichamen van planten regenereren, van hout en
stil, Trojaanse paarden, liggen we op de bodem van de stad

zo wakker in zijn slaap, ons geduldig vlees
praat met de rivieren. Kruipstroom, nabije oever

aarzelende huid, het kleine gevoel maakt je gelukkig
uit mijn jaren laten droomtekens los, als bladeren

buitensporige boomsneeuw. Laten we nu lang gaan reizen
ter land, ter zee en in de lucht, laten we nu lange tijd

dit hotel niet verlaten. Nooit bij de sterren, nooit
ophouden, in de muziek. Je polsslag, je haren wapperen.

 

Vertaald door Alfred Schaffer en Gregor Seferens

 

Steffen Popp (Greifswald, 18 juli 1978)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juli ook mijn blog van 15 juli 2020 en eveneens mijn blog van 15 juli 2019 en ook mijn blog van 15 juli 2017 deel 2.

Volker Kaminski, Steffen Popp

De Duitse schrijver Volker Kaminski werd op 14 juli 1958 in Karlsruhe geboren. Zie ook alle tags voor Volker Kaminski op dit blog.

Uit: Herzhand

„Die Welt vergibt keine Schönheitspreise für makellose, prächtige Bäume, sie behandelt stolze Kiefern nicht anders als ordinäre Laubbäume. Die Welt ist die Summe aller Bäume plus einer Anzahl scharfer Äxte. Die Welt fällt Bäume und pflanzt neue an. Die Welt bringt alle Mauern zu Fall, selbst die, die Erik und Elena gewohnt waren. Erik wusste nicht, was schlimmer für sie war: der Kampf mit ihren Sätzen oder der Fall der Mauer.
Helge schrieb über die Zeit, als Elena am schönsten war. Als sie Günter kennenlernte. Er ließ Günter sanft und charmant am Telefon klingen, doch schneidend kalt und unberechenbar im Büro auftreten. Er beschrieb Günter als einen Verführer, der Elena zuerst lockte, dann quälte. Elena schien jeden Tag noch schöner zu werden. Wenn Erik sie umarmte und ihren Körper an seinem spürte, wurde ihm fast schwindlig.
In ihrem blassen Gesicht zeigte sich neuerdings eine frische Farbe, ihre Arme drückten ihn fester, ihre Küsse waren inniger. Erik schöpfte keinen Verdacht. Er registrierte den Schwung der sich verändernden Welt und glaubte, Elena werde von der großen Bewegung mitgerissen. Überall ertönte der Schrei nach Freiheit. Es wurden Einheit und Zusammengehörigkeit beschworen. Erik und Elena passten nicht in diese Welt. Erik bekam zum ersten Mal das Gefühl, dass sie älter waren als die Welt. Die Welt schien zu tanzen und sich fröhlich auf die Oberschenkel zu klopfen. Doch obwohl Elena nicht mittanzte, wurde sie vom allgemeinen Taumel ergriffen. Sie bewegte sich entschiedener als früher, hatte ihre Fransentasche gegen eine schwarze Aktenmappe eingetauscht und sich einen Kurzhaarschnitt zugelegt.
In dieser Etappe, während Elena bei Günter jobbte, aber noch mit Erik zusammen war, arbeitete er mehr denn je. Elena lebte ihm eine Zielstrebigkeit vor, die ihn berauschte. Sie hatte gewissermaßen eine neue Stufe des Lebens erklommen. Zwar misslang ihr weiterhin das Hörspiel, aber sie erledigte ihre Pflichten mit großem Ernst und einer gesunden Gesichtsfarbe. Elenas frischer Teint war Günters Werk. Günter war der geheime Antrieb, das unsichtbare Kraftwerk, die Lebensenergie, von der Elena und Erik profitierten.
Diese Phase, die sich etwa ein halbes Jahr hinzog, erlebte Erik als Durchbruch beim Schreiben. Er entdeckte den Wert der disziplinierten Arbeit. Sein Tun am Küchentisch war bis dahin mehr von Launen und Stimmungen beherrscht gewesen.“

 

Volker Kaminski (Karlsruhe, 14 juli 1958)

 

De Duitse dichter en schrijver Steffen Popp werd geboren op 18 juli 1978 in Greifswald. Zie ook alle tags voor Steffen Popp op dit blog.

 

Russische eenheden

Een soort liefde tussen de blokken
met sneeuworen: onwerkelijk, uit de tijd
liggen de stenen onder het ijs
het bevroren remspoor, de pirouette
van de dronkaard –
in mijn hart
dreunt een finale, ik weet niet
van welk stuk
door het balkonraam
kijkt de geranium, roerloos, een slaperig kind
zegt: We hebben Lenin gezien…

en elk licht is een muntstuk geluk/ongeluk
de dingen vallen uiteen, in hun stoïcijnse schoonheid

een dromende conductrice
met een ijzeren munthouder
men ziet de sneeuw en wil zich losrukken

wanneer we in kleine voertuigen
reizen door steden blijven ringlijnen
de laatste eenheden
ademt de uitgebuite ruimte
een massief van dode bijen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Steffen Popp (Greifswald, 18 juli 1978)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e juli ook mijn blog van 14 juli 2020 en eveneens mijn blog van 14 juli 2019 deel een en ook deel 2.

Rien Vroegindeweij, Jürgen Becker

De Nederlandse dichter en (toneel)schrijver Rien Vroegindeweij werd geboren in Middelharnis op 13 juli 1944. Zie ook alle tags voor Rien Vroegindeweij op dit blog. 

 

Boymans

Als na kantoortijd het rosarium opleeft
van het gefluister in de bosjes,
spelen oudere heren verstoppertje.
Jongens vragen of u een vuurtje heeft.

Een sigaret tussen de lippen, onzeker
en op zwart zaad, in het bleke gezicht
van de betaalbare liefde, dat opflikkert
in het licht van een gouden aansteker.

Als ze weg zijn, de jongens, de meneren,
is het park donker en verlaten; de bladeren
van de bomen gaan pierewaaien over de sloot,
rond de beelden in de tuin van Boymans.

 

Toen de dijken braken 3

De jongen wachtte op de dingen die komen zouden.
Zijn vader zette de kachel op tafel, zijn moeder
bracht huisraad naar boven. Toen begon het wachten.

Het wachten op het water. Het kwam als een groot grijs
monster dat zich breed uitrolde over het bouwterrein
over het braakland naar het huis waar hij woonde.

Hij hoorde de kelder vollopen, de deuren kraakten
het monster steeg hoger en hoger, kwam de trap op.
Hij was bang. Zijn vader mat hoe hoog het kwam.

 

Small talk of a fat woman

De zee spoelt verhalen aan,
het land maakt ze: je hebt het zeker
wel in de krant gelezen van die man

die heeft zijn vrouw
hij kwam altijd dronken thuis
en toen is zij weggelopen

ze werkte als kapster en hij wist
ze kwam om zeven uur uit haar werk
en toen heeft hij haar

hij wou zijn eigen ook maar
dat is niet gelukt want hij ligt
in het ziekenhuis verlamd.

 

Rien Vroegindeweij (Middelharnis, 13 juli 1944)

 

De Duitse dichter en schrijver Jürgen Becker werd op 10 juli 1932 in Keulen geboren. Zie ook alle tags voor Jürgen Becker op dit blog.

 

Tabaksbladeren, dahlia’s

Waar zijn jullie allemaal… eeuwig die stemmen
van de bandrecorder. Gisteren regen, de onderste plaats in de tabel,
Regen vandaag, dat zou het nieuws van hier zijn als
iemand in Thessaloniki het wil het weten.
De dahlia’s
dommelen weg achter het hek; lang geleden las ik
dat het de dahlia’s van de opstand zijn. Destijds
aarzelden wij; de dagen begonnen somber, en wie
wilde vertrekken, nam de voorstadstrein
naar de voorstad.
Bijna alle fouten
hebben zich herhaald, ongeacht of er van methoden, kleren,
tekstsoorten en trainers gewisseld werd. ’s Avonds een cognac,
een gelijkspel misschien, in het nachtprogramma
het terugroepen van toen –
De dahlia’s
hebben tijd tot het vriest en gaan dan de kelder in
de knollen. Alles overleeft. De tabaksbladeren hingen
op zolder, en wakker liggend hoorden we geritsel, toen
de wind door het open dakraam blies.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jürgen Becker (Keulen, 10 juli 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juli ook mijn blog van 13 juli 2020 en eveneens mijn blog van 13 juli 2019 en ook mijn blog van 13 juli 2016 en ook mijn blog van 13 juli 2014 deel 1 en ook deel 2.

Sasha Filipenko

De Belarussische schrijver, journalist en tv-presentator Sasha Filipenko werd geboren op 12 juli 1984 in Minsk. Na de middelbare school studeerde hij aan de Europese Humanistische Universiteit in Minsk. Nadat de universiteit in 2004 werd gesloten, verhuisde hij naar de Staatsuniversiteit van Sint-Petersburg en studeerde af met een bachelor (2007) en master (2009) in literatuur. Daarna werkte hij onder meer voor de onafhankelijke Russischtalige televisiezenders Dozhd en RTVi. Filipenko’s werken zijn opgevoerd in een aantal theaters, waaronder het toonaangevende avant-gardetheater Gogol Center in Rusland en het klassieke Alexandrinsky Theater. Zijn toneelstuk “De voormalige zoon” werd in Belarus verboden en ging in plaats daarvan in première in Kiev. Zijn roman “De jacht” was een Spiegel-bestseller. Tijdens de protesten in Belarus van 2020-2021 schreef Filipenko een aantal artikelen en sprak hij in interviews, waarin hij het Loekasjenko-regime ernstig bekritiseerde en opriep tot de vrijlating van politieke gevangenen. In 2021 schreef hij een open brief aan de voorzitter van de Internationale IJshockeyfederatie, waarin hij zich uitsprak tegen het organiseren van de Wereldkampioenschappen in Belarus. De brief werd gepubliceerd door verschillende Europese kranten, waaronder de Frankfurter Allgemeine Zeitung. In hetzelfde jaar schreef hij een open brief aan de voorzitter van het Internationale Comité van het Rode Kruis omdat de organisatie na de protesten weigerde Belarussische gevangenissen te inspecteren waar politieke gevangenen werden gemarteld. Zijn boeken, die hij in het Russisch schrijft, zijn in meer dan 15 talen vertaald. Filipenko verzet zich openlijk tegen de president van Belarus, Alexander Loekasjenka, wat betekent dat hij in zijn thuisland strafrechtelijk wordt vervolgd. Hij woont met zijn gezin in ballingschap in Zwitserland.

Uit: Die Jagd (Vertaald door Ruth Altenhofer)

“Am Nachmittag spielen sie im Garten ein Quiz. Als Thema geben die Nachhilfelehrer Russland vor, neunzehntes, zwanzigstes Jahrhundert. Begleitet von Zikaden erklingen Mussorgski, Tschaikowski und Cui. Die höchste Punktezahl erreicht Lisa. Sie hat nur Die Toteninsel mit den Sinfonischen Tänzen verwechselt. »Rachmaninow hätte es durchgehen lassen«, scherzt der Pädagoge, den sie über den Sommer ins Ausland geholt haben. Silber geht an Pawel. Er hat den Bojarenchor und Die Liebe zu den drei Orangen nicht erkannt. Der Älteste und der Jüngste, Alexander und Anatoli, geben ihre Blätter leer ab. Sascha kommt gerade erst vom Training, Tolja kann sich nicht vom Handy losreißen.
Gegen acht setzen sie sich zum Abendessen. Aus den Boxen plätschern die Moskauer Nächte. Der Störkoch serviert Meeresfrüchte. Pawel rühmt sich, er sei in Antibes gewesen und habe Monsieur Guillaume drei Flaschen zu je sechstausend abgeschwatzt. Alexander schweigt. Tolja spielt. Mama sagt, man solle nicht feilschen, denn die Franzosen – diese Drehorgelspieler mit ihrem Stock ihr wisst schon, wo – sagen dann womöglich, die Russen seien alle Halsabschneider.
Nach dem Essen setzen sie sich vor den Fernseher. Der große Flachbildschirm steht gleich hier draußen. Die Kabel schlingen sich um den Gartenschlauch. Über dem Bildschirm kreist eine Biene.
Sie hören dem Vater schweigend zu, aufmerksam wie sonst nie. Papa prognostiziert den unvermeidlichen Zusammenbruch der Konsumgesellschaft, konstatiert die Ineffizienz der Demokratie und besteht auf der Notwendigkeit, die Welt auf Basis orthodoxer Prinzipien zu verändern. Auf eine Frage der Journalistin (einer äußerst hübschen und fatal dummen Interimsgeliebten eines Ministers) verkündet Papa, er fürchte keine Sanktionen, verfüge über keinerlei Immobilien im Ausland, sein einziger Reichtum sei das heilige Russland. Die Kinder lachen. Mamas Miene verdüstert sich.
Den nächsten Tag verbringen sie auf dem Meer. Dunkelblaue Wellen, zum Horizont hin verblassend. Mal hier, mal da, als drückten sie Paste aus einer Tube, hinterlassen Jachten lange weiße Bänder. Lisa und Pawel liegen auf dem Deck und beobachten die Flugzeuge im Anflug auf Nizza. Lisa zählt die Jets, Pawel übernimmt die »Habenichtse« – Airbusse und Boeings.
»Weißt du, warum sich der Papst jedes Mal bekreuzigt, wenn er aus einem Flugzeug steigt?«
»Nein, warum?«
»Na, müsstest du mit Alitalia fliegen, würdest du dich auch bekreuzigen!”

 

Sasha Filipenko (Minsk, 12 juli 1984)

Kees ’t Hart, Pablo Neruda

De Nederlandse dichter en schrijver Kees ’t Hart werd op 12 juli 1944 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Kees ’t Hart op dit blog.

 

Herfstschilder

1
ik was herfstschilder
ik was er precies geschikt voor

de natuur was schitterend
alles was opgeruimd

de sneeuw vloog in het rond

achter jouw rug liet ik
de eerste klodders op het doek vallen

2
ik was bezig te wortelen
in een oude traditie

ik was kladschilder en surveillant
ik was al blij met je bloedrode mond

ik schreef:
voor jou wil ik schilderen
voor jou alleen Manet

voor jou is mijn baard
en mijn houten been
is voor de Bühne

3
o was ik maar kladschilder gebleven
later toen het eventueel nog wel kon

ik hoefde geen minnezanger meer te zijn
ik zou lopen door jouw papavervelden
jouw mond rood van verf op mijn mond
en op het doek

ik zou de eerste dichter zijn geweest
de koning, de duif, de poolvos, de herfst

 

Kees ’t Hart (Den Haag, 12 juli 1944)

 

De Chileense dichter Pablo Neruda (eig. Ricardo Eliecer Neftalí Reyes Basoalto) werd geboren in Parral op 12 juli 1904. Zie ook alle tags voor Pablo Neruda op dit blog.

 

Ode aan de citroen

Uit die bloesems,
losgeslagen
door het licht van de maan,
uit die
getergde
geur van liefde,
ondergedompeld in aroma,
ontstond
het gele van de citroenboom,
vanuit hun planetenstelsel
daalden de citroenen af naar de aarde.

Sappige handelswaar!
De kusten, de markten
vulden zich
met licht, met goud
van het land,
en we openden
twee helften
van een wonder,
bevroren zuur
dat droop
uit de hemisferen
van een ster,
en de diepste vloeistof

van de natuur,
onoverdraagbaar, levend,
onherleidbaar,
ontstond uit de frisheid
van de citroen,
uit zijn geurige huis,
uit zijn geheime, zure symmetrie.
In de citroen sneden
messen
een kleine
kathedraal uit,
de onzichtbare apsis
bracht de gebrandschilderde ramen van zuur aan het licht
druppelsgewijs
rolden de topazen,
de altaren,
de frisse architectuur omlaag.

Dus toen jouw hand
de hemisfeer vastpakte
van de doorgesneden
citroen op je bord,
goot je
een universum van goud,
een
gele bokaal
vol wonderen uit,
een van de geurige tepels
aan de borst van de aarde,
een lichtstraal die vrucht geworden is,
het piepkleine vuur van een planeet.

 

Vertaald door Catharina Blaauwendraad

 

Pablo Neruda (12 juli 1904 – 23 september 1973)
Portret door Renato Guttuso, 1954

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e juli ook mijn blog van 12 juli 2020 en eveneens mijn blog van 12 juli 2019 en ook mijn blog van 12 juli 2016 en ook mijn blog van 12 juli 2015 deel 2.

Amitav Ghosh

De Indiase schrijver Amitav Ghosh werd geboren in Calcutta op 11 juli 1956. Hij studeerde aan de Universiteit van Delhi en de Universiteit van Oxford. In 1986 verschijnt zijn eerste boek: “The Circle of Reason” (vertaald als “Bengaals vuur of de macht van de rede”, 1989 bij Het Wereldvenster). Daarin onderzoekt hij de “verenigbaarheid” van het westers rationalisme en het Indisch traditionalisme – of, als dat laatste te geringschattend klinkt, het culturele substraat van India. Meteen een groots boek rond de thema’s Rede, Hartstocht en Dood dat onmiddellijk een lovende kritiek ontlokte in en buiten Engeland. Twee jaar later is hij opnieuw van de partij met “The Shadow Lines”, een bevestiging van zijn talent maar wellicht niet van hetzelfde niveau als zijn debuut. Zijn literaire carrière sluimert. Een zogenaamd reisverhaal “In An Antique Land” verschijnt in 1992 (bestemming Egypte) graaft in het verleden van dat land (onder meer de Kruistochten) tot de recente actualiteit (Operation Desert Storm). Hij laat in dit boek aan de hand van een bronnenonderzoek naar een Egyptische joodse koopman en zijn slaaf ook zien, hoe vanzelfsprekend aanwezig het oriëntaalse jodendom was binnen de Arabische wereld en rondom de Indische oceaan. Hij vertelt ook het verhaal van de Geniza, de archiefplaats van deze joden van Caïro en hoe door toedoen van een westerse, Britse jood deze oriëntaalse joodse archieven en hun bibliotheek op slinkse wijze zijn ‘overgebracht’ naar westerse bibliotheken, een actie die, in retrospectief, voor Ghosz een voorspel is voor het overbrengen van 80.000 Egyptische joden naar de staat Israël, waar zij onder de dominantie kwamen te staan van westerse, zionistische joden. Met ”The Calcutta Chromosome” neemt hij de literaire draad terug op maar het duurt tot 2000 vooraleer hij de grote doorbraak maakt met “The Glass Palace” (vertaald als “Het kristallen paleis”), een breedvoerig fresco van Myanmar, de dekolonisatie van het verre oosten, de postkoloniale dictaturen en de semi koloniale uitbuiting. “In The Hungry Tide” (2004) keert hij terug naar Bengalen. In 2021 verscheen “The Nutmeg’s Curse: Parables for a Planet in Crisis”. Dit boek gaat over de reis van de nootmuskaat van de inheemse Banda-eilanden naar vele andere delen van de wereld, en de historische invloed van het kolonialisme.

Uit: The Glass Palace

“There was only one person in the food-stall who knew exactly what that sound was that was rolling in across the plain, along the silver curve of the Irrawaddy, to the western wall of Mandalay’s fort. His name was Rajkumar and he was an Indian, a boy of eleven — not an authority to be relied upon.
The noise was unfamiliar and unsettling, a distant booming followed by low, stuttering growls. At times it was like the snapping of dry twigs, sudden and unexpected. And then, abruptly, it would change to a deep rumble, shaking the food-stall and rattling its steaming pot of soup. The stall had only two benches, and they were both packed with people, sitting pressed up against each other. It was cold, the start of central Burma’s brief but chilly winter, and the sun had not risen high enough yet to burn off the damp mist that had drifted in at dawn from the river. When the first booms reached the stall there was a silence, followed by a flurry of questions and whispered answers. People looked around in bewilderment: What is it? Ba le? What can it be? And then Rajkumar’s sharp, excited voice cut through the buzz of speculation. “English cannon,” he said in his fluent but heavily accented Burmese. “They’re shooting somewhere up the river. Heading in this direction.”
Frowns appeared on some customers’ faces as they noted that it was the serving-boy who had spoken and that he was a kalaa from across the sea — an Indian, with teeth as white as his eyes and skin the color of polished hardwood. He was standing in the center of the stall, holding a pile of chipped ceramic bowls. He was grinning a little sheepishly, as though embarrassed to parade his precocious knowingness.
His name meant Prince, but he was anything but princely in appearance, with his oil-splashed vest, his untidily knotted longyi and his bare feet with their thick slippers of callused skin. When people asked how old he was he said fifteen, or sometimes eighteen or nineteen, for it gave him a sense of strength and power to be able to exaggerate so wildly, to pass himself off as grown and strong, in body and judgment, when he was, in fact, not much more than a child. But he could have said he was twenty and people would still have believed him, for he was a big, burly boy, taller and broader in the shoulder than many men. And because he was very dark it was hard to tell that his chin was as smooth as the palms of his hands, innocent of all but the faintest trace of fuzz.”

 

Amitav Ghosh (Calcutta, 11 juli 1956)