Matthijs Kleyn, Lucille Clifton

De Nederlandse schrijver en televisiemaker Matthijs Leonard Kleyn werd geboren in Leiden op 24 juni 1979. Zie ook alle tags voor Matthijs Kleyn op dit blog.

Uit: Ik zie je

“In een reflex schiet mijn hand naar mijn broekzak, maar hij blijft erboven hangen. Ik kan nu al raden wie hem doet trillen en wat er in het bericht staat Dat ze aan me denkt, dat ze de goede dingen zal herinneren, dat ze hoopt dat het goed met me gaat Dingen waar ik niks mee kan. Mijn hand gaat weer omhoog, naar het glas muntthee dat op de terrastafel voor me staat ‘Je hebt sjans, zegt Philip. Ik kijk hem aan, we hebben nog niks tegen elkaar gezegd behalve gedag. Philip werkt voor zichzelf, dus hij is veel vrij. Als hij werkt, zit hij thuis. Daar monteert hij saaie filmpjes voor bedrijven. Mensen vertellen aan zijn camera dat het heel bijzonder is wat het bedrijf doet Als ik ernaar kijk, val ik in slaap. De laatste tijd zit ik veel bij Philip. Het is de enige plek waar ik in slaap val zonder pillen. `Ze kijkt de hele tijd naar je: zegt Philip, ‘ze heeft het zelfs met haar vriendin over je.’ ‘Ik heb geen zin in sjans,’ zeg ik. lk neem een slok van mijn muntthee. Ik drink het elke dag en vertel mezelf dat ik er vitamines mee binnenkrijg, de enige vitamines die ik überhaupt binnenkrijg. Het lukt me niet goed om te eten. Soms pasta, meestal pizza, veel magnetronmaaltijden. Maar ik krijg mijn bord niet helemaal leeg. Niet meer. Voorheen at ik heel veel. Vooral de lasagne die mijn vriendin voor me maakte. Ex-vriendin. De lasagne die mijn ex-vriendin voor me maakte. Een paar maanden geleden kwam ik thuis uit mijn werk en toen stond er een lasagne in de oven. Ze dacht waarschijnlijk dat ze het daar- mee goed kon maken, maar dat lukte niet. Het was voor mij het moment om mijn huissleutels terug te vragen. De lasagne heb ik wel opgegeten. Helemaal. Ik denk dat dat de laatste keer was dat ik iets helemaal heb opgegeten. En dat ik iets heb gegeten waar verse groente in zat. Dat moet zo’n drie maanden geleden zijn. Een maand na de lasagne begon mijn lichaam te reageren. lk was op mijn werken dacht dat er een haar achter op mijn tong lag. Met een wijsvinger probeerde ik die te pakken, waardoor ik begon te kokhalzen. Aan mijn vinger zaten bruine korrels. lk probeerde me te herinneren of ik me de avond ervoor vergist had en een sigaret had opgegeten in plaats van hem aan te steken. Opnieuw stak ik een vinger in mijn mond en schraapte over het achterste deel van mijn tong. Ik keek in de spiegel en stak mijn tong uit. Er zat een bruine laag op, bijna zwart. Sinds ik het in de spiegel heb gezien, schraap ik elke dag met de nagel van mijn wijsvinger over mijn tong en spoel ik met mondwater. Maar het helpt niet. Op Internet las ik dat het door een vitaminetekort komt, de enige oplossing is om weer te gaan eten. Wat me niet lukt. Die bruine tong neem ik dus voor lief. Sindsdien praat ik weinig. En durf ik niet hardop te lachen, bang dat mensen m’n tong zien. Maar lachen doe ik sowieso weinig, dus er valt prima mee te leven. Het steeltje van de ondersteboven hangende munt prikt in een neusgat Philip ziet het en schiet in de lach.”

 

Matthijs Kleyn (Leiden, 24 juni 1979)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

 

Beste Vos

het is niet mijn gewoonte
om in de schrale woestijn te hurken,
stenen te betasten, ze te smeken
om te genezen, niet mij maar de droge ochtenden
en bittere nachten.
het is niet jouw gewoonte
om toe te kijken, niets van dit alles
is van ons, zuster vos.
vertel jezelf dat we nu op elk moment
zullen opstaan en weglopen
uit het leven van iemand anders.
elk moment.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juni ook mijn blog van 24 juni 2020 en eveneens mijn blog van 24 juni 2019 en ook mijn blog van 24 juni 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

David Leavitt, Lucille Clifton

De Amerikaanse schrijver David Leavitt werd geboren in Pittsburgh op 23 juni 1961. Zie ook alle tags voor David Leavitt op dit blog.

Uit: Schuilen in stijl (Vertaald door Jan Fastenau)

“Zouden jullie dat doen, aan Siri vragen hoe je Trump moet vermoorden? vroeg Eva Lindquist. Het was vier mu ’s middags op een dag in november, de eerste zaterdag na de presidentsverkiezingen van w 6, en Eva zat op de met ramen afgesloten veranda van haar buitenhuis in Connecticut, samen met haar man Bruce en hun logés: Min Marable, Jake Lovett, een echtpaar dat Aaron en Rachel Weisenstein heette, allebei werkzaam in de boekenuitgeverij, Grady Keohane, een vrijgezelle choreograaf die een huis verderop aan de weg had, en een loge van Grady, zijn nicht Sandra Bleek, die onlangs haar man de bons had gegeven en bij haar neef logeerde terwij1 ze haar leven weer op de rails probeerde te krijgen. Niet bij hen op de veranda zat Eva’s jonge kennis Matt Pierce — jong in de zin dat hij zevenendertig was. Die stond in de keuken een tweede partij scones te maken nadat hij de eerste Greg had moeten gooien omdat hij was vergeten er bakpoeder in te doen. Het genoeglijke, ontspannen tafereel werd luister bijgezet door een weldadige herfstige zonsondergang; het was lekker warm op de veranda door de houtkachel en de gasten zaten behaaglijk op de witte rotanstoelen en dito bank met de kussens die Jake, Eva’s interieurontwerper, had laten stofferen met een chintz genaamd Jubilee Rose. Op de witte rotantafel stonden een pot thee, kopjes, schoteltjes, en kom met clotted cream en een kom met huisgemaakte aardbeienjam, in afwachting van de verlate scones. Eva herhaalde haar vraag. Wie van jullie zou bereid zijn om aan Siri te vragen hoe je Trump moet vermoorden?’ Aanvankelijk was er niemand die reageerde. ‘Ik vraag het alleen maar omdat ik sinds de verkiezingen steeds de idiote aandrang voel om het aan haar te vragen,’ zei Eva, ‘Maar ik ben bang dat ze het meteen doorgeeft aan de geheime dienst en dat ze me dan komen arresteren.’
‘Lieveling, ik kan me nauwelijks voorstellen – begon Bruce.
‘Waarom niet?’ zei Eva. ‘Dat zou heel goed kunnen.’
‘Dat ze meeluisteren met wat we tegen onze telefoon zeggen? vroeg Sandra.
‘Ik zeg niet dat het niet zou kunnen.’ zei Bruce, “ik zeg alleen maar dat de geheime dienst vast wel iets beters te doen heft dan onze gesprekken met Siri af te luisteren.’
‘He, ben ik Her de enige die zich Watergate nog herinnert?’ zei Grady Keohane. ‘Ben ik Her de enige die zich herinnert dat er toen telefoons werden afgetapt?”
‘Kunnen mobiele telefoons ook afgetapt worden?’ vroeg Rachel Weisenstein. ‘Ik dacht dat het alleen bij vaste telefoons kon.’
‘In welke eeuw leef jij?’ vroeg Aaron aan zijn vrouw.
‘Nou, als we terroristen waren misschien wel,’ zei Bruce. ‘Als we en cel van Isis waren of zo. Maar een stel witten die thee zitten te drinken op een veranda in Litchfield County? Dat lijkt me niet.’
‘In dat geval, doe het dan maar.’ Eva gaf hem haar telefoon. ‘Vraag het haar maar.’
‘Maar ik wil Trump helemaal niet vermoorden,’ zei Bruce”.

 

David Leavitt (Pittsburgh, 23 juni 1961)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

 

het licht dat tot lucille clifton kwam

kwam toen het weten wankelde
wanneer wat haar zo dierbaar vanzelfsprekend was
vervaagde. Het was de zomer
waarin ze begreep: ze had nooit begrepen
en nooit lag iets eens in haar macht zelfs
niet haar luie ogen, en
de man smeet zijn das weg en ontkwam en
de kinderen begonnen te lopen op benen en
ze kon het gevaar zien van een
leven dat nooit is uitgezocht.

ze sloot haar ogen, bang op zoek te gaan naar haar
authenticiteit
maar licht dringt in de wereld aan op licht;
een stem uit het doorlevende verleden

begon te spreken,

ze deed haar oren dicht en las in haar hand

“ik zou de deur opendoen, mijn kind,
de waarheid klopt als een razende erop.”

 

Vertaald door Kamiel Choi

 

Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juni ook mijn blog van 23 juli 2020 en eveneens mijn blog van 23 juni 2019 en ook mijn blog van 23 juni 2018 deel 1 en ook deel 2.

Jaap Robben, Anne Carson

De Nederlandse dichter, schrijver en theatermaker Jaap Robben werd geboren in Oosterhout op 22 juni 1984. Zie ook alle tags voor Jaap Robben op dit blog.

Uit: Zomervacht

“Ik dacht dat we zomaar een stukje gingen rijden. Vliesjes hooi waaien ons tegemoet en komen door de open ramen onze pick-up binnen. Het is oogstseizoen, maar niet voor ons. In de laadbak rammelen roestige verwarmingsbuizen en de kast van een wasmachine die we gisteren uit de berm hebben opgepikt. Pa slaat af en stopt bij het tankstation. ‘Moet jij nog iets?’ vraagt pa terwijl hij de tank laat vollopen. Dit kan alleen op maandagen, omdat Benoit dan werkt. Zijn baas verkoopt ons niks meer. Klanten als wij kosten hem geld, beweert hij. Een vrachtwagen met balen hooi dendert langs, en doet het verbleekte zeil klapperen dat reclame maakt voor de koffie die hier altijd in de aanbieding is. Dat spul ruikt alsof er dakbedekking doorheen is gemalen. ‘Hoi’, zeg ik tegen Benoit. Er rinkelt een schel belletje. ‘Jullie mogen niet meer naar binnen’, antwoordt Benoit vanuit zijn glazen cabine. Hij houdt zijn mond te dicht bij het microfoontje. ‘Dat heb ik vorige keer ook al gezegd: Ik wijs naar de kassa, gebaar naar mijn oren dat ik hem niet versta. ‘Ik zei dus dat ik jullie .2 ik schud mijn hoofd, wijs weer naar mijn oren. Door de muur van gestapelde houtskoolzakken rond zijn kassa lijkt het alsof hij zich voor ons verschanst heeft. in de emmers ernaast staan bossen bloemen dood te gaan. Ik draal bij het koelvak met de blikjes energiedrank. Via de bolle spiegel tegen het plafond probeert Benoit me te volgen. Het belletje van de deur rinkelt opnieuw. ‘Benoit!’ roept pa gul. ‘Ik zei net al tegen Brian dat ik jullie niks …’
‘Doe deze er ook maar bij.’ Pa tilt een enorm chocolade-ei tevoorschijn uit de aanbiedingenbak. ‘Cadeautje voor zijn broer.’ ‘Gaan we naar Lucien?’ Pa drukt het prijsje tegen het veiligheidsglas. ‘En hier dan weer de helft van’, zegt hij terwijl hij aan de grote rode sticker pulkt. ‘Trouwens, deze kan erop blijven. Dat ziet zijn broer toch niet.’ ‘jaja’, stamelt Benoit en tikt het bedrag met korting in. ‘Knoop er maar een flink stuk van dat blauwe lint om, dat vindt zijn broer mooi.’ ‘Aanbiedingen mag ik helaas niet inpakken.’ ‘Rood is ook best.’ ‘Dat mag ik dus niet doen.’ ‘Moet jij nog wat hebben?’ roept pa naar mij. Ik schud mijn hoofd. ‘Hoeveel krijg je van me?’ Benoit slikt, tuurt naar zijn kassa. ‘Ik kom op achtendertigvijfenhvin: ‘Hierzo: Pa haalt een handvol munten uit de binnenzak van zijn leren jas en kwakt die in het bakje onder het raam. ‘En dan krijg je deze erbij.’ Uit zijn broekzak trekt hij een briefje van tien, dat hij keurig openvouwt en gladstrijkt. ‘Versier jij dat ding dan even mooi?’ ‘Eerst moet ik tellen of het klopt.’ ‘We hebben nogal haast.’ Zenuwachtig begint Benoit de muntjes te sorteren.
Nog voor we bij de auto zijn, vlekt de chocola al tegen het plastic. Pa beent voor me uit. Blauw lint wappert achter hem aan. ‘Even doorstappen, Brai.’ ‘Gaan we echt naar Lucien?’ Benoit is naar buiten gekomen. ‘Ik kom nog zeven vijfentwintig tekort ‘

 

Jaap Robben (Oosterhout, 22 juni 1984)

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

Uit: Autobiografie van rood

2 Elk

Het stinkt hier niet, zei Geryons broer. Misschien zijn het je sokken,
of de kikker heb je
de kikker mee naar binnen genomen? vroeg Geryon. Jij stinkt hier zo Geryon.
Geryon zweeg.
Hij eerbiedigde feiten misschien was dit er één. Hij hoorde nu van beneden
een ander geluid.
TJONK-TJONK PING PING PING PING PING PING PING PING PING PING PING PING
PING PING PING PING PING PING PING PING PING.
Zijn broer trok aan zijn lul zoals ’s avonds meestal voor hij ging slapen.
Waarom trek je aan je lul?
vroeg Geryon. Gaat je niet aan laat de jouwe eens zien, zei zijn broer.
Nee.
Wedden dat je er geen hebt? Geryon keek. Welles.
Je bent zo lelijk hij is er vast en zeker
afgevallen. Geryon zweeg. Hij kende het verschil tussen feiten en broederhaat.
Laat zien
dan krijg je iets moois van me, zei Geryons broer.
Nee.
Dan krijg je een van mijn kattenogen.

Doe je toch niet.
Welles.
Je liegt.
Beloofd.
Geryon wilde heel graag een kattenoog hebben. Als hij op koude knieën
op de keldervloer
knikkerde met zijn broer en diens vrienden won hij er nooit een.
Alleen een bonk
telde voor meer dan een kattenoog. Zo kwamen ze tot een handelsverkeer om seks
tegen kattenogen.
Geryon dacht: lultrekken maakt hem vrolijk. Niets tegen mamma zeggen,
zei Geryons broer.
De reis in de rotte robijn van de nacht werd een strijd om vrijheid
en valse argumenten.
Kom op, Geryon.
Nee.
Je bent me iets schuldig.
Nee.

 

Vertaald door Marijke Emeis

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e juni ook mijn blog van 22 juni 2020 en eveneens mijn blog van 22 juni 2019 en ook mijn blog van 22 juni 2018 en ook mijn blog van 22 juni 2014 deel 1.

Anne Carson

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

Short Talk on Vicuñas

A mythical animal, the vicuña fares well
in the volcanic regions of northern Peru.
Light thunders down on it, like Milton
at his daughters. Hear that?—they
are counting under their breath.
Think about style of life for a
moment. When you take up your
axe, listen. Hoofbeats. Wind.
It is they who make us at home
here, not the other way around.

 

As The Coffee

As the coffee slid down my throat and the caffeine penetrated my haze, I wondered why he had returned so soon. I pulled my scraggly housecoat tightly around me. His gray eyes looked far too awake for this time of the day. He must be one of those morning people. After sitting contentedly for five minutes his left knee began to fidget. I enjoyed his discomfort. Call me mean, but anyone who dares enter my domain before my first cup of coffee deserves no less. I kept drinking, closing my eyes to express my bliss and taking a wee bit of pleasure in his discomfort.

 

He Was Fourteen

HE WAS FOURTEEN
it was years ago and Sad’s
name wasn’t Sad yet. First
comet. G had just
stumbled off a bus they
looked at one another and
that lasted until G was
almost twenty but he.
Well. Being a loyal soul
himself. Sad’s need to
make friends everywhere.
Sex friends club friends
gym friends dope friends
shopping friends
breakdown friends a
common enough problem.
Sad didn’t see a problem.
One day he looked around
and G was gone.

 

 

Uit: Autobiografie van rood

2 Elk

De slaap der rechtvaardigen is gelijk honing.

Geryon vond het als kind fijn om te slapen maar wakker worden vond hij nog fijner.
Dan rende hij in pyjama
naar buiten. De ochtendwind bestormde de lucht met levensflitsen zo blauw dat
elk een eigen wereld beginnen kon.
Het woord elk waaide zijn kant op en viel op de wind uiteen. Geryon had daar altijd
moeite mee – een woord als elk
viel, als hij ernaar staarde, in aparte letters uiteen en was dan weg. De ruimte voor

betekenis bleef maar was leeg.
Je kon de losse letters zien hangen aan takken of meubels in de buurt.
Wat betekent elk?
had Geryon aan zijn moeder gevraagd. Ze loog nooit tegen hem. Als zij de betekenis zei
ging die niet weg.
Ze antwoordde: Het betekent dat jij en je broer elk een eigen kamer hebben bijvoorbeeld.
Hij hulde zich in dit sterke woord elk.
Hij schreef het op school met rood zijdezacht krijt (foutloos) op het bord.
Hij dacht zachtjes aan andere
woorden die hij nu bij zich kon houden zoals kelk en welk. Toen moest Geryon
verhuizen naar de kamer van zijn broer.
Een ongelukkige samenloop. Geryons oma kwam op bezoek en viel van de treeplank
van de bus. De dokters maakten haar weer
met een grote zilveren pen aan elkaar. Erna moesten zij en haar pen vele maanden stil
in Geryons kamer liggen. Zo begon zijn nachtbestaan.
Voordien had Geryon ’s nachts niet geleefd alleen overdag en in de rode tijden ertussen.
Wat stinkt er hier in je kamer zo? vroeg Geryon.
Geryon en zijn broer lagen in het donker in hun stapelbed Geryon boven.
Als Geryon zijn armen of benen bewoog
klonk uit de veren een prettig ge-PING TJONK-TJONK PING dat hem van beneden
omsloot als een dik schoon verband.

 

Vertaald door Marijke Emeis

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juni ook mijn blog van 21 juni 2020 en eveneens mijn blog van 21 juni 2019 en ookmijn blog van 21 juni 2014 deel 1, en deel 2 en eveneens deel 3.

Vikram Seth, Mohamed Mbougar Sarr, Anne Carson

De Indische dichter en schrijver Vikram Seth werd geboren op 20 juni 1952 in Kolkata. Zie ook alle tags voor Vikram Seth op dit blog.

 

A Style Of Loving

Light now restricts itself
To the top half of trees;
The angled sun
Slants honey-coloured rays
That lessen to the ground
As we bike through
The corridor of Palm Drive
We two

Have reached a safety the years
Can claim to have created:
Unconsumated, therefore
Unjaded, unsated.
Picnic, movie, ice-cream;
Talk; to clear my head
Hot buttered rum – coffee for you;
And so not to bed

And so we have set the question
Aside, gently.
Were we to become lovers
Where would our best friends be?
You do not wish, nor I
To risk again
This savoured light for noon’s
High joy or pain.

 

Progress Report

My need has frayed with time; you said it would.
It has; I can walk again across the flood
Of gold sil popples on the straw-gold hills
Under a deep Californian sky that expels
All truant clouds; watch squads of cattle graze
By the radio-telescope; blue-battered jays
Flash raucous squaking by my swivelling head
While squirrels sine-wave past over the dead
Oak-leaves, and not miss you_although I may
Admit that near the telescope yesterday
By a small bushcovered gully I blundered on
Five golden fox-cubs playing in the sun
And wished you had been there to see them play;
But that I only mention by the way.

 

The wind

With no companion to my mood,
Against the wind as it should be,
I walk, but in my solitude
Bow to the wind that buffets me.

 

Vikram Seth (Kolkata, 20 juni 1952)

 

De Franstalige Senegaleseschrijver Mohamed Mbougar Sarr werd geboren in Dakar op 20 juni 1990. Zie ook alle tags voor Mohamed Mbougar Sarr op dit blog.

Uit: De purs hommes

« Elle quitta le creux de mon épaule et chercha pendant quelques secondes son téléphone qui s’était perdu entre les oreillers, les draps, la couverture, les habits jetés épars sur le lit, plus tôt, dans la hâte de l’étreinte. Elle revint sur mon torse. La vive lumière de l’écran me brûla les yeux quelques secondes alors qu’elle manipulait le téléphone à quelques centimètres de nos visages. Et plus rien, bientôt, ne fut visible, sauf l’écran. —Nous filons la métaphore de notre époque. Époque d’aveuglement généralisé, où la lumière technologique nous éclaire moins qu’elle ne nous crève les pupilles, plongeant le monde dans une nuit continue et… —T’es un intellectuel, coupa-t-elle, impitoyable. Tout ce que tu viens de dire est peut-être même intéressant. Mais j’y comprends rien. Que dalle. Elle mentait : elle comprenait tout ce que je disais. Mieux : elle parvenait presque toujours à deviner, non, plus encore, à déduire, oui, c’est cela même, déduire tout ce que j’allais dire de la première phrase que je prononçais. Rama_ C’était son nom. Intelligence vive et sauvage, dont l’éclat  l’embarrassait tant que, par une sorte de honte ou de modestie, elle passait sa vie à la réprimer en société. Mais cela faisait déjà longtemps que je ne marchais plus. Je lui arrachai son masque avec rage. —Tu mens. Tu mens comme tu respires. Je le sais. — On se fiche de ce que tu racontes sur l’aveuglement du monde. Si t’es capable de voir que tout le monde est aveuglé, c’est que tu penses ne pas l’être. Tu vois, t’es sûr ? Regarde plutôt ça_ Elle lança la vidéo, qui commençait dans ce tourbillon confus de voix et d’images caractéristique des prises d’amateur : il n’y avait aucun élément de contexte, rien que des voix, des silhouettes, des souffles ; l’auteur de la vidéo n’était donc pas seul, il semblait être au coeur d’une forêt d’hommes ; sa main tremblait, l’image n’était pas nette, mais se stabilisait après quelques secondes ; l’individu qui filmait commença à parler — c’était un homme — et il demandait, autant pour lui-même que pour nous qui regardions la vidéo, ce qui se passait, mais personne ne lui répondait. Il leva un peu le bras, en sorte que l’on détaillât mieux ce qui se passait autour de lui, et on vit une foule qui allait, nombreuse, dense. Des voix éloignées s’élevèrent : « Au cimetière ! Allons au cimetière ! — Au cimetière ? pourquoi ? » interrogea l’homme. La vidéo se troublait encore ; on sentait un changement de rythme, un mouvement plus rapide, comme si, pour suivre la foule, l’homme qui tenait le téléphone s’était mis à courir ; « Pourquoi le cimetière ? répétait-il comme un tourment, pourquoi le cimetière ? » Une fois de plus il ne reçut aucune réponse mais continua à avancer rapidement, et bientôt de rudes voix masculines crièrent : « C’est ici ! C’est celle-là ! »

 

Mohamed Mbougar Sarr (Dakar, 20 juni 1990)

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

TANGO VII. HERE’S OUR CLEAN BUSINESS NOW LET’S GO DOWN THE HALL TO THE BLACK ROOM WHERE I MAKE MY REAL MONEY

Mythologie is een opgesierd patroon,
een janusbewering,
waarmee je het ene kunt zeggen en iets anders bedoelen, een dubbel leven kunt leiden.
Vandaar het idee in het vroeg-Griekse denken dat alle dichters leugenaars zijn.
En uit ware leugens der poëzie
sijpelde een vraag.

Wat verbindt eigenlijk woorden en dingen?

Niet veel, besloot mijn man
en bleef taal zo gebruiken
als Homerus het van de goden beschrijft.
De goden kennen alle mensenwoorden maar hebben er behalve de onze
een tegengestelde betekenis voor.
Goden draaien naar believen de schakelaar om.

Mijn man loog over alles.

Verdiensten, vergaderingen, vriendinnen,
de geboorteplaats van zijn ouders,
de winkel waar hij zijn overhemden kocht, het spellen van zijn eigen naam.
Hij loog als het nergens voor nodig was.
Hij loog als het hem niet eens gelegen kwam.
Hij loog als hij wist dat men wist dat hij loog.

Hij loog als hij daarmee hun hart brak.

Mijn hart. Haar hart. Ik vraag me vaak af hoe het haar is vergaan.

De eerste.

 

Vertaald door Marijke Emeis

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juni ook mijn blog van 20 juni 2020 en eveneens mijn blog van 20 juni 2019 en ook mijn blog van 20 juni 2015 deel 2.

 Salman Rushdie, Anne Carson

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

Uit: De familie Golden (Vertaald door Martine Vosmaer en Karina van Santen)

“Op de dag van de inauguratie van de nieuwe president, toen we bang waren dat bij vermoord zou worden terwijl hij hand in hand met zijn bijzondere vrouw door de juichende menigte liep, en toen velen van ons op de rand van de economische ondergang stonden in de nasleep van het uiteenspatten van de hypotheekbubbel, en toen Isis nog een Egyptische moedergodin was, kwam een ongekroonde koning van een jaar of zeventig uit een land hier ver vandaan met zijn drie moederloze zoons naar New York, waar hij het paleis van zijn ballingschap betrok en zich gedroeg of er niets mis was met het land of de wereld of zijn eigen geschiedenis. Hij begon over zijn buurt te heersen als een goedertieren keizer, hoewel hij, ondanks zijn charmante glimlach en vaardige spel op zijn Guadagnini-viool uit 1745, iets zwaan en goedkoops ademde, het onmiskenbare luchtje van grof, despotisch gevaar, de geur die ons waarschuwde pas op voor deze man, want hij kan je elk moment laten executeren, als je een hem onwelgevallig overhemd draagt, bijvoorbeeld, of als hij met je vrouw naar bed wil. De volgende acht jaar, de jaren van de vierenveertigste president, waren voor ons ook de jaren van het steeds grilliger en verontrustender bewind van de man die zich Nero Golden noemde en die niet echt een koning was, en aan het eind van zijn tijd- perk was er een grote – en in metaforische zin apocalyptische – brand. De oude man was klein, gedrongen zou je zelfs kunnen zeggen, en droeg zijn haar, dat ondanks zijn gevorderde leeftijd nog overwegend donker was, glad naar achteren gekamd zodat de duivelse v-lijn werd geaccentueerd. Zijn ogen waren zwart en priemend, maar wat als eerste opviel – hij rolde vaak zijn hemdsmouwen op om te zorgen dat het opviel -waren zijn onderarmen, dik en sterk als van een worstelaar, en eindigend in grote, gevaarlijke handen met knotsen van gouden ringen vol smaragden. Weinig mensen hadden hem ooit zijn stem horen verheffen, maar toch twijfelde je er geen moment aan dat er een grote vocale kracht in hem huisde die je maar beter niet kon uitlokken. Hij kleedde zich duur, maar straalde iets °prachtigs, iets dierlijks uit, dat deed denken aan het Beest uit volksverhalen, niet op zijn gemak in menselijke opsmuk. Wij, zijn buren, waren allemaal behoorlijk bang voor hem, hoewel hij enorme, onhandige pogingen deed om een goede, sociale buurman te zijn, door woest met zijn stok naar ons te zwaaien, en op de raarste momenten mensen bijna te dwingen op de borrel te komen. Wanneer hij stond of liep, leunde hij voorover, alsof hij voortdurend tegen een harde wind in tornde die alleen hij kon voelen, licht gebogen vanuit de heupen, maar niet al te veel. Dit was een machtig man; nee, meer dan dat – een man die zwaar verliefd was op het idee van hemzelf als machtig man. Het doel van de wandelstok leek eerder decoratief en expressief dan functioneel. Wanneer hij door de Gardens wandelde, deed hij zijn best om vriendelijk op ons over te komen.”

 

Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

Stad van de lente weer eens

“De lente is altijd zoals het vroeger was.”
Zei een oude Chinese man.
De regen siste langs de ramen.
Verlangens van grote afstand.
Bereikten ons.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950

 

Zie voor de schrijvers van de 19e juni ook mijn blog van 19 juni 2022 en ook mijn blog van 19 juni 2020 en eveneens mijn blog van 19 juni 2019 en ook mijn blog van 19 juni 2018.

Mijn vader (Toon Tellegen), Marije Langelaar, Sharon Olds

 

Bij Vaderdag

 

A Day With Dad door Kevin Dodds, 2020

 

Mijn vader

Mijn vader
en dan urenlang, dagenlang
niets
en dan mijn moeder, sjokkend, zijn leed torsend,
af en toe iets ervan morsend
(maar met zulke zachte ogen, zij)
en dan mijn broers, boos,
zo boos dat zij dampten,
dikke wolken sloegen van hen af,
en dan weer niet
maanden, jarenlang
en dan weer mijn vader
– ‘waar zijn jullie?’ –
oud en haastig,
niemand naast zich,
achter zich,
niemand meer.

 

Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941) 
Brielle

 

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Marije Langelaar werd geboren op 18 juni 1978 in Goes. Zie ook alle tags voor Marije Langelaar op dit blog.

 

HOUD JE SCHIL VAST

Laat je niet lichten, houd je schil vast
houd je bril vast, laat je billen niet los en houd de hand
van de tijd vast en één twee drie kramp nu
Laat je niet ontkleden houd al je gebeden, hoofdsteden
regels vast, zet je hart in een klem ja zo
bind je hersens vast,
 
prik wat met je stok
één twee drie kramp nu
 
ik pas deze jas

 

Vogel

In de vogel zelf
leek alles even waardeloos

’t kwam eigenaardig overeen met in
een handschoen kruipen
niks van dat heroïsche

welja soms opgetild
en bek gaat open bek gaat dicht
(binnenvallend licht)

herhaaldelijk het volkslied fluiten
(meesterlijke trilling)

(takken vol bronstige jongens)

na een week zweefziek doof van getetter
en murw van het ei dat naast mijn hoofd was
gaan groeien aan de hendel getrokken

het dak op gekwakt

 

Scène

Ze zien ons aankomen over de pier.
Twee verrukte eenden door de zon beschenen
lekker kwaken hier.
Verder duiken en tegendraads de wind in.

Dan: wolvenschrik!
Wolvenschrik!

Wel iedereen is dier!

 

Marije Langelaar (Goes, 18 juni 1978)

 

De Amerikaanse dichteres Sharon Olds werd geboren op 19 november 1942 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Sharon Olds op dit blog.

 

Zijn stilte

De dokter zei tegen mijn vader: ‘Je hebt me gevraagd
om je te vertellen wanneer er niets meer aan te doen is.
Dat is wat ik je nu vertel. Mijn vader
zat heel stil, zoals hij altijd deed,
vooral zijn ogen bewogen niet. ik had gedacht
dat hij tekeer zou gaan als hij begreep dat hij zou sterven,
met zijn armen zwaaien en het uitschreeuwen. Hij ging rechtop zitten,
mager, en schoon, in zijn schone gewaad,
als een heilige man. De dokter zei,
“Er zijn dingen die we kunnen doen om je nog wat tijd te geven,
maar we kunnen je niet genezen.” Mijn vader zei,
“Dank je.” En hij zat, roerloos, alleen,
met de waardigheid van een buitenlandse leider.
Ik ging naast hem zitten. Dit was mijn vader.
Hij had geweten dat hij sterfelijk was. Ik was bang geweest dat ze
hem vast moesten binden. Ik had er niet aan gedacht
dat hij zich altijd stil had gehouden en kalm was gebleven om dingen te verdragen,
de drank een manier om kalm te blijven. ik had hem niet
gekend. Mijn vader had waardigheid. Aan het
einde van zijn leven begon zijn leven
in mij wakker te worden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sharon Olds (San Francisco, 19 november 1942

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juni ook mijn blog van 18 juni 2020 en eveneens mijn blog van 18 juni 2019 en ook mijn blog van 18 juni 2016 deel 2.

Peter Rosei, Ron Padgett

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

Uit: Das wunderbare Leben. Wahrheit und Dichtung

„Auf einer China-Reise besuchte ich einmal die Stadt Chengdu. Sie liegt im Westen des Landes, eine dieser Riesenstädte mit endlosen Straßen voll Smog, gesäumt von gesichtslosen Hochbauten. Ich erwähne die Stadt auch nur deshalb, weil im achten Jahrhundert dort der Dichter Du Fu gelebt haben soll. Jedenfalls gibt es im heutigen Chengdu, inmitten von Hochhäusern, einen Park, ja man könnte fast sagen, eine Art Wald, ein Bach fließt darin, es gibt einen Teich und, ja, auch ein paar strohgedeckte Hütten: Hier, auf diesem Fleckchen Erde, soll einstmals der Dichter Du Fu gelebt haben. In einer dieser Hütten soll er tatsächlich gelebt haben. Jedenfalls wird das behauptet.

*
Am Anfang waren nur schwarze, federnde Flecken auf zitronengelbem Grund, es roch nach Erde, es war ein großes Geheimnis um diese Flecken, die sich verfärbten, allmählich ins Grüne hinüberspielten und wie unter einem Stoß nachzitterten. Da war auch ein großes Versprechen. Es waren, wie sich dann herausstellen sollte, bloß die Schatten von Spalierobst, von Blättern und Früchten eines Apfelbaums, der in der tief stehenden Sonne dieser Stunde vor der Hausmauer sein Geäst ausbreitete.
Ein junger Mann kommt eine Wiese heruntergelaufen und wirft sich atemlos in die ausgebreiteten Arme einer Frau, einer blonden, stämmigen Frau, die ihn auffängt: Der Anblick war nur ein warmer, schmelzender Zuschlag zu einem fast schon umfassenden Wohlsein, so will es mir heute vorkommen. Mag sein, dass damals in mir die Vorstellung entstand, die Frau sei das Glück selbst. Man kann es aber nur haben, wenn man zugleich sich selbst aufgibt. Der Leib meiner Mutter ist mir jetzt fern, mumienhaft, dunkel und gespenstisch sehe ich sie in einer weiter hinten liegenden Tür stehen und warten. Wohin diese Tür führt oder führen wird? – Als mir dieser Körper nah war, was habe ich da empfunden?
Denke ich an die Mutter, ist mir, als hätte man mir ein Geschenk angekündigt, so groß und so himmlisch, wie man es nur als Kind von einem Geschenk sich vorstellen kann und erwartet. Meine Mutter war ein heiteres, ein unbekümmertes Geschöpf. Denke ich an sie, fällt mir gleich das berühmte Bild Renoirs von der Moulin de la Galette ein, vor allem die Frau im dunklen Kleid mit dem Hütchen, die von hinten ihrer am Wirtshaustisch sitzenden Freundin die Hand auf die Schulter legt: Das durch die Kronen der Kastanienbäume fallende Licht spielt und tanzt mit hellen Punkten über die festliche Menge, über die beiden hin.“

 

Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.

 

Dag van de Bastille

De eerste keer dat ik Parijs zag
ging ik kijken naar waar de Bastille
had gestaan en hoewel
ik er de zuil zag
was ik me maar al te goed bewust
dat de Bastille er niet was:
Ik wist niet hoe
ik naar de leegte moest kijken.
Mensen gaan naar
de verdwenen Twin Towers kijken
en lijken het leuk te vinden om
het ontbreken van iets te voelen.
Ik hou er niet van om te weten
dat mijn moeder niet meer
bestaat, of van het gevoel
dat te weten. Excuseer me
voor de vergelijking van mijn moeder
met grote gebouwen. Ook
voor het praten over afwezigheid.
De rode en grijze lucht
boven de daken
wordt donkerder en de bewoners
haasten zich naar huis voor het avondeten.
Ik hoop je later te zien.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ron Padgett (Tulsa, 17 juni 1942)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juni ook mijn blog van 17 juni 2020 en eveneens mijn blog van 17 juni 2019 en ook mijn blog van 17 juni 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Cordula Wöhler

De Duitse dichteres en schrijfster Cordula Wöhler werd geboren op 17 juni 1845 in Malchin. Wöhler was de oudste dochter van de evangelisch-lutherse theoloog (Johann) Wilhelm Wöhler (1814-1884), ten tijde van haar geboorte schoolhoofd in de Mecklenburgse parlementsstad Malchin, later predikant van Lichtenhagen bij Rostock, en zijn vrouw Cordula , geboren Banck (1822–1900), koopmansdochter uit Stralsund. Nadat haar vader in 1856 het pastoraat in Lichtenhagen op zich nam, ontdekte Cordula in een uithoek van de dorpskerk van Lichtenhagen een Pietà uit het midden van de 14e eeuw. Ze was zo onder de indruk van dit beeld dat ze op basis van deze ontmoeting een Mariaverering ontwikkelde. Later correspondeerde ze met de katholieke spirituele schrijvers Christoph von Schmid en Alban Stolz. In augustus 1864 reisde ze met haar gezin naar Thüringen, Beieren, Tirol en Zwitserland. Hier maakte het meisje voor het eerst de katholieke dienst mee, die volgens haar “grote indruk” op haar maakte vanwege de pracht en sacraliteit ervan. Vervolgens voerde ze een lange correspondentie met professor Alban Stolz. Na nog een vakantie met haar ouders in Zuid-Duitsland in 1868 besloot de jonge vrouw zich tot het katholieke geloof te bekeren. In maart 1869 werden de ouders zich hiervan bewust en ontstond er een verhitte controverse met hen. Op 25-jarige leeftijd verklaarde Cordula Wöhler in 1870 dat ze volwassen was en informeerde haar ouders over haar definitieve beslissing om van geloof te veranderen. Vervolgens gooiden ze haar het huis uit omdat ze als katholiek niet langer in een protestantse pastorie kon wonen. Onder de indruk van deze tragische persoonlijke gebeurtenissen schreef Cordula Wöhler een gebedshymne aan Maria, waartoe zij vol vertrouwen haar toevlucht zocht: “Segne du, Maria”. Karl Kindsmüller (1876–1955), een Neder-Beierse leraar, kerkmuzikant en componist van talrijke heilige liederen, zette het later op muziek zette. Tegenwoordig is het lied een van de meest populaire Marialiederen in de Duitstalige wereld, vooral in Beieren, Oostenrijk en Tirol. Op 10 juli 1870 trad Cordula Wöhler toe tot de katholieke kerk in Freiburg im Breisgau. Ze legde haar geloofsbelijdenis af tegenover de aartsbisdom administrateur en hulpbisschop Lothar von Kübel. Drie dagen later werd ze bevestigd en op 16 juli ontving ze voor de eerste keer de Heilige Communie. Vanaf maart 1871 woonde de bekeerling in Tirol. Lukas Tegelijkertijd schreef ze gedichten en schreef ze religieuze teksten. Daarna verhuisde ze naar Schwaz en werkte in een banketbakkerij, waar ze slechts ongeveer 5 maanden bleef. Daarna logeerde ze bij een jong stel op de Freundsberg bij Schwaz. Hier herzag ze haar later wijdverspreide boek “Was das Ewige Licht erzählt. Gedichte über das allerheiligste Altarsakrament”.Andere publicaties volgden, zowel in proza ​​als in religieuze poëzie. Sommigen van hen verschenen onder het pseudoniem “Cordula Peregrina”. Een keerpunt in het leven vond plaats in 1876. Josef Anton Schmid uit Oberstaufen im Allgäu wendde zich tot de dichteres en vroeg haar om een ​​“vroom gedicht” voor een gedenkplaat die hij in zijn geboorteplaats in Bregenz wilde opdragen aan de jezuïet pater Jakob Rem, die een reputatie had van heiligheid. Er ontstond een intensieve correspondentie tussen Josef Anton Schmid en Cordula Wöhler, die vanwege hun spirituele verwantschap resulteerde in een verloving voordat ze elkaar zelfs maar persoonlijk kenden. Het stel trouwde uiteindelijk en verhuisde naar Bregenz. Cordula Wöhler heette nu officieel Cordula Schmid, maar bleef algemeen bekend onder haar geboortenaam. In 1881 verhuisde het echtpaar naar Schwaz, waar ze een huis kochten en later twee weeskinderen adopteerden.

 

Segne du, Maria, segne mich, dein Kind!

Segne du, Maria, segne mich, dein Kind!
Nur durch Muttersegen Kinder glücklich sind!
Segne all’ mein Denken, Streben, Sein und Tun,
lass in deinem Segen Tag und Nacht mich ruh’n!

Segne du, Maria, alle, die mir lieb,
Deinen Gnadensegen ihnen täglich gib;
deine Mutterhände breit auf alle aus,
segne alle Herzen, segne jedes Haus!

Segne du, Maria, die mir wohlgetan.
Lass für ihre Treue sie den Lohn empfah’n.
Was sie mir erwiesen, o, vergilt’ es du,
jede Gnadengabe wende ihnen zu!

Segne du, Maria, die so weh mir tun,
die so tief mich kränken und verwunden nun!
Bringe sie zum Frieden und zum wahren Heil,
gib am wahren Glauben einst auch ihnen Teil!

Segne du, Maria, uns’re letzte Stund’!
Süße Trostesworte flüst’re dann dein Mund!
Deine Hand, die linde, drück das Aug’ uns zu, –
Bleib’ in Tod und Leben unser Segen – du!

 

Nach der heiligen Messe

Nun ist die heil’ge Messe aus,
Und wieder geht man in sein Haus;
Doch sieh! – wer hält’ wohl das gedacht! –
Hier wird gescherzt und dort gelacht!
Kommt man nicht grad’ vom Heiland her,
Und doch das Herz so liebeleer,
So schnell zerstreut – durch Blick und Wort;
Geht so man aus der Kirche fort? –

Mein Kind, es brächt’ dir wenig’ Ehr’,
Wenn so dein Gang nach Hause wär’,
Sieh’ hier der wahren Andacht Bild,
Ein Mägdlein fromm und engelsmild!
Soeben kommt es vom Altar,
Wo ganz versenkt in Gott es war,
Nun geht es heim, doch blieb zurück
Das Herz beim Herrn, – nur Gott – sein Glück!

Es geht dahin, so ernst, so still,
Durch nichts es sich zerstreuen will,
Das Aug’ ist züchtig fromm gesenkt,
Das Herz voll Dank des Herrn gedenkt; –
Das Kleid ist rein, doch einfach schlicht,
Das Haar ist glatt, doch wahrlich nicht
Gekräuselt – nach der Welt Manier; –
Ein Jungfräulein sucht bess’re Zier!

Es weiß, dass schon Sankt Petrus spricht:
„Der Schmuck der Welt geziemt euch nicht, *
Nicht Haargeflecht, noch Kleiderpracht,
Nicht Goldgeschmeid’ euch Ehre macht!
Nein, der verborg’ne, stille Sinn,
Ein sanft’ Gemüt bringt euch Gewinn!“ –
Und ist man auch nicht weltmodern, –
Man wirkt sein Heil, gefällt dem Herrn!

Schau’ oft – im Geist – dies Mägdlein an,
Und gehst du heim, so denk’ daran:
„Die lässt ihr Herz beim Herrn noch ruh’n,
So will auch ich fortan es tun!
Mein Enge! geht mir still zur Zeit’,
Er sei und bleib’ mein liebst’ Geleit,
Und helf’ – beim Gang durchs Leben mir,
Dass nie ich Gottes Näh’ verlier’!

 

Cordula Wöhler (17 juni 1845 – 6 februari 1916)

Maylis de Kerangal

De Franse schrijfster Maylis de Kerangal werd geboren op geboren 16 juni 1967 in Toulon. Zij groeide op in Le Havre en studeerde geschiedenis en filosofie in Rouen en Parijs. Ze werkte van 1991 tot 1996 bij de in Parijs gevestigde Éditions Gallimard op de kinder- en jeugdafdeling en reisde daarna door de Verenigde Staten. Na haar terugkeer studeerde zij af aan de École des hautes études en sciences sociales. De Kerangal debuteerde in 2000 met de roman “Je marche sous un ciel de traîne“ en werd daarna fulltime schrijfster. In haar gevierde roman “Naissance d’un pont” uit 2010 presenteert zij een literair verhaal van een handvol mannen en vrouwen die de opdracht krijgen ergens in het mythische Californië een brug te bouwen. Het boek stond op de shortlist voor de Prix Goncourt en werd bekroond met zowel de Prix Médicis in 2010 als de Premio Gregor von Rezzori in 2014 en is wereldwijd in verschillende talen vertaald. “Réparer les vivants”, verschenen in 2014, vertaald als “De levenden herstellen”, won de Prix Orange du Livre en de Grand Prix RTL du livre in Frankrijk, en de Wellcome Book Prize 2017. “Réparer les vivants” werd verfilmd voor toneel en geproduceerd op het theaterfestival in Avignon. Het kreeg positieve recensies vanwege zijn intieme kijk op de realiteit en filosofische vragen rond orgaandonatie. Het werd bewerkt voor de film “Heal the Living” (2016). In 2016 verscheen in de VS een tweede Engelstalige vertaling van de roman van Sam Taylor, getiteld The Heart.

Uit: Réparer les vivants

« Le jour s’étire dans la chambre de Juliette et le labyrinthe ouvre peu à peu un passage à ce jour de septembre, ce premier jour, la matière de l’air se structurant progressivement alors qu’ils marchaient enfin côte à côte, comme si des particules invisibles s’agrégeaient autour d’eux sous l’effet de accélération soudaine, leurs corps s’étant signalés l’un à l’autre une fois franchie la grille du lycée dans ce langage aphone et archaïque qui était déjà celui du désir, et alors, laissant ses copines partir au-devant, elle avait raccourci son pas pour être seule sur le trottoir quand Simon viendrait se placer à sa hauteur, le devinant dans son rétroviseur mental dressé sur son vélo, pied droit sur la pédale gauche, puis glissant à terre pour l’escorter, poussant sa bécane d’une main posée sur le guidon, tout cela pour lui parler, tout cela pour qu’ils se parlent, t’habites loin?, j’habite en haut, et toi?, tout près, juste derrière le virage; la lumière est follement limpide après l’averse et le trottoir est parsemé de feuilles jaunes que la pluie a détachées des arbres, Simon risque un regard sur le coté, la peau de Juliette est toute proche, finement grenée sous le blush, sa peau est vivante, ses cheveux sont vivants, sa bouche est vivante comme le lobe de son oreille percé de pacotille, elle a dessiné un trait d’eye-liner compact au ras des cils, un faon, tu connais François Villon, La Ballade des pendus?, il secoue la tête, je crois que non, elle porte ce jour-là un rouge à lèvres framboise, Frères humains qui après nous vivez, N’ayez les coeurs contre nous endurcis, tu vois ou pas?, oui, je vois, mais il ne voit rien, il est aveuglé, des milliers de miroirs se sont formés sur les gouttes d’eau qui vibrent, ils inclinent leur front vers le sol et slaloment entre les flaques, le vélo tintant à l’unisson du reste, chaque parole et chaque geste lestés d’audace et de pudeur comme le recto et le verso d’un même évènement,c’est éclosion, ils sont contenus dans une lumière de verrière et remontent l’avenue comme des princes, énervés mais allant le plus lentement possible, pianissimo pianissimo, pianissimo, allargando, engloutis dans l’étonnement qu’ils sont l’un pour l’autre, leur délicatesse est inouïe, quasi moléculaire, et ce qui circule entre eux pulse un tempo tournoyant, si bien qu’au pied du funiculaire ils ont le souffle court, le sang qui tape dans les veines temporales et les mains moites, car tout est sur le point de se désagréger maintenant, et à l’instant où la sonnerie signale le départ du train, elle l’embrasse sur la bouche, un baiser ultrarapide, un battement de paupières, et hop, elle bondit dans la rame, où elle se retourne et se colle à la vitre, le front ventousé sur le verre crasseux,[ …] »

 

Maylis de Kerangal (Toulon, 16 juni 1967)