John Birmingham, Vladimir Sorokin, Michael Roes, Cees Buddingh’, Joachim Ringelnatz

De Australische schrijver John Birmingham werd geboren op 7 augustus 1964 in Liverpool, Engeland. Zie ook alle tags voor John Birmingham op dit blog.

Uit:Without Warning

„They were her mission. And her name wasn’t Cathy. It was Caitlin.
The women were dressed in cheap clothing, layered for warmth. Falling back into the pillows, recovering from an uncontrolled moment of vertigo into which she had fallen, Caitlin Monroe composed herself. She was in a hospital bed, and in spite of the apparent poverty of her “friends,” the private room was expensively fitted out. The youngest of the women wore a brown suede jacket, frayed at the cuffs and elbows and festooned with colorful protest buttons.
A stylized white bird. A rainbow. A collection of slogans: Halliburton Watch. Who Would Jesus Bomb? And Resistance Is Fertile.
Caitlin took a sip of water from a squeeze bottle by the bed.
“I’m sorry,” she croaked. “What happened to me?”
She received a pat on the leg from an older, red-haired woman wearing a white T-shirt over some sort of lumpy handmade sweater. Celia. “Auntie” Celia, although she wasn’t related to anyone in the room. Auntie Celia had very obviously chosen the strange ensemble to show off the writing on her shirt, which read If you are not outraged you are not paying attention.
“Doctor!” cried the other older woman, who had just moved to the doorway.
Maggie. An American, like Caitlin. And there the similarity ended. Maggie the American was short and barrel-chested and pushing fifty, where Caitlin was tall, athletic, and young.
She felt around under her blanket and came up with a plastic control stick for the bed.
“Try this,” she offered, passing the controller to the young girl she knew as Monique, a pretty, raven-haired Frenchwoman. “See, the red call button. That’ll bring ’em.” Then, gently touching the bandages that swaddled her head, she asked, “Where am I?”
“You’re in a private room, at the Pitié-Salpêtrière Hospital in Paris,” explained Monique. “Paris, France,” she added self-consciously.
Caitlin smiled weakly. “’Okay. I remember that Paris is in France.” She paused. “And now I am, too, I guess. How did I get here? I don’t remember much after coming out of the Chunnel on the bus.

 

 
John Birmingham (Liverpool, 7 augustus 1964)

Lees verder “John Birmingham, Vladimir Sorokin, Michael Roes, Cees Buddingh’, Joachim Ringelnatz”

Diana Ozon

 

De Nederlandse dichteres Diana Ozon (pseudoniem van Diana Groenveld) werd geboren in Amsterdam op 7 augustus 1959. Ozon publiceerde haar eerste gedichten in de schoolkrant van het Hervormd Lyceum Zuid te Amsterdam. Na haar middelbareschooltijd begon ze een opleiding aan de Gerrit Rietveld Academie maar haakte al snel af. Vanaf 1977 werd Diana Ozon een belangrijke spil in de Amsterdamse punkbeweging. De bekende gekraakte Zebrapanden in Amsterdam werden mede door haar toedoen omgetoverd tot een soort van punkhoofdkwartier waarin de punkclub DDT666 en het redactiecentrum van de roemruchte Koekrant waren gehuisvest. Diana Ozon was op dat moment de eerste en enige Nederlandse punkdichter en hielp daarmee een belangrijke brug te slaan tussen jeugd en literatuur. Vanaf 1982 werd Ozon ook op nationaal niveau meer bekend nadat ze bij uitgeverij Guus Bauer haar twee bundels Laag bij de Gronds en De Obscure Camera publiceerde. Bulkboek lanceerde haar in het themanummer De Popdichters. De bundel Hup de Zee bracht haar in 1986 op een lange tournee door het land die in 1988 resulteerde in De Ozon Expres. Daarna volgde in 1991 de schelmenroman Kraker Jack, over een dolgedraaide actievoerder. Met de bundel Stad Sta Stil sloot ze in 1993 de periode van punk en kraken af en sloeg vervolgens via cyberpunk nieuwe wegen in. In de jaren negentig ging de dichteres zich steeds meer bezighouden met computers en internet en in 1995 was ze de eerste Nederlandse dichter die via het World Wide Web voordroeg. In 2005 kwam haar poëzie weer in boekvorm uit met de bundel Bronwater, in 2009 gevolgd door de bundel Hartspanne. Met de band De Drie Boeddha’s brengt ze poëzie op muziek van gitariste en componiste Wil Schmal. Ozon is tot op heden actief als performance-dichter in de Nederlandse traditie waartoe ook Simon Vinkenoog, Johnny van Doorn, Jules Deelder en Bart Chabot gerekend kunnen worden.

 

Pandora

K=l m=U
ben volledig URS
compleet compmate
in megabytes

Ontdek een virus
bytje bij byte
datastring na string
delete mijn ervaring

bijzonderheid van
‘ik houd van jou’is
macro op je comp
smiley, ‘k=, schatje’

Je holt de chat uit
rolt een nieuw bed in
Sorry I can’t read
Oress escape to end.

 

 

Maar…

Met haat kom je nergens
kun je nergens naar toe
ook niet naar Timboektoe
nergens kun je heen
je staat helemaal alleen
want waar je ook gaat
je treft alleen je eigen haat

 

 

 
Diana Ozon (Amsterdam, 7 augustus 1959)

Kjell Westö, Diane DiPrima, Alfred Lord Tennyson, Paul Claudel, Yacine Kateb

De Finse schrijver Kjell Westö werd geboren op 6 augustus 1961 in Helsinki. Zie ook alle tags voor Kjell Westö op dit blog.

Uit: Wo wir einst gingen (Vertaald door Paul Berf)

»Es ist gut«, sagte der stellvertretende Amtsrichter Gylfe mit Nachdruck und riss sie aus ihren Gedanken, »die gnädige Frau ruft Fräulein Vivan dann, wenn es Zeit für den Braten ist, wir haben ja die Klingel, Vivan kann zusammen mit Frau Holmström in der Küche warten.« Vivan knickste und öffnete die Tür zum Flur. Auf dem Weg zur Küche sah sie, dass der ältere der beiden Söhne des Hauses ihren Blick einzufangen suchte, aber sie gab vor, ihn nicht zu bemerken.
Es dauerte nicht lange, bis die beiden halbwüchsigen Jungen der Familie anfingen, sie nicht Vivan, sondern Gullvivan, Schlüsselblume, zu nennen. Anfangs sah sie darin nichts Unziemliches, denn schon daheim im Dorf hatten die jungen Männer ihr verschiedene Kosenamen gegeben und freundschaftlich benutzt. Doch wenn Magnus und Carl-Gustaf Gylfe den neuen Namen verwandten, huschte etwas über ihre glatten Gesichter, das Vivan als Geringschätzung und Hohn deutete, und manchmal schob sich Magnus, der ältere, plötzlich aus dem luxuriösen Badezimmer der Herrschaften mit Toilettenlüftung und einer Badewanne, die auf bronzenen Löwenpranken stand, und trällerte daraufhin mit leiser Stimme: Vivan, Vivan, Herz aus Gold, Vivan, Vivan, wann bist du mir hold, und seine Hose beulte sich aus, wenn sie mit pochendem Herzen und einem vollbeladenen Tablett in den Händen im dunklen Flur an ihm vorbeieilte. Die beiden Söhne des Hauses glichen in ihren Augen verhätschelten Hauskatzen, und sie spürte die Blicke der beiden auf ihrem Körper, sie spürte diese Blicke, wenn sie servierte, wenn sie die Palmen goss, wenn sie die Kleider und Bettbezüge einsammelte, um sie zur Wäscherin zu bringen, wenn sie mit klappernden Absätzen die Treppen hinabrannte, um zum Markt zu gehen und Waren einzukaufen, wenn sie von Wahlman oder Silfverberg & Wecksell wieder einmal einen teuren und voluminösen Neuzugang für Frau Gylfes Hutsammlung anschleppte. Sogar wenn sie auf dem Weg zum Abort des Dienstpersonals über den Hof schlich, spürte Vivan die Blicke der beiden Gylfe-Söhne, und es war ihr lieber, erst gar keinen Gedanken daran zu verschwenden, was die Brüder über sie sagten, sobald sie außer Hörweite war.
Vivans Mutter Magda war in der Stadt geboren worden und hatte in Tollander & Klärichs Tabakfabrik und als Aufwärterin im Hotel Kleineh gearbeitet, ehe sie heiratete und die Frau eines Kleinbauern in Inga Degerby wurde.“

 

 
Kjell Westö (Helsinki, 6 augustus 1961)

Lees verder “Kjell Westö, Diane DiPrima, Alfred Lord Tennyson, Paul Claudel, Yacine Kateb”

Dolce far niente, Marijke Hanegraaf, Richard Preston, Conrad Aiken, Wendell Berry, René Puthaar

Dolce far niente

 

 
De Oversteek, Nijmegen

 

Oversteken

Opnieuw heerste in de uiterwaard het rusteloze
van stervelingen

maar ze droegen andere helmen, blauwe en gele
hoog op het hoofd als uitgelaten petten.

We trachtten de verre bewegingen te doorgronden
verzochten de rivier dringend zich te gedragen en
keer op keer dachten we terug aan de geniesoldaat

hoe hij een canvas boot over het blote water joeg
die woensdag om vijftien uur in ’44.

Achteraf kunnen we hem en zijn kameraden
minuten stilte geven, maar nooit meer
de beloofde nacht, het tamelijk veilig duister.

De boog is gehesen, de koelte van beton bewaakt.
We zagen ginds het roerloze van pijlers groeien

beschouwden lang genoeg de overkant als overkant.
Er ligt een brug die het voorbijgaan draagt.

 


Marijke Hanegraaf (Tilburg, 6 maart 1946)

Lees verder “Dolce far niente, Marijke Hanegraaf, Richard Preston, Conrad Aiken, Wendell Berry, René Puthaar”

Dolce far niente, Constantijn Huygens, Rutger Kopland, Rudi van Dantzig, Percy Bysshe Shelley, Liao Yiwu

 

Dolce far niente

 

 
Monnickendam

 

 

Monickendam

’T Zuyd-Ooste Purmer-end besett ick met den Dam
Die van een Monick-Meer wel eer sijn doopsel nam.
Meer eertyds, nu niet meer, hoe sien ick uwe baren
Van baren ingeslockt? als minder Visschen varen
Van die haer meerder zijn. En, vraegh ick ’t oock de faem,
’Ken leere geen bescheyt van d’ouder baren naem.
Al vult ghij dan mijn ’ Schilt, staet buyten halve-Papen;
Om blijven dat ick ben behoev’ ick meer als ’tgapen:
Mijn’ Borgers moeten bey Godsdienstich zijn en koen;
Hun wel-zijn hangt gelijck aen ’tBidden en aen ’tdoen.

 

 
Constantijn Huygens (4 september 1596 — 28 maart 1687)
Portret door Jan Lievens, ca. 1628

Lees verder “Dolce far niente, Constantijn Huygens, Rutger Kopland, Rudi van Dantzig, Percy Bysshe Shelley, Liao Yiwu”

Dolce far niente, Anna Enquist, Rupert Brooke

Dolce far niente

 

 
Zuiderkerk in Amsterdam door Claude Monet, ca. 1874

 

De stad herboren

Liggend ontwerpt hij het stadsdak, prent
het patroon van bladloze takken tegen fel

blauw in zijn brein, dat bloemkooltje, leeg




nog en klein. Waakzaam ontvangt hij licht
en lawaai, zonder oordeel. Honden, motoren,
een boor. Ik duw zijn wagen en merk hoe hij

schift, niet meer schrikt, scheidt wat hem boeit
en wat niet. Hij verovert de woorden, hij groeit

en zit voor op mijn fiets. Hij vult zijn stad in




met herrie en troep, wil stil bij de vuilnis,
de veegwagen, roept de lantaarns aan,

verstomt bij de rijzende brug, wacht verheugd.




In anderhalf jaar ben ik om, heb ik hekel
en haat laten gaan, is er dankzij zijn geestdrift

een heldere lusthof ontstaan. In het park




gaan wij liggen op doodmoe gras, in de verte
murmelt de stad. We kijken tevreden omhoog,

hij en ik, door de takken van de plataan.

 

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
Anna Enquist is sinds februari stadsdichter van Amsterdam

Lees verder “Dolce far niente, Anna Enquist, Rupert Brooke”

P. D. James

 

De Engelse schrijfster P. D. James (eig. Phyllis Dorothy James) werd geboren op 3 August 1920 in Oxford. James groeide op in Cambridge, waar zij tot 1937 de Cambridge Girls High School bezocht. Tijdens WO II werkte zij als verpleegster. In 1941 trouwde ze met de arts Connor Bantry White, die na de oorlog ziek werd en verpleegd moest worden, zodat zij tot aan zijn dood voor beider inkomen moest zorgen. Zij werkte lang in de administratie van het staatsziekenhuis voordat zij in 1968 overstapte naar het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar ze tot haar pensionering in 1979 bleef. In de vroege jaren 1960 begon zij naast haar werk met het schrijven van een thriller met als rechercheur een zwijgzame weduwnaar met een poëtische ader, genaamd Adam Dalgliesh. In 1972 introduceerde PD James als een van de eerste schrijvers een vrouwelijke privé-detective, Cordelia Gray, in een roman met de veelzeggende titel “An Unsuitable Job for a Woman”. Voor haar literaire werk ontving zij heel wat onderscheidingen, zoals in 1974 de Macavity Award van de Amerikaanse Mystery Readers International voor Beste Non-Fictie voor haar boek “Talking About Detective Fiction”. In 1983 werd ze door de Koningin opgenomen in de Order of the British Empire, in 1991 werd zij benoemd tot life peer als barones James of Holland Park, in het graafschap Suffolk Southwold en daardoor lid van het Britse Hogerhuis.

Uit: The Lighthouse

“Commander Adam Dalgliesh was not unused to being urgently summoned to non-scheduled meetings with unspecified people at inconvenient times, but usually with one purpose in common: he could be confident that somewhere there lay a dead body awaiting his attention. There were other urgent calls, other meetings, sometimes at the highest level. Dalgliesh, as a permanent ADC to the Commissioner, had a number of functions which, as they grew in number and importance, had become so ill-defined that most of his colleagues had given up trying to define them. But this meeting, called in Assistant Commissioner Harkness’s office on the seventh floor of New Scotland Yard at ten-fifty-five on the morning of Saturday, 23 October, had, from his first entry into the room, the unmistakable presaging of murder. This had nothing to do with a certain serious tension on the faces turned towards him; a departmental debacle would have caused greater concern. It was rather that unnatural death always provoked a peculiar unease, an uncomfortable realisation that there were still some things that might not be susceptible to bureaucratic control.
There were only three men awaiting him and Dalgliesh was surprised to see Alexander Conistone of the Foreign and Commonwealth Office.
He liked Conistone, who was one of the few eccentrics remaining in an increasingly conformist and politicised service. Conistone had acquired a reputation for crisis management. This was partly founded on his belief that there was no emergency that was not amenable to precedent or departmental regulations, but when these orthodoxies failed, he could reveal a dangerous capacity for imaginative initiatives which, by any bureaucratic logic, deserved to end in disaster but never did. Dalgliesh, for whom few of the labyrinths of Westminster bureaucracy were wholly unfamiliar, had earlier decided that this dichotomy of character was inherited. Generations of Conistones had been soldiers. The foreign fields of Britain’s imperialis- tic past were enriched by the bodies of unmemorialised victims of previous Conistones’ crises management. Even Conistone’s eccentric appearance reflected a personal ambiguity. Alone among his colleagues, he dressed with the careful pinstriped conformity of a civil servant of the Thirties while, with his strong bony face, mottled cheeks and hair with the resilient waywardness of straw, he looked like a farmer. »

 

 
P. D. James (Oxford, 3 augustus 1920)

Dolce far niente, Hendrik Marsman, Gerrit Komrij, Hans Warren, James Baldwin

Dolce far niente – Canal Parade

 

 
Gay Pride, Amsterdam

 

Twee vrienden

De maan maakt den nacht tot een sneeuwwit veld.
een man heeft zijn vriend van zijn leven verteld:

er is door dit spreken een wonder gebeurd:
hun harten zijn zoozeer eender gekleurd

dat de een als hij soms naar den ander ziet
bij zichzelven zegt: maar ben ìk dat niet?

een vrouw; nog een vrouw; een verterend gemis.
het is alsof alles ten einde is:

want één hart blijft thuis en één hart gaat op reis
maar geen van twee vindt het Paradijs.

 
Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)
Met zijn vrouw in 1934

Lees verder “Dolce far niente, Hendrik Marsman, Gerrit Komrij, Hans Warren, James Baldwin”

Dolce far niente, Fred Endrikat, Gerrit Krol, Frans Pointl, Ko Un, Edward van de Vendel

 

Dolce far niente

 

 
Green and Gold door Henry Scott Tuke, 1920

 

Wochenbrevier

Am Montag fängt die Woche an.
Am Montag ruht der brave Mann,
das taten unsre Ahnen schon.
Wir halten streng auf Tradition.

Am Dienstag hält man mit sich Rat.
Man sammelt Mut und Kraft zur Tat.
Bevor man anfängt, eins, zwei, drei,
bums – ist der Dienstag schon vorbei.

Am Mittwoch fasst man den Entschluss:
Bestimmt, es soll, es wird, es muss,
mag kommen, was da kommen mag,
ab morgen früh am Donnerstag.

Am Donnerstag fasst man den Plan:
Von heute ab wird was getan.
Gedacht, getan, getan, gedacht,
inzwischen ist es wieder Nacht.

Am Freitag geht von alters her,
was man auch anfängt, stets verquer.
Drum ruh dich aus und sei belehrt:
Wer gar nichts tut – macht nichts verkehrt.

Am Samstag ist das Wochen-End,
da wird ganz gründlich ausgepennt.
Heut anzufangen, lohnt sich nicht.
Die Ruhe ist des Bürgers Pflicht.

Am Sonntag möcht’ man so viel tun.
Am Sonntag
muss man leider ruhn.
Zur Arbeit ist es nie zu spät.
O Kinder, wie die Zeit vergeht.

 

 
Fred Endrikat (7 juni 1890 – 12 augustus 1942)

Lees verder “Dolce far niente, Fred Endrikat, Gerrit Krol, Frans Pointl, Ko Un, Edward van de Vendel”