In Memoriam Rogi Wieg

 

In Memoriam Rogi Wieg

In zijn woonplaats Amsterdam is woensdagavond de Nederlandse dichter en schrijver Rogi Wieg overleden. Dat heeft zijn vrouw laten weten via Wiegs uitgeverij In de Knipscheer. Rogi Wieg was 52 jaar oud. Zie ook mijn blog van 21 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Rogi Wieg op dit blog.

 

Poëzie

Nu is het dus dat ik niet meer weet
hoe bang zijn was. Ik zal niet langer vijand
zijn van zoveel vormen goedheid. Maar vergeet
niet wat je was: ogen, haar, een hand

om mee te schrijven. En wat moet ik zeggen,
de stadsweg waarover je naar huis toe gaat,
mijn huis zelfs is zo liefdevol voor mij. Verleggen
van dit leven is gewichtig. dat je hier bestaat

alsof je altijd zal bestaan lijkt eigenaardig
– en al die mooie dingen dan –
om alles weg te gooien voor wat poëzie is te lichtvaardig.

Er is te weinig taal in mij om zaken
te omschrijven zoals dit gebrek aan angst;
dus noem ik maar wat afgebroken wordt, om nog iets goed te maken.

 

Als een sonnet van verveling

Vroeger wist ik al dat trage tijd
in mijn leven komen zou, dadenloos omlijnd.
Geboren in een sterrendoek zijn alle dingen toen verleid
tot maan die opkomt, maan die niet verdwijnt.

De stad legt zich in straten aan mij uit;
de nachtlamp brandt, gekletter van bestek.
Hier is men thuis in dat wat sluit
en nooit meer opengaat. Ik weet alleen oneigenlijk vertrek.

Ik deed de tijd af of ik niet bedacht
dat wat voorbij is nooit meer wijkt
en bij me blijft tot kindszijn toe.

Men kleedt zich uit, de klacht is moe
dat tijd veel trager lijkt
en einde weer tot herkomst bracht.

 

I WANT TO TALK ABOUT YOU

God, geef mij nog een laatste
gedicht. In Uw metaforen beveel
ik mijn lichaam en geest.

Laat mijn dood een bloemlezing
zijn van iemand en iets. God,
maak van mijn pijn een bloementrompet
en maak van mij een vuurzee van water.

Zo zal ik niet sterven, maar ga ik
alleen een beetje dood. In mijn
ruggenmerg strooit U confetti
en daaruit zullen vleugels groeien.

Zo zal ik gezelschap voor U zijn
en U vliegensvlug voorlezen uit
oude boeken. Mijn God, ik zal
U niet verlaten.

 

 
Rogi Wieg (21 augustus 1962) – 15 juli 2015)

In Memoriam Thé Lau

In Memoriam Thé Lau

De Nederlandse zanger, muzikant, componist en schrijver Thé Lau is gisteravond thuis in Amsterdam overleden. Dit meldt zijn management woensdag.Thé (Matheus Josephus) Lau werd geboren in Bergen op 17 juli 1952. Zie ook alle tags voor Thé Lau op dit blog.

Uit: Juliette, een liefde in snapshots

Maar makkelijke score of niet, Robbie was voor het eerst met een vrouw naar bed geweest en teder betastte hij de plek waar Elsa had gelegen. Toen zijn vingertoppen in de plooien van het laken niets meer van haar voelden klom hij uit het bed, kleedde zich aan en liep naar de tafel bij het raam van het tuinhuisje. Ze had een bordje en een mok voor hem klaargezet. Op het bord lag een briefje:
‘Ik ben naar het paviljoen om schoon te maken. In de keuken is brood, en koffie en filters, als je wilt. Kijk maar. Kus. Elsa.’
Ze had een krullerig meisjeshandschrift, en onder haar naam had ze een hartje getekend. Het was aandoenlijk, en in strijd met haar nymfomane reputatie. Robbie tekende er een hartje naast en liep naar buiten.
Hij keek nieuwsgierig om zich heen. Wat vannacht in duisternis gehuld was geweest bleek een groot, met hoge bomen en krakkemikkige bouwsels bezaaid terrein. Drie schuren stonden her en der verspreid rond een grote boerderij met een aangevreten rieten dak. Van een ervan hingen de deuren in hun hengsels. In hun schaduw was een roestige tractor te zien, en eromheen slingerde gereedschap. Naast Elsa’s huisje stond een half ingestort kippenhok. Het geheel maakte de indruk van een machine die krakend en piepend tot stilstand was gekomen.
Robbie stak het erf over en opende het hek. Hij keek naar zijn witte Puch, die ertegenaan stond, en dacht aan zijn vader. Wat zou hij van deze eerste verovering hebben gevonden? Het antwoord zou Robbie nooit krijgen. Zijn vader had vorig jaar een beroerte gekregen en was zittend aan de schildersezel overleden. Robbie stapte op en startte de brommer.”

Thé Lau (17 juli 1952 – 23 juni 2015)

 

In Memoriam James Salter

In Memoriam James Salter

De Amerikaanse schrijver James Salter is op 90-jarige leeftijd overleden. Amerikaanse media schrijven dat zijn vrouw zijn overlijden bekend heeft gemaakt. James Salter werd op 10 juni 1925 in New York geboren. Zie ook alle tags voor James Salter op dit blog.

Uit: Light Years

“Their life is mysterious, it is like a forest; from far off it seems a unity, it can be comprehended, described, but closer it begins to separate, to break into light and shadow, the density blinds one. Within there is no form, only prodigious detail that reaches everywhere: exotic sounds, spills of sunlight, foliage, fallen trees, small beasts that flee at the sound of a twig-snap, insects, silence, flowers.
And all of this, dependent, closely woven, all of it is deceiving. There are really two kinds of life. There is, as Viri says, the one people believe you are living, and there is the other. It is this other which causes the trouble, this other we long to see.”
(…)

“He had his life—it was not worth much—not like a life that, though ended, had truly been something. If I had had courage, he thought, if I had had faith. We preserve ourselves as if that were important, and always at the expense of others. We hoard ourselves. We succeed if they fail, we are wise if they are foolish, and we go onward, clutching, until there is no one—we are left with no companion save God. In whom we do not believe. Who we know does not exist.”
(…)

“He was reaching that age, he was at the edge of it, when the world becomes suddenly more beautiful, when it reveals itself in a special way, in every detail, roof and wall, in the leaves of trees fluttering faintly before the rain. The world was opening itself, as if to allow, now that life was shortening, one long, passionate look, and all that had been withheld would finally be given.”

James Salter (10 juni 1925 – 19 juni 2015)

 

In Memoriam Drs. P.

In Memoriam Drs. P.

De Nederlands-Zwitserse schrijver, tekstschrijver, componist, zanger en pianist Drs. P is gisteren op 95-jarige leeftijd in Amsterdam overleden. Dat heeft zijn uitever laten weten. Drs. P (eig. Heinz Hermann Polzer) werd geboren in het Zwitserse Thun op  24 augustus 1919. Zie ook mijn blog van 24 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Drs. P. op dit blog.

De geneugten van de roem 

Het volk is hier op literair gebied
Nu niet bepaald tot geeuwens toe verwend
Vandaar ook, dat men in de houding schiet
Zodra men een auteur/auteuse ziet
Dit wordt de jeugd zo duchtig ingeprent
Dat zelfs de meest a-culturele blagen
Je respecteren als een exponent
Van al wat men moet hebben om te slagen
Je vindt je roem verwoord in heldensagen
Wanneer je een bekende schrijver bent
 
Als schrijver ga je door voor erudiet
Ervaren psycholoog en leuke vent
En (monkelend verteld of impliciet)
Een artistiek verantwoord sybariet –
Erotisch liberaal en vrij potent
Zodat je, waar je ook maar op komt dagen
Uitbundig wordt begroet, en geen moment
Om exclusieve aandacht hoeft te vragen
Men doet hier alles om je te behagen
Omdat je een bekende schrijver bent
 
De overheid, van allerhoogste piet
Tot onbezoldigd hulpverkeersagent
Het huisdier en de koekoek en de griet
Ja, al wat stem heeft zingt het hoogste lied
En dat dit jou betreft, is evident
In alle streken en bevolkingslagen
Bewierookt men je kwistig en frequent
En blijft men van je meesterschap gewagen
Geen mens, geen recensent zal aan je knagen
Zolang je een bekende schrijver bent
 
O willekeurling, doet het u verdriet
Dat niemand nergens nimmer u herkent?
Dan mag u zich, wat mij betreft, beklagen
Het leven is veel beter te verdragen
Indien je een bekende schrijver bent

 

 K.P. Kaváfis
 
Hij heeft het nooit gezien, zijn vaderland
Maar was en bleef een Griek, wat heet, Helleen
Zowel in tijd als plaats een vreemdeling
 
Alexandrië bruiste langs hem heen
Hij vond er in ’t geheim bevrediging
Maar niet de rust der Elyzeese velden
 
En buiten een beperkte vriendenkring
Wist niemand van zijn dromen en zijn helden –
Bestond hij slechts als kennis of passant
 
Een pennelikker die op jongens viel
Maar met de jeugd der Oudheid in zijn ziel

 

Nazomer
 
’t Is prachtig weer; we profiteren
Van deze dag vol kleur en licht,
En dragen opgewekte kleren.
‘Iets koeler,’zegt het weerbericht.
 
Men hoort een dikke bromvlieg zoemen;
De lucht is onmiskenbaar blauw;
Er hangt een ijle geur van bloemen.
Toch valt de avond al weer gauw.
 
’t Is prachtig weer; we zitten samen
Te zonnen op ’t café-terras.
Een windstoot rammelt aan de ramen;
Er valt een herfstblad in mijn glas.
 
We laten onze blikken dwalen
En praten over ‘t mooie weer.
Maar na de laatste zonnestralen
Is het ineens geen zomer meer.

 
Drs. P (24 augustus 1919 – 13 juni 2015)

Libris Literatuur Prijs 2015 voor Adriaan van Dis

 

Libris Literatuur Prijs 2015 voor Adriaan van Dis

De Libris Literatuur Prijs 2015 is gewonnen door Adriaan van Dis voor zijn boek ‘Ik kom terug’. Dat maakte juryvoorzitter Wim Pijbes maandagavond bekend tijdens een galadiner in het Amstel Hotel in Amsterdam. Adriaan van Dis werd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Zie ook alle tags voor Adriaan van Dis op dit blog.

Uit: Ik kom terug

“… Ik moest mij goed gedragen, onze toekomst stond op het spel. Hun geld zou ons bevrijden van zuinigheid en oorlogsangst. Speciaal voor het bezoek droeg ik een grijsfluwelen lange broek met omslag. Hij jeukte van nieuwigheid. Tante Elise en tante Desiree koesterden hun afkomst, generaties geleden waren hun voorvaderen voor de roomsen uit het zuiden van Frankrijk naar het noorden gevlucht. ‘Vaudois’ noemden ze zich, maar wij zeiden thuis gewoon waldenzen. De tantes hingen nog altijd aan een familiewapen uit die tijd, al hadden ze zich vermengd met Brabantse boeren en deelden we dezelfde achternaam. Vroom zijn was hun hobby en ik zat nog niet of de tantes lazen me de les. Of ik wel wist hoe de Vaudois geleden hadden? Opgejaagd waren ze, door de inquisitie vervolgd om hun sober geloof. Waar ze in Frankrijk ook heen vluchtten, tot aan de Alpengrotten toe, keer op keer werden hun kale kerken verbrand en hun nederzettingen vernietigd. Vrouwen hadden moeten toezien hoe de roomsen hun baby’s tegen de rotsen smakten, jonge zonen werden in stukken gesneden en hun lichaamsdelen in de velden omgeploegd en de mannen de hersenen uitgesneden. De roomsen kookten die en aten ze op. De tantes lieten me een oude Franse bijbel zien, met roestig bloed op de band. Ik kneep van angst in de tafelrand, mijn moeder keek naar buiten en begon over het weer. ‘Wij zijn de joden van de christenen,’ zei tante Desiree. En ik mocht daarbij horen? …”.

 
Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946)

Gouden Boekenuil 2015 voor Mark Schaevers

De Belgische schrijver, journalist en redacteur Mark Schaevers werd geboren in 1956 in Leopoldsburg. Schaevers studeerde van 1974 tot 1978 Germaanse talen in Leuven. Hierna heeft hij een jaar als leraar gewerkt en is vervolgens bij de uitgeverij Kritak in Leuven gaan werken. Hierna trad hij in dienst bij het weekblad Humo als journalist. Bij dit weekblad schreef hij over politiek en literatuur. Ook heeft hij daar een tijdje de rubriek Dwarskijken verzorgd. In 1996 trad hij in dienst van de de krant De Standaard, waar hij de literaire bijlage Standaard der Letteren verzorgde. In 2001 keerde hij terug naar het weekblad Humo, waar hij tussen 2001 en 2004 co-hoofdredacteur was samen met Jörgen Oosterwaal.Ook bewerkte hij het citatenboek Groepsportret van Hugo Claus tot een theaterstuk. Het ging om een monoloog die door Josse De Pauw vertolkt werd. In 2011 stelde hij het boek “De wolken: uit de geheime laden van Hugo Claus” samen uit de papieren nalatenschap van Hugo Claus. In april 2015 won hij met “Orgelman” De Gouden Boekenuil, de grootste literaire prijs van Vlaanderen,

Uit: Orgelman

“Bij zijn intrede in Oostende – een keerpunt in zijn korte leven – is Felix Nussbaum gemaskerd. Felka Platek is dat ook.
Ik weet het uit een brief die Nussbaum schrijft aan de kunstenaar Ludwig Meidner op 31 oktober 1937. Van zijn duizenden brieven zijn er enkele tientallen bewaard gebleven; dit is een van de langste. Meer dan honderd regels tel ik als de brief me in het stadsarchief van Darmstadt wordt voorgelegd. Ze zijn keurig uitgevuld over vier pagina’s, recto verso; het handschrift is uiterst regelmatig, de inkt zachtzwart.
Pas onlangs kort hebben Meidner en Nussbaum elkaars spoor in de emigratie gevonden. Nussbaum vertelt zijn oudere collega hoe het hem de afgelopen vijf jaar vergaan is. Hij is dikwijls van plek gewisseld, schrijft hij, en om het te bewijzen somt hij een sliert Italiaanse steden op; hij noemt ook Parijs, Bazel en Brussel, maar het uitvoerigst schrijft hij over Oostende.
‘We bereikten Oostende op een winteravond. Ik zal dat nooit vergeten, zo prachtig was dat. Waarom Oostende? Die vraag valt niet te beantwoorden. We zaten er flink doorheen. Moe in het hoofd, moe in de benen. Als een vissersboot rustten we uit in de haven.’
Hier willen ze een tijd voor anker gaan. Dat kunnen ze in deze stad van vastenavondgekken zichzelf bewijzen door deel te nemen aan de maskerwedstrijd op het Wapenplein. En dus baant Felix Nussbaum zich op deze miezerige avond van 4 maart 1935 een weg door een dichte menigte versierde mensen. Hun koddige tronies met bitterneuzen en bolle wangen, de katten- en gendarmekoppen, de klatergouden kronen, de imposante vederbossen, de serpentines en confetti, hij ziet het allemaal door een paar gaten in een karton.
Felka is aan zijn zijde. Ze krijgen een volgnummer, wachten voor een podium hun beurt af. En dan huppelen zij twee in hun gelegenheidsvermomming over de loper, boven de gonzende massa uit, begeleid door een schijnwerper en een streepje muziek. Kan een intocht in Oostende gepaster gebeuren?
Ze houden halt bij de jury. ‘Toen ik daar zo stond,’ schrijft Nussbaum aan Meidner, meteen ook de reden weggevend waarom hij hem zo uitvoerig over zijn aankomst in Oostende bericht, ‘zag ik in de jury een oude heer met een wit gezicht en een witte baard; die schreef iets op toen hij me zag. Dat was James Ensor.’

 
Mark Schaevers (Leopoldsburg, 1984)

In Memoriam Günter Grass

In Memoriam Günter Grass

De Duitse schrijver Günter Grass is vandaag overleden in de stad Lübeck. Dat heeft zijn uitgever Steidl Verlag bekendgemaakt. Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk) op 16 oktober 1927. In 1999 ontving hij de Nobelprijs voor de Literatuur. Grass is 87 jaar oud geworden.

Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Günter Grass op dit blog.

Uit: Die Blechtrommel

„Jetzt habe ich keine Worte mehr, muß aber dennoch überlegen, was Oskar nach seiner unvermeidlichen Entlassung aus der Heil- und Pflegeanstalt zu tun gedenkt. Heiraten? Ledigbleiben Auswandern? Modellstehen? Steinbruch kaufen? Jünger sammeln? Sekte gründen? All die Möglichkeiten, die sich heutzutage einem Dreißigjährigen bieten, müssen überprüft werden, wo mit überprüft, wenn nicht mit meiner Trommel. So werde ich also jenes Liedchen, das mir immer lebendiger und fürchterlicher wird, auf mein Blech legen, werde die Schwarze Köchin anrufen, befragen, damit ich morgen früh meinem Pfleger Bruno verkünden kann, welche Existenz der dreißigjährige Oskar fortan im Schatten eines immer schwärzer werdenden Kinderschreckens zu führen gedenkt; denn was mich früher auf Treppen erschreckte, was im Keller, beim Kohlenholen buhhh machte, daß ich lachen mußte, was aber dennoch immer schon da war, mit Fingern sprach, durchs Schlüsselloch hustete, im Ofen seufzte, schrie mit der Tür, wölkte auf aus Kaminen, wenn Schiffe im Nebel ins Horn atmeten, oder wenn zwischen den Doppelfenstern stundenlang eine Fliege starb, auch als die Aale nach Mama verlangten, und meine arme Mama nach den Aalen, wenn die Sonne hinter dem Turmberg verschwand und für sich lebte,starb, auch als die Aale nach Mama verlangten, und meine arme Mama nach den Aalen, wenn die Sonne hinter dem Turmberg verschwand und für sich lebte, Bernstein! Wen meinte Herbert, als er das Holz berannte? Auch hinterm Hochaltar — was wäre der Katholizismus ohne die Köchin, die alle Beichtstühle schwärzt? Sie warf den Schatten, als des Sigismund Markus Spielzeug zusammenbrach, und die Gören auf dem Hof des Mietshauses, Axel Mischke und Nuchy Eyke, Susi Kater und Hänschen Kollin, sie sprachen es aus, sangen, wenn sie die Ziegelmehlsuppe kochten: »Ist die Schwarze Köchin da? Jajaja! Du bist schuld und du bist schuld und du am allermeisten. Ist die Schwarze Köchin da…« Immer war sie schon da, selbst im Waldmeisterbrausepulver, so unschuldig grün es auch schäumte; in allen Kleiderschränken, in denen ich jemals hockte, hockte auch sie und lieh sich später das dreieckige Fuchsgesicht der Luzie Rennwand aus, fraß Wurstbrote mitsamt den Pellen und führte die Stäuber auf einen Sprungturm — nur Oskar blieb übrig, sah Ameisen zu und wußte: das ist ihr Schatten, der sich vervielfältigt hat und der Süße nachgeht, und alle die Worte: Gebenedeite, Schmerzensreiche, Seliggepriesene, Jungfrau der Jungfrauen … und alle die Gesteine: Basalt, Tuff, Diabas, Nester im Muschelkalk, Alabaster so weich… und all das zersungene Glas, durchsichtige Glas, hauchdünn geatmete Glas… und Kolonialwaren: Mehl und Zucker in blauen Pfund- und Halbpfundtüten. Später vier Kater, deren einer Bismarck hieß, die Mauer, die frisch gekalkt werden mußte, ins Sterben verstiegene Polen, auch Sondermeldungen, wenn wer was versenkte, Kartoffeln, die von der Waage polterten, was sich zum Fußende hin verjüngt, Friedhöfe, auf denen ich stand, Fliesen, auf denen ich kniete, Kokosfasern, auf denen ich lag … alles im Beton Eingestampfte, der Saft der Zwiebeln, der die Tränen zieht, der Ring am Finger und die Kuh, die mich leckte… Fragt Oskar nicht, wer sie ist! Er hat keine Worte mehr. Denn was mir früher im Rücken saß, dann meinen Buckel küßte, kommt mir nun und fortan entgegen:

Schwarz war die Köchin hinter mir immer schon.
Daß sie mir nun auch entgegenkommt, schwarz.
Wort, Mantel wenden ließ , schwarz.
Mit schwarzer Währung zahlt, schwarz.
Während die Kinder, wenn singen, nicht mehr singen:
Ist die Schwarze Köchin da? Ja — Ja — Ja!”

 

 
Günter Grass (16 oktober 1927 – 13 april 2015)

80 Jaar Frans Vogel

De Nederlandse schrijver, dichter, columnist, het fotomodel, de beeldend kunstenaar en copywriter Frans Vogel werd op 11 maart 1935 geboren in Haarlem als Geert Franciscus de Vogel. In 1949 verhuisde hij van het Sint Jozefkindertehuis in Haarlem naar een tehuis in Rotterdam. Hij werkte o.a. als corrector bij de Maasbode en op een reclamebureau en schreef o.a. voor Het Vrije Volk, Rotterdams Dagblad en Circuit. Van groot belang was zijn ontmoeting in de jaren vijftig met de dichters Hans Sleutelaar en Cornelis Vaandrager. Later zouden daar Armando en Hans Verhagen nog bijkomen. Zij maakten samen de literaire tijdschriften Gard Sivik en De Nieuwe Stijl. Vogel debuteerde in 1996 met de bundel “Te gek moment & andere gedichten”. Deze werd in 2000 gevolgd door “Het onaandoenlijk hart (72 bpm)”. In 2007 verscheen de bundel “Gelukkig maar”. Op 8 maart 2015 werd in galerieWind op het Noordereiland te Rotterdam een expositie geopend en een boek (tegelijk de catalogus bij de expositie) Ken zó in Boijmans, Frans Vogel 80 over het leven en werk van Frans Vogel gepubliceerd. Frans Vogel viert vandaag zijn 80e verjaardag.

Marriage de raison

Elk huwelijksbootje
telt maar 1 reddingsboei,
zeggen ze: de liefde.

Bijgevolg, reken maar uit,
kom je met z’n tweeën
dan meteen al mooi 1 reddingsboei
te kort. (Wat nu, zei Pichegru:
valse start?)

Wees daarom zo verstandig
bij het aan boord gaan
minstens ook 1 zwemvest
mede te nemen: met het oog
op beider lijfsbehoud
op de woelige baren.

Maar, dat zeg ik,
een ouwe autobinnenband
uit Cuba of een geïmproviseerde
belt van opgeblazen condooms
is natuurlijk ook niet
in de majem gepleurd.

 

Zomer in Rotterdam

Nou de stad van gloeiend beton is,
doorklief je het beste nog de Maas
per watertaxi: langs je kanis
strijkt dan een briesje – vlindergeraas.

De ‘stuur’ koerst aan op Hotel New York,
waar je van boord stapt naar het terras
om te gaan lunchen met knife   fork:
top is ’t leven, ’t ligt waterpas.

Tink’lende glazen, een schaterlach.
Scheepshondgeblaf, heel in de verte.
Een heli- chopt retour zo ie kwam.

Wijl de havens rondom met hun pracht
je niets doen dan wereldofferte:
profiteer – zomer in Rotterdam!

 
Frans Vogel (Haarlem, 11 maart 1935)

In Memoriam H.H. ter Balkt

In Memoriam H.H. ter Balkt

De Nederlandse dichter H.H. ter Balkt is op 76-jarige leeftijd overleden. Zijn uitgeverij meldt dat hij afgelopen nacht is gestorven. Ter Balkt werd vele malen onderscheiden voor zijn poëzie. Zo kreeg hij de Constantijn Huygensprijs in 1998 en de P.C. Hooftprijs in 2003. Zie ook alle tags voor H. H. ter Balkt op dit blog.

 

Altijd

Altijd de verweekte kalfshersenen van de regen
als het gezijk van een oude dichter die de sloot niet inklimt.
Altijd de losse draadjes van machientjes en de kloterige plons
van raketten (plas-plas) in dezelfde verrotte zee.

Altijd de afdruk van voetstappen in sneeuw of modder, &
de herfst die zijn grijnzend smoelwerk uit de groene boom steekt.
& altijd Celsius met de koude kwikzak in de maand januari
als de steden huilen: Haal ons van de landkaarten moedertje.

Altijd dezelfde klaagzangen om dezelfde schurftige wereld,
altijd dezelfde slechte dichters terwijl de goeden ondergespit zijn
en ah! ah! owee! altijd dezelfde droevige opeenvolging
van gezichten en gezangen op de stenen akkers en op die van zand.

 

Geestverschijning van de meikersenboom

Tegels de velden op het suizend wiel
van de winter, de pottenbakker. Maar
winters gieten nu ook de ijskruik van
oogopslagen, blauwe tegelvloeren en

-wanden, kwik in de thermometers van
de zomer; onderwereld steelt nu smaak,
licht; vlekt het waas van de druiven;
roof in volle bloei zwaait zijn bijl.

Bij de geknotte linden is doorzichtig
-stralend met lichtrode vruchten, geel
en groen blad, sneeuw op zijn takken –

de meikersenboom verschenen, roomwit
bloesemend, takkenwringend spiegelend
door het raam in de koudblauwe tegels.

 

De tijd

‘De tijd is een mesjokkeme dokter.
Van kerkhofdrek druppelt zijn ketting.
Zijn jas van zwachtels en knechting
Is de vlag van ’t land van de boktor.

Onder het uithangbord met de adder
Hield ie eerste spreekuur in Eden.
Een klokhuis zit sindsdien in de appel
En de ratelslang rijdt door de steden.

Vermomd als Dokter, Zandloper en Joker
Brouwt ie in zijn kolven de zwarte loper.
Doofpotten: zalfpotten met zachte zalven,
Eeuwen streek ie ze leeg aan de galgen.

 

 
H.H. ter Balkt (17 september 1938 – 9 maart 2015)

In Memoriam Fritz J. Raddatz

In Memoriam Fritz J. Raddatz

De Duitse schrijver, criticus, columnist, essayist en biograaf Fritz J. Raddatz is op 83-jarige leeftijd overleden. Zie ook alle tags voor Fritz J. Raddatz op fit blog.

Uit: Tagebücher

„15.–17. Mai 1982
Seltsames, im Grunde trauriges Wochenende in Berlin. Freitag abend mit Brasch essen, ein anfänglich wunderbarer, freundschaftlicher Abend – habe das Gefühl, daß wir uns gegenseitig sehr mögen (was er ja, als ich krank war, auch durch rührende Fürsorglichkeit bewies) und uns auch sehr viele « Wahrheiten » sagen können. Er wohnt sehr am Abgrund, an der Finsternis – und versteht dadurch offenbar meine Lebenssituation, die ich als immer auswegloser empfinde ; was ich ihm sagen kann. Sonst muß ich ja der Muntere und Flinke sein. « Ediert, nicht geboren », nannte das der ahnungslose Henrichs neulich, weil er annimmt, daß Leben für mich nur aus Lesen und Intellektualität bestünde. Wenn er wüßte, daß ich bereit wäre, die ganze Scheiß-Intellektualität hinzuwerfen, wenn . . . Neulich nach dem Montand-Konzert sah ich jemanden, der prompt hinterher auch im bösen Keller auftauchte, dann – obwohl ich ihn ansprach – sehr rasch « weg » war. Ärgerte mich nexten Tags, weil ich dachte, das sei wegen « betrunkener, alter Mann » gewesen. Nix da : Donnerstag abend, bevor ich nach Berlin flog, war ich dort wieder, traf den, sprach mit ihm – ein CDU-Parolen plappernder Dummkopf, der mir gleich sagte, er sei aber kein Gesprächspartner für mich. Erstens sei ich doch nun wohl alt genug geworden, um zu wissen, daß man sich hier nicht unterhalten wolle, und zweitens sei ich ihm zu « hoch » – er wisse genau, wer ich sei. Sprach’s und ging vor meinen Augen in den Dunkelraum. Das meinte Brasch , wenn er mich zu « mächtig » nannte. Ein gutes Wort auf der Suche nach dem Grund, war um Menschen – erst von mir fasziniert – mich gleichsam abstoßen, sich retten ; mindestens in die « Scheidung » à la Ledig : Alle retteten sich ja vor mir. Es ist irgendeine « Über »-Spannung in mir oder an mir. Ich habe das nun tausendmal erlebt. Der Brasch -Abend wurde eine Brasch-Nacht mit entsetzlichem Besäufnis, wohl ganz komisch, was er mir hinterher davon erzählte – ganze Teile, die ich nicht mehr erinnerte, habe dann ja förmliche Blackouts und wüßte selbst unter Mordverdacht nicht mehr zu sagen, was ich wann und wo tat. Auch kein gutes Zeichen.“

 
Fritz J. Raddatz (3 september 1931 – 26 februari 2015)