In Memoriam Lothar-Günther Buchheim

De Duitse schrijver, kunstschilder en kunstverzamelaar Lothar-Günther Buchheim werd geboren in Weimar op 6 februari 1918. Hij was de zoon van de schilderes Charlotte Buchheim, groeide op in Chemnitz en werd beschouwd als schilderend wonderkind. In 1935 had hij zijn eerste tentoonstelling. In 1938 maakte hij een kanotocht over de Donau, die resulteerde in zijn eerste boek. In 1939 en 1940 studeerde hij aan de kunstacademies te Dresden en München, daarna werd hij oorlogsverslaggever. Na 1945 begon Buchheim een galerie en een uitgeverij van kunstboeken. Hij gaf ook de Buchheim-Kunstkalender uit, die al snel een begrip werd. Buchheim is een specialist op het gebied van het expressionisme, schreef boeken over dit onderwerp, en verzamelde kunst van Duitse expressionisten. In 1968 begon hij weer te schilderen. In 1973 verscheen zijn roman Das Boot, gebaseerd op zijn belevenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog als oorlogsverslaggever aan boord van de onderzeeboot U-96. Het boek werd een enorm succes, mede door de verfilming in 1981 van Wolfgang Petersen; er werden miljoenen exemplaren van verkocht, en het is in 18 talen vertaald. In de jaren tachtig maakte Buchheim diverse reizen, en werden zijn werken wereldwijd tentoongesteld. In 1995 ontstond het plan voor een museum waarin de collectie-Buchheim kon worden ondergebracht. In januari 1996 werd een wedstrijd uitgeschreven voor een ontwerp, en in 2001 is het Museum der Phantasie in Bernried (Beieren) geopend. Hij werd op 6 februari 1992, op zijn 74ste verjaardag, tot ereburger van de stad Chemnitz benoemd. Lothar-Günther Buchheim overleed afgelopen donderdag, 22 februari, op 89-jarige leeftijd.

 

Uit: Das Boot

 

“Niemand ist so nur auf sich gestellt wie der Kommandant des Unterseebootes. Er trägt allein die volle Last verantwortungsschwerer Entschlüsse. (…) Er führt die Getriebe der toten Materie, die vielfältigen Funktionen von Maschinen und Waffen zu einer einzigen Wirkung zusammen, während die Besatzung nichts vom Gegner sieht und nur gewissenhaft in ihrem Dienstbereich die Befehle des Kommandanten ausführt.”

 

 

Buchheim

Lothar-Günther Buchheim (6 februari 1918 – 22 februari 2007)

 

P. C. Hooftprijs 2007 voor Maarten Biesheuvel

Maarten Biesheuvel heeft de P.C. Hooftprijs gewonnen. Dat heeft het bestuur van de Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde vrijdag bekendgemaakt. Biesheuvels sterk associatieve verteltechniek ‘geeft zijn proza een weldadig effect ven irrationaliteit en onlogica, waardoor het fantastisch element te meer een kans krijgt’, aldus de jury onder leiding van Maarten Asscher. De jury prijst verder Biesheuvels ‘verbeeldingskracht, absurdistische humor en stilistische rijkdom’. Met zijn verhalen, die het autobiografische en het fantastische op een zo wonderbaarlijke manier met elkaar vermengen, heeft hij een unieke en onverwisselbare bijdrage geleverd aan de Nederlandse literatuur. Daarvoor komt hem de P.C. Hooft-prijs 2007 ten volle toe, aldus het jurerende gezelschap.

De P.C. Hooft-prijs 2007 is een oeuvreprijs van 60.000 euro, deze keer weer bedoeld voor proza. De in Leiden wonende Biesheuvel krijgt de onderscheiding op donderdag 24 mei 2007 in het Letterkundig Museum in Den Haag, drie dagen na de sterfdag van de naamgever van de prijs. Biesheuvel kreeg onder meer al de F. Bordewijk-prijs 1985 van de Jan Campert-Stichting voor zijn verhalenbundel Reis door mijn kamer en voor zijn debuut In de bovenkooi uit 1972 ontving hij de Alice van Nahuys-prijs.

Biesheuvel, die rechten studeerde in Leiden, debuteerde in 1972 met de verhalenbundel In de bovenkooi. De gelauwerde auteur past verschillende verteltechnieken toe en staat bekend om zijn wijze van parodiëren en ironiseren. Realistische verhalen, bijvoorbeeld over een gereformeerde opvoeding en een verblijf in een psychiatrische inrichting, worden door de schrijver afgewisseld door surrealistische en malle vertallingen. Ook mixt hij autobiografische gegevens met fictie.

Biesheuvel publiceerde onder meer De weg naar het licht en andere verhalen (1977), Brommer op zee (1982), Een overtollig mens (1988, Boekenweekgeschenk). In 2003 stelde zijn echtgenote Eva Gütlich een bundel uit Biesheuvels verhalen samen.

Uit: Gemiste kans

 

…”Ik trad binnen en zag dertien personen: twee dames en elf heren. Maar wat zagen ze er allemaal merkwaardig uit. Een man die iets kleiner was dan ik kwam op me af. Hij droeg een bruingrijs tweedjasje en een witte pantalon, op zijn neus zat een lorgnon van ouderwets model geklemd. De man keek me guitig aan en leek me heel slim. Het was net of ik hem al eens eerder had gezien. ‘Vlug, doe die deur dicht,’ zei hij, ‘we zijn hier maar incognito.’ ‘U bent toch Vladimir Nabokov?’ vroeg ik verbaasd. ‘Je raadt het,’ zei hij, ‘we zijn hier voor jou gekomen, maar laat ik je eerst aan de andere leden van onze club voorstellen.’ Ik schudde de handen van Homerus, Thomas Mann, Jane Austen, Herman Melville, Gogol, Tolstoj, Vergilius, Dante, Flaubert, Cleopatra, Jezus en Pontius Pilatus. De laatste was een reus van een kerel met rood haar, hij had een wit lang gewaad aan. Om zijn middel zat een strakke gordel en daaraan hing in een fraai bewerkte ivoren schede een dolkmes, waarschijnlijk het mes waarover ik al had horen praten. Pilatus droogde juist zijn handen af aan een rood-wit geblokte theedoek die een beetje naar haring stonk. ‘Nu ken je de leden van de club,’ zei Melville die op sandalen liep, in een Nankingse broek gekleed was en met ontbloot bovenlijf rondliep, hij rookte een pijp, ‘we hebben allemaal jouw werk gelezen. Je hebt nu wel genoeg geschreven. Hou ermee op. Het mooiste verhaal vinden wij allemaal “Brommer op zee”. Sommige andere verhalen halen ook een aardig peil. Homerus is vooral te spreken over “Oculare Biesheuvel”, dat verhaal met die ellendige namenlijst. Nabokov is nogal gesteld op “Een vreemd voorval”. Jane Austen vindt “De merel” prachtig. We zijn hiernaartoe gekomen om je lid te maken van de club. lets mooiers valt er niet te bereiken!’ Jezus keek me aan en zei een beetje stuurs: ‘Maar dan moet je wel meteen meegaan.’ Ik sputterde tegen. ‘Anton Tsjechov heeft “De dame met hondje” geschreven, waarom is hij dan geen lid van de club?’ ‘We wilden hem lid maken,’ sprak Jane Austen terwijl ze heel grappig mijn bewegingen en mijn stemgeluid nabootste, ‘maar op het laatste moment heeft hij de boot gemist.’ ‘Hoe kwam dat dan?’ vroeg ik. ‘Vertellen we je wel op zee,’ lachte Cleopatra.”

 

BIESHEUVEL

Maarten Biesheuvel (Schiedam, 29 mei 1939)

In memoriam Robert Long

Zanger en liedjesschrijver Robert Long is overleden.

 

Voor mijn vrienden

Als ik zelf zou mogen kiezen
Welk seizoen ik wil sterven
Zou ik zeggen, doet u mij de
Laatste maand van de herfst dan maar

Nee, niet deze herfst natuurlijk
Liefst voorlopig sowieso niet
Want er zijn nog zoveel plannen
Ik ben met het leven nog lang niet klaar

Maar stel dat het leven met mij bijna klaar is
Dan hoop ik maar dat het in ’t najaar zal zijn
Ver voor kerst, oud en nieuw, al die
Middenstandsfeesten
En voor Sinterklaas – want ik haat marsepein

Aan het einde van de herfst
Is alles dood en afgestorven
Mooi moment om te verdwijnen
In de oude novembermist

Zonder heimwee of verlangen
Kijk ik vredig naar de kilte
En daarna sluit ik mijn ogen
Wat bloemen, wat woorden, daar gaat m’n kist

Maar stel dat het leven me nu al wil kisten
Dan hoop ik maar dat ik de winter niet haal
Dan maar geen nieuw tv-seizoen, geen interviews meer
Geen nieuwe cd, en nooit meer 10 Voor Taal

Kijk de winter gaf me altijd
Dat gevoel van hyacinten
En nog even en het leven
Is weer terug in mijn bloedsomloop

Dus als ik zou mogen kiezen
Wil ik sterven in het najaar
Zonder tranen of verlangen
Tevreden en zonder een sprankje hoop

Want hoop heb ik altijd gehad in mijn leven
Het geeft je weer moed, het verzacht en geneest
En als ik daar iets van heb door kunnen geven
Dan ben ik toch niet totaal zinloos geweest

Dus stel dat ik inderdaad sterf voor de winter
Niet al te dramatisch en zonder veel pijn
Dan hoop ik alleen nog dat jullie, mijn vrienden
Die laatste paar uren bij mij zullen zijn.

 

Robert_Long_2

Robert Long (22 oktober 1943 – 13 december 2006)

 

In memoriam Cri Stellweg (alias Saartje Burgerhart)

Schrijfster en voormalig columniste Cri Stellweg is op 84-jarige leeftijd overleden in haar woonplaats Den Bosch. Zij schreef 25 jaar lang een tweewekelijkse column in de Volkskrant onder het pseudoniem Saartje Burgerhart. Stellweg begon haar carrière bij de socialistische krant Het Vrije Volk. Toen zij in 1961 overstapte naar de Volkskrant verzon toenmalig hoofdredacteur Joop Lücker de naam Saartje Burgerhart. Hij wilde voorkomen dat zijn katholieke dagblad te veel werd geassocieerd met een socialistische schrijfster. Stellweg was destijds de enige vrouwelijke columniste. In haar columns schreef Stellweg voornamelijk over het dagelijkse leven. Haar kleinkinderen speelden bijvoorbeeld geregeld een hoofdrol. Maar zij behandelde soms ook onderwerpen als de politiek, het milieu en kernwapens. Later wist Stellweg de aangename en minder aangename kanten van het ouder worden te beschrijven zonder sentimenteel te worden. In ’87 verscheen, na meer dan 2500 stukjes, haar laatste Saartje. ‘Alles was gezegd, ik ging mezelf herhalen’. Eén uitstapje maakte ze in al die jaren: in 1975 publiceerde ze een boek over haar aan longkanker overleden broer (die ze in de laatste fase van zijn ziekte bij haar thuis verzorgde), Deze aarde verlaten.
In 1996 verscheen haar ‘weduwenboek’ Een graf van letters, over vijftig jaar huwelijk en de dood van haar man Fred Kersten(‘Hendrik’ in de columns), met wie ze voor Avenue de halve wereld heeft afgereisd.

 

Uit: Honderd jaar Koninklijk ‘s-Hertogenbosch Mannenkoor

“De ene buurman is de andere niet, de onze zingt.
Niet dat wij buren daar persoonlijk veel van merken, want zwijgend scheert hij de heg, zonder noemenswaardig geluid beklimt hij ‘s-morgens zijn fiets en keert even geruisloos na gedane arbeid daarvan huiswaarts.
Onze buurman zingt in een koor en uitsluitend daar.
In het ongeveer veertig man tellende koor is hij een van de baritons.

Een avond in de week wordt verzameld op de bovenverdieping van een gemeenschapsgebouw. Als alle leden present zijn en nog een dame zich bij hen heeft gevoegd om het gezang op de piano te ondersteunen, stelt de dirigent zich op recht tegenover de nu in dubbele rij op stoeltjes gezeten zangers.
Men begint met het inzingen, octaven worden beklommen van beneden naar boven en vice versa en heen-en-weer en op-en-neer en het gonst en het bromt en klinkt vredig en, welja……..mooi.
Er wordt gerepeteerd voor een uitwisselingsconcert met de zingende broeders uit Leuven, België, op een muziekstuk van Franz Schubert.
“Schlaf du nicht” zingt de dirigent en priemt een gebiedende vinger in de rij mannen en gehoorzaam nemen zij het over, veertig stemmig. Sommige mannen trekken een klein spaarpotmondje, de buurman heeft zijn handen vroom op de partituur op zijn knieën gelegd.
“Schleichen wir uns wieder fort” zingt de dirigent en jawel hoor, de stemmen sluipen weg……leise…..leise.
Kort daarna is het pauze met koffie.

Een zingende buurman is in verschijning een man als iedere andere, een man in een houthakkershemd, losse trui en jeans. Maar als de buurman aantreedt voor een uitvoering in de concertzaal dan is hij onherkenbaar in de gesloten formatie van zangers die het podium opmarcheren. Als uit het zwart-witte blok van stram staande heren het geluid crescendo aanzwelt al naar gelang Schubert het beliefde, dan bekijk je zo’n buurman toch even anders.
Want de heg scheren kunnen we allemaal, maar het “Ständchen” van Schubert zingen als lid van het honderdjarig Koninklijk ‘s-Hertogenbosch Mannenkoor, da’s toch even andere koek.”

Stellweg

Cri Stellweg (23 maart 1922 – 26 november 2006) 

Ako Literatuurprijs voor Hans Münstermann


De Nederlandse schrijver Hans Münstermann heeft de Ako Literatuurprijs 2006 gewonnen voor De Bekoring. In de jury zaten naast prinses Laurentien (voorzitster) de recensenten Jos Borré (De Standaard), Johan de Haes (VRT), Elsbeth Etty (NRC Handelsblad) en Rob Schouten (Trouw, Vrij Nederland).

 

BOEKMUNSTERMANN

Zo luidt de presentatie van zijn boek op de AKO site:

De bekoring

”In De bekoring laat Hans Münstermann ons de beschimmelde benauwenis van een aflopend tijdperk voelen. De ‘sixties’ gloren aan de horizon, maar het zeven kinderen tellende gezin van de Duitser Joachim Klein en diens echtgenote Marianne Petersen leeft nog in het keurslijf van de naoorlogse wederopbouw. Andreas Klein is hun vierde kind en degene die later als schrijver de geschiedenis van het gezin te boek stelt. In De bekoring grijpt hij de sterfdag van zijn moeder aan om zijn herinneringen aan een jeugd in Amsterdam-Zuid te evoceren. Alles in die jeugd draait om de dag dat de moeder man en kinderen verliet met de mededeling nooit meer te zullen terugkeren. Aan haar sterfbed reconstrueert Andreas wat zijn moeder tot haar ‘verraad’ aan man en kinderen heeft gedreven.
De compositie van De bekoring is meesterlijk. Vanuit het perspectief van het verlaten kind schetst hij in een fraaie, suggestieve stijl het wezen van een radeloze vrouw, een twintigste-eeuwse Madame Bovary.”

 

HansMunstermann
Hans Münstermann (Arnhem, 1947 (Ik gok op 16 juli want dat is de verjaardag van de jonge Andreas uit de bekroonde roman))
 

Zie ook mijn blog van 23 oktober.

Prix Goncourt 2006 voor Jonathan Littell

Jonathan Littell heeft de Prix Goncourt 2006 gewonnen voor zijn roman Les Bienveillantes. 

Jonathan Littell, een Jood wiens familiewortels tot het 19de-eeuwse Rusland teruggaan, werd op 10 oktober 1967 in New York geboren. Maar lang in de Big Apple blijven deed hij niet. Littells moedertaal mag dan het Engels zijn, een groot deel van zijn leven, en al helemaal zijn studies, heeft hij in het Frans volmaakt. Littell studeerde aan het bekende Fénelonlyceum in Parijs, en legde ook zijn bac in het Frans af.

“Ik had haast”, vertelt de auteur in meerdere interviews. Op zijn achttiende ging hij in Yale kunst en literatuur studeren. Franse literatuur vooral. Littell is dol op Flaubert “wegens zijn historische fres- co’s”, op Stendhal ook, “voor de snelheid van zijn pennentrekken”. Maar ook de Russen, en zeker Dostojevski en Tolstoj, zijn bij Littell nooit ver weg. Of nog, Kafka, aan wie hij zijn redeneringen in het absurde ontleent. Op zijn 22ste heeft hij Sade, Genet, Blanchot en Quignard al naar het Engels vertaald.

Na zijn studie is hij als vertegenwoordiger van de Franse niet-gouvernementele organisatie Action contre la faim actief in de ergste brandhaarden van de wereld, van Sarajevo tot Kaboel, van Grozny tot Rwanda. Vijf jaar geleden begon hij aan een uitvoerige research naar de beulen van Hitler en de ondergang van de joden in de Kaukasus. Die zou uiteindelijk uitmonden in Les Bienveillantes.

 

Uit : Les Bienveillantes

” En fait, j’aurais tout aussi bien pu ne pas écrire. Après tout, ce n’est pas une obligation. Depuis la guerre, je suis resté un homme discret; grâce à Dieu, je n’ai jamais eu besoin, comme certains de mes anciens collègues, d’écrire mes Mémoires à fin de justification, car je n’ai rien à justifier, ni dans un but lucratif, car je gagne assez bien ma vie comme ça. Je ne regrette rien: j’ai fait mon travail, voilà tout; quant à mes histoires de famille, que je raconterai peut-être aussi, elles ne concernent que moi; et pour le reste, vers la fin, j’ai sans doute forcé la limite, mais là je n’étais plus tout à fait moi-même, je vacillais, le monde entier basculait, je ne fus pas le seul à perdre la tête, reconnaissez-le. Malgré mes travers, et ils ont été nombreux, je suis resté de ceux qui pensent que les seules choses indispensables à la vie humaine sont l’air, le manger, le boire et l’excrétion, et la recherche de la vérité. Le reste est facultatif.”

JONATHAN_LITTELL

Jonathan Littell (New York, 10 oktober 1967)

In memoriam William Styron

Op 1 november is de Amerikaanse schrijver William Styron overleden. Hij werd geboren in Newport News, Virginia, op 11 juni 1925 als zoon van een arbeider in de scheepsbouw. Hij debuteerde in 1951 met Lie Down in Darkness. In deze lyrisch geschreven roman over de reacties op de zelfmoord van een meisje, betoonde Styron zich een schrijver in de grote Zuidelijke traditie van William Faulkner, een hokje waaraan hij de rest van zijn carrière probeerde te ontsnappen. Hij vertrok naar New York en Parijs, maar boekte weinig succes met de boeken die hij daar schreef. Het succes kwam terug met een roman over een typisch Zuidelijk onderwerp: The Confessions of Nat Turner, het goed gedocumenteerde en gefictionaliseerde verslag van een slavenopstand uit 1831. Het boek verscheen in 1967, op het hoogtepunt van de Burgerrechtenbeweging, en leverde hem de Pulitzer Prize voor fictie op. Styron deed jarenlang onderzoek voor zijn volgende roman, die in 1979 onder de titel Sophie’s Choice zou verschijnen. Het is het verhaal van een jonge schrijver die in New York verliefd wordt op een Poolse vrouw die niet kan leven met de herinnering aan de dood van haar kinderen in Auschwitz. De kernscène van de roman, waarin de moeder bij een nazi-selectie moet kiezen tussen haar zoontje en haar dochtertje, staat gegrift in de collectieve herinnering – ook dankzij de verfilming uit 1984 met Meryl Streep in de hoofdrol. In 1990 deed Styron nog een keer van zich spreken, met het non-fictieboek Darkness Visible, over de depressie waarin hij raakte toen hij in 1985 afkickte van een alcoholverslaving. Het veel naar Dantes Inferno verwijzende verslag geldt als een van de eerlijkste en herkenbaarste ‘memoires van gekte’ (zoals de ondertitel luidde) van de afgelopen jaren. Het verloste Styron niet van zijn depressies; het enige dat hij nog publiceerde was een bundel met drie oude verhalen, A Tidewater Morning (1993).

Uit: Lie Down in Darkness (1951)

“It was obvious that he was not clicking, that he was lamely striving for a tender humorous effect – the reason for which he couldn’t explain himself – and that he was failing completely. Along the line he had said something wrong. Harry was wearing an appreciative, courteous grin, but the smiles on the faces of Peyton and Helen – both of which he sensed, rather than saw, at the same time – seemed fastened on with paste, and concealed a tense and inner reproach.”

 

Uit:  The Confessions of Nat Turner (1967)

Was it not fact, known even to the humblest yeoman farmer and white-trash squatter and vagabond, that there was something stupidly inert about these people, something abject and sluggish and emasculate that would forever prevent them from so dangerous, so bold and intrepid a course, as it had kept them in meek submission for two centuries and more?”

Uit:  Sophie’s Choice (1979)

“Sophie ceased looking at the pictures – all became a blur – and her eyes sought instead the window flung open against the October sky where the evening star hung, astonishingly, as bright as a blob of crystal. An agitation in the air, a sudden thickening of the light around the planet, heralded the onset of smoke, borne earthward by the circulation of cool night wind. For the first time since the morning Sophie smelled, ineluctable as a smotherer’s hand, the odor of burning human beings

 

 

WILLIAMSTYRON

William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006)

 

 

Nobelprijs voor Orhan Pamuk

De Turkse schrijver Orhan Pamuk (54) heeft de Nobelprijs voor Literatuur 2006 gewonnen. ‘In zijn zoektocht naar de melancholieke ziel van zijn geboortestad heeft Pamuk nieuwe symbolen voor de botsing en interactie van culturen ontdekt’, aldus Zweedse Academie voor Wetenschappen in haar motivering.

Orhan Pamuk werd geboren op 7 juni 1952 in Istanbul. Pamuk geniet internationaal aanzien als een van de grootste Turkse schrijvers van het moment en van deze eeuw. Belangrijkste thema’s in zijn werk zijn de conflicten en de tegenstellingen tussen Oost en West, Islam en christendom, traditie en moderniteit. Expliciete uitspraken over de Armeense kwestie en het gewapende conflict met de Koerden hebben samen met zijn status als intellectueel hem in Turkije al sinds enige tijd tot een controversieel persoon gemaakt. Afhankelijk van wie het gevraagd wordt is hij of een groot schrijver of een landverrader. In oktober 2005 werd aan hem bij de Frankfurter Buchmesse de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel uitgereikt.

Uit: Snow (Sneeuw, hoofdstuk1)

“The silence of snow, thought the man sitting just behind the bus driver. If this were the beginning of a poem, he would have called the thing he felt inside him the silence of snow.

He’d boarded the bus from Erzurum to Kars with only seconds to spare. He’d just come into the station on a bus from Istanbul—a snowy, stormy, two-day journey—and was rushing up and down the dirty wet corridors with his bag in tow, looking for his connection, when someone told him the bus for Kars was leaving immediately.

He’d managed to find it, an ancient Magirus, but the conductor had just shut the luggage compartment and, being “in a hurry,” refused to open it again. That’s why our traveler had taken his bag on board with him; the big dark-red Bally valise was now wedged between his legs. He was sitting next to the window and wearing a thick charcoal coat he’d bought at a Frankfurt Kaufhof five years earlier. We should note straightaway that this soft, downy beauty of a coat would cause him shame and disquiet during the days he was to spend in Kars, while also furnishing a sense of security.

As soon as the bus set off, our traveler glued his eyes to the window next to him; perhaps hoping to see something new, he peered into the wretched little shops and bakeries and broken-down coffeehouses that lined the streets of Erzurum’s outlying suburbs, and as he did it began to snow. It was heavier and thicker than the snow he’d seen between Istanbul and Erzurum. If he hadn’t been so tired, if he’d paid a bit more attention to the snowflakes swirling out of the sky like feathers, he might have realized that he was traveling straight into a blizzard; he might have seen at the start that he was setting out on a journey that would change his life forever and chosen to turn back.

But the thought didn’t even cross his mind. As evening fell, he lost himself in the light still lingering in the sky above; in the snowflakes whirling ever more wildly in the wind he saw nothing of the impending blizzard but rather a promise, a sign pointing the way back to the happiness and purity he had known, once, as a child. Our traveler had spent his years of happiness and childhood in Istanbul; he’d returned a week ago, for the first time in twelve years, to attend his mother’s funeral, and having stayed there four days he decided to take this trip to Kars. Years later, he would still recall the extraordinary beauty of the snow that night; the happiness it brought him was far greater than any he’d known in Istanbul. He was a poet and, as he himself had written—in an early poem still largely unknown to Turkish readers—it snows only once in our dreams.”

PamukGoed
Orhan Pamuk (Istanbul, 7 juni 1952)

Booker Prize voor Kiran Desai


De jonge Indiase schrijfster Kiran Desai heeft dinsdagavond de Booker Prize van 50 duizend pond gewonnen, de belangrijkste prijs voor Engelstalige literatuur. Desai krijgt de prijs voor de roman De erfenis van het verlies (The Inheritance of Loss), een familieverhaal dat wordt verteld tegen de achtergrond van een Nepalese opstand in de jaren tachtig. Desai verliet India toen zij 14 jaar was, verbleef een jaar in Engeland en verhuisde toen naar de VS om er te studeren. Zij bezocht Bennington College, Hollins University, en de Columbia University, waar zij twee jaar van vrij nam om haar eerste boek te schrijven: Hullabaloo in the Guava Orchard.

 

Uit: Hullabaloo in the Guava Orchard

 

It was this year that Sampath Chawla was born to his mother, Kulfi. She was twenty-one years old, newly married to Mr. Chawla, and pregnant. By late September the heat and lack of rain had combined to produce terrible conditions of drought. She grew bigger as it got worse. It got to be so bad that famine-relief camps were set up by the Red Cross to the west of Shahkot. The supply planes flew right over the bazaar and Shahkotians, watching with their heads tilted back, wondered why they didn’t stop for them as well, for surely they were suffering quite enough to warrant the same attention and care being so assiduously delivered elsewhere. The ration shop was distributing rice and lentils in smaller and smaller portions all the time. There was no fruit to be found anywhere and hardly any vegetables. Prices had risen so high, nobody would buy the scraggy chickens sitting in cages outside the meat shop. Finally the poor butcher had to eat them himself, and after the last one, he was forced to turn vegetarian like the rest of the town.

Kulfi, in these months, was so enormously large, she seemed to be claiming all the earth’s energy for herself, sapping it dry, leaving it withered, shriveled and yellow.

People stopped short in amazement as she walked down the street. How big she was! They forgot their dealings in the almost empty marketplace. They teetered on their bicycles as they looked around for just another sight of that stomach extending improbably before her like a huge growth upon a slender tree. Her eyes were so dark, so sooty and vehement, though, these people who turned their heads to stare turned quickly away again, ill at ease for some reason and unsettled. Not noticing them, she passed by as if they weren’t there at all. On her face, about her mouth and in the set of her chin was an expression intent and determined but yet far away and distant, as if all her thoughts were concentrated upon a point invisible to everybody but herself. She walked through Shahkot like this, as distracted as this, as strange as this.

‘What do you expect?’ asked Ammaji, her mother-in-law, making excuses when curious neighbors asked about Kulfi’s state of mind. ‘What do you expect from a woman with a baby in her belly like a little fish?’

But Kulfi was not thinking of the baby in her belly like a little fish. She was thinking of fish themselves. Of fish in many forms. Of fish big enough and good enough to feed the hunger that had overtaken her in the past months like a wave. She thought of fish curries and fish kebabs. Of pomfret, bekti, ruhi. Of shoals of whiskered shrimp. Of chewy mussels. She thought of food abundant in all its many incarnations. Of fenugreek and camel milk, yam and corn. Mangoes and coconuts and custard apples. Mushrooms sprouting like umbrellas in the monsoon season. Nuts, wrinkled in their shells, brown-skinned, milky-fleshed.

 

 

 

 

Desai
Kiran Desai (India, 3 september 1971)
                       

Mozart en Mohammed!


Duitse politici en kunstenaars hebben dinsdag verbolgen gereageerd op het besluit van De Deutsche Oper om Idomeneo van Mozart met de islamitische profeet Mohammed te schrappen. Het theater vreesde negatieve reacties van moslims

De christen-democratische regeringsfractie in het parlement sprak over een knieval voor terroristen. Woordvoerders bestempelden het besluit als laf en als bedreiging voor de vrijheid van de kunst. Minister Wolfgang Schäuble van Binnenlandse Zaken had de maatregel al idioot, belachelijk en onacceptabel genoemd. Ook de sociaal-democratische coalitiepartner uitte kritiek op de ‘capitulatie voor een mogelijk gevaar’.

De Deutsche Oper in de Duitse hoofdstad haalde Idomeneo uit het programma op aandringen van de politie, die echter niet over concrete aanwijzingen voor een gewelddadig protest beschikt. In een van de scènes van de opera uit 1781 presenteert koning Idomeneo van Kreta de afgeslagen hoofden van Poseidon, Jezus, Boeddha en Mohammed.

De opvoering van regisseur Hans Neuenfels leidde al tijdens de première eind 2003 tot protesten van het publiek. Neuenfels zou de scène bedoeld hebben als radicale afrekening met religie en godsdienstoorlogen. Idomeneo stond dit seizoen vier keer op het programma.

 

Inderdaad Schäuble: idioot, belachelijk en onacceptabel!

 

 

 

Idomeneo
De gewraakte scene uit Idomeneo

 

 

Bronnen: Suedeutsche.de en Volkskrant.nl