In Memoriam John Mortimer

In Memoriam John Mortimer

 

Gisteren is in Turville Heath de Engelse schrijver en advocaat Sir John Clifford Mortimer overleden.

John Mortimer werd geboren in Londen op 21 april 1923. Hij studeerde aan de Universiteit van Oxford. Tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef hij scenario’s en draaiboeken voor propagandafilms. In 1948 begon hij te werken als advocaat en ongeveer tegelijkertijd begon hij zijn carrière als schrijver. Hij schreef talrijke romans, korte verhalen, theaterstukken en scenario’s. Mortimers bekendste schepping is de figuur van de excentrieke advocaat Horace Rumpole, die in 1975 voor het eerst verscheen in Rumpole of the Bailey. Rumpoles avonturen werden ongeveer gelijktijdig uitgebracht als kort verhaal en als televisieserie, met de Australische acteur Leo McKern in de titelrol. Na McKerns dood in 2002, kwam er een vervolg met Timothy West. Mortimer bewerkte ook de roman Brideshead Revisited van Evelyn Waugh voor de gelijknamige televisieserie.

 

Uit: Rumpole Misbehaves

 

‘The North Pole is melting, Rumpole. The seas are rising all over the world. The Thames will probably overflow the Embankment and there is a real possibility of the ground-floor rooms in our chambers being submerged. And you occupy a downstairs room, Rumpole.’ He added the final sentence with, I thought, a sort of morbid glee.

‘What am I expected to do about it?’ I felt I had to ask. ‘Stand in the Temple car park and order the tide to turn back? My name’s not Canute, you know.’

‘We know exactly what your name is, Rumpole.’ Sam Ballard was giving me one of his least pleasant looks. ‘And we have identified you as a source of pollution.’

‘Well,’ I said, adopting the reply sarcastic, ’that’s nice of you.’

‘You pollute the atmosphere, Rumpole, with those dreadful little brown things you smoke.’

‘Cigarillos,’ I told him. ‘Available from the tobacconist just outside the Temple gate. Can I offer you one?’

‘No, Rumpole, you certainly cannot. And I would ask you to consider your position with regard to the environment very carefully. That is all I have to say. For the moment.’

With that, our Head of Chambers gave a final sniff to the atmosphere surrounding me and then withdrew, closing the door carefully behind him. In a moment of exaggerated concern, I wondered if he was chalking a fatal cross on the other side of my door to warn visitors and prospective clients of the source of plague and pollution to be found within.

Dismissing such thoughts, I lit another small cigar and wondered if, as I struck the match, I could hear the distant sound of an iceberg melting, or at least the Thames lapping at the door. All was quiet, however. But then the telephone rang with news that put the environment firmly back into second place among my immediate concerns.

‘There you are, Bonny Bernard, and it’s good to hear from you,’ I said, giving my favourite and most faithful solicitor a polite welcome. ‘What are you bringing me? A sensational murder?’

 

Mortimer

John Mortimer (21 april 1923 – 16 januari 2009)

 

In Memoriam Johannes Mario Simmel

In Memoriam Johannes Mario Simmel

Op 1 januari 2009 is de Oostenrijkse schrijver Johannes Mario Simmel overleden. Zie ook mijn blog van 7 april 2007 en ook mijn blog van 7 april 2008.

 

De Oostenrijkse schrijver Johannes Mario Simmel werd geboren in Wenen op 7 april 1924.  Simmels vader was jood en hij groeide op in Oostenrijk en Engeland en studeerde voor scheikundig ingenieur. Hij was van 1943 tot het einde van de tweede wereldoorlog onderzoeker. Na de oorlog werkte hij als vertaler voor het Amerikaanse militair bestuur en publiceerde besprekingen en verhalen in de Weense “Welt am Abend”. Vanaf 1960 was hij reporter voor het Münchense “Quick” in Europa en Amerika. Hij schreef vele romans en toneelstukken. Verschillende van zijn romans werden in de jaren 1960 en 1970 verfilmd, zoals “Es geschehen noch Wunder” (1951) met Hildegard Knef, “Tagebuch einer Verliebten” (1953) met Maria Schell, “Hotel Adlon” (1955) en ” Robinson soll nicht sterben” (1957) met Romy Schneider . Simmel werd door de kritiek lange tijd beschouwd als veelschrijver . Pas met zijn roman “Doch mit den Clowns kamen die Tränen “ (1987) kreeg hij algemene erkenning. Simmel won talrijke prijzen, zoals de “Award of Excellence of the Society of Writers” van de VN en de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland. Belangrijke thema’s in zijn romans zijn een overtuigd pacifisme en de relativiteit van “goed en kwaad”. Een aantal van zijn romans zijn gebaseerd op ware gebeurtenissen en zijn vermoedelijk autobiografisch.

 

Uit: Bis zur bitteren Neige

 

„Ich erinnere mich noch genau an den Augenblick, in dem ich zum erstenmal starb. Ich bin danach noch ein paarmal gestorben, aber Ort und Datum jenes ersten Males werden eingebrannt in meinem Gedächtnis bleiben, solange ich lebe: Hamburg, 27. Oktober 1959.

Ein schwerer Sturm raste an diesem Morgen über die Stadt, und während ich an ihn denke, glaube ich wieder sein Toben zu vernehmen, sein Pfeifen, Stöhnen, Ächzen in Kaminen, sein Rütteln an Dachziegeln und Blechen, an Schildern, Fensterläden, Gittern, Jalousien. Dieser Orkan fand seinen Weg in meine wirren Träume, ich hörte ihn und fühlte ihn, ehe mich noch das Schrillen des Telefons aus dem Schlaf riß.

Der Apparat stand neben dem Bett. Ich knipste die Nachttischlampe an, denn die Vorhänge waren zugezogen. Mein Kopf schmerzte, ich hatte einen schlechten Geschmack im Mund, und mir war übel, als ich mich aufsetzte. Neben dem Telefon sah ich Zigaretten, einen Aschenbecher, ein Glas, halb angefüllt mit schalem Whisky, ein Röhrchen Schlaftabletten, das kleine Kreuz aus Gold und meine Armbanduhr. Es war drei Minuten nach acht.
Die Tür zum Bad stand offen. Durch die Milchglasscheibe hinter der Wanne kam bleiernes, scheußliches Frühlicht ins Schlafzimmer gekrochen und mischte sich über dem Bett mit dem scheußlichen, kraftlos gelben Licht der Nachttischlampe.
Ich hob den Hörer ab und roch dabei den Whisky, und Ekel schüttelte mich, oben in der Kehle.
“Hier ist die Zentrale. Guten Morgen, Mister Jordan. Ich fürchte, ich habe Sie geweckt.”
“Ja.”
“Das tut mir leid. Ich fragte bei allen Kolleginnen nach. Es liegt kein Auftrag vor, Sie nicht zu stören.”
“Vergessen.” Ich war noch zu verschlafen, um ganze Sätze zu bilden. Jetzt roch ich auch die Zigarettenstummel; etwas Whisky war in den Aschenbecher geraten, sie lagen darin, vollgesogen, aufgeplatzt, braun, gelb und schwarz.

 

Simmel

Johannes Mario Simmel (7 april 1924 – 1 januari 2009)

P. C. Hooftprijs 2009 voor Hans Verhagen

P.C. Hooftprijs 2009 voor Hans Verhagen

 

De Nederlandse dichter Hans Verhagen ontvangt de P.C. Hooftprijs 2009. Dat heeft de stichting vandaag bekendgemaakt. De P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde behoort tot de belangrijkste literatuurprijzen in het Nederlandse taalgebied. De oeuvreprijs wordt jaarlijks afwisselend toegekend voor proza, essayistiek en poëzie. Aan de prijs is een bedrag verbonden van 60.000 euro, deels te besteden aan een literair project.

 

De dichter, journalist, schilder en programmamaker Hans Verhagen werd geboren in Vlissingen op 3 maart 1939. Verhagen volgde een opleiding in de muziek en in de journalistiek. Hij werkte voor het Algemeen Dagblad en de Haagse Post en was medewerker aan televisieprogramma’s van de VPRO, o.m. Hoepla en Het gat van Nederland. Als dichter was Verhagen mederedacteur van de neorealistische tijdschriften Gard Sivik en De Nieuwe Stijl. In zijn eerste cyclische bundel, Rozen & motoren (1963), nam hij afstand van de experimentele poëzie van de Vijftigers.. Zie ook mijn blog van 3 maart 2008.

 

 

Wakkerschrikking

 

De eenzame trams van Amsterdam

(het kreunen en het knarsen van)

waarin iedereen zich groter voordoet dan hij is,

tevens zich zo klein maakt als maar kan.

 

Het ijzer van de lege wielen, fluitend bijna

door stokoude bochten, verspreide vrees;

wie wakker schrikt herinnert zich allicht

de nachten van weleer, de jacht op mensenvlees.

 

Kletterend sluiten de kralengordijnen.

Tranen, van de porseleinen zwanenhals

neerhangend tot ze lossen, zich

hernemend in breedsprakige fonteinen.

Daarnaar zullen wij niet dorsten.

 

Het besef van zulke grote, glasheldere druppels

rept zich van sterfbed naar sterfbed

omdat het daar soms nog een willig oor treft.

We zullen in glasheldere druppels verdwijnen

als we daarvan niet teveel vermorsten.

 

 

 

Zelfportret

 

Stralend-witte vader,

in een snorrende wolk hommels

op de aarde neergedaald.

 

Lieve moeder in het groen gelegen,

brandende van boterbloemen;

bunkers.

 

Zing ik als de kindren zongen,

bommen, bommen, goede bommen,

op de aarde neergedaald.

 

verhagen

Hans Verhagen (Vlissingen, 3 maart 1939)

In Memoriam Janwillem van de Wetering

In Memoriam Janwillem van de Wetering

De Nederlandse schrijver Janwillem van de Wetering is op vrijdag 4 juli overleden.

Van de Wetering werd geboren in Rotterdam op 12 februari 1931. Hij groeide op in Hillegersberg en volgde later een opleiding aan Nijenrode. In 1952 ging hij naar Zuid-Afrika, waar hij voor het bedrijf van zijn vader werkte. Hij leefde echter met zijn vader in onmin. Deze ontsloeg hem en de jonge Van de Wetering ging filosofie studeren in Londen. In Engeland kwam hij er achter dat zijn werkelijke belangstelling bij de oosterse filosofie lag. In die tijd klopte hij als westerling aan bij een Zen-klooster in Kyoto, waar men hem de zeer zware opleiding tot monnik toestond. Er zouden nog vele avonturen volgen. De eerste boeken die Van de Wetering publiceerde gingen over Zen. Na zijn Japanse jaren, waar hij zich onder anderen verdiepte in Robert van Gulik, zou hij zich in een Zen-gemeenschap in het Amerikaanse Maine vestigen. Ondertussen had hij al naam gemaakt als auteur van misdaadromans. In Het lijk in de Haarlemmer Houttuinen (1975) verschijnt het duo Grijpstra & De Gier voor het eerst. Er zouden vele afleveringen volgen. Van de Wetering was de laatste jaren ernstig ziek. Hij leed aan kanker. Het tijdstip van zijn dood heeft hij zelf bepaald. Als overtuigd Zen-volgeling zag hij de dood als een fase van het leven.

Uit: Wat eindigt begint

 “De priester beheerde een kleine Zentempel, een eiland van stilte en schoonheid. een paar kilometer buiten Kyoto. De tempel was beroemd om haar tuin en de priester had de tempel gekregen omdat tuinieren zijn lust en zijn leven was. Naast zijn tempel was nog een andere, kleinere, tempel waar een hele oude Zenmeester woonde, de meester was zo oud dat hij geen discipelen meer kon opleiden, de priester zorgde voor de oude meester maar er was geen officiële meester/discipel relatie. De priester had zijn koanstudie al lang geleden opgegeven.

De priester zou gasten krijgen, en hij was de hele morgen in de weer geweest om zijn tuin puntgaaf te maken. Hij had alle losse bladeren opgeharkt en weggegooid, hij had water op het mos gesprenkeld. hij had het mos zelfs hier en daar gekamd, hij had weer wat bladeren op de juiste plaatsen neergelegd, en tenslotte stond hij op de veranda, bekeek de tuin en kon alleen maar tegen zichzelf zeggen dat zijn tuin volmaakt was. De oude Zenmeester had het werk van de priester met aandacht gadegeslagen terwijl hij op het hek leunde dat de twee tempels van  elkaar scheidde.

“Mooi he?” zei de priester tegen de meester. “Vindt u niet dat de tuin nu is zoals hij wezen moet? Straks komen mijn gasten en ik wil graag dat ze de tuin vinden zoals de monniken die hem vroeger hebben aangelegd het bedoeld hadden.”
De meester knikte. “Ja”, zei hij, “je tuin is mooi maar er mankeert nog iets aan, als je me even over het hek wilt tillen en in je tuin neer· zetten dan zal ik je werk afmaken”.
De priester aarzelde want hij kende de meester zo langzamerhand en wist dat de oude man zonderlinge ideeën kon hebben. Hij kon echter niet weigeren, de wil van een meester is wet, en dal deze meester gepensioneerd was deed niet ter zake.

Toen hij de meester omzichtig in de tuin gezet had liep deze langzaam naar een boom toe die midden in een mooie rots- en mospartij groeide. Het was herfst en de bladeren zaten los. De meester hoefde alleen maar een beetje te schudden en de tuin lag weer vol met in ordeloze stramienen verspreide bladeren. “Nu is het goed”, zei de meester, “je kan me nu weer terugzetten”.

 

VandeWeetering

Janwillem van de Wetering (12 februari 1931 – 4 juli 2008)

In Memoriam Mies Bouhuys

In Memoriam Mies Bouhuys

De Nederlandse dichteres en schrijfster Mies Bouhuys is overleden.

Maria Albertha (“Mies”) Bouhuys werd geboren in Weesp op 10 januari 1927. Mies Bouhuys was bekend als scenario-, toneel- en kinderboekenschrijfster. Zij was gehuwd met de Nederlandse dichter en schrijver  Ed Hoornik. Ze werd opgeleid tot onderwijzeres, maar stond nooit voor de klas. In 1958 trad Bouhuys in dienst van de AVRO als regisseuse en schrijfster van kinderprogramma’s op tv. Ze was enkele jaren bestuurslid van de Vereniging voor Letterkundigen (VVL). Mies Bouhuys debuteerde in 1948 bij D.A. Daamen’s Uitgeversmaatschappij met de gedichtenbundel Ariadne op Naxos waarvoor zij de Reina Prinsen Geerligsprijs ontving. Hoewel ze ook daarna nog poëzie publiceerde, Blijven kijken (1971), werd ze vooral bekend door de vele boeken en versjes voor kinderen. In 1966 werd Kinderverhalen (Uitgeverij Holland) door het CPNB bekroond als Kinderboek van het jaar, de voorloper van de huidige Gouden Griffel. In 1982 publiceerde zij Anne Frank is niet van gisteren. In 2002 verscheen een bloemlezing uit haar kinderboekenwerk ter gelegenheid van haar 75e verjaardag, getiteld Voetje van de vloer, vijftig verhalen en versjes van toen en nu. Mies Bouhuys woonde in Amsterdam. Overigens was de schrijfster niet alleen bekend door haar (kinder)boeken, en musicals, maar ook door haar politieke engagement. Ze was onder meer betrokken bij de Dwaze Moeders in Argentinië.

Op reis

De kleine zwaluw kan niet slapen,
al doet hij ook zijn best,
al knijpt hij zijn twee oogjes dicht
hij woelt maar in het nest.

‘Vooruit, geen kik meer, nu is ’t uit,’
piept moeder zwaluw wijs,
‘want anders mag je morgen niet
mee op de grote reis!’

En denk je nu eens even in,
dat je een zwaluw bent,
die van de wereld enkel maar
één stukje weiland kent.

Opeens mag je dan mee op reis,
de zomer achterna;
als hier het natte weer begint,
ben jij in Afrika.

Gelukkig ga je niet alleen,
dat zou niet leuk zijn, nee.
Familie, vriendjes, kennissen,
wat zwaluw is, gaat mee.

Je snapt wel dat dat zwaluwtje
daar niet van slapen kan,
en àls hij eindlijk, eindlijk slaapt,
waar denk je, droomt hij van?

Bouhuys
Mies Bouhuys (10 januari 1927 – 30 juni 2008)

 

In memoriam Kees Fens

 

In memoriam Kees Fens

 

De Nederlandse literair criticus en essayist Kees Fens is zaterdag overleden.

 

Cornelis Walterus Antonius (Kees) Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929.Hij volgde zijn middelbare schoolopleiding aan het St. Ignatiuscollege in Amsterdam, waar hij in 1948 zijn A-diploma behaalde. Daarna volgde hij in de avonduren een studie Nederlands-MO. Tussen 1959 en 1982 werkte hij als leraar Nederlands, eerst aan het Triniteitslyceum in Haarlem, vanaf 1964 aan de Frederik Muller Academie in Amsterdam. In 1982 werd hij, als eerste niet-academicus, benoemd tot hoogleraar in de moderne letterkunde aan het instituut Nederlands van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Na zijn emeritaat in 1994 volgde nog een benoeming tot bijzonder hoogleraar literaire kritiek aan diezelfde universiteit. In 2001 legde hij ook die functie neer. Tegelijkertijd schreef Fens literaire kritieken, vanaf 1955 voor het weekblad De Linie, van 1960 tot 1968 voor het dagblad De Tijd en van 1968 tot 1978 voor de Volkskrant. Voor die laatste krant is hij tot 2007 blijven schrijven, meest over literaire onderwerpen, hoewel hij er ook een tijdlang een sport-column voor verzorgde. Tussen 1976 en 1989, toen het blad ophield te bestaan, schreef Fens voor de Tijd een wekelijkse column onder het pseudoniem A.L. Boom. Samen met J.J. Oversteegen en H.U. Jessurun d’Oliveira richtte hij in 1962 het literair tijdschrift Merlyn op.

 

Uit: Het beslissende boek

 

Enkele weken later, zo herinner ik me, las ik in dezelfde bloemlezing stiekem een gedicht dat ik eigenlijk heel mooi vond en nog steeds een schitterend gedicht vind. Het is er een van Gezelle. Ik weet dat ik met het uitspreken van die naam al een bepaald beeld van mijzelf oproep, omdat allerlei kalenders deze dichter een totaal verkeerde gestalte hebben gegeven. Hij behoort tot de allergrootste die we ooit gehad hebben, en dat zeg ik niet om mijn oordeel te rechtvaardigen. Dat gedicht heet Winterstilte, en daarvan wist ik: dát is mijn wereld. Het gaat natuurlijk ook weer over sneeuw, zoals bij Nijhoff:

 

Winterstilte

 

Een witte spree

ligt overal

gespreid op ’s werelds akker;

geen mensche en is,

men zegge zou,

geen levend herte wakker.

 

Het vogelvolk,

verlegen en

verlaten, in de takken

des perebooms

te piepen hangt,

daar niets en is te pakken!

 

’t Is even stille

en stom, alhier

aldaar; en, ondertusschen,

en hoore ik maar

het kreunen meer,

en ’t kriepen, van de musschen.

 

Toen ik dat gelezen had, wist ik dat ik ooit van die Gezelle alles zou willen lezen. Ik ben ervan overtuigd dat de schok die ik toen kreeg, na de schok van nog een ander gedicht, alles te maken had met die leeservaringen van vroeger; ook weet ik zeker dat de ervaring met Winterstilte eveneens thuishoorde in dat domein, die halve cirkel, die ik al  voor mijzelf had uitgebouwd. De ervaring met het gedicht van Nijhoff kwam voor mij van buiten en was mij vreemd; de ervaring met Gezelle’s gedicht, daarentegen, was van vroeger, die was van mij en behoorde in die tweede cirkelhelft die mijn eerdere cirkelhelft completeerde.

 

fens

Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)

In Memoriam Adriaan Jaeggi

In memoriam Adriaan Jaeggi

De Nederlandse schrijver, dichter en columnist Adriaan Jaeggi is overleden.

jaeggi
Adriaan Jaeggi (3 april 1963 – 10 juni 2008)

 

   

Adriaan Jaeggi werd geboren op 3 april 1963 in Wassenaar. Hij studeerde Engelse taal- en letterkunde in Leiden. Tijdens zijn studie werkte hij o.a. als trombonist, duikinstructeur, vorkheftruckchauffeur en snackbarhouder. Vlak voor zijn afstuderen werd hij redacteur van Propria Cures. Na zijn afstuderen (met een scriptie over Amerikaanse zwarte muziek en zwarte literatuur) trad hij in 1995 als redacteur in dienst bij de Thomas Rap. In dat jaar publiceerde hij ook zijn eerste roman, De tol van de roem.  Na de dood van Thomas Rap in 1999 verhuisde hij met de inboedel mee naar uitgeverij De Bezige, waar hij tweeëneenhalf jaar werkte als redacteur. In 1999 verscheen zijn tweede roman, Held van beroep. Deze beleefde vijf drukken, werd genomineerd voor de longlist van de AKO- en de LIBRIS-prijs, bekroond met de literatuurprijs van de stad Roermond, in het Duits vertaald en door de pers in binnen- en buitenland geroemd om toon en stijl.  In 2002 verscheen zijn eerste officiële dichtbundel, Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten. Twee gedichten hieruit werden opgenomen in Gerrit Komrij’s befaamde bloemlezing. In januari 2005 werd hij benoemd tot eerste stadsdichter van Amsterdam. Jaeggi schreef als columnist voor De Groene Amsterdammer, de Volkskrant en Volkskrant magazine. In 2004 verscheen een verzameling van zijn columns onder de titel Luxeproblemen. In de Boekenweek van 2006 verscheen het autobiografische Tromboneliefde, dat na een maand herdrukt werd. Zijn derde roman, Edele dieren, is net verschenen.

 Ode aan een nachtegaal 

Ineens stopte hij met praten.
Hij bezat informatie die onschuldige levens kon redden
dus waren wij gedwongen nieuwe procedures
toe te passen. Na toepassing van de
nieuwe procedures begon hij te zingen.
Als een nachtegaal. Hij liep blauw aan
en werd zacht in het midden
conform de nieuwe procedures. 
 

Hij werd per vliegtuig vervoerd naar bondgenoten
die beschikken over de allernieuwste procedures.
Wij verwachten dat hij bij toepassing van de
nieuwste procedures zal blijven praten.
En praten. En praten.
 

Dit was onmogelijk geweest zonder jullie steun.

 

Zie ook mijn blog van 3 april 2008.

In Memoriam J.J. Voskuil

In Memoriam J.J. Voskuil

De Nederlandse schrijver Johannes Jacobus (Han) Voskuil is op 1 mei op 81-jarige leeftijd in zijn woning in Amsterdam overleden. Dat werd vandaag bekend gemaakt.

Uit: Bij nader inzien

“De hemel was stralend blauw geworden. Het water schitterde. “Natuurlijk heeft hij gelijk,” zei hij boos. “Waarom anders? Omdat ik gereformeerd ben soms?” Ze klemde haar kaken op elkaar en gaf een ruk aan zijn arm. “Omdat je niet wil!” zei ze, bijna zonder haar lippen van elkaar te doen. Hij haalde zijn schouders op. “En waarom wil ik niet? Omdat ik van zo’n meid moet kotsen?” Hij begon steeds harder en sneller te praten. “Omdat ik te geremd ben! En waarom ben ik te geremd? God weet het, maar ik ben het.” “Zak!” zei ze vol minachting. “Grote zak!” “Godverdomme!” viel hij boos uit. “Je begrijpt er niets van.” “Normaal vinden om met meiden naar bed te gaan, hè,” ging ze verder, zonder naar hem te luisteren. “Natuurlijk is dat normaal,” zei hij kwaad. “Wat denk je anders dat normaal is? Normaal is toch wat iedereen doet. Dacht je da er een primitieve idioot is die hier een woord van begrijpt.” “Te geremd, hè.” Ze lachte schamper. “Als er iemand abnormaal is, dan zijn wij dat,” overstemde hij haar. “Maar dat bén ik dan ook. Ik heb alleen geen zin om me erop voor te staan. Daar gaat het om.” “Als ze zich maar aanbieden,” zei ze. Hij stond met een ruk stil, pakte haar bij de schouder en boog zich naar haar toe. “Nou moet jij eens goed luisteren,” zei hij met zijn gezicht woedend bij het hare. “Als een meid zich aanbiedt, dan ben ik te geremd! Hoor je dat?” Ze kreeg iets angstigs in haar ogen en knipperde even, maar hield haar hoofd krampachtig op dezelfde plaats. “Te geremd! En dat denk ik omdat ik geremd ben! Begrijp je dat? Het is moeilijk, maar probeer het te volgen.” Hij schudde haar heen en weer. “Dat is essentieel, weet je! Als ik niet geremd zou zijn, dan zou ik weer een heel ander zijn. Begrijp je? En aangezien ik geen ander ben, ben ik geremd! Duidelijk? En dat kan me helemaal niets schelen dat ik geremd ben, integendeel, maar ik verdom het dan om te doen of ik het eigenlijk wel kan, maar niet wil. Ik kan niet! Dus ik wil niet! Punt!” Hij greep naar zijn achterzak en haalde zijn sleutels te voorschijn. “En hier heb je mijn sleutels en daarmee ga je maar in je eentje wandelen. Ik zal wel zien wanneer ik kom.” Hij wendde zich kwaad af, maar draaide zich onmiddellijk weer om. “Naar een meid!” zei hij kwaad en liep toen snel weg, linksaf de Magere Brug op, terwijl Nicolien zich resoluut omdraaide, zonder nog één keer om te kijken.”

VOSKUIL

J. J. Voskuil (1 juli 1926 – 1 mei 2008)

 

Zie ook het In Memoriam in de krant Trouw van vandaag.

Zie ook voor de schrijvers van vandaag, 5 mei 2008,  mijn vorige posting

 

VSB Poëzieprijs 2008 voor Leonard Nolens

De Vlaamse dichter en schrijver  Leonard Nolens heeft gisteravond in De Rode Hoed in Amsterdam de vijftiende VSB Poëzieprijs gekregen voor zijn vorig jaar verschenen bundel Bres. De VSB Poëzieprijs is de belangrijkste dichtersprijs in het Nederlandse taalgebied. De prijs omvat 25.000 euro en een beeldje van Linda Verkaaik. Zie ook mijn blog van gisteren, 11 april 2008.

Zonder mij

Wat kan ik voor je doen, ik heb alleen maar woorden.
Met die muziek heb ik ons huis gebouwd, mijn leven
Vernield om toe te zien of dood de moeite waard is,
Of ik daar weg mee kan zonder te moeten sterven.

Wat kan ik voor je doen, ik moet toch van je blijven.
Ik heb je toch op mij genomen zonder je te nemen,
Zonder me te geven want ik ben alleen maar jij.
Ik ben alleen maar jij geweest om niet te moeten zijn.

Ik ben alleen maar jij geworden om niet ik te zijn.
Dat is een laffe liefde, Zoet, vergeef het mij.
Wat kan ik voor je doen, ik ben alleen maar woorden,
Wou je worden, wou ons worden zonder mij.

 

Schatplichtig

Ze slaapt en dat is stil. Dan sneeuwt het in de kamers
Van het huis waarin ik slaap met mijn vriendin.
Ze ligt er naakt en wit, een ademende steen,
Een groot en lastig beeld waaraan ik mij moet stoten,
Een scherp gewicht dat ik moet dragen alle dagen,
Alle nachten dat haar slaap me uit de slaap houdt.

Ik ben met haar alleen. Alleen met haar kom ik
De jaren afgewandeld want haar naam wijst me de weg
En in haar blik zie ik mijn blinde tijd weerspiegeld.
Ze ligt er naakt en wit, een ademende steen
Waaraan ik heel mijn bot bestaan geslepen heb
En slijp, ook als ik slaap en roepend van haar droom.

 

Uit de tijd

Ik rijd naar huis in de bellende leegte
Van de laatste tram. Het wordt mijn tijd.

Verlaten straten komen samen, gaan uiteen
Op steeds dezelfde, stroevende punten.

Ik zit in mijn ijzer, lees de haltes, steeds
Dezelfde, door het raam da
t wie weerkaatst.

Ik zoen de koude naam op de achterkant
Van mijn adres, verscheur de enige brief.

Het maanwit heeft weer niets verklaard.
De nacht bezit geen grond om op te rusten.

Het is vroeg in de slapende stad.
Het is laat in mijn slapeloos leven.

nolens2

Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)

Gouden Uil voor Marc Reugebrink, Nikolaj Gogol, Milan Kundera, Urs Allemann, Maria Polydouri, Edmond Rostand, Rolf Hochhuth, Joseph de Maistre

De Nederlandse dichter en schrijver Marc Reugebrink won vorige week de Gouden Uil voor zijn roman Het grote uitstel. Reugebrink werd geboren in Goor op 12 augustus 1960. Hij studeerde in Groningen zowel aan de lerarenopleiding (Nederlands en Engels) als aan de universiteit (Nederlandse taal- en letterkunde). In 1988 debuteerde hij als dichter met Komgrond, waarvoor hij de Van der Hoogtprijs 1989 kreeg; in 1987 kreeg hij voor zijn poëzie het Hendrik de Vriesstipendium van de stad Groningen. In 1991 volgde Wade. Onderwijl maakte hij samen met Joost Niemöller en Xandra Schutte deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift De XXIe Eeuw (1990-1993), en trad hij in 1994 toe tot de redactie van het algemeen-culturele tijdschrift De Gids. Hij verliet de redactie in 1999. Tegelijkertijd schreef hij een korte tijd poëziekritieken voor de Volkskrant, en werkte hij van eind jaren tachtig tot medio jaren negentig als recensent voor het Nieuwsblad van het noorden (thans Dagblad van het noorden) en bijna tien jaar voor De groene Amsterdammer. In 1998 verscheen Wild vlees, zijn eerste roman. Datzelfde jaar trok hij naar Gent, waar hij thans nog woont en werkt. In 2002 verscheen de essaybundel De inwijkeling, en in 2004 Touchdown, zijn tweede roman (longlist Gouden Uil en Librisprijs). In 2007 verscheen de roman Het grote uitstel . Vanaf 2001 is Reugebrink redacteur en redactiesecretaris van het onafhankelijke literaire tijdschrift Yang. Ook schrijft hij regelmatig voor o.a. De Morgen en houdt hij op internet een literair journaal bij (Inwijkeling).

Uit: Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1989, Dankwoord

“Wat die nestgeur betreft: die zal ik niet ontkennen, hoezeer de traditie waaruit ik voortkom momenteel ook in een kwade reuk mag staan. Ik stem wat dat aangaat volmondig in met een bekende uitspraak van de Engelse dichter T.S. Eliot, die de ware originaliteit slechts een vorm van ontwikkeling noemde. Het absoluut originele gedicht is een absoluut slecht gedicht, zo stelde hij; het heeft zich losgemaakt van al het bekende en kan niet meer begrepen worden. Ik heb het dan ook altijd nogal merkwaardig gevonden dat een aantal critici in mijn bundel zowel de verwantschap met de autonomistische traditie heeft aangewezen – en dus de poëzie in die zin begreep -, als tegelijkertijd van mening was dat mijn gedichten verregaand onverstaanbaar waren. Als ik dat goed begrijp, kan ik daaruit alleen maar concluderen dat de autonomistische traditie voor deze critici in haar geheel onverstaanbaar is, en dat is een onthullende constatering. Het betekent immers dat deze critici het werk van Leopold, van Van Ostaijen, zelfs van Nijhoff, van Kouwenaar of Faverey, van Mallarmé, Valéry, van Benn en Célan nooit hebben begrepen. Het is alsof de hele twintigste eeuw nooit heeft bestaan!

Voor dergelijke critici houdt met het vaststellen van verwantschap het eigenlijke lezen dan ook op. Het eigen onvermogen om door te dringen in teksten die qua taalgebruik afwijken van het middenstandsproza of het journalistieke proza (de verschillen tussen beide zijn soms akelig klein), wordt hier tot maatstaf voor goede poëzie verheven. Nu ben ik, misschien ondanks de schijn van het tegendeel, de laatste om de eis dat poëzie verstaanbaar moet zijn, tegen te spreken. Maar voor deze critici betekent verstaanbaarheid blijkbaar dat het taalgebruik in gedichten niet mag afwijken van het taalgebruik bij de bakker. Het lijkt mij nu juist een van de wezenstrekken van poëzie dat zij zich niet conformeert aan die vorm van taalgebruik, althans niet als regel. Zelfs de grootste brooddichter maakt weinig kans een halfje wit mee te krijgen als hij zijn verzen bij de bakker voorleest. ‘If we were in the habit of reading poets their obscurity would not matter; and, once we are out of the habit, their clarity does not help’, schreef de Amerikaanse dichter Randall Jarrell ooit. Zo bezien is de onverstaanbaarheid ‘in the eye of the beholder’ en niet iets wat men dichters aan kan wrijven.

reugebrink3

Marc Reugebrink (Goor, 12 augustus 1960)

 

De Russische schrijver Nikolaj Vasiljevitsj Gogol werd geboren in Poltawa, Oekraïne, op 1 april 1809. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

Uit: St. John’s Eve (Vertaald door Larissa Volokhonsky)

 

Weddings in the old days were no comparison with ours. My grandfather’s aunt used to tell us–oh, ho, ho! How girls in festive headdresses of yellow, blue, and pink stripes trimmed with gold braid, in fine shirts stitched with red silk and embroidered with little silver flowers, in Morocco boots with high, iron-shod heels, capered about the room as smoothly as peahens and swishing like the wind; how young women in tall headdresses, the upper part made all of gold brocade, with a small cutout behind and a golden kerchief peeking from it, with two little peaks of the finest black astrakhan, one pointing backward and the other forward, in blue jackets of the best silk with red flaps, stepped out imposingly one by one, arms akimbo, and rhythmically stamped away at the gopak. How young lads in tall Cossack hats and fine flannel blouses with silver-embroidered belts, pipes in their teeth, bobbed and pranced before them, cutting all sorts of capers. Korzh himself couldn’t hold back, looking at the young ones and remembering bygone times. With a bandore in his hands, puffing on his pipe and humming at the same time, the old fellow put a glass on his head and, to the loud shouts of the revelers, broke into a squatting dance. What people won’t think up when they’re tipsy! They used to dress in disguises–my God, they no longer looked like human beings! No comparison with the costumes at our weddings nowadays. How is it now? They just copy the Gypsies or the Muscovites. No, it used to be one would dress up as a Jew and another as a devil, and first they’d kiss each other and then grab each other’s topknots . . . God help us! you had to hold your sides from laughter. They’d get dressed up inTurkish or Tartar costumes: everything on them blazes like fire . . . And when they start fooling and pulling tricks . . . well, saints alive! A funny thing happened with my grandfather’s aunt, who was at this wedding: she was dressed then in a loose Tartar dress and went around offering glasses to the guests. The devil put one of them up to splashing some vodka on her from behind. Another–no flies on him either–struck a fire straight away . . . the flame blazed up, the poor aunt got frightened and started pulling her dress off in front of everybody . . . Noise, laughter, turmoil arose, like at a street fair. In short, the old people remember no merrier wedding ever.”

 

nikolai-gogol

Nikolaj Gogol (1 april 1809 –  4 maart 1852)

 

De Tsjechische schrijver Milan Kundera werd geboren in Brno op 1 april 1929. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

Uit: The Curtain

 

Let us imagine a contemporary composer writing a sonata that in its form, its harmonies, its melodies resembles Beethoven’s. Let’s even imagine that this sonata is so masterfully made that, if it had actually been by Beethoven, it would count among his greatest works. And yet no matter how magnificent, signed by a contemporary composer it would be laughable. At best its author would be applauded as a virtuoso of pastiche.

What? We feel aesthetic pleasure at a sonata by Beethoven and not at one with the same style and charm if it comes from one of our own contemporaries? Isn’t that the height of hypocrisy? So then the sensation of beauty is not spontaneous, spurred by our sensibility, but instead is cerebral, conditioned by our knowing a date?

No way around it: historical consciousness is so thoroughly inherent in our perception of art that this anachronism (a Beethoven piece written today) would be spontaneously (that is, without the least hypocrisy) felt to be ridiculous, false, incongruous, even monstrous. Our feeling for continuity is so strong that it enters into the perception of any work of art.

Jan Mukarovsky, the founder of structural aesthetics, wrote in Prague in 1932: “Only the presumption of objective aesthetic value gives meaning to the historical evolution of art.” In other words: in the absence of aesthetic value, the history of art is just an enormous storehouse of works whose chronologic sequence carries no meaning. And conversely: it is only within the context of an art’s historical evolution that aesthetic value can be seen.”

 

kundera

Milan Kundera (Brno, 1 april 1929)

 

De Zwitserse schrijver en dichter Urs Allemann werd geboren op 1 april 1948 in Schlieren. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

Elegisch die dritte

 

Als den Gebirgssturz passierend er sah wie das Flugzeug aus Fleisch am

Felsen zerplatzte und schrie unter der Blutwolke o

dass Myriaden von Fliegen den Hirnpunkt den Herzspalt und schwärmten

auf ach und brannte so süss dies dass der Rauch Gesang

zwar doch die Zunge zerfiel und floss aus dem Mund an den Knochen

ab in die Schluchten das Wort aber es hielt ihn nicht

Haut sondern spie ihn hinaus und hinauf dass die Arme er wieder

weit und der Schnabel die Brust auf bis im Frein der Motor

stampfte und sah es nicht und lauschte und war der Propeller

der ihn noch einmal emporschraubend sich aufhob und war

nichts als die Glühlaus am schwarzen am Schädel am Himmel und pickte

selber sich weg und verschlang das Helikopter-Ioo

als an der Leber des Adlers der hohle der Zahn des Prometheus

nagte und schenkte ein Licht ihm im Schenkel der Stern

der aus dem Fleisch schon heraus sich zu drehen und nannte es Auge

was als winziger Mond lidlos ihm um den Kopf

schwirrte doch kaum es ihn sah wie die Bombe dem Krater entgegen

flog über Kopf der Vulkan ziellos Raketenmusik

 

 

 

Hinkfüssig

Auf Schlittschuhn wenn und stolz im Puff der Greis ausrutscht

dass scharf von unten es Gelächter durchs Eis bricht

Sweet Mermaids Fuss den Hut vom Kopf, Pa, Shorts runter

ob Schurz hoch Sturm von Loch zu Loch dich am Bart zerrt

der weiss zu flattern wär die Blume Schnee Klopstock

im Winterfreudenhaus beraubt der Stahlflügel

verrostet hing an hellbeblüteten Ulmen

zu schlafen schwindelnd als ihn Showgirls fair hüllten

zu tausend ein in Nacht nach Holders Flugvorsatz

Wolken um nach Welten um ei das stirbt stammelnd

die Polder nun vorüber sind es warn schöne

Gelichtre keiner Bläue Trauridämm seyn will

des Wintersdau mit Unterthrän als dann glänzet

im Beindorf leer den Todtenstille du friss dein

Gefriergeflügel Chickenshit wenn das auftaut

da die Mänaden du Monade träumst Zahlen!

Miss Mermaid! lang Errettung, Pa, nix Mund Nixmäär

 

Allemann

Urs Allemann (Schlieren, 1 april 1948)

 

De Griekse dichteres Maria Polydouri werd geboren op 1 april 1902 in Kalamata. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

To A Friend

I shall come upon the night, on the way that drags me along,
I shall come and find you there alone.
With indolent movements, eventide will spin her delicate shades,
drifting past your desolate window.

In the stillness of your  room you shall have me in-
books scattered around, consigned to silence deep.
And we shall sit side by side, musing over moments past,
yet long before we lose them, still are dying and last.

For the bitterness of ungrateful life, the dreariness,
for having no yearning, no craving,
for decay and silence abiding
plunged in brooding stillness
our speech and ultimate thought shall fade away.

But the night will come to rest
right at your window’s nest.
Scents and glittering stars and fair breezes shall mingle
with the grand call that Nature delivers,
with your heart that even silence itself will not shelter.

poulidori

Maria Polydouri (1 april 1902 – 30 april 1930)

 

De Franse schrijver Edmond Eugène Alexis Rostand werd geboren in Marseille op 1 april 1868. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

Uit: La Samaritaine

 

SCÈNE IV

JÉSUS, LES DISCIPLES

PIERRE, descendant.

Maudit soit ce pays ! Que la peste s’y vautre !

Et que la sauterelle y tombe, avec son bruit !

JACQUES, de même.

Que la nielle1 sur l’arbre abolisse le fruit,

Ou que le ver l’attaque au fond de la réserve !

ANDRÉ, de même.

Et que la femme avorte et que l’homme s’énerve !

Qu’ils connaissent toutes les soifs, toutes les faims !

Que tous leurs ennemis viennent sur leurs confins2,

Et qu’il ne reste rien de leurs villes rasées !

PIERRE

Que jamais, jamais plus, sous les bonnes rosées,

Vous ne vous incliniez et vous ne murmuriez,

Citronniers, amandiers, grenadiers et mûriers

Que jamais plus sous les fruits lourds l’arbre ne crie !…

JÉSUS

Les bénédictions de Dieu sur Samarie !

 (I1 descend..)

PIERRE

Quoi, Rabbi1 ? Mais ces mots de toi, que je retins :

« Évitez les Gentils2 et les Samaritains.

Ne prêchez qu’aux brebis d’Israël !… »

ANDRÉ

Oui, toi-même

Tu paraissais haïr ces païens !

JÉSUS

Je les aime.

PIERRE

Je te les entendis cependant prononcer,

Ces paroles. Pourquoi ?

JÉSUS

C’était pour commencer.

Vous n’aviez pas encore assez large poitrine

Et je ne pouvais toute y loger ma doctrine.

Si je vous avais dit d’aimer jusqu’aux Gentils,

Vous vous seriez scandalisés, mes chers petits.

 

Scène 4

Pouvais-je sans danger, dans votre ombre première,

Faire entrer brusquement tout mon flot de lumière ?

À vous, faibles, verser d’un coup tout mon vin fort ?

Non, certe, et c’est pourquoi j’étais prudent d’abord :

Je filtrais le rayon, je mesurais la dose,

Je n’osais tout livrer. Mais voici l’heure. J’ose.

ANDRÉ

Quoi ! de n’être pas Juif, cela n’empêche rien ?

JÉSUS

Élisée a guéri Nahaman le Syrien1.

PIERRE

Quoi ! nous devons aimer ces gens de Samarie ?

JÉSUS

Et vous les aimerez, puisque je vous en prie.

PIERRE

Que nous demandes-tu, Rabbi ?

JÉSUS

D’être parfaits.

On se sent allégé quand on porte mon faix. »

 

rostand

Edmond Rostand (1 april 1868 – 2 december 1918)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 1 april 2007.

De Duitse schrijver Rolf Hochhuth werd geboren op 1 april 1931 in Eschwege. Zie bovendien mijn blog van 2 april 2006

De Franse politicus, schrijver en filosoof Joseph, comte de Maistre werd geboren in Chambéry op 1 april 1753.