J.C. Bloem-poëzieprijs 2007 voor Hanz Mirck

De Nederlandse dichter Hanz Mirck heeft de J.C. Bloem-poëzieprijs 2007 gewonnen met zijn bundel Wegsleepregeling van kracht. Dat maakte de jury maandag bekend. De tweejaarlijkse prijs voor de beste tweede bundel levert Mirck 2500 euro op. In de jury zaten Jeltje van Nieuwenhoven, Ruben van Gogh en Jean Pierre Rawie. Winnaar Mirck krijgt de prijs tijdens een feestelijke bijeenkomst op 21 april in Steenwijk overhandigd. Het is voor de derde keer dat de onderscheiding wordt uitgereikt.

Ik mag ook eens wat

Een nieuwe, oude tafel heeft ze
zegt ze. Wil ik niet komen kijken?
Vanwaar en sinds wanneer dit idee
dat ik me zozeer voor tafels interesseer?
Sinds ze het vroeg gaan mijn gedachten
er wel vaker naar uit. Is de hare rond
of juist vierkant, ovaal, ingelegd,
gepolitoerd? Met vier of zes poten,
lange elegante, met een knikje halfweg?
Met ballen? Eén heel dikke poot?
En: wat wil ze van dergelijke poten,
zo’n tafel van mij? Zou mooi vinden
voldoende zijn? Zou de tafel het houden?

Mirck

Hanz Mirck (Zutphen, 8 april 1970)

In Memoriam Lothar-Günther Buchheim

De Duitse schrijver, kunstschilder en kunstverzamelaar Lothar-Günther Buchheim werd geboren in Weimar op 6 februari 1918. Hij was de zoon van de schilderes Charlotte Buchheim, groeide op in Chemnitz en werd beschouwd als schilderend wonderkind. In 1935 had hij zijn eerste tentoonstelling. In 1938 maakte hij een kanotocht over de Donau, die resulteerde in zijn eerste boek. In 1939 en 1940 studeerde hij aan de kunstacademies te Dresden en München, daarna werd hij oorlogsverslaggever. Na 1945 begon Buchheim een galerie en een uitgeverij van kunstboeken. Hij gaf ook de Buchheim-Kunstkalender uit, die al snel een begrip werd. Buchheim is een specialist op het gebied van het expressionisme, schreef boeken over dit onderwerp, en verzamelde kunst van Duitse expressionisten. In 1968 begon hij weer te schilderen. In 1973 verscheen zijn roman Das Boot, gebaseerd op zijn belevenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog als oorlogsverslaggever aan boord van de onderzeeboot U-96. Het boek werd een enorm succes, mede door de verfilming in 1981 van Wolfgang Petersen; er werden miljoenen exemplaren van verkocht, en het is in 18 talen vertaald. In de jaren tachtig maakte Buchheim diverse reizen, en werden zijn werken wereldwijd tentoongesteld. In 1995 ontstond het plan voor een museum waarin de collectie-Buchheim kon worden ondergebracht. In januari 1996 werd een wedstrijd uitgeschreven voor een ontwerp, en in 2001 is het Museum der Phantasie in Bernried (Beieren) geopend. Hij werd op 6 februari 1992, op zijn 74ste verjaardag, tot ereburger van de stad Chemnitz benoemd. Lothar-Günther Buchheim overleed afgelopen donderdag, 22 februari, op 89-jarige leeftijd.

 

Uit: Das Boot

 

“Niemand ist so nur auf sich gestellt wie der Kommandant des Unterseebootes. Er trägt allein die volle Last verantwortungsschwerer Entschlüsse. (…) Er führt die Getriebe der toten Materie, die vielfältigen Funktionen von Maschinen und Waffen zu einer einzigen Wirkung zusammen, während die Besatzung nichts vom Gegner sieht und nur gewissenhaft in ihrem Dienstbereich die Befehle des Kommandanten ausführt.”

 

 

Buchheim

Lothar-Günther Buchheim (6 februari 1918 – 22 februari 2007)

 

P. C. Hooftprijs 2007 voor Maarten Biesheuvel

Maarten Biesheuvel heeft de P.C. Hooftprijs gewonnen. Dat heeft het bestuur van de Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde vrijdag bekendgemaakt. Biesheuvels sterk associatieve verteltechniek ‘geeft zijn proza een weldadig effect ven irrationaliteit en onlogica, waardoor het fantastisch element te meer een kans krijgt’, aldus de jury onder leiding van Maarten Asscher. De jury prijst verder Biesheuvels ‘verbeeldingskracht, absurdistische humor en stilistische rijkdom’. Met zijn verhalen, die het autobiografische en het fantastische op een zo wonderbaarlijke manier met elkaar vermengen, heeft hij een unieke en onverwisselbare bijdrage geleverd aan de Nederlandse literatuur. Daarvoor komt hem de P.C. Hooft-prijs 2007 ten volle toe, aldus het jurerende gezelschap.

De P.C. Hooft-prijs 2007 is een oeuvreprijs van 60.000 euro, deze keer weer bedoeld voor proza. De in Leiden wonende Biesheuvel krijgt de onderscheiding op donderdag 24 mei 2007 in het Letterkundig Museum in Den Haag, drie dagen na de sterfdag van de naamgever van de prijs. Biesheuvel kreeg onder meer al de F. Bordewijk-prijs 1985 van de Jan Campert-Stichting voor zijn verhalenbundel Reis door mijn kamer en voor zijn debuut In de bovenkooi uit 1972 ontving hij de Alice van Nahuys-prijs.

Biesheuvel, die rechten studeerde in Leiden, debuteerde in 1972 met de verhalenbundel In de bovenkooi. De gelauwerde auteur past verschillende verteltechnieken toe en staat bekend om zijn wijze van parodiëren en ironiseren. Realistische verhalen, bijvoorbeeld over een gereformeerde opvoeding en een verblijf in een psychiatrische inrichting, worden door de schrijver afgewisseld door surrealistische en malle vertallingen. Ook mixt hij autobiografische gegevens met fictie.

Biesheuvel publiceerde onder meer De weg naar het licht en andere verhalen (1977), Brommer op zee (1982), Een overtollig mens (1988, Boekenweekgeschenk). In 2003 stelde zijn echtgenote Eva Gütlich een bundel uit Biesheuvels verhalen samen.

Uit: Gemiste kans

 

…”Ik trad binnen en zag dertien personen: twee dames en elf heren. Maar wat zagen ze er allemaal merkwaardig uit. Een man die iets kleiner was dan ik kwam op me af. Hij droeg een bruingrijs tweedjasje en een witte pantalon, op zijn neus zat een lorgnon van ouderwets model geklemd. De man keek me guitig aan en leek me heel slim. Het was net of ik hem al eens eerder had gezien. ‘Vlug, doe die deur dicht,’ zei hij, ‘we zijn hier maar incognito.’ ‘U bent toch Vladimir Nabokov?’ vroeg ik verbaasd. ‘Je raadt het,’ zei hij, ‘we zijn hier voor jou gekomen, maar laat ik je eerst aan de andere leden van onze club voorstellen.’ Ik schudde de handen van Homerus, Thomas Mann, Jane Austen, Herman Melville, Gogol, Tolstoj, Vergilius, Dante, Flaubert, Cleopatra, Jezus en Pontius Pilatus. De laatste was een reus van een kerel met rood haar, hij had een wit lang gewaad aan. Om zijn middel zat een strakke gordel en daaraan hing in een fraai bewerkte ivoren schede een dolkmes, waarschijnlijk het mes waarover ik al had horen praten. Pilatus droogde juist zijn handen af aan een rood-wit geblokte theedoek die een beetje naar haring stonk. ‘Nu ken je de leden van de club,’ zei Melville die op sandalen liep, in een Nankingse broek gekleed was en met ontbloot bovenlijf rondliep, hij rookte een pijp, ‘we hebben allemaal jouw werk gelezen. Je hebt nu wel genoeg geschreven. Hou ermee op. Het mooiste verhaal vinden wij allemaal “Brommer op zee”. Sommige andere verhalen halen ook een aardig peil. Homerus is vooral te spreken over “Oculare Biesheuvel”, dat verhaal met die ellendige namenlijst. Nabokov is nogal gesteld op “Een vreemd voorval”. Jane Austen vindt “De merel” prachtig. We zijn hiernaartoe gekomen om je lid te maken van de club. lets mooiers valt er niet te bereiken!’ Jezus keek me aan en zei een beetje stuurs: ‘Maar dan moet je wel meteen meegaan.’ Ik sputterde tegen. ‘Anton Tsjechov heeft “De dame met hondje” geschreven, waarom is hij dan geen lid van de club?’ ‘We wilden hem lid maken,’ sprak Jane Austen terwijl ze heel grappig mijn bewegingen en mijn stemgeluid nabootste, ‘maar op het laatste moment heeft hij de boot gemist.’ ‘Hoe kwam dat dan?’ vroeg ik. ‘Vertellen we je wel op zee,’ lachte Cleopatra.”

 

BIESHEUVEL

Maarten Biesheuvel (Schiedam, 29 mei 1939)

In memoriam Robert Long

Zanger en liedjesschrijver Robert Long is overleden.

 

Voor mijn vrienden

Als ik zelf zou mogen kiezen
Welk seizoen ik wil sterven
Zou ik zeggen, doet u mij de
Laatste maand van de herfst dan maar

Nee, niet deze herfst natuurlijk
Liefst voorlopig sowieso niet
Want er zijn nog zoveel plannen
Ik ben met het leven nog lang niet klaar

Maar stel dat het leven met mij bijna klaar is
Dan hoop ik maar dat het in ’t najaar zal zijn
Ver voor kerst, oud en nieuw, al die
Middenstandsfeesten
En voor Sinterklaas – want ik haat marsepein

Aan het einde van de herfst
Is alles dood en afgestorven
Mooi moment om te verdwijnen
In de oude novembermist

Zonder heimwee of verlangen
Kijk ik vredig naar de kilte
En daarna sluit ik mijn ogen
Wat bloemen, wat woorden, daar gaat m’n kist

Maar stel dat het leven me nu al wil kisten
Dan hoop ik maar dat ik de winter niet haal
Dan maar geen nieuw tv-seizoen, geen interviews meer
Geen nieuwe cd, en nooit meer 10 Voor Taal

Kijk de winter gaf me altijd
Dat gevoel van hyacinten
En nog even en het leven
Is weer terug in mijn bloedsomloop

Dus als ik zou mogen kiezen
Wil ik sterven in het najaar
Zonder tranen of verlangen
Tevreden en zonder een sprankje hoop

Want hoop heb ik altijd gehad in mijn leven
Het geeft je weer moed, het verzacht en geneest
En als ik daar iets van heb door kunnen geven
Dan ben ik toch niet totaal zinloos geweest

Dus stel dat ik inderdaad sterf voor de winter
Niet al te dramatisch en zonder veel pijn
Dan hoop ik alleen nog dat jullie, mijn vrienden
Die laatste paar uren bij mij zullen zijn.

 

Robert_Long_2

Robert Long (22 oktober 1943 – 13 december 2006)

 

In memoriam Hubert Lampo

In Memoriam

De Belgische schrijver Hubert Lampo is op 85-jarige leeftijd overleden. Hubert Lampo werd op 1 september 1920 geboren in Het Kiel, Antwerpen. Zie ook alle tags voor Hubert Lampo op dit blog.

Uit: De man die onderdook

“Toen, voor de eerste maal tijdens dit hele avontuur, heb ik me angstig gevoeld, – een korte wijl althans. De lamp had ik gedoofd; het gevoel van haar lichaam onder mijn vervoerde handen had me reeds te veel geschenen en ook enige schroom had me er trouwens toe gedreven. Hoewel er aanvankelijk een diepe loomheid over me kwam, huiverde er plots een dwaze twijfel door me heen en schielijk trok ik de hand terug, waarmede ik nog steeds haar flanken streelde. Gruwzaam stond het beeld van de oude vrouw in de trein me weer voor de geest.
Ik rilde en schoof terzijde, beluisterde met tot in de keel bonzend hart haar moeizame, enigszins ruige adem, welke me aan deze van een asthmalijder denken deed. Aarzelend zocht opnieuw mijn hand haar lichaam. Mijn spieren versteven van louter walg, mijn koude huid trok samen: langzaam onder mijn aanraking voelde ik dit begerenswaardige lichaam verslappen tot een massa zonder innerlijke weerstand of veerkracht, terwijl een weeë, ongezonde geur van ouderdom en organische ontbinding me tegensloeg. In een uiterste inspanning richtte ik me op, verliet het ledikant en rukte de dichtgeschoven gordijnen open. Het weefsel verpulverde in mijn bevende greep. Een kille schemering vulde het vertrek en met walg herkende ik de matrone uit de trein, kwalachtig in haar vetplooien, weerzinwekkend in haar onbeschaamde, blauw dooraderde naaktheid.

Nauwelijks kon ik een kreet van verbijstering en afkeer onderdrukken en wilde vluchten, ofschoon ik niet wist waarheen.
Hier vallen mijn herinneringen stil. Wat er verder met me gebeurd is, weet ik niet, – of veeleer: ik kan geen vrede nemen met wat ik weet. Trouwens, waarom zou ik me in speculatieve beschouwingen verdiepen? Ik weet, dat er een wereld is, die verder reikt dan het koele uiterlijk der dingen, verder dan de grens van onze zintuigen, mijn onbekende vriend. Je zoudt me kunnen vragen, wat er achteraf met me gebeurd is, hoe ik terug de weg vond, naar wat wij hovaardig de werkelijkheid noemen. Hierop kan ik alleen antwoorden, dat ik het niet weet en het nooit weten zal. Waar de tijd stilvalt en we onderduiken in het verzonken continent, – wellicht het land waarheen de armen van geest wederkeren, rijker dan één van ons het vermoeden kan -, dat in ons is, baat de redenering met onze schamele praemissen van één en één is twee niet meer. Daarom, ik bid je, stel me geen verdere vragen thans en weet, dat ik je onuitsprekelijk dankbaar ben voor je geduld… Ik moet je nu vaarwel zeggen, – of neen, tot wederziens, want wie weet of ééns, ééns…”

 

Hubert Lampo (1 september 1920 – 12 juli 2006)

 

Zie het bericht in De Standaard

 

 

P. C. Hooftprijs uitgereikt aan H. C. ten Berge

Op vrijdag 19 mei 2006 werd in het Letterkundig Museum de P.C. Hooftprijs uitgereikt aan H. C. ten Berge voor zijn gehele oeuvre.. H. C. ten Berge (Eigenlijk: Johannes Cornelis) werd geboren in Alkmaar op 24 december 1938. Zie ook alle tags voor H. C. ten Berge op dit blog.

De P.C. Hooftprijs is een jaarlijkse oeuvreprijs die afwisselend bestemd is voor een dichter, een prozaschrijver of een essayist. In 2005 was de belangrijke literaire prijs voor Frédéric Bastet, onder meer biograaf van Louis Couperus. De laatste dichter die de prijs in de wacht sleepte, was H.H. ter Balkt (2003).

Dorp in lentestemming

Nu de wijven
Schutteldoeken uit het telraam
Van hun mager a b c
Hoe innemend de haat kraait, de vliesdunne wrevel

Bij donker alleen met de rook
Het gebaar voor de spiegel
De baltsende vogel vergaat
In het vuur van haar bloot

Ah de muis in haar hand de beminde
Die klautert en klimt
In haar adem

Het lichaam staat groot
Voor zijn beeld, en alleen
Het wordt oud, tot schrikbeeld verkild
Tegen glas aangedrukt

Gekooid in verbeten geween.

 

De laatste modernist

Hij wilde bij maanlicht vulkanen bestijgen
maar dronk een glas wijn bij het vuur.

Hij dacht zich op jacht in het schemerige noorden
maar stond in een sneeuwbui van meeuwen op pas geploegd land.

Hij moest nog een meesterwerk scheppen
maar viel in slaap bij muziek van Ooitweer en Voorheen.

Hij droomde een mes in de strot van de poolvos
maar priemde een balpen door kringlooppapier.

Hij tartte het weer en de wereld, verachtte de god van de vader
maar zag dat ook zijn naam stilaan verdween.

Hij strooide ze rond, explosies van kleuren, vermetele beelden,
maar hoorde blasfemische echo’s vol spot.

Hij wist zich op weg naar de hemel
maar stuitte op plaksterren aan het plafond.

Hij dacht aan een lichaam volleerd in de liefde
maar lag naast een lijf dat niks wou.

Hij schiep zich een ijstijd, massale sterfte, beelden van leegte
en bijtende kou op de rand van haast niets,

Maar onbegrensd, in zoiets als een ruimte
die iedereen huiverend mijdt.

Hij zocht wat hij vond: het kleinste detail en het grote gebaar,
een zin die versmolt, een beeld dat bevroor –

Elk woord lag volmaakt in de mond
maar verkleumd zocht een hand naar de hand van een vrouw.

O, dat er een eind aan kwam!

De laatste modernist te zijn
die z’n ziel aan een ijzige demon verpandt.

 

Slechtzittend gedicht

Achter brillen met geschilderde pupillen
worden doordeweekse daden uitgedacht.

‘Hoe eensgezind spannen zij samen.’

Blank gebolsterd, ruw van pit
weet men zich op zondag voor de heer
verschoond en opgewit;
de eigen lijven achter eigen borrels, bijbels
en bloedeigen boerenwijven.

‘Sla neer de kracht van wie afvallig rebelleert’

Beter dwalen ten hele
dan weer ten halve gekeerd.

Jij blijft zitten waar je zit
en herinnert je de coca-
coladoppen in de ogen van Egyptische kamelen.

 
H. C. ten Berge (Alkmaar, 24 december 1938)

VSB Poëzieprijs 2006 voor Mark Boog

De jaarlijkse VSB Poëzieprijs is afgelopen vrijdagavond in De Rode Hoed in Amsterdam uitgereikt aan Mark Boog (1970) voor zijn bundel De encyclopedie van de grote woorden (2005). De prijs bedraagt 25 duizend euro.

Mark Boog studeerde korte tijd Kunstmatige Intelligentie in zijn geboorteplaats Utrecht en werkte daarna even bij de PTT. In 1995 debuteerde hij als dichter in het tijdschrift De Appel. Daarna was hij actief in een schrijverscollectief dat onder meer het tijdschrift Mondzeer en de Reuzenkreeft uitgaf. In 2000 verscheen Boogs eerste dichtbundel “Alsof er iets gebeurt” (2000), waarvoor hij de C. Buddingh’-Prijs won. Later verschenen de bundels “Zo helder zagen we het zelden”  (2002), “Luid overigens de noodklok (2003)“, “Seizoenen” (2005) en “Landman” (2006). Daarnaast publiceerde hij de romans “De Vuistslag” (2001), “De warmte van het zelfbedrog” (2002) en “De helft van liefde” (2005).

Zinloosheid

De zinloosheid staat als een kerk
om me heen. Natuurlijk niemand
op de kansel, of misschien een
wereld, generatie, wat dan ook.

Het zegt me niets. Toch vind ik
zin in het bekijken van de lege
nissen waar de beelden stonden.
Werkeloze kaarsen wachtend.

IJl de kerk, gewichtloos het dak,
en hoog, hemelhoog het licht,
bijna doorzichtig. Luchtspiegeling,

toevallig vormgegeven niets dat
in andere tijdsgangen slapend
was gebleven. Huis van mensen.

 

© Mark Boog, 2000   Alsof er iets gebeurt

 

LIEFDE

De lucht ligt als een blok op het land,
onzichtbaar en massief.

Je gaat gekleed in de kleur van je haar,
in je ogen, je passen en je woorden.
Je bent hier en elders. Ik draag je me na

en huiver. Je bent te groot misschien,
of te dichtbij. Je onbereikbaarheid
is onvergeeflijk. Kon ik een vogel zijn –

maar de nauwkeurigheid ontbreekt me
zoals het vertrouwen. Ik kijk naar je

en huiver. Spreek me aan, want ik zwijg,
verdraag mijn wurggreep, verdraag
de onbeholpenheid, verdraag mij, liefde.

 

© Mark Boog, 2005   De encyclopedie van de grote woorden

Mark Boog (Utrecht, 24 september 1970)

In memoriam Gerard Reve 3

Bij dit derde in memoriam zal ik het laten, al zou het bij Gerard Reve passen om een heel octaaf aan hem te wijden, van Palmzondag tot en met Pasen. Acht was zijn geluksgetal ook. Ik hoop maar dat hij, eenmaal hier boven, deze drie ook niet erg vindt, immers: ‘En nu blijven Hermans, Mulisch en Reve, deze drie; doch het meeste van deze is Reve.’ ,om de apostel Paulus te parafraseren. (1 Cor. 13:13).

Reve lees ik al sinds begin jaren 70 en heeft van alle Nederlandse prozaschrijvers tot nu toe mij het meeste leesplezier verschaft, troost ook vaak en bemoediging en inspiratie. Zaken die ik normaal gesproken meer in poëzie zoek dan in proza. Overigens wees Kees Fens er gisteren in het radioprogramma “Met het oog op morgen” terecht op dat zijn gedichten niet onderschat mogen worden.

Ook kenschetste hij Reves proza als lyrisch van aard, waarbij we dan toch weer terug zijn bij de poëzie. Angst en wanhoop worden in heel Reves werk voortdurend bezworen, zoals in de eerste twee gedichten, maar als laatste kies ik hier toch maar “De blijde boodschap”:

 

Op mijn ouderdom

 

Indien ik nog geruime tijd leef, word ik een oud man.

De wanhoop is nog groter geworden, maar veelvuldiger dan ooit

word ik aangezocht inleidingen, lezingen, hallo,

voordrachten uit eigen werk 

te komen houden voor inrichtingen van onderwijs.

Om mijn geitestrot hangt de te wijde boord

van het smetteloze overhemd,

waarop de das met streepjes.

Soms, als de samenkomst, wegens fraai weder,

in de tuin van de campus wordt gehouden,

ben ik de enige die het koud krijgt

en huivert in zijn boers nieuw, duur donkerblauw en aangemeten pak:

het vuur in mij brandt nog maar laag.

Een meisje schrijft alles op, en als ik zeg:

Die en die, die vind ik wel een groot dichter,

dan schrijft ze neer, in groot en leesbaar schrift:

“Die en die is een groot dichter”.

Als ik mijn eigen door de Dood naar mij teruggevoerde stem hoor,

wil ik schreeuwen dat het geen zin heeft nu allen dood zijn,

en dat ik naar huis wil.

Maar wie begrijpt dat.

Plotseling staat de wind stil, en is er een schaduw over alles,

en hijg ik van angst, maar voor wie of wat dan toch, in godsnaam?

 

 

DAGSLUITING

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt
zoals ik U

 

De Blijde Boodschap

 

Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,

en dacht: “Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken

van het toenemend verval der zeden?”

En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al:

decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;

influenza filmi i cinema bestiale

contra sacrissima matrimoniacale

criminale atheistarum rerum novarum, 

(et cum spiritu tuo), cortomo:

nix aan de handa.

Het was jammer, dat het zo kort duurde.

Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.

Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog

het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af:

“Waar hebben wij het aan verdiend?”

 

Gerard Reve