Nicole Brossard, James Agee, Klara Blum

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zij publiceerde haar eerste boek in 1965. Ook was zij in dat jaar medeoprichter van het literaire tijdschrift La Barre du Jour en in 1976 was zij mederegisseur van de film Some American Femnists. Zij heeft acht romans op haar naam staan, waaronder Daydream Mechanics, Lovhers, Typhon dru, Installations, en Musee de l’os et de l’eau. Voor haar poëzie ontving zij tweemaal (in 1974 en 1984) de Governor General award en Le Grand Prix de Poesie de la Foundation les Forges in 1989 en 1999. Zij is lid van de L’Academie des Lettres du Quebec. Haar werk is veel vertaald en opgenomen in talloze bloemlezingen. In 1998 publiceerde zij de tweetalige editie van een “autofiction” essay onder de titel She would be the first sentence of my new novel/Elle serait la premiere phrase de mon prochain roman.

Uit:  Shadow : soft et soif

je n’ai pas encore parlé
de disparition ni de vocabulaire c’est trop vaste
et la solitude tu t’en souviens
elle gratte le fond de la mer et de l’alphabet
afin que la nuit traverse l’invisible
arrive jusqu’à nos cahiers d’indocilité

I haven’t yet said a word
about disappearance or vocabulary it’s too vast
and you remember solitude
it scrapes the bottom of the sea and the alphabet
that night may span the invisible
right up to the notebooks of our indocility

 *

à propos : les étoiles nous en avions l’habitude
nous les regardions avec détresse
et précision
car l’univers pouvait soudain
se transformer en avalanches
bris de verre et de voix. Musique
ou adieu de perfectionnement

by the way : we were used to stars
would observe them with distress
and precision
for the universe might suddenly
spill down in avalanches
shattered glass and voices. Music
or farewell of perfecting

*

être là toute une vie dans l’espèce flexible
avec ce réflexe qui persiste à vouloir
tout représenter de l’ivresse et des gestes
les morsures, les chambres avec leur creux
d’ombre et de souplesse, les fronts soucieux
notre fragilité
bien sûr que nous sommes sans réponse
à chaque baiser

to be there a lifetime in the flexible species
with this reflex that keeps wanting
to depict everything about pleasure and gestures
bites, bedrooms with their shadowy, supple,
hollow spaces, knotted brows
our fragility
of course we go unanswered
with each kiss

Vertaald door Guy Bennett

Brossard

Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

De Amerikaanse dichter en prozaïst James Agee werd geboren in Knoxville, Tennessee.op 27 november 1909.Hij was werkzaam als filmcriticus (achtereenvolgens bij Time en bij The Nation) en scenarioschrijver. Als feature-schrijver van Fortune maakte hij met fotograaf Walker Evans een beroemd geworden verslag over het leven van een typische familie van keuterboertjes in de staat Alabama, in boekvorm verschenen onder de titel Let us now praise famous men (1941). Hij schreef twee uitstekende romans: The morning watch (1951) en A death in the family (1957); laatstgenoemd boek had ook veel succes in de toneelbewerking, onder de titel All the way home. Een groot aantal van zijn artikelen werd postuum gepubliceerd in Agee on film (1958), in 1960 gevolgd door een tweede deel met vijf van zijn scenario’s, o.a. voor The African queen (1952) en The night of the hunter (1955). Een inzicht in Agees tragisch verscheurde persoonlijkheid geven de Letters of James Agee to Father Flye (1962; m. biogr. d. R. Phelps).

Uit: A Mother’s Tale

‘The calf ran up the hill as fast as he could and stopped sharp. “Mama!” he cried, all out of breath. “What is it! What are they doing! Where are they going!”

Other spring calves came galloping too.

They all were looking up at her and awaiting her explanation, but she looked out over their excited eyes. As she watched the mysterious and majestic thing they had never seen before, her own eyes became even more than ordinarily still, and during the considerable moment before she answered, she scarcely heard their urgent questioning.

Far out along the autumn plain, beneath the sloping light, an immense drove of cattle moved eastward. They went at a walk, not very fast, but faster than they could imaginably enjoy. Those in front were compelled by those behind; those at the rear, with few exceptions, did their best to keep up; those who were locked within the herd could no more help moving than the particles inside a falling rock. Men on horses rode ahead, and alongside, and behind, or spurred their horses intensely back and forth, keeping the pace steady, and the herd in shape; and from man to man a dog sped back and forth incessantly as a shuttle, barking, incessantly, in a hysterical voice. Now and then one of the men shouted fiercely, and this like the shrieking of the dog was tinily audible above a low and awesome sound which seemed to come not from the multitude of hooves but from the center of the world, and above the sporadic bawlings and bellowings of the herd.’

AGEE_JAMES

James Agee (27 november 1909 – 16 mei 1955)

 

De Duitstalige, joodse, Oostenrijkse, Russische en Chinese schrijfster Klara Blum werd geboren op 27 november 1904 in Czernowitz in de Bukowina. In 1913 kwam zij met haar moeder in Wenen terecht. In 1923 begon zij daar aan een studie psychologie, maar die moest zij afbreken wegens geldgebrek. Zij werkte daarna als journaliste. Als overtuigde zioniste ging zij in 1929 naar Palestina, maar zij keerde al snel teleurgesteld naar Oostenrijk terug. Zij werd lid van de SPÖ en zette zich al snel in voor de vrouwenemancipatie. Ze kreeg contact met de “Internationale Vereinigung Revolutionärer Schriftsteller” waarvan zij in 1934 een prijs ontving die bestond uit een reis naar de Sovjet Unie. Die reis resulteerde in een permanent verblijf en zij kreeg in 1935 het Russische staatsburgerschap. In de Sovjet Unie publiceerde zij meerdere Duitstalige dichtbundels en ze kreeg er een verhouding met de chinese journalist en filmregisseur Zhu Xiangcheng die bepalend voor haar leven zou worden. Toen Zhu Xiangcheng na vier maanden verdween wilde Blum niets weten van een samenhang met de golf van stalinistische arrestaties, maar meende zij dat hij op een geheime missie was naar China. (In werkelijkheid stierf hij in 1943 in gevangenschap in Siberië. Tot 1945 mocht Blum de Sovjet Unie niet verlaten. Pas in 1947 lukte het haar via omwegen in China terecht te komen. Ze bleef geloven dat Zhu nog leefde. In 1952 werd zij professor voor Duitse Taal –en Literatuur aan de universiteit van Nanking. In 1954 verwierf Blum die tot aan haar dood overtuigd communiste bleef, het Chinese staatsburgerschap en heette voortaan Zhu Bailan. Er verschene nog enkele Duitstalige werken van haar in de DDR, waaronder de roman “Der Hirte und die Weberin”, waarin ze haar relatie met Zhu Xiangcheng beschreef.

 

Stummer Abschied

Sinnend im Abendschimmer
Leuchtet
dein Bernsteingesicht,
Überflutet von Licht
Lächelt dein ernstes Zimmer.

Leise steigt schon die Nacht
Aus der smaragdenen Tiefe,
Noch eine Hieroglyphe,
Dann ist die Arbeit vollbracht.

Winzige Bildzeichen weben
Aufruf und Kampf ins Papier.
Nun willst du endlich zu mir,
Ruhn und erzählen und leben.

Klopft es. Tjän-tschung steht vor dir,
Unerwartet und leise:
„Mach dich bereit für die Reise:
Komm, mein Bruder, mit mir.

Schweigend müssen wir fahren,
Heimlich ward ich gesandt.
Komm. Es ruft dich dein Land.
Hilf ihm die Freiheit bewahren.“

Wie vom betäubenden Mohn
Sind deine Sinne erschlagen,
Ohne ein Wort zu sagen,
Greifst du ans Telefon.

Dunkle klagende Flammen
Zucken dir schräge im Blick.
Sinkt deine Hand zurück,
Presst die Lippen zusammen.

Vor deinem Fenster versinkt
Farbig der Abend, der zarte,
Denkst, wie ich warte und warte –
Der Telefonhörer blinkt.

Reglos starr wie im Tode
Wird dein Bernsteingesicht,
Im verdämmernden Licht
Gleichst du einer Pagode.

Kommst durch die Nacht auf mich zu
Großes, mannhaftes Schweigen …
Fahr nur ! – So will ich dir zeigen,
Dass ich stark bin – wie du !

 

blum

Klara Blum (27 november 1904 – 4 mei 1971)

In memoriam Cri Stellweg (alias Saartje Burgerhart)

Schrijfster en voormalig columniste Cri Stellweg is op 84-jarige leeftijd overleden in haar woonplaats Den Bosch. Zij schreef 25 jaar lang een tweewekelijkse column in de Volkskrant onder het pseudoniem Saartje Burgerhart. Stellweg begon haar carrière bij de socialistische krant Het Vrije Volk. Toen zij in 1961 overstapte naar de Volkskrant verzon toenmalig hoofdredacteur Joop Lücker de naam Saartje Burgerhart. Hij wilde voorkomen dat zijn katholieke dagblad te veel werd geassocieerd met een socialistische schrijfster. Stellweg was destijds de enige vrouwelijke columniste. In haar columns schreef Stellweg voornamelijk over het dagelijkse leven. Haar kleinkinderen speelden bijvoorbeeld geregeld een hoofdrol. Maar zij behandelde soms ook onderwerpen als de politiek, het milieu en kernwapens. Later wist Stellweg de aangename en minder aangename kanten van het ouder worden te beschrijven zonder sentimenteel te worden. In ’87 verscheen, na meer dan 2500 stukjes, haar laatste Saartje. ‘Alles was gezegd, ik ging mezelf herhalen’. Eén uitstapje maakte ze in al die jaren: in 1975 publiceerde ze een boek over haar aan longkanker overleden broer (die ze in de laatste fase van zijn ziekte bij haar thuis verzorgde), Deze aarde verlaten.
In 1996 verscheen haar ‘weduwenboek’ Een graf van letters, over vijftig jaar huwelijk en de dood van haar man Fred Kersten(‘Hendrik’ in de columns), met wie ze voor Avenue de halve wereld heeft afgereisd.

 

Uit: Honderd jaar Koninklijk ‘s-Hertogenbosch Mannenkoor

“De ene buurman is de andere niet, de onze zingt.
Niet dat wij buren daar persoonlijk veel van merken, want zwijgend scheert hij de heg, zonder noemenswaardig geluid beklimt hij ‘s-morgens zijn fiets en keert even geruisloos na gedane arbeid daarvan huiswaarts.
Onze buurman zingt in een koor en uitsluitend daar.
In het ongeveer veertig man tellende koor is hij een van de baritons.

Een avond in de week wordt verzameld op de bovenverdieping van een gemeenschapsgebouw. Als alle leden present zijn en nog een dame zich bij hen heeft gevoegd om het gezang op de piano te ondersteunen, stelt de dirigent zich op recht tegenover de nu in dubbele rij op stoeltjes gezeten zangers.
Men begint met het inzingen, octaven worden beklommen van beneden naar boven en vice versa en heen-en-weer en op-en-neer en het gonst en het bromt en klinkt vredig en, welja……..mooi.
Er wordt gerepeteerd voor een uitwisselingsconcert met de zingende broeders uit Leuven, België, op een muziekstuk van Franz Schubert.
“Schlaf du nicht” zingt de dirigent en priemt een gebiedende vinger in de rij mannen en gehoorzaam nemen zij het over, veertig stemmig. Sommige mannen trekken een klein spaarpotmondje, de buurman heeft zijn handen vroom op de partituur op zijn knieën gelegd.
“Schleichen wir uns wieder fort” zingt de dirigent en jawel hoor, de stemmen sluipen weg……leise…..leise.
Kort daarna is het pauze met koffie.

Een zingende buurman is in verschijning een man als iedere andere, een man in een houthakkershemd, losse trui en jeans. Maar als de buurman aantreedt voor een uitvoering in de concertzaal dan is hij onherkenbaar in de gesloten formatie van zangers die het podium opmarcheren. Als uit het zwart-witte blok van stram staande heren het geluid crescendo aanzwelt al naar gelang Schubert het beliefde, dan bekijk je zo’n buurman toch even anders.
Want de heg scheren kunnen we allemaal, maar het “Ständchen” van Schubert zingen als lid van het honderdjarig Koninklijk ‘s-Hertogenbosch Mannenkoor, da’s toch even andere koek.”

Stellweg

Cri Stellweg (23 maart 1922 – 26 november 2006) 

Eugène Ionesco, William Cowper

De Frans-Roemeense schrijver Eugène Ionesco werd geboren op 26 november 1912 in Slatina, Roemenië. Hij wordt als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het absurdistisch toneel gezien.Ionesco had een Franse moeder en het gezin verhuisde spoedig na zijn geboorte naar Parijs. Hij schreef zijn eerste toneelstuk op zijn 13e. Het gezin keerde in zijn tienerjaren terug naar Roemenië, alwaar Ionesco Frans ging studeren aan de Universiteit van Boekarest. Daar begon hij tevens poëzie en literaire kritiek te schrijven. Na zijn studie onderwees hij enige tijd Frans op een middelbare school in Boekarest.In 1936 trouwde hij met Rodica Burileano en in 1938 keerden zij terug naar Frankrijk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hun dochter, Marie-France, geboren. Ionesco schreeft een aantal absurdistische toneelstukken, geïnspireerd door de (in zijn ogen) waarzin van het allerdaagse leven. Tot zijn vroege werken behoren La cantatrice chauve (1950) en La leçon (1951). Aanvankelijk was er nog weinig animo voor de qua stijl afwijkende toneelstukken, maar in de jaren zeventig werden de werken bij het grote publiek populairder. Tot zijn latere werken behoren Le rhinocéros (1959), Le soif et la faim (1965) en Le roi se meurt (1962). In zijn werk komen typisch absurdistische thema’s aan bod, zoals de dood en de onzin van het leven.In 1970 werd hij benoemd tot lid van de Académie française. Ionesco schreef op latere leeftijd één roman, Le Solitaire (1973).

 

Uit: La Leçon

« ……

LE PROFESSEUR
Il en est ainsi, Mademoiselle. Ça ne s’explique pas. Ça se comprend par un raisonnement mathématique intérieur. On l’a ou on ne l’a pas.

L’ÉLÈVE
Tant pis!

LE PROFESSEUR
Écoutez-moi, Mademoiselle, si vous n’arrivez pas à comprendre profondément ces principes, ces archétypes arithmétiques, vous n’arriverez jamais à faire correctement un travail de polytechnicien. Encore moins ne pourra-t-on vous charger d’un cours à l’École polytechnique… ni à la maternelle supérieure Je reconnais que ce n’est pas facile, c’est très, trèS abstrait… évidemment… mais comment pourriez vous arriver, avant d’avoir bien approfondi les éléments premiers, à calculer mentalement combien font, et ceci est la moindre des choses pour un ingénieur moyen — combien font, par exemple, trois milliards sept cent cinquante-cinq millions neuf cent quatre-vingt-dix-huit mille deux cent cinquante et un, multiplié par cinq milliards cent soixante-deux millions trois cent trois mille cinq cent huit?

L’ÉLÈVE, très vite.
Ça fait dix-neuf quintillions trois cent quatre-vingt dix quadrillions deux trillions huit cent quarante quatre milliards deux cent dix-neuf millions cent soixante-quatre mille cinq cent huit…

LE PROFESSEUR, étonné.
Non. Je ne pense pas. Ça doit faire dix-neuf quintillions trois cent quatre-vingt-dix quadrillions deux trillions huit cent quarante-quatre milliards deux cent dix-neuf millions cent soixante-quatre mille cinq cent neuf.,.

L’ÉLÈVE
… Non… cinq cent huit…

LE PROFESSEUR, de plus en plus étonné calcUle mentalement.
Oui… Vous avez raison… le produit est bien… (il bredouille inintelligiblement)….quintillions, quadrillions, trillions, milliards, millions… (distinctement.) …cent soixante-quatre mille cinq cent huit… (stupéfait.) Mais comment le savez-vous, si vous ne connaissez pas les principes du raisonnement arithmétique?

L’ÉLÈVE
C’est simple. Ne pouvant me fier à mon raisonne ment, j’ai appris par coeur tous les résultats possibles de toutes les multiplications possibles. »

Ionesco

Eugène Ionesco (26 november 1912 – 28 maart 1994)

 

De Engelse dichter William Cowper werd geboren op 26 november 1731 in Berkhamstead, Herford. Hij was de vierde zoon van John Cowper en zijn vrouw Ann Donne. Hij bezocht de Westminster School en studeerde daarna rechten. Sinds zijn kinderjaren leed de melancholieke Cowper aan zware depressies en hij probeerde ook diverse keren een einde aan zijn leven te maken. Om deze redenen nam een vriend van de familie, pastor Morley Unwin, hem op. Toen Unwin in 1767 dodelijk verongelukte tijdens het paardrijden trok Cowper met de weduwe Unwin in bij haar familie. Dit arrangement werkte blijkbaar niet en Cowper en Mary Unwin verhuisden naar Olney. Daar ontstonden in samenwerking met pastor John Newton, de schrijver van Amazing Grace, in 1779 de Olney-Hymns. Dit werk was nog religieus – romantisch van toon, de ballade John Gilpin was door en door humoristisch. William Cowper is ook door zijn veelzijdige briefwisseling bekend. Bovendien vertaalde hij de Ilias en de Odyssee van Homerus en publiceerde hij het werk van John Milton.

Peace After a Storm

When darkness long has veil’d my mind,
And smiling day once more appears;
Then, my Redeemer, then I find
The folly of my doubts and fears.

Straight I upbraid my wand’ring heart,
And blush that I should ever be
Thus prone to act so base a part,
Or harbour one hard thought of thee!

Oh ! let me then at length be taught
What I am still so slow to learn;
That God is love, and changes not,
Nor knows the shadow of a turn.

Sweet truth, and easy to repeat!
But when my faith is sharply try’d,
I find myself a learner yet,
Unskilful, weak, and apt to slide.

But, O my Lord, one look from thee
Subdues the disobedient will;
Drives doubt and discontent away,
And thy rebellious worm is still.

Thou art as ready to forgive,
As I am ready to repine;
Thou, therefore, all the praise receive;
Be shame and self-abhorrence mine

Cowper

William Cowper (26 november 1731 – 25 april 1800)

Connie Palmen, Maarten ’t Hart, Ba Jin, Isaac Rosenberg, Lope de Vega, Eça de Queiroz

De Nederlandse schrijfster Connie Palmen werd op 25 november 1955 geboren in Sint Odiliënberg, een dorpje vlakbij Roermond in Nederland. Samen met haar drie broers kreeg zij een katholieke opvoeding. Ze was als kind onder de indruk van de kerk en het geloof en wilde graag priester worden. Toen haar duidelijk werd dat dit voor een meisje onmogelijk is, stelde ze haar ambitie bij tot non. Na de lagere school bezocht Connie Palmen de plaatselijke MAVO, waar haar schoolprestaties aanvankelijk tegenvallen. Zij trok zich echter op aan haar leraar Nederlands, die zich voor haar interesseerde en ontdekte dat ze slecht presteerde uit verveling: haar IQ bleek duizelingwekkend hoog. Na de MAVO ging ze naar de Pedagogische Academie in Roermond, waar ze tegelijkertijd haar HAVO diploma kon halen. In 1978 verliet ze Limburg om in Amsterdam Nederlands te gaan studeren. Ze nam filosofie als bijvak, maar werd daar zo door gegrepen dat ze besloot in beide studierichtingen af te studeren. In 1986 rondde zij haar studie Nederlands cum laude af met een scriptie over het boek In Nederland van Cees Nooteboom, getiteld Het ritueel van de tekst. Twee jaar later, in 1988, studeerde ze af in de filosofie met een scriptie getiteld Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates over de relatie tussen de taal en de werkelijkheid. Deze scriptie werd in 1992, nadat zij al als romanschrijver was gedebuteerd, in aangepaste vorm gepubliceerd. In 1991 verscheen haar eerste roman De Wetten. Twee weken voor de publicatie van haar tweede roman De Vriendschap in februari 1995 overleed haar partner Ischa Meijer plotseling op tweeënvijftigjarige leeftijd. Vanwege zijn dood werd de promotiecampagne voor het boek afgeblazen, maar de verkoopcijfers waren er niet minder om. Ook deze roman werd een bestseller en ontving in het najaar van 1995 zelfs de prestigieuze AKO Literatuurprijs. De daaropvolgende twee romans, I.M. (1998) en Geheel de uwe (2002), gaan beide over het leven en de dood van haar grote liefde. I.M. gaat op sterk autobiografische wijze in op de gebeurtenissen en Geheel de uwe op een meer abstracte, geobjectiveerde manier.

Uit: De Wetten

“Het is een zondagmiddag in maart 1983 wanneer ik aanbel bij Clemens Brandt. De map met papieren druk ik hard tegen mijn flanken. Het is te laat om nog een variant te bedenken op de afgezaagde begroetingszin die ik voor mijzelf blijf repeteren. Ik kan moeilijk tegen hem zeggen dat de wereld op een elegante manier voor mij klopt, omdat het vandaag een zondag is en hij een priester en zij bij elkaar horen, dat ik, nu ik hier eenmaal beland ben, geen andere dag had kunnen bedenken om hem te ontmoeten.

Nadat ik de belknop ingedrukt heb, veeg ik mijn rechterhand af aan mijn rok en probeer haar zo lang mogelijk droog te houden.

Brandt is beroemd. Dat hij ook nog ooit tot priester gewijd is, ontdekte ik pas toen ik eenmaal een afspraak met hem gemaakt had en het enige boek dat ik nog niet van hem gelezen had, haastig bij de bibliotheek leende. Het was zijn eerste boek, de publikatie van zijn proefschrift. In zijn latere boeken werd in de biografie nooit gewag gemaakt van een priesterschap.

Schrijver en priester kon ik niet combineren. Een priester was ik in geen jaren tegengekomen, het beeld wat ik ervan had was eenzaam ingekleurd door de pastoor uit mijn geboortedorp”.

 

CONNIE_PALMEN

Connie Palmen (Sint Odiliënberg, 25 november 1955)

 

De Nederlandse schrijver Maarten ’t Hart werd geboren op 25 november 1944 als oudste zoon van een gereformeerde tuinder. Hij bezocht het Groen van Prinstererlyceum in Vlaardingen, en studeerde biologie aan de Rijksuniversiteit Leiden, waar hij in 1978 promoveerde op het proefschrift A study of a short term behaviour cycle. Hij werkte daarna als etholoog. Overige wetenschappelijke publicaties: Ratten (1973), De stekelbaars (studie, 1978).

Als schrijver debuteert hij in 1971 onder het doorzichtige pseudoniem Martin Hart met Stenen voor een ransuil. Zijn doorbraak komt in 1978 met de roman Een vlucht regenwulpen. Veel werken verhalen over zijn jeugd in christelijk Maassluis – in het bijzonder de gereformeerde zuil -, zijn ervaringen als bioloog en zijn voorliefde voor klassieke muziek, literatuur en zijn onafhankelijke geest. ’t Hart bedient zich vaker van polemiek, onder meer tegen de feministische beweging (bijvoorbeeld in De vrouw bestaat niet) en literatuurrecensenten (zoals in De som van misverstanden). Hij kan hierin buitengewoon fel betogen.In 1991 baarde ’t Hart veel opzien door op het Boekenbal uit de kast te komen als travestiet.

 

 Uit: S. Vestdijk 1898-1971

 

“Naast het identificatie-motief speelt bij Vestdijk ook altijd de, zoals hij het noemt ‘liefdeshouding’ een grote rol. Die liefdeshouding omschreef hij in een essay over Rilke als ‘het op oneindige afstand plaatsen van het geliefde object en een daarmee gepaard gaande objectivatie van de liefde zelf tot een gericht verlangen, dat in beginsel niet meer te bevredigen, zelfs niet te beantwoorden is.’

Als belangrijk neven-motief laat zich nog noemen dat van het verraad en de daarmee gepaard gaande wraak. Als Vestdijk ten aanzien van Wuthering Heights (1847) van Emily Brontë erover spreekt dat het boek laat zien ‘hoe de wraak zichzelf opheft en de wreker verteert, – maar daarnaast laat het ook de onmogeli
jkheid van de liefde zien, de zelfopheffing daarvan’ dan typeert hij daarmee vooral zijn eigen werk, waarin vaak Op afbetaling (1952) wraak wordt genomen.

Dit alles geldt voor alle typen romans die Vestdijk geschreven heeft. Of het nu gaat om zijn historische romans, zijn autobiografische romans of zijn contemporaine romans, deze aspecten zal men er steeds in terugvinden. Daarnaast vindt men in de historische romans steevast een evocatie van een bepaald tijdperk in het verleden, bijvoorbeeld het oude Griekenland in de Griekse romans, de sfeer tijdens het Twaalfjarig Bestand in Nederland tijdens de Tachtigjarige Oorlog (De vuuraanbidders, 1947), de magische sfeer in Ierland in de Ierse romans (Iersche nachten, 1946 en De vijf roeiers, 1951). Wellicht heeft Vestdijk in elk tijdvak van de geschiedenis na ± 500 v. Chr. een roman willen situeren. Zover is het niet gekomen, maar opvallend is wel dat elke historische roman een ander stukje geschiedenis behandelt.”

hart2

Maarten ’t Hart (Maassluis, 25 november 1944)

 

De Chinese schrijver Ba Jin werd op 25 november 1904 geboren in Chengdu in een rijke familie als Li Fugan. Hij studeerde in de jaren twintig van de vorige eeuw in Frankrijk. Na de communistische revolutie van 1949 werd hij populair bij de machthebbers omdat hij het oude China zo fel bekritiseerde. Tijdens de Culturele Revolutie viel hij in ongenade omdat hij contrarevolutionair zou zijn. In 1977 werd hij in ere hersteld. In 1981 werd hij voorzitter van de Chinese schrijversvereniging. In 2003 kreeg hij de titel ‘Volksschrijver’ In zijn boeken en verhalen bekritiseerde Ba Jin de traditionele Chinese maatschappij, waar ouders voor kinderen beslisten en waar geen plaats was voor individualisme of vrije keuze.Tot zijn belangrijkste werken worden ‘Familie’, ‘Lente’ en ‘Herfst’ gerekend, semi-autobiografische romans die in de jaren dertig van de vorige eeuw verschenen. De romans waren niet alleen toen erg populair in China. Zij worden beschouwd als klassiekers en zij worden nog steeds gelezen, niet alleen in China, maar ook door in het buitenland levende Chinezen. Andere belangrijke werken van Ba zijn ‘De trilogie van de liefde’, ‘Een droom van de zee’ en ‘Herfst in de lente’.

 

Uit: When the Snow Melted (vertaling: Tang Sheng)

 

“A spring breeze ruffled my hair; at the foot of the hills a thaw had set in.

It is usually cold when the snow melts, but today the long-hidden sun finally made an appearance. I put on a coat and started down the hill, bathed in sunlight. Few people used that quiet path, though we were not far from the city and the hill was not high. People here kept to themselves; aside from a trip down for their shopping in the mornings, they had little contact with the outside world. I found life up there pleasantly quiet.

Because of my weak nerves, I could not stand the noise and the bustle of city life and had moved up to the hills two months beforehand. Life was regular: I ate and slept at scheduled times and did nothing all day long. I took solitary walks along mountain paths; I also went down sometimes to visit friends. The utterly tranquil and undisturbed life in the hills gradually restored me to health.

My spirits rose too. I felt a joy in my heart, which seemed filled with love, love for the sun, the snow, the wind and the hills, love for everything around me. It was in this mood that I walked down the snow-covered path dotted with black footprints. Further down the footprints mingled and made dirty little puddles. I picked my way over the thickest snow because I loved the crunching of snow underfoot. With the sunlight pouring down and a breeze in my face I felt that balmy spring was coming to meet me.”

 

BaJin2

Ba Jin (25 november 1904 – 17 oktober 2005)

 

De Engelse dichter Isaac Rosenberg werd geboren in Bristol op 25 november 1890 uit Russisch-joodse ouders en hij bracht zijn jeugd door in een arme wijk van Londen, Whitechapel. Zijn belezen vader, een aanhanger van Tolstoys pacifistische ideeën, was marskramer en marktkoopman. Toen Rosenberg 14 was, werd hij in de leer gedaan als graveur. Hij experimenteerde met schilder- en dichtkunst. In 1911 kon hij met steun van andere joodse families naar de beroemde Slade School of Art gaan. In 1914, als de oorlog uitbreekt, is Rosenberg in Zuid-Afrika, waar zijn ouders eerst naar toe emigreerden en waar zijn zuster nog woont, vanwege de invloed van het milde klimaat op zijn zwakke gezondheid. Tegen de zin van zijn ouders, neemt hij dienst in 1915 in het Engelse leger. Als een van de redenen van deze voor hem ongewone stap, want hij verafschuwt oorlog, maar hij heeft toch ook het idee dat deze ervaring belangrijk is, geeft hij dat zijn moeder het geld dat hij krijgt (‘separation allowance’) goed kan gebruiken. Omdat hij te klein is voor het gewone leger, wordt hij ingedeeld bij de ‘Bantams’. Op 1 april 1918 sneuvelt hij.

 

 

On Receiving News of the War

Snow is a strange white word.
No ice or frost
Has asked of bud or bird
For Winter’s cost.

Yet ice and frost and snow
From earth to sky
This Summer land doth know.
No man knows why.

In all men’s hearts it is.
Some spirit old
Hath turned with malign kiss
Our lives to mould.

Red fangs have torn His face.
God’s blood is shed.
He mourns from His lone place
His children dead.

O! ancient crimson curse!
Corrode, consume.
Give back this universe
Its pristine bloom.

 

ROSENBERG

Isaac Rosenberg (25 november 1890 – 1 april 1918)
Zelfportret

 

De Spaanse  schrijver Lope de Vega werd geboren op 25 november 1562 in Madrid. In 1588 moest hij vluchten wegens een tweegevecht, nam dienst, was aan boord van het schip De Onoverwinnelijke Vloot, werd rijk door zijn toneelwerken, doch ging 1619 uit verdriet over de dood van zijn zoon in een klooster. Hij schreef over de 1800 toneelspelen, waarvan 25 delen bewaard zijn. Hij oefende door zijn stukken een zeer grote invloed in geheel West-Europa. In Nederland het eerst op Rodenburg, die 4 stukken bewerkte en die in zijn eigen werk de Spaanse meester navolgde. Lope de Vega wisselde in zijn stukken het tragische met het komische af; hij is de man van de komische intermezzo’s. Verdere navolging bij Isaac Vos, Asselijn e.a. Hij schreef een werk over de nieuwe toneelkunst, waaruit Rodenburg putte bij het opmaken van zijn Borstweringh.

Waar al wat ik gedacht heb in mijn leven

Waar al wat ik gedacht heb in mijn leven,

Al wat ik heb gewild en nagestreefd,

Slechts luchtkastelen opgeleverd heeft,

Door ijdele verwachting ingegeven,

 

En waar van alles wat ik heb beleefd

Alleen de tijd die weg is is gebleven,

Blijkt iedere gedachte om het even,

En waan wat mij voor ogen heeft gezweefd.

 

De dwaze ziel die zich door aardse pracht

En sterfelijke schoonheid liet verblinden

En daar voldoening in te vinden dacht,

 

Versmacht naar God, en wat zij verder in de

Ontreddering ook naar een rustpunt tracht,

Zij zal haar rust tot zij Hem heeft niet vinden.

 

Vertaling.: J.P.Rawie

 

lope-de-vega

Lope de Vega (25 november 1562 – 27 augustus 1635)

 

De Portugese schrijver José Maria Eça de Queiroz werd geboren op 25 november 1845 in Póvoa de Varzim. Hij is in eigen land nog steeds zeer geliefd en wordt veel gelezen. In tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten wordt Queiroz nog altijd bewonderd. Sommige lezers lezen en herlezen zijn werk voor het mooie taalgebruik, terwijl anderen hem bewonderen als uitstekend verhalenverteller, essayist of brievenschrijver. Eça de Queiroz schreef duidelijk gestructureerde verhalen met een begin en een eind. In zijn studententijd viel hij voor de revolutionaire ideeën, die in zijn tijd opgeld deden. Hij bekritiseerde met anderen de maatschappij en de literatuur van zijn tijd. Omstreeks 1872 trad hij toe tot de consulaire dienst van zijn land, waardoor hij Portugal niet vaak terug zag. Toch wist hij in zijn realistische werk het leven in zijn land uitstekend weer te geven.

De belangrijkste boeken van Eça de Queiroz zijn: “Os Maias“, “A Ilustre Casa de Ramires”, “Contos”, “Notas Contemporáneas” en “Correspondéncia de Fradique Mendes”.

 

Uit: Die Rose (vertaling: Ulrich Kunzmann)

 

 

„Wir sind im Monat Mai – und deshalb sollte man über Rosen reden. Als es in der Dichtkunst wie in einem wohlgeordneten Reich noch Klassen und Regeln gab, war es die ehrwürdige und leichtblütige Zunft der Frühlingspoeten, die in diesen frischen Jugendtagen des Jahres mit freudigem Herzen und beschwingten Versen pünktlich die Ankunft der Rosen feierte.“

 

Uit : Cartas de Inglaterra

 

“What a strange people! For them it is a matter of certainty that no one can be moral without reading the Bible; no one can be strong without playing cricket; no one can be a gentleman without being English. And this is what makes them hated. They never blend; they never become un-English … The Englishman falls on foreign ideas and customs as a block of granite falls on water. There he stays, with his Bible, his clubs, his sports, his prejudices, his etiquette, his self-centredness … Even in countries where he has lived for hundreds of years, he is still the foreigner.”

 

 

Queiroz

José Maria Eça de Queiroz (25 november 1845 – 16 augustus 1900

Laurence Sterne, Jules Deelder, Cissy van Marxveldt, Arundhati Roy, Carlo Collodi

Laurence Sterne werd geboren op 24 november 1713 in Clonmel, Tipperary, Ierland. Sterne was de zoon van een onderofficier en bracht zijn jeugd door in verschillende garnizoenssteden. Hij bezocht de school in Halifax, en bleef zonder cent achter toen zijn vader in 1731 in Jamaica overleed. Sternes ouders hadden echter goede connecties en hij kon zich zodoende toch inschrijven aan de Universiteit van Cambridge. Een van zijn vrienden daar was de jonge landeigenaar John Hall-Stevenson, een scherpzinnig man met een voorkeur voor pornografie, die als Eugenius opduikt in Tristram Shandy. Sterne studeerde af in 1737 en werd spoedig daarna praktiserend geestelijke. In 1759 begon hij aan ‘Tristram Shandy’, waarvan hij gedeelten voorlas aan vrienden in het huis van John Hall-Stevenson. De eerste twee delen van dit boek verschenen in York in 1759 en in Londen in 1760, en maakten hem beroemd. Vervolgdelen kwamen uit in 1761, 1762, 1765, en 1767. Door zijn nieuwverworven faam kwam hij in contact met invloedrijke lieden, en via hen verkreeg hij de post van predikant in Coxwold met bijbehorend huis (dat hij Shandy Hall noemde) aan de rand van het dorp in 1760. Hij geraakte hierdoor in een positie waarin hij kon gaan reizen, en dat was ook nodig voor zijn gezondheid: hij was tuberculose-patiënt. Hij verbleef langdurig in Frankrijk en maakte een reis door Italië; van tijd tot tijd ging hij terug naar Coxwold en Londen om aan zijn boeken te werken. Laurence Sterne overleed in Londen op 18 maart 1768.

 

Uit: TRISTRAM SHANDY

“– WE’LL not stop two moments, my dear Sir, — only, as we have got thro’ these five volumes, (do, Sir, sit down upon a set — they are better than nothing) let us just look back upon the country we have pass’d through. —
— What a wilderness has it been ! and what a mercy that we have not both of us been lost, or devoured by wild beasts, in it.
Did you think the world itself, Sir, had contained such a number of Jack Asses ? — How they view’d and review’d us as we passed over the rivulet at the bottom of that little valley ! — and when we climbed over that hill, and were just getting out of sight — good God ! what a braying did they all set up together !
— Prithee, shepherd ! who keeps all those Jack Asses ? * * *
— Heaven be their comforter — What ! are they never curried ? — Are they never taken in in winter ? — Bray bray — bray. Bray on, — the world is deeply your debtor ; — louder still — that’s nothing ; — in good sooth, you are ill-used : — Was I a Jack Asse, I solemnly declare, I would bray in G-sol-re-ut from morning, even unto night.”

 

LAURENENCE_STERNE

Laurence Sterne (24 november 1713 – 18 maart 1768)

 

Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Na de HBS studeerde hij enkele jaren voor de akte Nederlands. Op zijn elfde schreef hij zijn eerste gedicht met de titel ‘Hoort, men werpt een atoombom’ en in 1963 debuteerde hij in een literair tijdschrift met het gedicht “Leert Uw vogels kennen”. Hij werd ontdekt door Simon Vinkenoog (door Deelder steevast aangeduid als “ene Simon V. te A.”) die hem uitnodigde als deelnemer aan een poëzie-manifestatie in het Amsterdamse theater Carré in 1966. Drie jaar later verscheen zijn debuutbundel Gloria Satoria (1969). Diverse bundels volgden, en Deelder ging ook korte verhalen schrijven. In de jaren negentig trad hij veelvuldig op met Herman Brood en met collega-dichter Bart Chabot.

 

Vroeger of later
Ga je dood
Dat staat als een paal
Boven water
Zo oud als Sparta
Word je nooit

En als je gaat
Is het je tijd geweest
Dat is één ding
Dat zeker is

Zo niet
Ofter een hemel is
Maar álster één is
Dan zal je zien
Dat de Hemelpoort
– Oh brok in ons keel –
Verdacht veel weg heeft
Van Het Kasteel

 

Voor Ari van Jules Deelder

Lieve Ari / Wees niet bang
De wereld is rond / en dat istie al lang
De mensen zijn goed / de mensen zijn slecht
Maar ze gaan allen / dezelfde weg
Hoe langer je leeft / hoe korter het duurt
Je komt uit het water / en gaat door het vuur
Daarom lieve Ari / Wees niet bang
De wereld draait rond / en dat doettie nog lang

deelder

Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)

 

Zij was de schrijfster van klassiekers als “Joop ter Heul” , “Een zomerzotheid” en vele andere verhalen. Cissy van Marxveldt is een pseudoniem van Setske Beek-de Haan. Ze werd geboren in Oranjewoud (Fr.) op 24 november 1889 en overleed te Bussum 31 oktober 1948. Op donderdag 3 februari 1916 trouwde ze met Leo Beek, reserve tweede luitenant bij het 18e regiment infanterie. Later werkte Leo Beek als personeelschef bij De Bijenkorf te Amsterdam.   In 1917 kwam haar droom uit: haar eerste boek Game and set! verscheen, een jaar later gevolgd door Het hoogfatsoen van Herr Feuer, over haar Amsterdamse tijd op kantoor met haar Duitse baas). De boeken werden onder de naam Betty Bierema uitgebracht. Hoewel de boeken flopten, benaderde een nieuw tijdschrift voor jongeren haar om een feuilleton te schrijven. Dit deed ze onder de naam Cissy van Marxveldt. Ze schreef de verhalen in de vorm van brieven van een HBS-meisje aan haar vriendin: Joop ter Heul was geboren. Het tijdschrift ging al snel op de fles, maar De Haan ging door met Joop ter Heul; een HBS-meisje zonder zorgen, uit een chic milieu. Haar uitgever had echter geen interesse. Valkhoff & Co uit Amersfoort wilde het wel uitbrengen. In 1919 verscheen ‘De HBS-tijd van Joop ter Heul’. Het was meteen een succes.

 

Uit: De H.B.S. tijd van Joop ter Heul

Waarom ik nu eigelijk zoo woedend en mopperig ben? Omdat ik niet meer aan Net mag schrijven. Ja natuurlijk, nog wel eens in de zooveel weken, maar niet, zooals we altijd deden, een brief wanneer je er leut in had. Ik moet er ook altijd inloopen. Ik zat op Pa’s kamer geschiedenis te leeren, en ’t verveelde me zoo gruwelijk. Toen dacht ik: ‘Kom, laat ik maar met een brief aan Net beginnen. Daar heb ik wel puf in.’ En ik raakte er zoo vreeselijk in, dat ik Pa niet hoorde binnenkomen. Ik kladde maar door, en toen Pa’s stem opeens mijn nek kietelde, klapte ik dadelijk het geschiedenisboek dicht. De brief was nog nat en het vlekte natuurlijk; ’t gaf een smeerboel. Pa sloeg het boek open, schudde zijn hoofd, en begon er met een radeermesje in te peuteren. Ik zei: ‘Och laat u dat maar, want we hebben allemaal kladpartijen in onze boeken.’ Ik wou niet, dat Pa onnoodige moeite deed. Maar Pa ging er toch mee door, en hij zei: ‘Zit je zoo je geschiedenis te leeren? ’t Is fraai’ – dat is een stop-uitdrukking van Pa, ‘of denk je misschien, dat je er genoeg van kent?’ ‘O hemeltje nee’, zei ik, ‘dat niet, maar ik had zoo’n puf om aan Net te schrijven.’

cvanmarxveldt

Cissy van Marxveldt (24 november 1889 – 31 oktober 1948)

 

De Indiase schrijfster Arundhati Roy werd geboren op 24 november 1961 in Shillong in India en groeide op in Kerala.  Zij studeerde af aan de Delhi School of Architecture, maar werd scenarioschrijfster, schreef scripts voor films en voor televisie. Zij woont in Dehli met haar man, de filmmaker Pradeep Kishen. Haar eerste roman.The God of Small Things, uit 1997 won de prestigieuze Booker Prize en werd een internationale best-seller.

 

Uit: “God of Small Things”

 

May in Ayemenem is a hot, brooding month. The days are long and humid. The river shrinks and black crows gorge on bright mangoes in still, dust green trees. Red bananas ripen.Jackfruits burst. Dissolute bluebottles hum vacuously in the fruity air. Then they stun themselves against clear windowpanes and die, fatly baffled in the sun. The nights are clear, but suffused with sloth and sullen expectation. But by early June the southwest monsoon breaks and there are three months of wind and water with short spells of sharp, glittering sunshine that thrilled children snatch to play with. The countryside turns an immodest green. Boundaries blur as tapioca fences take root and bloom. Brick walls turn moss green. Pepper vines snake up electric poles. Wild creepers burst through laterite banks and spill across the flooded roads.

 

 

arundhati

Arundhati Roy (Shillong, 24 november 1961)

 

 Carlo Collodi werd als Carlo Lorenzi op 24 november 1826 in Florence geboren. Zijn vader werkte als kok bij een markies, zijn moeder was afkomstig uit Collodi, een gehucht tussen Florence en Pisa. Omstreeks 1860 gebruikte hij voor het eerst de pseudoniem Carlo Collodi. Ook was hij betrokken bij de ontwikkeling van de Florentijnse omgangstaal. Hij stierf in 1890. Carlo Collodi is de schepper van Pinokkio, de uit een stuk lachhout gesneden marionet wiens neus steeds langer wordt als hij jokt. Hij schreef het verhaal eerst als feuilleton voor het kinderblad Il Giornale per Bambini. Tussen 1881 en 1884 verscheen dit onder de titel Storia di un burattino, (De geschiedenis van een marionet), met grote tussenpozen in acht afleveringen. In het boek vormen ze de eerste vijftien hoofdstukken. Het verhaal eindigde triest: de ondeugende Pinokkio werd opgehangen aan de grote Eik en stierf. Onder grote druk van de uitgever, daartoe aangezet door de enthousiaste lezers, schreef Collodi daarna nieuwe afleveringen. Hij introduceerde de Fee die wil dat Pinokkio zijn leven betert. Daardoor kreeg het verhaal een wat meer moralistische strekking. In 1883 verscheen het in boekvorm als Le Aventure di Pinocchio  Pinokkio behoort tot de klassiekers van de jeugdliteratuur. De eerste vertaling werd in 1900 gepubliceerd.

Uit: Pinokkio

Er was eens,…
een poppenmaker Geppetto hij maakte een speciale pop en noemde hem Pinokkio. “Ik wens dat je een echt jongen bent”
zei Geppetto bedroefd. “Want ik ben zo alleen”.
Die nacht kwam de Blauwe Fee naar Geppetto’s werkplaats.
“Goed Geppetto” zei ze, “Je maakt andere altijd gelukkig, je verdient het dat je wens uitkomt”.
Lachend raakte de Blauwe Fee het popje aan met haar hand.
“Klein popje, gemaakt van hout. Wordt wakker”. en in een oogwerk, bracht zij Pinokkio tot leven.
“Pinokkio, als je braaf, eerlijk en aardig bent, word je op een dag een echte jongen,” zei de Blauwe Fee.” 

pinokkio

Illustratie uit Pinokkio

 

collodi
Carlo Collodi (24 november 1826 – 26 oktober 1890)

 

Paul Celan, Jennifer Michael Hecht, Marcel Beyer

Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Czernowitz was een verzamelplaats van allerlei volkeren en culturen: er woonden Tsjechen, Polen, Russen, Roemenen, joden en zigeuners. Door de meertaligheid van zijn omgeving maakte Celan zich het Jiddisch, Roemeens, Duits, Russisch, Frans en Hebreeuws eigen. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. Celans jeugd werd getekend door antisemitisme. Tijdens de Russische en later Duitse bezetting werd hij tot drie keer gedwongen van school en universiteit te wisselen. Na het uitbreken van de oorlog werden meer dan 3000 vooraanstaande joden uit de streek vermoord, 45.000 mensen werden gedwongen in een getto te leven. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. In 1950 voltooide hij een studie germanistiek en taalwetenschap, nadat hij in 1938 kort medicijnen, in 1939 romanistiek had gestudeerd. In Parijs was Celan werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Aanvankelijk werd Celan vanwege zijn poëzie bejubeld, maar vooral later werd hij negatief bejegend. Celan reageerde met wantrouwen en teleurstelling. Dat hij overlevende van een volkerenmoord was, veroorzaakte bij hem gevoelens van schuld en wanhoop. De hevige depressies en spanningen die zulks met zich meebracht, leidden er uiteindelijk toe dat hij op vermoedelijk 20 april 1970 zijn leven zelf beëindigde door in de Seine te springen.

 

Corona

Aus der Hand frißt der Herbst mir sein Blatt: wir sind Freunde.
Wir schälen die Zeit aus den Nüssen und lehren sie gehen:
die Zeit kehrt zurück in die Schale.

Im Spiegel ist Sonntag,
im Traum wird geschlafen,
der Mund redet wahr.

Mein Aug steigt hinab zum Geschlecht der Geliebten:
wir sehen uns an,
wir sagen uns Dunkles, wir lieben einander wie Mohn und Gedachtnis,
wir schlafen wie Wein in den Muscheln,
wie das Meer im Blutstrahl des Mondes.

Wir stehen umschlungen im Fenster, wir sehen uns zu von der Straße:
es ist Zeit, daß man weiß!
Es ist Zeit, daß der Stein sich zu blühen bequemt,
daß der Unrast ein Herz schlägt.
Es ist Zeit, dass es Zeit wird.

Es ist Zeit.

 

Blume

Der Stein.
Der Stein in der Luft, dem ich folgte.
Dein Aug, so blind wie der Stein.

Wir waren
Hände,
wir schöpften die Finsternis leer, wir fanden
das Wort, das den Sommer heraufkam:
Blume.

Blume – ein Blindenwort.
Dein Aug und mein Aug:
sie sorgen
für Wasser.

Wachstum.
Herzwand um Herzwand
blättert hinzu.

Ein Wort noch, wie dies, und die Hämmer
schwingen im Freien.


Psalm

Niemand kneedt ons nogmaals uit aarde en leem,
niemand beleest onze stof.
Niemand.

Uw naam zij geprezen. Niemand.
Om uwentwille
zullen wij bloeien.
U
tegemoet.

Een niets
waren wij, zijn wij, zullen
wij blijven, bloeiend:
de niets -, de
niemandsroos.

Met
de stijl zielshelder,
de meeldraad hemelswoest,
de bloemkroon rood
van ’t purperwoord dat wij zongen
boven, o boven
de doorn.

 

Vertaald doorFrans Roumen

celan3
Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)

 

De Amerikaanse schrijfster en dichteres Jennifer Michael Hecht werd geboren op 23 november 1965 in New York. Zij prompveerde in de wetenschapsgeschiedenis aan de Columbia University in 1995 en studeerde daarna nog enige tijd in Caen en Angers. Tegewoordig doceert zij poëzie en filosofie en is verbonden aan het New York Institute for the Humanities. Hechts wetenschappelijke artikelen verschenen in talrijke bladen en tijdschriften. Ook schreef zij recensies voor The New York Times, The Washington Post en The American Scholar. In 2002 won zij met haar poëziedebuut The Next Ancient World  de Norma Farber First Book Award from the Poetry Society of America en de Fore Word Magazine’s award for Poetry Book of the Year.

 

 

Blind Love

Lady says, Doc, I think I need glasses.
Teller says, You sure do, Lady, this is a bank.

Lady wanders out, it’s winter, wonders whether
other things have got mistaken, too.

At home she ambles through the house
with the sudden feeling that it all has been

rewritten. Notices a shadow as ivy peels from brick,
clatter of silverware drawer, a quarter

on her bathroom floor. As on a vase the piper
plays not to the ear but to the more endeared

inner listener, so, quiet in an April afternoon,
late sun erupts a riot into her
room.

Coin and cutlery grow red; wood glows golden in the hall.
Outside, ivy tendrils find new purchase on the wall.

 

 

 

History

Even Eve, the only soul in all of time
to never have to wait for love,
must have leaned some sleepless nights
alone against the garden wall
and wailed, cold, stupefied, and wild
and wished to trade-in all of Eden
to have but been a child.

In fact, I gather that is why she leapt and fell from grace,
that she might have a story of herself to tell
in some other place.

JENNIFFER_HECHT

Jennifer Michael Hecht (New York, 23 november 1965)

 

De Duitse dichter, schrijver en essayist Marcel Beyer werd op 23 november 1965 in Tailfingen / Württemberg geboren.

 Uit: Wasserstandsbericht…

 

„ Vorhin habe ich am Telefon erzählt, wie ich spät abends auf dem Weg vom Atelier zurück nach Hause als einer der letzten über die Elbbrücke gekommen bin, zwei sind während des Tages gesperrt worden, an der dritten standen die Polizeiwagen mit Blaulicht hinter der Sperre, und auch die vierte war bereits mit Absperrungen versehen, dazwischen eine Lücke, ich habe das Verbotsschild nicht beachtet, hinter mir kein weiterer Wagen mehr. Ich habe von den Umleitungen am Vormittag erzählt, von den vier Stunden auf dem Bahndamm, durch die Stadt, von Lachen, Strömen und dem Druck der Kanalisation. Nachdem ich aufgelegt hatte, bin ich noch einmal vor die Tür gegangen, mit Wegwerfkamera, doch ohne Taschenlampe.
Schon ab der nächsten Kreuzung ist die Straßenbeleuchtung ausgefallen. Selbst in den Fenstern kein Licht. Ich folge den Straßenbahnschienen, so bietet sich mir eine gewisse Orientierung in der Dunkelheit, denn seltsamerweise leuchten die Werbetafeln an den Haltestellen noch, vielleicht Restenergie aus der Solaranlage, vielleicht ein eigenes Netz, nun einzige Lichtflächen in der Nacht, alle paar hundert Meter. Eine Leuchttafel zeigt einen überschwemmten Zwinger, der mit hellen Kohlensäurepunkten durchsetzte leichte blaue Schimmer läßt Mauerwerk, Bodenplatten und Kies im Hof verschwimmen.“

 

Beyer23

Marcel Beyer (Tailfingen, 23 november 196

André Gide, George Eliot. Endre Ady, Viktor Pelevin, Elisabeth Maria Post

De Franse schrijver André Gide werd geboren op 22 november 1869 in Parijs. Gide was de zoon van een katholieke vader uit de Midi en een protestantse moeder uit Normandië. Hij was een van de belangrijkste schrijvers van zijn generatie.De streng protestantse opvoeding heeft hem schuldgevoelens en frustraties opgeleverd Terugkerende thema’s zijn het religieuze en het zinnelijke, waarbij de balans in de loop der jaren steeds vaker naar het zinnelijke doorsloeg. Zijn homoseksualiteit komt in zijn werk pas later aan de oppervlakte: in de vroegere werken draait hij er nog wat omheen. Toen hij echter in de jaren negentig van de negentiende eeuw drie jaar doorbracht in Algerije, viel veel van zijn geremdheid van hem af, mede doordat hij verliefd werd op de jonge Athman. Daarna verschenen nog voor de Eerste Wereldoorlog zijn grote werken l’Immoraliste en la Porte étroite. Tijdens de oorlog schreef hij Corydon (het werd na de oorlog, in 1924, gepubliceerd), waarin hij de homoseksualiteit in een gunstig daglicht stelt, en zich beroept op grote namen als Blaise Pascal en Montaigne. Overigens was hij voorstander van een viriele vorm van homoseksualiteit, die hij beschouwde als niet “tegen de natuur”, wel “tegen de norm”. In 1926 kwam les Faus-monnayeurs uit, door Gide wel zijn “enige roman” genoemd. Het was in ieder geval zijn monumentaalste. In de jaren twintig begon Gide zich te bekommeren om de maatschappelijk zwakkeren. Hij werd een voorvechter van gelijkberechtiging van de vrouw. Ook stond hij een humaner behandeling van misdadigers voor. In de jaren dertig had hij, zoals vele schrijvers in die tijd, sympathie voor het communisme, vooral onder invloed van het evangelie, maar na een reis naar Rusland in 1936 keerde hij ontgoocheld terug.Als oprichter van de Nouvelle Revue française , maar vooral als vrijgevochten schrijver, heeft Gide een enorme invloed uitgeoefend op latere generaties Franse schrijvers en op de ontwikkeling van de moderne Franse roman, de Nouveau Roman.

Uit : Journal 1889-1939 / 14 avril 1933)

“Ce jeune musulman, élève de Massignon, qui vint un matin me parler et que j’envoyai à Marcel de Coppet : avec des larmes, des sanglots dans la voix, il racontait sa conviction profonde : l’Islam seul était en possession de la vérité qui pouvait apporter la paix au monde, résoudre les problèmes sociaux, concilier les plus irréductibles antagonismes des nations… Berdiaeff réserve ce rôle à l’orthodoxie grecque. De même le catholique ou le juif, chacun à sa religion propre. C’est au nom de Dieu qu’on se battra. Et comment en serait-il autrement, du moment que chaque religion prétend au monopole de la vérité révélée ? Car il ne s’agit plus ici de morale ; mais bien de révélation. C’est ainsi que les religions, chacune prétendant unir tous les hommes, les divisent. Chacune prétend être la seule à posséder la Vérité. La raison est commune à tous les hommes, et s’oppose à la religion, aux religions.”

Uit : Les Caves du Vatican

« L’an 1890, sous le pontificat de Léon XIII, la renommée du docteur X, spécialiste pour maladies d’origine rhumatismale, appela à Rome Anthime Armand-Dubois, franc-maçon.

— Eh quoi? s’écriait Julius de Baraglioul, son beau-frère, c’est votre corps que vous vous en allez soignez à Rome! Puissiez-vous reconnaître là-bas combien votre âme est plus malade encore!

A quoi répondait Armand-Dubois sur un ton de commisération renchérie:

— Mon pauvre ami, regardez donc mes épaules.

Le débonnaire Baraglioul levait les yeux malgré lui vers les épaules de son beau-frère; elles se trémoussaient, comme soulevées par un rire profond, irrépressible; et c’était certes grand-pitié que de voir ce vaste corps à demi perclus occuper à cette parodie le reliquat de ses disponibilités musculaires. Allons! décidément leurs positions étaient prises, l’éloquence de Baraglioul n’y pourrait rien changer. Le temps peut-être? le secret conseil des saints lieux… D’un air immensément découragé, Julius disait seulement:

— Anthime, vous me faites beaucoup de peine (les épaules aussitôt s’arrêtaient de danser, car Anthime aimait son beau-frère). Puissé-je, dans trois ans, à l’époque du jubilé, lorsque je viendrai vous rejoindre, puissé-je vous trouver amendé! “

 

ANDRE_GIDE
André Gide (22 november 1869 – 19 februari 1951)

 

George Eliot was het pseudoniem van de Engelse schrijfster Mary Ann Evans. Ze schreef onder een mannennaam om de kansen op publicatie te verbeteren. Geboren werd zij op 22 november 1819 in Nuneaton in Warwickshire. Ze werd geboren op een boerderij nabij Nuneaton in Warwickshire, en ze gebruikte veel van haar eigen ervaringen in haar boeken. Onconventioneel woonde ze lange tijd samen met de getrouwde schrijver George Henry Lewes, die in 1878 overleed. Op 6 mei 1880 trouwde ze een vriend van haar, John Cross, een Amerikaans bankier die 20 jaar jonger was dan zij. Zij gingen op huwelijksreis naar Venetië en daar, zo wordt er verteld, sprong hij van het balkon in het Canal Grande op hun huwelijksnacht. Hij overleefde de sprong overigens en schreef een biografie over haar, die in 1882 verscheen. Ze overleed datzelfde jaar in Londen aan een nierkwaal, en ligt begraven op de Highgate begraafplaats in Londen. Haar stijl is typisch Victoriaans: zeer lange zinnen en uitvoerige beschrijvingen van situaties en landschappen, maar kenmerkt zich toch door een vlijmscherp psychologisch inzicht. Vooral Middlemarch, Daniel Deronda, en The Mill on the Floss worden nog wel gelezen en ook geregeld herdrukt.

Uit: The Mill on the Floss

“A wide plain, where the broadening Floss hurries on between its green banks to the sea, and the loving tide, rushing to meet it, checks its passage with an impetuous embrace. On this mighty tide the black ships–laden with the fresh-scented fir-planks, with rounded sacks of oil-bearing seed, or with the dark glitter of coal–are borne along to the town of St. Ogg’s, which shows its aged, fluted red roofs and the broad gables of its wharves between the low wooded hill and the river-brink, tingeing the water with a soft purple hue under the transient glance of this February sun. Far away on each hand stretch the rich pastures, and the patches of dark earth made ready for the seed of broad-leaved green crops, or touched already with the tint of the tender-bladed autumn-sown corn. There is a remnant still of last year’s golden clusters of beehive-ricks rising at intervals beyond the hedgerows; and everywhere the hedgerows are studded with trees; the distant ships seem to be lifting their masts and stretching their red-brown sails close among the branches of the spreading ash. Just by the red-roofed town the tributary Ripple flows with a lively current into the Floss. How lovely the little river is, with its dark changing wavelets! It seems to me like a living companion while I wander along the bank, and listen to its low, placid voice, as to the voice of one who is deaf and loving. I remember those large dipping willows. I remember the stone bridge.”

 

George_Eliot

George Eliot (22 november 1819 – 22 december 1880)

 

De Hongaarse dichter Endre Ady werd geboren op 22 november 1877 in het huidige Adyfalva.  Hij brak zijn rechtenstudie af voor een carrière in de journalistiek en literatuur. Zijn eerste dichtbundel, Versek, verscheen in 1899. Na 1903 verbleef hij overwegend in Parijs, waar hij verliefd werd op een vrouw die het onderwerp werd van veel van zijn gedichten. Hij was een lyrisch dichter die bekend werd om zijn oorspronkelijk en creatief taalgebruik. Ady werd beïnvloed door de Franse symbolisten. Hij werd leider van de politiek en artistiek geëngageerde Hongaarse schrijvers, die zich verzetten tegen het zelfvoldane materialisme van de Hongaaarse hogere kringen. Ady’s oeuvre werd in 19 delen gepubliceerd. Zijn poëzie in 12 en zijn proza in 7 delen.

De dichter van de Poesta

Donker als een Koemaan, grootogig,
Een man vol dromen en verlangens
Was hij. Als herder van een kudde
Trok hij naar de Hongaarse Vlakte.

Toversfeer in de schemer ’s avonds
Greep hem ook de honderdste keer nog,
Maar wat er in zijn hart opbloeide,
Graasde het kuddevolk meteen weg.

Gedachtenschoon schiep hij duizend keer:
Gedachten over dood, wijn, liefde,
Elders ter wereld was hij een zanger
Geworden van gewijde liederen.

Maar hier, als hij zijn boerse, simpele
Gezellen en hun kudde ontmoette,
Groef hij zijn lied heel snel en diep weg
En floot wat voor zich heen of vloekte.

 

Boven het Doodsmeer

Wij cirkelen boven het Doodsmeer,
Prachtige vogels, trots, vol moed.
In ’t water drijven luie monsters,
Gulzig, slangkoppig visgebroed.
Deze stinkende, trieste poel
Staat ook bekend als Hongarije.

Alles vergeefs! We vallen allen,
Het Meer trekt, onze slag verslapt.
Voor niets onze ziel en ons branden,
Onze liefde, ons hoofd en hart.
Het helpt ons niet, het geeft geen kracht:
Het blijft een Doodsmeer, Hongarije.
Vertaald door Kees Bakker

ady

Endre Ady (22 november 1877 – 27 januari 1919)

 

De Russische schrijver Viktor Pelevin werd geboren op 22 november 1962 in Moskou. Hij is een van de interessantste Russische auteurs van dit moment. Hij studeerde af aan het Moskouse Instituut voor Literatuur en publiceerde in de tijdschriften Granta, The New York Times Magazine en Open City. Eerdere romans zijn onder meer Babylon, Omon Ra en Het leven der insecten. In 1993 ontving hij de eerste Russische Booker Prize voor fictie. In De helm der verschrikking heeft Victor Pelevin een wereld gecreëerd waarin het surreële en het hyperreële samenkomen. Hij hervertelt de mythe van Theseus, het labyrint en de Minotaurus, waarbij hij het klassieke verhaal overzet naar de huidige tijd van internet en cyberspace. In die virtuele ruimte schetst Pelevin een magische, labyrintachtige omgeving waarin informatie in overvloed aanwezig is, maar kennis uiteindelijk onbereikbaar blijft.

 

Uit: The Helmet of Horror (De helm der verschrikking)

Mythcellaneous

‘No one realised that the book and the labyrinth were one and the same . . .’
-Borges, The Garden of Forking Paths

According to one definition, a myth is a traditional story, usually explaining some natural or social phenomenon. According to another, it is a widely held but false belief or idea. This duality of meaning is revealing. It shows that we naturally consider stories and explanations that come from the past to be untrue — or at least we treat them with suspicion. This attitude, apart from creating new jobs in the field of intellectual journalism, gives some additional meaning to our life. The past is a quagmire of mistakes; we are here to find the truth. We know better.

The road away from myth is called ‘progress’. It is not just scientific, technical or political evolution. Progress has a spiritual constituent beautifully expressed by F. Scott Fitzgerald in The Great Gatsby:

[a belief] in the green light, the orgastic future that year by year recedes before us. It eluded us then, but that’s no matter — tomorrow we will run faster, stretch our arms further . . . And one fine morning —
So we beat on, boats against the current, borne back ceaselessly into the past.

In other words, progress is a propulsion technique where we have to constantly push ourselves away from the point we occupied a moment ago. However, this doesn’t mean that we live without myths now. It only means that we live with instant myths of soap-bubble content. They are so unreal you can’t even call them lies. Anything can become our mythology for fifteen minutes, even Mythbusters programme on the Discovery channel.

pelevin

Viktor Pelevin (Moskou, 22 november 1962)

 

De Nederlands dichteres en schrijfster Elisabeth Maria Post werd geboren in Utrecht op 22 november 1755. Ze wordt beschouwd als een van de vertegenwoordigers van het sentimentalisme. In 1788 verscheen haar romandebuut Het land, in brieven, een (deels autobiografische) briefroman over een vriendschap tussen twee vrouwen die spreken over natuur, godsdienst en vriendschap. Het leven op het platteland wordt in dit boek verheerlijkt. Het land is een fysico-theologisch werk: door de natuur te observeren kan men god ervaren. Het werk Reinhart of Natuur en Godsdienst verscheen in drie delen in 1791 en 1792. Het is een roman over de slavernij in de Nederlandse kolonies in Zuid-Amerika. Het werk bevat veel (natuur)beschouwingen. In 1794 trouwde Post met de predikant J.L. Overdorp; haar gevoelens voor hem beschreef ze in de bundel Gezangen der liefde.

Uit: Het land, in brieven

 

“De naam van vriendschap alleen heeft een aangename welluidendheid in mijne ooren, en hare beoefening is de adem van mijn leven geworden. Zij geeft het ware zoet aan allen aardschen wellust. Zij bereidt den zagtsten troost, in alle rampen van dit leven. – Een traan, dien de vriendschap over ons lot weent, is balzem in de wonden des harten. Een boezem open te vinden, waarin de volle ziel zig uitstort, geeft de aangenaamste verruiming.

Wees zonder vriend, hoeveel verliest uw leven!
Wie zal uw troost en moed in rampen geeven?
    Verblijd zijn als uw heilzon straalt?
Wie deelen in uw voor en tegenspoeden;
U in den nood, door trouwen raad, behoeden?
    U wederhouden als gij dwaalt?

Zingt onze waarde Gellert. Aan de hand der vriendschap valt het ligter, de doornige paden des levens te doorwandelen: en daar ze voordspruit uit overeenstemming van zielen; daar ze door deugd en godsdienst gevoed word, – daar zegenpralen hare genoegens over alle de wisselbaare goederen der wereld. – Eer en schatten kunnen ons door kleine toevalligheden ontroofd worden: maar de ware vriendschap groeit in den nood. – De dood kan vrienden scheiden; maar de vriendschap zelf duurt tot in het ander leven.”

post

Elisabeth Maria Post (22 november 1755 – 3 juli 1812)

Voltaire, Isaac Bashevis Singer, Marilyn French, Franz Hessel

Voltaire, pseudoniem van François-Marie Arouetwerd werd op 21 november 1694 geboren in Parijs. De jonge Voltaire kreeg les op Louis-le-Grand, de meest prestigieuze jezuïtenschool. Hij verliet de school op zijn zestiende en niet lang daarna maakte hij al vrienden bij de Parijse aristocraten. Zijn humoristische gedichten maakten hem populair in die kringen. In 1717 kreeg hij problemen met de autoriteiten vanwege zijn scherpe teksten. Hij werd voor elf maanden veroordeeld naar de Bastille wegens satire over de Franse overheid. Tijdens zijn verblijf in de gevangenis schreef François Marie Oedipe wat zijn eerste theatersucces zou worden. Hierna ging hij de naam “Voltaire” (een anagram) gebruiken. In 1726 beledigde Voltaire de machtige jonge edelman Chevalier de Rohan en hiervoor werd hij bestraft. Hij kreeg twee opties: de gevangenis of verbanning; hij koos het laatste. Van 1726 tot 1729 woonde Voltaire in Engeland. In die tijd ging hij zich interesseren voor de filosofie van John Locke en de ideeën van de wiskundige en wetenschapper Sir Isaac Newton. Voltaire bestudeerde Engelands constitutionele monarchie en de religieuze tolerantie aldaar. Hij interesseerde zich vooral voor het filosofische rationalisme van die tijd en de natuurwetenschappen. Na zijn terugkeer in Parijs schreef hij een boek waarin hij de Engelse gewoontes en instituties prees, de Lettres Philosophiques, en het Newtonianisme als alternatief voor Descartes’ rationalisme introduceerde. Het boek werd geïnterpreteerd als kritiek op de Franse overheid en in 1734 moest Voltaire Parijs opnieuw verlaten. In 1746 werd Voltaire toegelaten tot de Académie française. In 1749, na de dood van Marquise du Chatelet en nadat Voltaire een uitnodiging had gekregen van de koning van Pruisen, Frederik de Grote, verhuisde hij naar Potsdam (vlakbij Berlijn). Nadat hij verscheidene malen aanvaringen had gehad met de koning keerde Voltaire in 1753 terug naar Frankrijk. Om uit de handen van de Franse autoriteiten te kunnen blijven verhuist hij in 1755 naar Genève, waar hij net buiten de stad een huis laat bouwen met uitzicht op het meer, genaamd Les Délices (nu: Institut et Musée Voltaire). Het is hier dat hij zijn beroemde gedicht Poème sur le désastre de Lisbonne schrijft n.a.v. de verwoestende aardbeving die dat jaar Lissabon had getroffen.

Uit: Candide

« Il y avait en Westphalie, dans le château de M. le baron de Thunder-ten-tronckh, un jeune garçon à qui la nature avait donné les moeurs les plus douces. Sa physionomie annonçait son âme. Il avait le jugement assez droit, avec l’esprit le plus simple ; c’est, je crois, pour cette raison qu’on le nommait Candide. Les anciens domestiques de la maison soupçonnaient qu’il était fils de la soeur de monsieur le baron et d’un bon et honnête gentilhomme du voisinage, que cette demoiselle ne voulut jamais épouser parce qu’il n’avait pu prouver que soixante et onze quartiers, et que le reste de son arbre généalogique avait été perdu par l’injure du temps.

Monsieur le baron était un des plus puissants seigneurs de la Westphalie, car son château avait une porte et des fenêtres. Sa grande salle même était ornée d’une tapisserie. Tous les chiens de ses basses-cours composaient une meute dans le besoin ; ses palefreniers étaient ses piqueurs; le vicaire du village était son grand aumônier. Ils l’appelaient tous monseigneur, et ils riaient quand il faisait des contes.

Madame la baronne, qui pesait environ trois cent cinquante livres, s’attirait par là une très grande considération, et faisait les honneurs de la maison avec une dignité qui la rendait encore plus respectable. Sa fille Cunégonde, âgée de dix-sept ans, était haute en couleur, fraîche, grasse, appétissante. Le fils du baron paraissait en tout digne de son père. Le précepteur Pangloss était l’oracle de la maison, et le petit Candide écoutait ses leçons avec toute la bonne foi de son âge et de son caractère. ”

VOLTAIRE

Voltaire (21 november 1694 – 30 mei 1778)

 

Isaac Bashevis Singer werd geboren op 21 november 1904 als Isaac Hertz Singer, maar gebruikte behalve het pseudoniem Warhofsky de penname Isaac Bashevis Singer. Zijn vader en grootvader waren arme chassidische rabbi’s en ook zijn moeder Bathsheba was een rabbijnsdochter. Singer debuteerde met Der Sotn in Goray (Satan in Goray), gepubliceerd in Polen in 1935, een kroniek over de gebeurtenissen rondom de valse messias Sjabbatai Zwi. In 1933 kwam Hitler aan de macht en wegens het toenemende antisemitisme emigreerde Singer naar de V.S.. Hij verliet zijn vrouw Rachel, die met hun zoon Israel naar Moskou en later naar Palestina vertrok. Sinds de jaren ’40 groeide Singers reputatie bij de Jiddische gemeenschap in Amerika. Hoewel na W.O. II de joodse cultuur in Midden- en Oost-Europa was vernietigd, leefde in de V.S. de taal en de cultuur voort mede dankzij het werk van Singer. 

 Uit:  “The Letter Writer” from The Seance and Other Stories

 

“In his thoughts, Herman spoke a eulogy for the mouse who had shared a portion of her life with him and who, because of him, had left this earth “What do they know – all these scholars, all these philosophers, all the
leaders of the world – about such as you? They have convinced themselves that man, the worst transgressor of all the species, is the crown of creation. All other creatures were created merely to provide him with food, pelts, to be tormented, exterminated. In relation to them, all people are Nazis; for the animals it is an eternal Treblinka
.”

 

 

Uit: zijn toespraak bij aanvaarding van de Nobelprijs in 1978:

“The storyteller and poet of our time, as in any other time, must be an entertainer of the spirit in the full sense of the word, not just a preacher of social or political ideals. There is no paradise for bored readers and no excuse for tedious literature that does not intrigue the reader, uplift him, give him the joy and the escape that true art always grants. Nevertheless, it is also true that the serious writer of our time must be deeply concerned about the problems of his generation. He cannot but see that the power of religion, especially belief in revelation, is weaker today than it was in any other epoch in human history. More and more children grow up without faith in God, without belief in reward and punishment, in the immortality of the soul and even in the validity of ethics. The genuine writer cannot ignore the fact that the family is losing its spiritual foundation.

 

Not only has our generation lost faith in Providence but also in man himself, in his institutions and often in those who are nearest to him. In their despair a number of those who no longer have confidence in the leadership of our society look up to the writer, the master of words. They hope against hope that the man of talent and sensitivity can perhaps rescue civilization. Maybe there is a spark of the prophet in the artist after all.

 

Singer

Isaac Bashevis Singer (21 november 1904 – 24 juli 1991)

 

De Amerikaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Marilyn French werd geboren op 21 november 1929 in New York. Zij doceert sinds 1964 Engelse literatuur. In 1972 promoveerde zij op James Joyce. Haar bekendste boek, The Women’s Room, verscheen in 1977. Het werd in meer dan 20 talen vertaald en er werd in 1980 een televisiefilm van gemaakt. Marilyn French heeft twee zonen en woont in New York.

Werk o.a.: THE BOOK AS WORLD: JAMES JOYCE’S ULYSSES, 1976, THE WOMEN’S ROOM, 1977, BEYOND POWER: ON MEN, WOMEN, AND MORALS, 1985, THE WAR AGAINST WOMEN, 1992, WOMEN’S HISTORY OF THE WORLD, 2000

Uit: The Women’s Room

“The school had been planned for men, and there were places, she had been told, where women weree simply not permitted to go. It was odd. Why? she wondered. Women were so unimportant anyway, why would anyone bother to keep them out?”

Uit: The War Against Women

“Today, women are educated in most industrial countries, and can work in a variety (but not all) areas. But male superiors, reluctant to advance them, rarely place them on a track to higher office. In nonindustrial or developing countries, women hold about 6 percent of government posts; in most European nations, they hold 5 to 11 percent.”  

MARILYN_FRENCH

Marilyn French (New York, 21 november 1929)

 

De Duitse schrijver en vertaler Franz Hessel werd geboren op 21 november 1880 in Stettin. Zijn vriendschap met Lella, oftewel Helen Grund, zijn latere vrouw, en Claude, oftewel Henri-Pierre Roché, is het onderwerp van de – door de film van François Truffaut beroemd geworden roman Jules et Jim (1963) van Henri-Pierre Roché. Van 1904 tot 1906 had Hessel in Parijs gewoond. In de jaren twintig woonde Hessel in Berlijn en werkte er als lector in de Ernst Rowohlt Verlag en als vertaler van Casanova, Stendhal, Balzac en Proust. Hessels romans „Der Kramladen des Glücks“ (1913), „Pariser Romanze“ (1920), „Heimliches Berlin“ (1927) laten een melancholieke verteller zien in de traditie van Proust. Zijn mooiste boek is wellicht Spazieren in Berlin“ (1929), dat door Walter Benjamin geprezen werd als een door en door episch boek , waarvoor „de herinnering niet de bron, maar de muze was“.

 

Uit:  Spazieren in Berlin (1929)

 

“Noch ist Berlin, vom Standpunkt der Gesellschaft aus betrachtet, klein und die Eleganz der Dame ein Produkt aus zweiter Hand. Aber schon kommt ein neuer Frauentyp auf … Sie gehen so hübsch in ihren Kleidern ohne Gewicht, herrlich ist ihre Haut, die von der Schminke nur erleuchtet scheint, erfrischend das Lachen um die gesunden Zähne und die Selbstsicherheit, mit der sie paarweise durch das nachmittägliche Gewühl der Tauentziehenstraße und des Kurfürstendamms treiben; nein, treiben ist nicht das richtige Wort. Sie machen crawl, wenn die anderen Brustschwimmen machen. Scharf und glatt steuern sie an die Schaufenster heran.”

 

Hessel

Franz Hessel (21 november 1880 – 6 januari 1941)

 

Nadine Gordimer en Selma Lagerlöf

Nadine Gordimer werd geboren op 20 november 1923 in Springs, Zuid-Afrika.Haar vader was een Joods juwelier die als dertienjarige uit Litouwen was geëmigreerd. Haar moeder was een Engelse. Nadine werd niet joods opgevoed en ging naar een kostschool. Ze maakte een onbekommerde kindertijd en jeugd door binnen het beschermde milieu van de blanke Zuid-Afrikaanse minderheid. Haar moeder hield haar wegens ziekte jarenlang thuis van school. In feite was het de moeder die de dochter nodig had, in plaats van omgekeerd. Door dit geïsoleerde leven las Nadine alles wat ze in handen kreeg. Als negenjarige begon ze te schrijven en haar eerste korte verhaal publiceerde ze nog voor haar zestiende. Haar eerste verhalenbundel Face to Face publiceerde ze in 1949 en haar eerste roman The Lying Days (vertaald als De leugenachtige dagen) in 1953. Gordimer bezocht heel wat privéscholen en ging studeren aan de University of Witwatersrand in Johannesburg. Ze studeerde daar gedurende één jaar en brak toen haar studies af. Ook reisde ze veel in Afrika, Europa en de V.S. Gordimer heeft bijna haar hele volwassen leven gewoond en geschreven in het door apartheid opgesplitste Zuid-Afrika. Gordimer’s voortdurende inzet voor vrijheid van meningsuiting was er de oorzaak van dat haar werk van tijd tot tijd in eigen land werd verboden. In 1991 ontving zij de Nobelprijs voor de Literatuur, vanwege de ironische en inzichtelijke manier waarop ze schrijft over maatschappelijk onrecht. Haar werk verscheen in meer dan 30 talen.

Uit:  Get A Life (2005)

“Only the street-sweeper swishing his broom to collect fallen leaves from the gutter.

The neighbours might have seen, but in the middle of a weekday morning everyone would be out at work or away for other daily-life reasons.

She was there, at the parents’ driveway gate as he arrived, able to smile for him, and quickly sense the signal for them to laugh at, accept the strangely absurd situation (only tempo­rary) that they could not hug one another. A foregone hug is less emotional than a foregone embrace. Everything is ordi­nary. The sweeper passes pushing the summer’s end before him.

Radiant.

Literally radiant. But not giving off light as saints are shown with a halo. He radiates unseen danger to others from a destructive substance that has been directed to counter what was destroying him. Had him by the throat. Cancer of the thyroid gland. In hospital he was kept in isolation. Even that of silence; he had no voice for a while, mute. Vocal cords af­fected. He remains, he will be still, out of his control, expos­ing others and objects to what he emanates, whomever and whatever he touches.

Everything must be ordinary.

Calling from one car window to the other: Has she re­membered his laptop? Some cassettes? His Adidas? The book on the behaviour of relocated elephants he was in the middle of reading when he went back to hospital? Berenice — Benni — why do parents burden their children with fancy names — has packed a bag for him. She wept while she made decisions on his behalf, put this in, take that out. But she not only re­membered; familiarity knew what he would need, miss. In one of the books he will find she has slipped a photograph of herself he liked particularly, he’d taken before their love af­fair turned into marriage. There’s a snap of the boy as a baby.”

Nadine_Gordimer

Nadine Gordimer (Springs. 20 november 1923)

 

De Zweedse schrijfster Selma Lagerlöf werd geboren op 20 november 1858 in Östra Emterwik in Zweden. Zij is vooral bekend geworden door haar kinderboek Nils Holgerssons wonderbare reis door Zweden. In 1909 ontving ze de Nobelprijs voor de Literatuur en in 1914 werd ze lid van het comité dat de Nobelprijs voor de Literatuur toekent: de Zweedse Academie. Ze woonde in de plaats Sunne, waar twee hotels naar haar zijn vernoemd. In haar voormalige woonhuis in Mårbacka (nabij Sunne) is tegenwoordig een museum gevestigd.

Uit: Wunderbare Reise des kleinen Nils Holgerssons mit den Wildgänsen (Vertaald door Simone Pohlink)

 “Als Nils Holgersson zu sprechen anfing, beugte sich die Eule vor und sah ihn genau an. “Er hat weder Krallen noch einen Stachel”, dachte sie; “aber wer weiß, ob er nicht einen Giftzahn oder sonst eine Waffe hat, die noch gefährlicher sein könnte. Es ist gewiß am besten, ich versuche erst etwas Näheres über ihn zu erfahren, ehe ich mich mit ihm einlasse.” “Der Hof heißt Mårbacka”,sagte sie dann; “und in fr
üheren Zeiten haben ausgezeichnete Menschen hier gewohnt. Aber wer bist denn du?”

“Ich habe die Absicht mich hier niederzulassen”,sagte der Junge, ohne eine direkte Antwort auf die Frage der Nachteule zu geben. “Meint Ihr, das ließe sich einrichten?”

“O ja, obwohl der Hof jetzt nichts Besonderes mehr ist, im Vergleich zu dem, was er früher war”, antwortete die Eule. “Aber man kann immerhin hier leben; es kommt ja auch hauptsächlich darauf an, wovon du hier leben willst. Hast du im Sinn, dich auf die Mäusejagd zu verlegen?

“Nein, Gott soll mich davor bewahren!” rief der Junge. “Die Gefahr, daß die Mäuse mich auffressen, ist wohl größer, als daß ich ihnen ein Leid antue.”

´Ob er wirklich so wenig gefährlich ist, wie er sagt? Das ist doch wohl nicht möglich´, dachte die Eule; ,aber ich glaube, ich will doch einen Versuch machen.´ Sie flog auf, und im nächsten Augenblick hatte sie ihre Krallen in Nils Holgerssons Schultern geschlagen und hackte nun nach seinen Augen. Nils hielt die eine Hand zum Schutz vor die Augen, während er sich mit der anderen zu befreien suchte und zugleich aus Leibeskräften um Hilfe schrie. Er fühlte, daß er in wirklicher Lebensgefahr schwebte, und sagte sich, diesmal werde es ganz gewiß aus mit ihm sein.”

Selma

Selma Lagerlöf (20 november 1858 – 16 maart 1940)

Anna Seghers, Sharon Olds, Alan Tate, Kris Cuppens

De Duitse schrijfster Anna Seghers werd op 19 november 1900 geboren in Mainz als Anna Reiling. Anna was de dochter van kunsthandelaar Isidor Reiling. Zij studeerde kunstgeschiedenis, geschiedenis, sinologie en filologie in Keulen en Heidelberg. In 1924 schreef Anna Seghers haar eerste verhaal “Die Toten der Insel Djal”, dat pas na haar dood werd gepubliceerd. In 1925 trad Anna in het huwelijk met László Radványi, die later bekend zou worden onder de naam Johann-Lorenz Schmidt. Uit dit huwelijk kwamen twee kinderen voort. Anna Seghers maakte haar debuut in 1927 met “Grubetsch“. Een jaar later publiceerde zij “Aufstand der Fischer von St. Barbara” onder de naam Anna Seghers. Voor dit boek kreeg zij de Kleist-prijs. Het verhaal werd in 1934 door Erwin Pascator in de Sovjet-Unie verfilmd. Inmiddels was Anna Seghers toegetreden tot de communistische partij van Duitsland (KPD) en was betrokken bij het werk van de Bond voor proletarisch revolutionaire schrijvers (BPRS). In haar in 1932 verschenen roman “Die Gefährten” waarschuwde Anna voor het gevaar, dat het fascisme voor Duitsland zou kunnen gaan vormen. Een jaar later werd ze door de Gestapo gearresteerd. Na haar vrijlating vluchtte Anna Seghers naar Parijs, waar zij meewerkte aan verschillende tijdschriften. In de in Parijs geschreven roman “Der Kopflohn“, onderzocht Seghers de oorzaken, die tot de opkomst van het fascisme in Duitsland geleid hadden. Na de Duitse inval in Frankrijk in 1940 vestigde Seghers zich in Marseille, in het zuiden van Frankrijk. In 1941 vestigde ze zich in Mexico, waar zij een Duitse cultuurvereniging oprichtte. Met Ludwig Renn gaf ze het tijdschrift “Freies Deutschland” uit. Internationaal brak Anna Seghers door met “Das siebte Kreuz” (1942). Via Zweden en Frankrijk keerde Anna Seghers na de Tweede Wereldoorlog terug naar Duitsland. Ze vestigde zich in het door de Russen bezette deel van Duitsland en werd lid van de socialistische partij SED. In de jaren vijftig was Anna Seghers lid van de Vredesbeweging in Oost-Duitsland. Bovendien was zij lid van de internationale Vredesbeweging. Van 1952 tot 1978 was zij daarnaast voorzitster van de schrijversbond van de DDR. Seghers kreeg veel onderscheidingen in de DDR. Zij kreeg onder meer in 1980 de Oost-Duitse onderscheiding “Held der Arbeit” en werd ereburger van haar geboortestad Mainz.

Uit: Transit

«Das Hotel in der Rue de Vaugirard, schmal und hoch, war ein Durchschnittshotel. Die Patronin war über dem Durchschnitt hübsch. Sie hatte ein zartes, frisches Gesicht und pechschwarzes Haar. Sie trug eine weiße Seidenbluse. Ich fragte ganz ohne Überlegung, ob ein Zimmer frei sei. Sie lächelte, während mich ihre Augen kalt musterten. “Soviel Sie wollen.” – “Zuerst etwas anderes”, sagte ich, “Sie haben hier einen Mieter, Herrn Weidel; ist er zufällig daheim?”

Ihr Gesicht, ihre Haltung veränderten sich, wie das nur bei Franzosen zu sehen ist: Die höflichste unnachahmliche Gleichmütigkeit schlägt plötzlich, wenn da die Fäden reißen, in rasende Wut um. Sie sagte, ganz heiser vor Wut, aber schon wieder in den geläufigen Redensarten:

“Man fragt mich zum zweitenmal an einem Tag nach diesem Menschen. Der Herr hat sein Domizil gewechselt – wie oft soll ich das noch erklären?” – Ich sagte: “Sie erklären es jedenfalls mir zum erstenmal. Haben Sie doch die Güte, mir zu sagen, wo der Herr jetzt wohnt.” – “Wie soll ich das wissen”, sagte die Frau. Ich merkte langsam, auch sie hatte Furcht, aber warum?

“Sein jetziger Aufenthalt ist mir unbekannt, ich kann Ihnen wirklich nicht mehr sagen.” Den hat am Ende doch die Gestapo geholt, dachte ich. Ich legte meine Hand auf den Arm der Frau. Sie zog ihren Arm nicht weg, sondern sah mich an mit einem Gemisch von Spott und Unruhe. “Ich kenne ja diesen Mann überhaupt nicht”, versicherte ich, “man hat mich gebeten, ihm etwas auszurichten. Das ist alles. Etwas, was für ihn wichtig ist. Ich möchte auch einen Unbekannten nicht nutzlos warten lassen.”

Sie sah mich aufmerksam an. Dann führte sie mich in das kleine Zimmer neben dem Eingang. Sie rückte nach einigem Hin und Her mit der Sprache heraus.”

 

seghers

Anna Seghers (19 november 1900 – 1 juni 1983)

 

De Amerikaanse dichteres Sharon Olds werd geboren op 19 november 1942 in San Francisco. Volgens eigen zeggen werd zij opgevoed als een “hellfire Calvinist.” Zij studeerde af aan de Stanford University en promoveerde in de Engelse taal aan de Columbia University. Zij is docente creatief schrijven aan de universiteit van New York. Sharon Olds ontving al veel onderscheidingen, waaronder de San Francisco Poetry Center Award, de Lamont Poetry Prize, de National Books Critics Circle Award, en de T. S. Eliot Prize.

Werk o.a: Satan Says (1980), The Dead and the Living (1984), The Gold Cell (1987), Blood, Tin, Straw (1999), The Unswept Room (2002), Strike Sparks: Selected Poems (2004)

 

His Stillness

 

The doctor said to my father, “You asked me

to tell you when nothing more could be done.

That’s what I’m telling
you now.” My father

sat quite still, as he always did,

especially not moving his eyes. I had thought

he would rave if he understood he would die,

wave his arms and cry out. He sat up,

thin, and clean, in his clean gown,

like a holy man. The doctor said,

“There are things we can do which might give you time,

but we cannot cure you.” My father said,

“Thank you.” And he sat, motionless, alone,

with the dignity of a foreign leader.

I sat beside him. This was my father.

He had known he was mortal. I had feared they would have to

tie him down. I had not remembered

he had always held still and kept quiet to bear things,

the liquor a way to keep still. I had not

known him. My father had dignity. At the

end of his life his life began

to wake in me.

 

 

Rite of Passage

 

As the guests arrive at our son’s party

they gather in the living room—

short men, men in first grade

with smooth jaws and chins.

Hands in pockets, they stand around

jostling, jockeying for place, small fights

breaking out and calming. One says to another

How old are you? —Six. —I’m seven. —So?

They eye each other, seeing themselves

tiny in the other’s pupils. They clear their

throats a lot, a room of small bankers,

they fold their arms and frown. I could beat you

up, a seven says to a six,

the midnight cake, round and heavy as a

turret behind them on the table. My son,

freckles like specks of nutmeg on his cheeks,

chest narrow as the balsa keel of a

model boat, long hands

cool and thin as the day they guided him

out of me, speaks up as a host

for the sake of the group.

We could easily kill a two-year-old,

he says in his clear voice. The other

men agree, they clear their throats

like Generals, they relax and get down to

playing war, celebrating my son’s life

 

sharon_olds

Sharon Olds (San Francisco, 19 november 1942)

 

De Amerikaanse dichter Alan Tate werd geboren op 19 november 1899 in de buurt van Winchester, Kentucky. In 1918 bezocht Tate de Vanderbilt University en ontmoette daar een andere dichter, Robert Penn Warren. Zij werden gevraagd zich aan te sluiten bij de Fugitive Poets, later Southern Agrarians, een groep dichters uit het zuiden onder leiding van John Crowe Ransom. Tate volgde Ramson ook naar het Kenyon College in Ohio om er les te geven. In 1924 verhuisde Tate naar New York, waar hij Hart Crane ontmoette. Hij werkt er freelance voor de Nation Magazine en leverde ook bijdragen aan de Hound and Horn, Poetry Magazine en andere bladen. In 1928 publiceerde hij zijn beroemdste gedicht Ode To the Confederate Dead. In de jaren 30 publiceerde hij Who Owns America?, een conservatief antwoord aan Franklin D. Roosevelt’s New Deal. In deze jaren werd werd hij ook mede-uitgever van The American Review, dat geleid werd door de fascist Seward Collins. Tate zag The American Review als een mogelijkheid het werk van de Southern Agrarians te promoten, maar hij maakte bezwaar tegen Collins steun aan Hitler en Mussolini en veroordeelde het fascisme in een artikel in The New Republic in 1936. In 1938 publiceerde Tate zijn enige roman The Fathers. In 1942 vormde hij samen met romancier en vriend Andrew Lytle Amerikaas oudste literaire kwartaalblad The Sewanee Review, om van een bescheiden periodiek tot het meest prestigieuze van de VS

The Mediterranean

 

Quen das finem, rex magne, dolorum?

&
nbsp;

Where we went in the boat was a long bay

a slingshot wide, walled in by towering stone–

Peaked margin of antiquity’s delay,

And we went there out of time’s monotone:


Where we went in the black hull no light moved

But a gull white-winged along the feckless wave,

The breeze, unseen but fierce as a body loved,

That boat drove onward like a willing slave:


Where we went in the small ship the seaweed

Parted and gave to us the murmuring shore

And we made feast and in our secret need

Devoured the very plates Aeneas bore:


Where derelict you see through the low twilight

The green coast that you, thunder-tossed, would win,

Drop sail, and hastening to drink all night

Eat dish and bowl–to take that sweet land in!


Where we feasted and caroused on the sandless

Pebbles, affecting our day of piracy,

What prophecy of eaten plates could landless

Wanderers fulfil by the ancient sea?


We for that time might taste the famous age

Eternal here yet hidden from our eyes

When lust of power undid its stuffless rage;

They, in a wineskin, bore earth’s paradise.


Let us lie down once more by the breathing side

Of Ocean, where our live forefathers sleep

As if the Known Sea still were a month wide–

Atlantis howls but is no longer steep!


What country shall we conquer, what fair land

Unman our conquest and locate our blood?

We’ve cracked the hemispheres with careless hand!

Now, from the Gates of Hercules we flood


Westward, westward till the barbarous brine

Whelms us to the tired land where tasseling corn,

Fat beans, grapes sweeter than muscadine

Rot on the vine: in that land were we born.

 

ALLENT_TATE

Allen Tate (19 november 1899 – 9 februari 1979)

 

Toneelschrijfprijs 2006 voor Kris Cuppens

 

De Vlaming Kris Cuppens heeft de Taalunie Toneelschrijfprijs 2006 ter waarde van 10.000 euro gewonnen. Hij kreeg de prijs voor “Lied”, een muziektheaterproductie van Braakland/ZheBilding. In deze monoloog plaatst Cuppens zijn eigen herinneringen binnen het bredere kader van zijn familiegeschiedenis en de geschiedenis van België. De jury prijst de openhartigheid waarmee hij zijn twijfels en gevoelens als veertiger beschrijft. “Hoewel het gevaar op de loer ligt, is “Lied” door zijn authenticiteit en eerlijkheid nergens huilerig of sentimenteel. Ook overstijgt het door de herkenbaarheid en invoelbaarheid het persoonlijke en particuliere,” luidt het juryrapport. De Taalunie Toneelschrijfprijs wordt jaarlijks uitgereikt aan de schrijver of schrijvers van een oorspronkelijk Nederlandstalig stuk dat het voorbije seizoen voor het eerst werd opgevoerd.

 

KRIS_CUPPEN

Kris Cuppens (Bree, 22 mei 1962)