Maria van Daalen en Johann Gottfried Herder

Afgelopen week ontdekte ik, als liefhebber van het sonnet, een bundel van Maria Van Daalen die al in 2000 verscheen: Daarin ook de gedichten die ik hier verderop citeer.

 

Maria van Daalen werd geboren op 8 juli 1950 in Voorburg. In 1989 verscheen haar eerste dichtbundel, Raveslag, die genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs (1990). Het woord ‘priesteres’ viel veelvuldig in de recensies. Hierna volgden Onder het hart (1992), Het Hotel (1994), Het geschenk // De maker (1996). Na deze bundels in vrije verzen schreef zij het erotische Elektron, muon, tau (2000), deels tweetalig Nederlands en Amerikaans-Engels, met vernieuwing van het sonnet door toepassing van de klassieke Italiaanse vorm van de ‘endecasillabi’. In 2003 verscheen Yo! de liefde, een bundel met sonnetten en ‘oefeningen’. Thomas Vaessens hierover in Het Financiële Dagblad (28 juni 2003): “Spannende poëzie, waarin het draait om een bijzondere invulling van het oeroude conflict tussen lichaam en geest.” In 2005 verscheen de verhalenbundel De zwarte engel bij uitgeverij Kleine Uil (Groningen). De website Het Periodiek Systeem / The Periodic Table Of Elements, ontstaan in samenwerking met mediakunstenaar YuriGoul, als opdracht van het Fonds voor de Letteren (maart 2005), is een langdurig en ingewikkeld project, waarvan de eerste aanzet te zien is op Annomedia. De eerstvolgende publikatie wordt Le Miroir des Mystères (werktitel), het Vodou-boek, bij uitgeverij Querido, een groot essay over de religie Vodou als werkelijkheidsbeleving. De auteur publiceert regelmatig artikelen in Trouw, zaterdagkatern Letter&Geest. Zij woont in Almere.

 

In 1992 trad zij op tijdens het vertaal- en poëziefestival te Faënza, Italië. In het najaar van 1995 nam de dichteres deel aan het International Writing Program van de University of Iowa, Iowa City, USA, als de Nederlandse deelneemster van dat jaar, daartoe voorgedragen door het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds; het Center for International and Comparative Studies van de University of Iowa bood haar naderhand een positie aan als Writer In Residence, en tot einde 1996 woonde en werkte zij in Iowa City. Het Fonds voor de Letteren bood haar in 2003 voor twee maanden het schrijversappartement te Montréal (Canada) aan om te werken aan een groot essay over Vodou als werkelijkheidsbeleving.

 

 

Het sonnet van de leugen

Koppen dicht, dit is een sonnet, denk je heus
dat ik je dat nog hardop ga vertellen,
of dat je lettergrepen mee mag tellen,
één harf-on, en hard schreeuwen, tot ik gekneusd

ben, nog meer blauwe plekken, je merkteken
gezet in mijn hals, zuigend, maar nergens pijn,
het bloed eruit, twee gaten, of zijn het mijn
ogen waar je je vingers in wilt steken?

Ik heb nog zes regels om je wc vol
te kotsen, of, dronken, alles tegen je
te zeggen dat ik liever geheim houden

moet. In elk gedicht schuilt dezelfde fraude,
vormgeving. Dichterschap is geen zegen, je
belt niet terug, je antwoordapparaat is vol.

 

Het sonnet van de visite I

Je kleren liggen in chaos op de grond
en op je schoenen – een ervan uitgedraaid
en de ander omgevallen, weggewaaid
ben je, of opgestegen van waar je stond,

half in pliè, nog buigend over je gesp
en dan trek je snel de rits los, het linnen
aan de voorkant open en je bent binnen
handbereik, strelend langs je billen rekt het

zwarte lycra van het sportbroekje over
je zachtbehaarde huis en zakt weg in de
plooien van de lange broek, twee in één, een

stoffen omhulsel waaruit je verdwenen
was en nu je omhoogkomt in de blinde
opening: het staat en daar gaat het over.

 

Uit: Maria van Daalen, Elektron, muon, tau

(Querido, Amsterdam, 2000)

 

 

Maria van Daalen (Voorburg, 8 juli 1950)

 

De Duitse schrijver, theoloog en cultuur-filosoof Johann Gottfried von Herder werd geboren in Mohrungen op 25 augustus 1744. Hij studeerde theologie en filosofie en was predikant van beroep. Herder was een groot liefhebber van volksliteratuur, en verzamelde grote hoeveelheden Volkslieder (1778-1798). Naar zijn mening hing de volksaard nauw samen met de taal. Als dichter gold hij als de belangrijkste vertegenwoordiger van de Sturm und Drang-beweging (ca. 1770) en had hij een belangrijke invloed op latere Duitse dichters als Goethe en Schiller. In 1802 werd hij in de adelstand verheven.

Das größte Übel des Staats, die Ratte in der Bildsäule

Hoan-Kong frage einst seinen Minister, den Koang-Tschong, wofür man sich wohl in einem Staat am meisten fürchten müsse. Koang-Tschong antwortete: “Prinz, nach meiner Einsicht hat man nichts mehr zu fürchten, als was man nennet: die Ratte in der Bildsäule.”

Hoan-Kong verstand diese Vergleichung nicht; Koang-Tschong erklärte sie ihm also:

“Ihr wisset, Prinz, daß man an vielen Orten dem Geiste des Orts Bildsäulen aufzurichten pflegt; diese hölzernen Statuen sind inwendig hohl und von außen bemalet. Eine Ratte hatte sich in eine hineingearbeitet; und man wußte nicht, wie man sie verjagen sollte. Feuer dabei zu gebrauchen getraute man sich nicht, aus Furcht, daß solches das Holz der Statue angreife; die Bildsäule ins Wasser zu setzen, getraute man sich nicht, aus Furcht, man möchte die Farben an ihr auslöschen. Und so bedeckte und beschützte die Ehrerbietung, die man vor der Bildsäule hatte, die – Ratte.”

“Und wer sind diese Ratten im Staat?” fragte Hoan-Kong.

“Leute”, sprach der Minister, “die weder Verdienst noch Tugend haben und gleichwohl die Gunst des Fürsten genießen. Sie verderben alles; man siehet es und seufzet darüber; man weiß aber nicht, wie man sie angreifen, wie man ihnen beikommen soll. Sie sind die Ratten in der Bildsäule.”

 

Johann Gottfried von Herder (25 augustus 1744 – 18 december 1803)
Geschilderd door Friedrich Rehberg rond 1784.

Borges, Bloem en Fabricius

Jorge Luis Borges werd geboren op 24 augustus 1899  in Buenos Aires.De voorouders van borges waren Engelsa van afkomst en hij sprak deze taal ook eerder dan Spaans. Zijn vader was advocaat en gaf les in psychologie. Zij hadden een groot huis met een bibliotheek en tuin welke de fantasieen van Boregs prikkelden. In 1914 verhuisde de familie naar Geneve, waar borges Frans en Duits leerde, Zijn Bachelor of Arts haalde hij op het college van Geneve. In 1921 vestigt Borges zich in Buenos Aires en begon zijn carrière als schrijver met het publiceren van poëzie en essays in literaire tijdschriften. Na de Eerste Wereldoorlog leefde de familie in Spanje waar Borges lid werd van de avant-gardische ‘Extreem Literaire Groep’. Borges eerste bundel Poëzie verscheen in 1923: ‘FERVOR DE BUENOS AIRES’. Van 1939 tot 1946 was Borges Bibliothecaris, maar werd onder het regime van Peron ontslagen en was tussen 1946 en 1954 werkzaam als inspecteur van pluimvee op de markt. Na de periode Peron werd Borges benoemd tot Directeur van de Nationale Bibliotheek welke functie hij tussen 1955 en 1973 bekleedde. Tevens was hij van 1955 tot 1970 professor literatuur op de Universiteit van Buenos Aires. Toen Juan Peron nogmaals tot president werd gekozen in 1973, trad Borges af als directeur van de bibliotheek. Desondanks deze daad en zijn oppositie later tegen de militaire junta, werd zijn steun aan vrijheidsidealen ambivalent genoemd. Borges was in zijn laatste jaren door een genetische erfelijke ziekte volkomen blind geworden maar wist nog wel te publiceren: ‘EL LIBRO DE LOS SERES IMAGINARIOS’ (1967), ‘EL INFORME DE BRODIE (1970), en EL LIBRO DE ARENA’ (1975). Op 14 juni 1986 stierf Jorge Luis borges, Argentinië’s belangrijkste en beroemdste schrijver.

El Apice

No te habrá de salvar lo que  dejaron

Escrito aquellos que tu miedo implora;

No  eres los otros y te ves ahora

Centro del laberinto que tramaron

Tus pasos. Ne te salva la agonía

De Jesús o de Sócratesni el fuerte

Siddharta de oro que aceptó lamuerte

En el jardin, al declinar el día.

Polvo tambíen es la palabra ascrita

Por tu boca. No hay lástima en el Hado

Y la noche de Dios es infinita.

Tu materia es el tiempo, el incesante

Tiempo. Eres cada solitario instante.

 

 

De Top

Het geschrevene dat diegenen nalieten

Op wie jouw angst zich beroept kan je niet redden;

je bent de anderen niet en je weet je thans

Centrum van het labyrint dat jouw stappen

Vlochten.  Niet de doodsstrijd van Jezus

Noch die van Socrates, noch de sterke gouden

Siddharta die bij het doven van de dag

De dood in een tuin aanvaardde zal je redden.

Stof is ook het woord geschreven door

Jouw hand of uitgesproken door jouw mond.

De Hades kent geen mededogen

En de nacht van God is eindeloos.

Je bent gemaakt van tijd, de onophoudelijke

Tijd. Je bent ieder afzonderlijk moment.

 

Uit: De roos van Paracelsus

 Paracelsus zei, langzaam:

  `De weg is de Steen.  Het vertrekpunt is de Steen.

Als u deze woorden niet begrijpt, bent u nog niet

begonnen te begrijpen.  Iedere stap die u zult zetten

is het eindpunt.’

  De ander keek hem achterdochtig aan.  Hij zei op

andere toon:

  `Is er dan een eindpunt?’

  Paracelsus lachte.

  `Mijn lasteraars, die even talrijk als dom zijn, zeg-

gen van niet en zij noemen mij een bedrieger.  Ik

geef ze geen gelijk, maar het is niet onmogelijk dat

ik een dromer ben.  Er _is_ een Weg, dat weet ik.’

 

  Er viel een stilte, en de ander zei:

  `Ik ben bereid die met u af te leggen, al moeten

we vele jaren gaan.  Laat mij de woestijn doorsteken.

Laat mij desnoods van verre het beloofde land zien,

al staan de sterren me niet toe het te betreden.  Voor

ik de reis onderneem wil ik een bewijs.’

  `Wanneer?’ vroeg Paracelsus, onrustig.

  `Nu meteen,’ zei de leerling, met plotselinge be-

slistheid.

…”

 

Vertaling Barber van de Pol

 

Jorge Luis Borges (24 augustus 1899 – 14 juni 1986)

 


Marion Bloem
werd op 24 augustus 1952 geboren in Arnhem als tweede dochter in een gezin van vier kinderen. Haar Indisch-Nederlandse ouders waren in 1950 uit Nederlands-Indië gekomen. Bloem volgde de HBS te Amersfoort, en ging in 1971 psychologie studeren. In 1976 studeerde zij af. Ze debuteerde als schrijfster in 1976 met De overgang, en schreef hierna nog een twintigtal boeken. Bij het grote publiek brak ze door in 1983 met Geen gewoon Indisch meisje. Naast het schrijven is ze actief als beeldend kunstenaar.

Uit: Thuis

Mijn vader

De vingers wrijven zijn neus tot een bal
paars en rood door de bruine hand die is gaan sli
jten
Gesprongen adertjes verraden de verveling
die een gierig heden hem verleent als vergoeding
voor wredere jaren in ’t tropisch voorbij
Hij zit, zijn voeten onder zijn billen
zijn handen onder zijn kin, de elleboog
in de hoek van de bank, zijn hoofd op
vier grote kussens. Hij verschuift. Zijn benen
gestrekt, de tenen kwispelend tegen de rand
van de skaileren stoel bij het raam
Ooit was hij sterk zonder moedig te willen zijn
Hij beantwoorde bevelen, boog diep
schreeuwde beleefd zijn nummer
in een taal die hij niet verstond
en leerde te haten, daarna vergeten
dat hij had gezwommen terwijl hij niet
zwemmen kon
dat hij anderen had horen sterven
schreeuwend om hun moeder, zei hij,
en ’tolong, tolong’, wat ‘help’ betekent
Ik hoefde van hem geen man te zijn
Ik klom in bomen, schopte hoog, over muren
leerde vechten met vuisten, ook al hadden
mijn woorden meer kracht gehad
en vroeg vol verwachting: ‘Lijk ik al
op Hanoman, papa?’
‘Je bent net een jongen,’ zei hij trots
en ik werd vader. (Zijn stem is mijn ziel, zijn
lach is mijn adem. Hij is de zuurstof om
verder te gaan als ik eigenlijk wil verdrinken
terwijl ik wel degelijk zwemmen kan)
Hij kijkt uit ’t raam, ziet wat passeert
maar verzint wat gaat komen
De vingers glijden van de neus die glimt
Hij weet niet of ’t regent, sneeuwt, hagelt
of dat de zon eindelijk weer eens schijnt
z’n benen gestrekt, dan weer zijn voeten
onder zijn zitvlak geschoven. Een hand
die krabt, een mond die gaapt,
een oog dat samenknijpt
Er is zoveel tijd om te denken tegenwoordig.

 

Marion Bloem (Arnhem, 24 augustus 1952)

 

Johan Johannes Fabricius werd op 24 augustus 1899 in Bandoeng geboren als enige zoon van de toneelschrijver Jan Fabricius, die daar met zijn vrouw en dochtertje woonde. Het gezin verhuisde een aantal malen: van Nederlands-Indië naar Nederland, terug naar Indië, naar Parijs en weer naar Nederland. Johan ging naar de Haagse H.B.S om de in Batavia onderbroken middelbare opleiding voort te zetten. Na deze opleiding mocht hij van zijn vader naar de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten, waar hij zich bekwaamde als reëel-figuratief schilder. In 1918 ging hij als oorlogstekenaar naar het front in Oostenrijk. Over zijn ervaringen daar schreef hij boeiende brieven waarvan er enkele in De Gids werden gepubliceerd. Na dit terloopse debuut in de letteren, zette Johan zijn schildersstudie op negentienjarige leeftijd voort. In zijn jonge jaren was hij dus kunstschilder en geen schrijver. Enkel in zijn vrije tijd schreef hij sprookjes en kinderboeken. Zijn eerste boek Eiko van de Reigerhof  kwam uit in 1922. Toneelstukken, jongensboeken en de tot romans uitgegroeide vertellingen, maakten hem bekwaam voor groter werk en langzamerhand verwisselde hij zijn beroep met zijn nevenberoep. De definitieve doorbraak als romancier kwam met zijn romans: Het meisje met de blauwe hoed uit 1927 en De scheepsjongens van Bontekoe uit 1924, Fabricius’ beroemdste boek

 

Uit: De scheepsjongens van Bontekoe

   Zeewind

‘Satanse jongen, hou die bout vast!’

‘k Hou ‘m toch vast, baas?’

‘Noem je dat vasthouden? Jij zult nooit een goeie smid worden!’

Peter Hajo zweeg even. ‘Wil ik ook niet,’ pruttelde hij toen.

‘W-wat zeg je? Wil jij geen smid worden?!’

‘Nee, baas. ‘k Wil naar zee.’

Meester Wouter, de hoefsmid uit ‘De IJzeren Man’, liet de zware voorhamer, die hij juist had opgeheven, van verbazing een seconde lang in de lucht zweven. Toen dreunde een mokerslag; de vonken stoven meester en knecht om het gezicht. ‘Gekkenpraat!’ zei de hamer in zijn ijzeren taal.

Peter Hajo keek zwijgend naar het roodgloeiende bouteinde.

Hij verstond de taal van de voorhamer! Als hij in het halfdonker van de wintermorgen de rossig-schemerende smederij binnenkwam, had hij buiten al gehoord hoe zijn baas gemutst was.

 

JohanFabricius1915

Johan Fabricius (24 augustus 1899 – 21 juni 1981)

Albert Alberts en Ephraïm Kishon

 De nederlandse schrijver en vertaler Albert Alberts werd op 23 augustus 1911 in Haarlem geboren. Alberts studeerde Indologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht en promoveerde in 1939 tot doctor in de geschiedenis op het proefschrift ‘Baud en Thorbecke 1847-1851’. Alberts werkte vervolgens een aantal jaren in Nederlands-Indië Hij debuteerde in 1952 met de verhalenbundel De eilanden. Het jaar 1974 is voor Alberts het jaar geworden van de doorbraak naar grotere bekendheid. De aanleiding was het verschijnen van “De vergaderzaal”. Ruim twintig jaar eerder was Alberts aan het verhaal begonnen, en toen, in 1954, had hij er ook al een deel van in De Gids gepubliceerd. Van Oorschot had al een kaftontwerp klaar liggen. Maar Alberts was in het eind van het verhaal blijven steken.

 

Uit:De vergaderzaal

 

“ Kunt u niet wegblijven? vroeg de secretaresse.
Zou u denken? vroeg meneer Dalem. Zou u denken dat ik weg zou kunnen blijven?
Natuurlijk zei de secretaresse. Wie moet ik bellen?
Niemand, zei meneer Dalem. Vooral niemand bellen. Ik wil eten.
Gaat u in de stad eten? vroeg de secretaresse.
In de stad eten, zei meneer Dalem.
Of zal ik wat laten halen? vroeg de secretaresse.
Laten halen? vroeg meneer Dalem. Ja, dat is prachtig.
(…)
En dan kunt u altijd nog zien hoe u zich voelt, zei de secretaresse.
Ja, zei meneer Dalem, hoe ik mij voel.
(…)
Of misschien alleen maar brood.
Brood, zei meneer Dalem.
Ik zal het hier laten brengen, zei de secretaresse.
Ja hier, zei meneer Dalem. Vooral hier. Niet buiten.”

 


Albert Alberts (23 augustus 1911 – 16 december 1995)

 

De Hongaars/Israëlische schrijver Ephraïm Kishon werd op 23 augustus 1924 in Boedapest geboren als Farenc Hoffman. Hij groeide op in een joods bankiersmilieu. Kishon overleefde het concentratiekamp en emigreerde in 1949 naar Israël. Onder het pseudoniem Chad Gadja schreef Kishon dertig jaar lang een dagelijkse column in de Israëlische krant Ma’ariv. Hoewel Kishon vele belangrijke Israëlische onderscheidingen kreeg, voelde hij zich toch buitengesloten door de elite. In 1981 vestigde hij zich daarom in Zwitserland. Kishon schreef satirische romans, toneelstukken en filmscripts. Zijn vijftig boeken werden vertaald in ongeveer veertig talen. Twee maal werden zijn films voor een Oscar genomineerd. Drie keer kreeg hij een Golden Globe. Tot de belangrijkste in het Nederlands vertaalde werken behoren onder meer “Bedriegen is ook een kunst”,De wereld een circus“, “Kijk maar om, mevrouw Lot” en “Ark van Noach”. Ephraïm Kishon overleed op 29 januari 2005 op 80-jarige leeftijd aan een hartaanval in Appenzell in Zwitserland.

 

Jewish Poker

 

Far quite a while the two of us sat at our table, wordlessly stirring our coffee. Ervinke was bared. “All right,” he said. “Let’s play poker.”

  “No,” I answered. “I hate cards. I always lose.”

  “Who’s talking about cards?” thus Ervinke. “I was thinking of Jewish poker.”

He then briefly explained the rules of the game. Jewish poker is played without cards, in your head, as befits the People of the Book.

    “You think of a number, I also think of a num­ber,” Ervinke said. “Whoever thinks of a higher num­ber wins. This sounds    easy, but it has a hundred pit­falls. Nu!”

    “All right,” I agreed. “Let’s try.”

We plunked down five piasters each, and. Leaning back in our chairs began to think of numbers. After a while Ervinke signaled that he had one. I said I was
ready.

   “All right,” thus Ervinke. “Let’s hear your number.”

   “Eleven,” I said.

   “Twelve,” Ervinke said, and took the money. I could have’ kicked myself, because originally I had thought of Fourteen, and    only at the last moment had I climbed down to Eleven, I really don’t know why.

   “Listen.” I turned to Ervinke. “What would have happened had I said Fourteen?”

   “What a question! I’d have lost. Now, that is just the charm of poker: you never know how things will turn out. But if your  nerves cannot stand a little gam­bling, perhaps we had better call it off.”

Without saying another word, I put down ten piasters on the table. Ervinke did likewise. I pondered my number carefully and opened with Eighteen.

   “Damn!” Ervinke said. “I have only Seventeen!” I swept the money into my pocket and quietly guf­fawed. Ervinke had certainly not dreamed that I would master the tricks of Jewish poker so quickly. He had probably counted on my opening with Fifteen or Six­teen, but certainly not with Eighteen. Ervinke, his brow in angry furrows, proposed the double the stakes.

   “As you like,” I sneered, and could hardly keep back my jubilant laughter. In the meantime a fantastic number had occurred to me: Thirty-five!

   “Lead!” said Ervinke. “Thirty-five!”

   “Forty-three!”

With that he pocketed the forty piasters. I could feel the blood rushing into my brain.

   “Listen,” I hissed. “Then why didn’t you say Forty-three the last time?”

   “Because I had thought of Seventeen!” Ervinke re­torted indignantly. “Don’t you see, that is the fun in poker: you never know what will happen next.”

   “A pound,” I remarked dryly, and, my lips curled in scorn, I threw a note on the table. Ervinke extracted a similar note from his pocket and with maddening slowness placed it next to mine. The tension was un­bearable. I opened with Fifty-four.

   “Oh, damn it!” Ervinke fumed. “I also thought of Fifty-four! Draw! Another game!”

My brain worked with lightning speed. “Now you think I’ll again call Eleven, my boy,” I reasoned. “But you’ll get the surprise of your life.” I chose the sure-fire Sixty-nine.

   “You know what, Ervinke”- I turned to Ervinke – “you lead.”

   “As you like,” he agreed. “It’s all the same with me. Seventy!”

Everything went black before my eyes. I had not felt such panic since the siege of Jerusalem.

   “Nu?” Ervinke urged. “What number did you think of?”

   “What do you know?” I whispered with downcast eyes.” I have forgotten.”

   “You liar!” Ervinke flared up. “I know you didn’t forget, but simply thought of a smaller number and now don’t want to own up. An old trick. Shame on you!”

I almost slapped his loathsome face for this evil slander, but with some difficulty overcame the
urge. With blazing eyes I upped the stakes by another pound and thought of a murderous number: Ninety-six!

   “Lead, stinker,” I threw at Ervinke, whereupon he leaned across the table and hissed into my face: “Sixteen hundred and eighty-three!”

A queer weakness gripped me.

   “Eighteen hundred,” I mumbled wearily. “Double!” Ervinke shouted, and pocketed the four pounds.

   “What do you mean, ‘double’?” I snorted. “What’s that?”

   “If you lose your temper in poker, you’ll lose your shirt!” Ervinke lectured me. “Any child will understand that my number doubled is higher than yours, so it’s clear that. . .”

   “Enough,” I gasped, and threw down a fiver. “Two thousand,” I led.

   “Two thousand four hundred and seventeen,” thus Ervinke.

   “Double!” I sneered, and grabbed the stakes, but Ervinke caught my hand.

   “Redouble!” he whispered, and pocketed the ten­ner. I felt I was going out of my mind.

   “Listen” – I gritted my teeth – “if that’s how things stand, I could also have said ‘redouble’ in the last game, couldn’t I?”

   “Of course,” Ervinke agreed. “To tell you the truth, I was rather surprised that you didn’t. But this is poker, yahabibi,3 you either know how to play it or you don’t! If you are scatterbrained, better stick to cro­quet.”

The stakes were ten pounds. “Lead!” I screamed. Ervinke leaned back in his chair, and in a disquietingly calm voice announced his number: Four.

   “Ten million!” I blared triumphantly. But without the slightest sign of excitement, Ervinke said: “Ultimo!”

And took the twenty pounds.

I then broke into sobs. Ervinke stroked my hair and told me that according to Hoyle, whoever is first out with the ultimo wins, regardless of numbers. That is the fun in poker: you have to make split-second de­cisions.

   “Twenty pounds,” I whimpered, and placed my last notes in the hands of fate. Ervinke also placed his money. My face was bathed in cold sweat. Ervinke went on calmly blowing smoke rings, only his eyes had narrowed.

   “Who leads?”

   “You,” I answered, and he fell into my trap like the sucker he was.

   “So I lead,” Ervinke said. “Ultimo”, and he stretched out his hand for the treasure.

   “Just a moment” – I stopped him – “Ben-Gurion!”

With that I pocketed the Mint’s six-month output.

   “Ben-Gurion is even stronger than ultimo,” I explained. . “But it’s getting dark outside. Perhaps we had better break it off.”

We paid the waiter and left.

Ervinke asked
for his money back, saying that I had invented the Ben-Gurion on the spur of the mo­ment. I admitted this, but said that the fun in poker was just in the rule that you never returned the money you had won.

 

Ephraïm Kishon (23 augustus 1924 – 29 januari 2005)

Wolfdietrich Schnurre en Dorothy Parker

De Duitse dichter en schrijver Wolfdietrich Schnurre werd geboren op 22 augustus 1920 in Frankfurt am Main. In 1928 verhuisde hij met zijn familie naar berlijn, waar hij bleef wonen. Daar ook begon hij, nadat hij als soldaat uit de Tweede Wereldoog was teruggekeerd, in 1946 zijn loopbaan als schrijver. Hij was medeoprichter van de “ Gruppe 47” . Zijn werk werd verschillende malen bekroond, onder andere met de Georg-Büchner-Preis van 1983. Behalve romans, verhalen en gedichten schreef Schnurre ook hoor – en televisiespelen. Wolfdietrich Schnurre stierf op 9 juni 1989 in Kiel.

 

Ich roch Hyänenbrunst in den Bars.
Ich traf in den Kneipen Schakale.
Ich hörte den Brüllaffenschrei auf den Rängen.
Geier sah ich, die Drähte zerrissen,
Skorpione, die sich füllten mit farbigem Gift.
Ich sah Leguane in den Anlagen wüten,
Heuschreckenschwärme ihr Blut
einem lüsternen Himmel aufdrängen;
doch ich sah keinen Menschen.

Uit: Kassiber       

Karl. Er erhielt den goldenen Ohrring, als er den Einsteigdiebstahl beherrschte. Sein schnelles Lächeln. Die Bronzehaut getarnt mit fleckigem Grau. “Zigeuner” sei ein Schimpfwort; seine Sippe gehörte zur Sinte; er sei ein Manusch, ein Mensch. Immer zustimmend. Nie sich daran haltend. Immer anbiedernd. Nie unterwürfig. Vierzehnjährig wie ich. Kettenraucher. Meister im Igelstechen, im Hufeisenwerfen. Schreibkundig; mir die Vokalbelhefte mit Romani und Rotwelsch gefüllt: Weit vornübergebeugt, so dass das Halbinseldreieck des filzigen Haaransatzes wie ein breites Ausrufezeichen auf der argwöhnischen Kerbe stand, die sich zwischen den Brauen eingefäst hatte. Ständig nach Pferde-Urin, ranzigen Igelfett und kalter Asche gerochen. Das Fichtennadelbad, das wir ihm richteten, blieb unangerührt: Ihre ärgsten Feinde seien Wasser und Wind. Für die greifbareren war das Rasiermesser bestimmt. Ich bestand darauf, dass er uns mit ihm den Oberarm rizte. Doch er glaubte nicht an Blutsbrüderschaft. Zu Recht.“

 

Uit: Der Schattenfotograf

 

 

Werk: O.a  Der Schattenfotograf, München 1978,  Erfülltes Dasein, Düsseldorf 1979, Kassiber und neue Gedichte, München 1979, Mein Leben als Zeitgenosse, Stuttgart 1987.

 

 

Wolfdietrich Schnurre (22 augustus 1920 – 9 juni 1989)

 

De dichteres en critica Dorothy Parker werd geboren in New York op 22 augustus 1893. Zie ook mijn blog van 7 juni 2006.

 

A Fairly Sad Tale

I think that I shall never know
Why I am thus, and I am so.
Around me, other girls inspire
In men the rush and roar of fire,
The sweet transparency of glass,
The tenderness of April grass,
The durability of granite;
But me- I don’t know how to plan it.
The lads I’ve met in Cupid’s deadlock
Were- shall we say?- born out of wedlock.
They broke my heart, they stilled my song,
And said they had to run along,
Explaining, so to sop my tears,
First came their parents or careers.
But ever does experience
Deny me wisdom, calm, and sense!
Though she’s a fool who seeks to capture
The twenty-first fine, careless rapture,
I must go on, till ends my rope,
Who from my birth was cursed with hope.
A heart in half is chaste, archaic;
But mine resembles a mosaic-
The thing’s become ridiculous!
Why am I so? Why am I thus?

 

 

 

August

 

When my eyes are weeds,
And my lips are petals, spinning
Down the wind that has beginning
Where the crumpled beeches start
In a fringe of salty reeds;
When my arms are elder-bushes,
And the rangy lilac pushes
Upward, upward through my heart;

Summer, do your worst!
Light your tinsel moon, and call on
Your performing stars to fall on
Headlong through your paper sky;
Nevermore shall I be cursed
By a flushed and amorous slattern,
With her dusty laces’ pattern
Trailing, as she straggles by.

 

 

Dorothy Parker (22 augustus 1893 – 7 juni 1967)

Rogi Wieg

Rogi Wieg werd geboren op 21 augustus 1962 in Delft. Hij is niet alleen dichter en schrijver, maar ook muzikant en schilder. Zijn ouders zijn in 1956 uit Hongarije gevlucht. Wieg debuteerde als dichter in 1982 met de bundel ‘Tijd is als een nekschot’ In 1986 verscheen zijn prozadebuut ‘Toverdraad van dagverblijf’ waarvoor hij de Van der Hoogtprijs ontving. In 2003 kwam bij uitgeverij De Arbeiderspers zijn roman ‘Kameraad scheermes’ uit waarin Wieg schrijft over zijn ervaringen met een grote depressie en zijn zelfmoordpoging. 

Ander werk: o.a  De zee heeft geen manieren (gedichten, 1987), bekroond met het Charlotte Köhler Stipendium; Roze brieven (gedichten, 1989); Beminde onrust (roman, 1990); De moederminnaar (roman, 1992); Spek van mooie zijde (gedichten, 1993); Souffleurs van de duivel (verhalen, 1996); De overval (roman, 1997); Liefde is een zwaar beroep (Privé Domein, 1998); Het boek van de beminnelijkheid (gedichten, 2000); Kameraad Scheermes (roman, 2003); De Ander (gedichten, 2004) 

 

 

Regen
Voor Hannah

Laten we het eenvoudig houden; de schepping is
eenvoudiger dan de werking van ons brein.

Ik had eens een dochter, zo klein als een bloemknop,
een stukje krijt, ik had haar welgeteld misschien twintig uur.

Nog geen dag, maar het was voldoende om een denkbeeld
op te bouwen, een denkbeeld in een lange jas, dat me volgt,

of voor me uitloopt in de vroege, natte uren van de morgen.
Ik moet weer dichten over koude blokken lucht,

uitgehuild, als ogen na hun regenbui. Want als ik alle ruis
weghaal, blijft een windvlaag over, of een stilstaande wolk,

iets, of zoiets, eenvoudig: de schepping die mijn dochter
uit zal laten groeien van een bloemknop tot meer flora.

Zij zal worden voltooid zonder mij, nee, er is geen voltooiing
zolang er tijd is en er is nog tijd. Twintig uur hebben mij de keel

afgesneden, maar mijn naar adem snakkende luchtpijp is maar
een regenpijp waardoor soms tranen in de richting van de aarde stromen.

En mijn brein? Het denkt en leeft en jammert vaak, want niet ik maar de
lange jas hangt kletsnat om te drogen aan de kapstok.

 

Papermoon

Ik zal ooit met haar in een
oude auto, mijn dochter 18 jaar,
met de handen van haar vader, ik 56,
en ergens begint het, de eerste woorden,
de eerste maan die als ‘maan’ wordt
uitgesproken, het eerste papier met de krassen
‘papa, je bent er niet’, en ik die als
de maan alles overleefde, ik die op
papier mijn kindje zoek, wie heeft
haar gezien? Ooit met haar in een oude
auto langs de wegen, jaren, jaren, jaren,
bloem na bloem na bloem, wie heeft
mij gezien?

 

Tien uur

Zinloos voor mij die zich te vaak
onbetrouwbaar verhoudt tot een lichaam
is het niet om water te geven,
klokken op te zetten, te denken op een plaats
waar ik gladgeschoren, in pak gehesen
zit in een stoel onder lamplicht,
over datgene wat in mijn hoofd
ongedaan moet worden gemaakt.

De uitgeruimde ijskast is zonder antwoord, de keuken
zonder weerwoord, de oven die tikt en brandt.
En verder zijn er de treurige inzet
van waardepapieren, de metaforen die niets
vergelijken met elkaar en het overbodige
uur van de waarheid: dat het niet zinloos
kan zijn om te vaak een lichaam aan te raken,
te waken met elkaar en dan weer rust te vragen.

Dertig jaar met mijzelf is genoeg geweest
en niet dat ik dood wil, laat staan ouder worden,
houdend van iemand als van een onuitstaanbaar been
dat gaat trekken in de regen, houdend van jou
eventueel en wachtend op klokslag tien uur, terwijl
ik voor de rest van mijn leven aan ons moet denken.

 

Om iets te weten van de toekomst

Als jongeman is er veel tevredenheid
over wat ik ben. Mijn toverdraad
van dagverblijf waarin ik nooit vermijd
om iets te zijn dat zinvol lijkt, laat

mij nog niet alleen. Ik luister meer
dan ik nog spreek, maar dat uit moeheid
voor de taal, die ik zo langzaamaan verleer.
Mijn woordgebruik is schraal, op tijd onvoorbereid.

En later leer ik anders spreken,
anders; mijn leven
wordt zo in de tijd vergeleken.

Er is dan sprake van een slechte bezigheid,
of van uiteindelijke dingen.
De taal is met verdenking uitgebreid.

 

Rogi Wieg (Delft, 21 augustus 1962)

Salvatore Quasimodo en Edgar Guest

De Italiaanse dichter en criticus Salvatore Quasimodo werd geboren op 20 augustus 1901 in Modica op Sicilië. Daar brengt hij ook zijn jeugdjaren door. Vanaf 1919 studeert hij in Rome aan de polytechnische school. Later stapt hij over naar de studie van de klassieke talen. Na zijn afstuderen werkt hij onder andere als theaterecensent. Vanaf 1939 is hij journalist. In 1940 wordt hij hoogleraar literatuur aan de universiteit van Milaan. Quasimodo wordt beschouwd als zijnde van dezelfde rang als Ungaretti en Montale. Zijn poezie komt voort uit het symbolisme en thematiseert vooral Sicilië en de tradities op dat eiland. Quasimodo maakte zich tevens verdienstelijk als vertaler van zowel Catullus, Ovidius en Vergilius als ook van Shakespeare en Neruda. In 1959 ontving hij de Nobelprijs voor literatuur. Salavatore Quasimodo stierf op 14 juni 1968 in Napels.

 

Strada di Agrigentum

 

Là dura un vento che ricordo acceso

nelle criniere dei cavalli obliqui

in corsa lungo le pianure, vento

che macchia e rode l’arenaria e il cuore

dei telamoni lugubri, riversi

sopra l’erba. Anima antica, grigia

di rancori, torni a quel vento, annusi

il delicato muschio che riveste

i giganti sospinti giù dal cielo.

Come sola nello spazio che ti resta!

E più t’accori s’odi ancora il suono

che s’allontana verso il mare

dove Espero già striscia mattutino

il marranzano tristemente vibra

nella gola del carraio che risale

il colle nitido di luna, lento

tra il murmure d’ ulivi saraceni.

 

 

Agrigentum Road

 

There a wind endures that I remember

kindled in the manes of horses

racing aslant across the plains, a wind

that stains and scars the sandstone

and the heart of mournful telamones toppled

on the grass. Aged soul, grey with rancor

return to that wind, breathe in

the delicate musk that clothes

the giants cast down by heaven.

How alone in the space that’s left to you!

And more do you grieve if still you hear

the sound that drifts toward the sea

where Hesperus trails at early morn

the jew’s harp’s melanchonic twang

in the throat of the cartman

who slowly ascends the moon-cleansed hill

mid the murmur of moorish olive trees.

 

 

Vertaald door Prof. Micheal Campo

Trinity College-Hartford CT

 

 

Lamento per il sud 

 

La luna rossa, il vento, il tuo colore
di donna del Nord, la distesa di neve…
Il mio cuore è ormai su queste praterie
In queste acque annuvolate dalle nebbie.
Ho dimenticato il mare, la grave
conchiglia soffiata dai pastori siciliani,
le cantilene dei carri lungo le strade
dove il carrubo trema nel fumo delle stoppie,
ho dimenticato il passo degli aironi e delle gru
nell’aria dei verdi altipiani
per le terre e i fiumi della Lombardia.
Ma l’uomo grida dovunque la sorte d’una patria
Più nessuno mi porterà nel Sud.

Oh il Sud è stanco di trascinare morti
in riva alle paludi di malaria,
è stanco di solitudine, stanco di catene,
è stanco nella sua bocca
delle bestemmie di tutte le razze
che hanno urlato morte con l’eco dei suoi pozzi
che hanno bevuto il sangue del suo cuore.
Per questo i suoi fanciulli tornano sui monti,
costringono i cavalli sotto coltri di stelle,
mangiano fiori d’acacia lungo le piste
nuovamente rosse, ancora rosse, ancora rosse.
Più nessuno mi porterà nel Sud.

E questa sera carica d’inverno
è ancora nostra, e qui ripeto a te
il mio assurdo contrappunto
di dolcezze e di furori,
un lamento d’amore, senza amore

 

 

Klacht om het zuiden

De rode maan, de wind, jouw kleur
van vrouw uit het Noorden, de vlakte met sneeuw…
Mijn hart is voortaan in deze velden,
In deze wateren door nevels omwolkt.
Ik ben de zee vergeten en de zware schelp,
waar de Siciliaanse herders op blazen,
het eentonige lied van de karren langs de wegen,
waar johannesbrood trilt in de rook van de stoppels,
ik ben de trek van de reigers en de kraanvogels
in de lucht van de groene hoogvlakten vergeten
Voor de velden en de rivieren van Lombardije.
Maar de mens lijdt overal om het lot van zijn vaderland.
Niemand meer zal mij naar het Zuiden brengen.

O, het Zuiden is moe zijn doden te slepen
over de oevers van moerassen met malaria,
het is moe van eenzaamheid, moe van zijn ketens,
het is moe, met zijn mond de vloeken
te zeggen van alle volken die de dood
hebben geschreeuwd bij de echo van zijn putten,
die het bloed van zijn hart hebben gedronken.
Daarom keren zijn jongens terug op de bergen,
bedwingen de paarden onder dekens met sterren,
eten bloesem van acacia langs de wegen,
die weer rood zijn, weer rood, weer rood.
Niemand meer zal mij naar het Zuiden brengen.

Maar deze avond met winter beladen
is nog van ons, en hier herhaal ik voor jou
mijn dwaas contrapunt
van vreugde en woede,
Een liefdesklacht zonder liefde.

 

Vertaling: Herman van den Bergh

Salvatore_Quasimodo

Salvatore Quasimodo (20 augustus 1901 – 14 juni 1968)

 

Hij werd “ The poet of the people” genoemd vanwege zijn hartverwarmende en realistische teksten. Edgar Albert Guest werd geboren op 20 augustus 1881 in Birmingham, Engeland en vestigde zich met zijn familie in Detroit in de VS toen hij ongeveer 12 jaar was. De schepper van meer dan 20 boekdelen vol poëzie, waaronder Just Folks (1917) en Heap O’Livin! (1916), schreef meer dan 11.000 gedichten. Guest was verbonden aan meer dan 300 kranten in de VS, had een eigen radio programma bij NBC (1931 – 1942) en zelfs een eigen tv-show “A Guest in Your Home” (1951) Over zijn werk zei hij: I just take simple every day things that happen to me and figure that they probably happen to al lot of other people and I make simple rhymes out of ‘em and people seem to like ‘em.”

 

The Kick Under the Table

 

After a man has been married awhile,

And his wife has grown used to his manner

               And style,

When she knows form the twinkle that lights

               Up his eye

The thoughts he is thinking, the wherefore and

               Why,

And just what he’ll say, and just what he’ll do,

And is sure that he’ll make a bad break ere he’s

               Through,

She has one little trick that she’ll work when

               She’s able-

She takes a sly kick at him under the table.

He may fancy the story he’s telling is true,

Or he’s doing the thing which is proper to do;

He may fancy he’s holding his own with the

               Rest,

The life of the party and right at his best,

When quickly he learns to his utter dismay,

That he mustn’t say what he’s just started to say.

He is stopped at the place where he hoped to

               Begin,

By his wife, who has taken at kick at his shin.

If he picks the wrong fork for the salad, he

               Knows,

That fact by the feel of his wife’s slippered toes.

If he’s started a bit of untellable news,

On the calf of his leg there is planted a bruise.

Oh, I wonder sometimes what would happen to

               Me

If the wife were not seated just where she

               Could be

On guard every minute to watch every trick,

And keep me in line all the time with her kick.

 

 

Edgar Albert Guest (20 augustus 1881 – 5 augustus 1959)

Jürgen Becker

Jürgen Becker werd geboren op 10 juli 1932 in Keulen. Tot 1950 leefde hij met zijn ouders in Thüringen en in de Harz. Daarna keerde hij terug naar Keulen. Na een afgebroken studie en verschillende bezigheden (vanaf 1959 voor de WDR) werkte hij van 1964 tot 1966 als lector bij uitgeverij Rowohlt in Hamburg. In 1973 nam hij de leiding op zich van de Suhrkamp-Theater-Verlag en in 1974 de leiding van de hoorspelredactie van de Deutschlandfunk. In 1988 was hij Writer-in-Residence aan de universiteit van Warwick, England. Zijn eerste prozaboek “Felder” baarde in 1964 veel opzien. Met het vervolg daarvan vestigde hij zijn naam als schrijver van experimentele literatuur. De “Wende”  en de hereniging van Duitsland waren van beslissende invloed op het werk van Jürgen Becker. De herontdekking van het landschap tussen Elbe en Oder motiveerden tot het schrijven van dichtbundels en vooral van de roman Aus der Geschichte der Trennungen”. Becker is lid van de Akademie der Künste Berlin, de Akademie der Wissenschaften und der Literatur in Mainz, de Deutschen Akademie für Sprache und Dichtung in Darmstadt en van het  PEN-Zentrum der Bundesrepublik Deutschland. Sinds 1968 woont en werkt Becker in de omgeving van Keulen.

Werk: O.a. Das Ende der Landschaftsmalerei (1974), Erzähl mir nichts vom Krieg (1977), Fenster und Stimmen (1982), Das Gedicht von der wiedervereinigten Landschaft (1988), Korrespondenzen mit Landschaft (1996), Journal der Wiederholung (1999), Häuser und Häuser (2002).

 

Beispielsweise am Wannsee

Natürlich, diese Seerosen, jederzeit

ein zitierbares Ambiente; meine Erziehung war das

nicht, aber auch später haben wir

drüber reden können, denk an Erdbeerfelder,

später gelang viel mehr.

 

Plötzlich hat auch eine Schilfgruppe Bedeutung,

ein Büschel am Seeufer, über das wir

(bei aller Bedeutung) nicht sprechen wollen. Neutral

bleibt kein Bild; ein Bild gibt weiter

jeder Spion, da nützt unser Schweigen nichts.

 

Dazu kommt ein Zufall. Im Vorbeigehn

eine Telefonzelle, in der jemand Münzen

nachschiebt, solange es Münzen gibt. Wen

wolltest du, außerhalb, sprechen; oder hast du

gewartet, gezählt, phantasiert?

 

Nochmal, Seeufer unten, und zwischendurch

Wind, Bewegung im Schilf, konnten wir sehen

und spürten nichts, einige Meter entfernt

und sichtbar für alle. Für wen, alle gab es natürlich

nicht; wer malt denn Seerosen heute?

 

Früher, verstrickt in irgendeins

der Systeme, hätten wir nicht mehr gelebt;

begreif das beispielsweise am Wannsee. Aber

so leicht geht das auch nicht, einfach

im Stil der Geschichte, nachher gemacht.

 

Nachher, oder ich sage: zunächst: das wird

keine Zukunft, sind Seerosenbilder; besser

das Kleingeld, Nachschieben, wer spricht schon

mit wem, wir alle sind in der Nähe.

 

Morgenmagazin

Motorsägen; atlantisches Tief. Schon früh

die Sirene für die Freiwillige Feuerwehr. Zwei Frauen

gingen auf und ab im Korridor, und ich fand nicht

den Weg aus dem Badezimmer ins Freie.

 

Eine Szenenfolge ohne erkennbaren Anfang, oder ich hatte

den Anfang verpaßt. Der Atem ging ruhig, das Land

vor den Fenstern stieg langsam auf

zu den Häfen des Schnees. Eine der Frauen blieb stehen,

als sie hörte, es wird geklopft in die Tür.

 

Es war nicht das Wetter, um bis mittags

auf den Dachdecker zu warten. Die andere Frau wusch sich

die Haare, genauer gesagt, sie war weitergegangen

und stand jetzt auf der Wiese im Regen.

 

Da lag auch der Kirschbaum Die Pumpe

im Keller hörte nicht auf Es schneite schon

wieder; im Mannschaftswagen saß alleine

der Fahrer und telefonierte. Die Schäden kann man

nicht sehen, und die Post kommt neuerdings so spät.

 

[Schlaf der Geschichte. Die Karten Ansichten und Prospekte ]

Schlaf der Geschichte. Die Karten Ansichten und Prospekte

waren vergriffen, oder es waren Fälschungen, von offizieller Seite

in Umlauf gebracht.

                                 Erinnerungen? Erinnerungen

an Familienangelegenheiten, die über die Hintertür

an die Öffentlichkeit kamen; erst später spielten im Sandkasten

die nationalen Interessen mit.

                                                Lange Zeit wurden die Rollen

nicht mehr besetzt, die vor und hinter den Kulissen

zu sprechen, etwas zu bewegen hatten, das die Leere

mit Konfliktstoff, Manövern, Verhandlungen, mit Personen

belebte, die sich nach allen Richtungen verneigten, wenn

wieder ein Krieg zu Ende war –

                                                    Gesichtslose Delegationen, Parkplätze

hinter den Hügeln. Im ‘Winter werden die grünen Vitrinen

geschlossen. Es kommt auf die Momente des Alleinseins an,

die hinter der Biegung der Allee einen erwarten: es ist

wie eine plötzliche Begegnung

                                                   – du weißt, nach dem Aufwachen

hört alles auf, fängt alles an, das Suchen

nach richtiger Reihenfolge, das Mitmachen und Spielen gegen die Regeln.

 

 

Jürgen Becker (Keulen,10 juli 1932)

Ted Hughes en V.S. Naipaul

Ted Hughes werd geboren op 17 augustus 1930 in Mytholmroyd, Yorkshire.Hij studeerde aan de Universiteit van Cambridge, waar hij de Amerikaanse dichteres Sylvia Plath ontmoette. Ze trouwden in 1956. Plath hielp Hughes met het publiceren van zijn eerste bundel, “The Hawk in the Rain” in 1957. Samen kregen ze twee kinderen. Hughes begon echter een affaire met een ander vrouw, Assia Wevill. Sylvia Plath kwam erachter en pleegde zelfmoord, door zichzelf te vergassen in een oven. Na deze tragische gebeurtenis heeft Hughes enige tijd geen poëzie meer geschreven. Met Assia Wevill kreeg hij nog een dochter, maar deze relatie eindigde even dramatisch. Wevill pleegde op dezelfde manier zelfmoord als Plath en nam hun dochtertje mee in haar dood.  Ted Hughes werd Poet Laureate in 1984 en bleef dat tot hij stierf in 1998. Hij verbleef in North Devon, waar hij veel wandelde. De schoonheid van deze omgeving verwoordde hij in zijn gedichten. Dertien dagen voor hij stierf kreeg hij ’the Order of Merit’ van de koningin van Engeland. In zijn laatste jaar kwam ook nog de bundel “Birthday Letters” uit, waarin hij zijn leven met Sylvia Plath behandelt.

 Old Age Gets Up

 

Stirs its ashes and embers, its burnt sticks

An eye powdered over, half melted and solid again
Ponders
Ideas that collapse
At the first touch of attention

The light at the window, so square and so same
So full-strong as ever, the window frame
A scaffold in space, for eyes to lean on

Supporting the body, shaped to its old work
Making small movements in gray air
Numbed from the blurred accident
Of having lived, the fatal, real injury
Under the amnesia

Something tries to save itself-searches
For defenses-but words evade
Like flies with their own notions

Old age slowly gets dressed
Heavily dosed with death’s night
Sits on the bed’s edge

Pulls its pieces together
Loosely tucks in its shirt

 

 

September

We sit late, watching the dark slowly unfold:
No clock counts this.
When kisses are repeated and the arms hold
There is no telling where time is.

It is midsummer: the leaves hang big and still:
Behind the eye a star,
Under the silk of the wrist a sea, tell
Time is nowhere.

We stand; leaves have not timed the summer.
No clock now needs
Tell we have only what we remember:
Minutes uproaring with our heads

Like an unfortunate King’s and his Queen’s
When the senseless mob rules;
And quietly the trees casting their crowns
Into the pools.

 

 

Crow’s Nerve Fails

 

Crow, feeling his brain slip,
Finds his every feather the fossil of a murder.

Who murdered all these?
These living dead, that root in his nerves and his blood
Till he is visibly black?

How can he fly from his feathers?
And why have they homed on him?

Is he the archive of their accusations?
Or their ghostly purpose, their pining vengeance?
Or their unforgiven prisoner?

He cannot be forgiven.

His prison is the earth. Clothed in his conviction,
Trying to remember his crimes

Heavily he flies.

Ted Hughes (17 augustus 1930 – 28 oktober 1998)

 

Sir Vidiadhar Surajprasad Naipaul werd geboren op 17 augustus 1932 in Chaguanas, Trinidad en Tobago.

Zijn ouders kwamen vanuit India naar Trinidad om daar te werken. Na zijn geboorte woonde hij bij zijn moeders familie, en leerde op zesjarige leeftijd pas zijn vader kennen, die als journalist voor de Trinidad Guardian werkte. Het verhaal van zijn jeugd en van zijn vader werd door Naipaul verwerkt in zijn boek Een huis voor meneer Biswas. In 1950 kreeg hij een beurs voor een studie aan de universiteit in Oxford, Engeland, en na zijn studie werkte hij een aantal jaren als freelance journalist voor de BBC, maar al snel wijdde hij zich volledig aan het schrijven van boeken.Naast zijn romans is Naipaul bekend om zijn reisverhalen die spelen in onder andere India, Zaïre, Oeganda, Iran, Pakistan en Indonesië. Hij ontving de Booker Prize in 1971 voor In a free state en hij kreeg de Nobelprijs voor de Literatuur voor zijn oeuvre in 2001

 

Citaten:

 

“An autobiography can distort, facts can be realigned. But fiction never lies. It reveals the writer totally”

 

“The world is what it is; men who are nothing, who allow themselves to become nothing, have no place in it.”

 

“I hate Oxford. I was far too well prepared for it. I was far more intelligent than most of the people in my college or on my course.”

 

“Islam destroyed India. The intellectual life of India, the Sanskrit culture stops at 1000 AD. Islam was the greatest calamity that befell it.”

 

 

V. S. Naipaul (Chaganuas, 17 augustus 1932)

 

Bukowski, Nahon, Kunze en Lawrence

De Amerikaanse dichter en fictieschrijver Charles Bukowski werd geboren op 16 augustus 1920 in Andernach, Duitsland. Zijn familie emigreerde in 1922 naar de Verenigde Staten en gingen in Los Angeles wonen. Bukowski, een ongeschoolde arbeider en alcoholist, publiceerde zijn eerste korte verhalen in de jaren ‘40 en zijn eerste poëzieboek in 1959. De werken van Bukowski worden gekenmerkt door hun sombere kijk op het leven in het algemeen en Los Angeles in het bijzonder. Terugkerende thema’s zijn alcoholisme, drugverslaving, misdaad, prostitutie en andere “ondergrondse” zaken.

 

hello, how are you?

this fear of being what they are:
dead.

at least they are not out on the street, they
are careful to stay indoors, those
pasty mad who sit alone before their tv sets,
their lives full of canned, mutilated laughter.

their ideal neighborhood
of parked cars
of little green lawns
of little homes
the little doors that open and close
as their relatives visit
throughout the holidays
the doors closing
behind the dying who die so slowly
behind the dead who are still alive
in your quiet average neighborhood
of winding streets
of agony
of confusion
of horror
of fear
of ignorance.

a dog standing behind a fence.

a man silent at the window.

 

what can we do?

at their best, there is gentleness in Humanity.
some understanding and, at times, acts of
courage
but all in all it is a mass, a glob that doesn’t
have too much.
it is like a large animal deep in sleep and
almost nothing can awaken it.
when activated it’s best at brutality,
selfishness, unjust judgments, murder.

what can we do with it, this Humanity?

nothing.

avoid the thing as much as possible.
treat it as you would anything poisonous, vicious
and mindless.
but be careful. it has enacted laws to protect
itself from you.
it can kill you without cause.
and to escape it you must be subtle.
few escape.

it’s up to you to figure a plan.

I have met nobody who has escaped.

I have met some of the great and
famous but they have not escaped
for they are only great and famous within
Humanity.

I have not escaped
but I have not failed in trying again and
again.

before my death I hope to obtain my
life.


Charles Bukowski (16 augustus 1920 – 9 maart 1994)

 

Alice Nahon werd te Antwerpen geboren op 16 augustus 1896. Zij was derde in een gezin van elf kinderen. Haar vader was een Nederlander met Franse roots. Haar moeder -Julia Gijsemans- was afkomstig van Putte. Vanaf 1911 studeerde zij aan de landbouwschool te Overijse. In 1914 ging zij aan de slag als leerling-verpleegster in het Stuivenberg-ziekenhuis te Antwerpen. Zij werd ziek en men concludeerde dat zij leed aan tuberculose. De hieropvolgende jaren bracht zij door in diverse sanatoria. In 1917 werd zij opgenomen in het St. Jozefinstituut te Tessenderlo waar zij zes jaar verbleef. Naast haar longziekte worstelde zij nu ook met depressies. Toch slaagde zij er in om twee poëziebundels te schrijven, namelijk ‘Vondelingskens’ (1920) en ‘Op zachte vooizekens’ (1921). Met haar bundel ‘Schaduw’ (1928) probeerde zij zich te ontdoen van haar ietwat tuttige imago. Vooral Paul van Ostaijen bekritiseerde haar. Desalniettemin heeft zij altijd veel trouwe bewonderaars gehad. Tijdens haar laatste levensjaar verhuisde zij naar de Carnotstraat* in Antwerpen en werd opnieuw ernstig ziek. Zij overleed op 21mei 1933. Haar bundel ‘Maart-April’ verscheen postuum in 1936.

 

Armoe

‘k Heb zo’n honger naar een lied
In dit huis van eenzaam wezen,
Waar ‘k nog in geen blik mocht lezen
Dat een mens me gaarne ziet.

’t Kloksken tikt melacholiek…
’t maakt me monotoon en kranke,
God, ik smacht naar dieper klanken,
‘k Heb zo’n honger naar muziek…

Ach… en zo’k mezelve sus
Met een blom of een gebeken…
Ziet ge niet mijn lippen smeken…
‘k Heb zo’n honger naar een kus!

Leven, dat ik lieven moet,
Leven… kunt ge zó me laten
Zonder liefde… zonder haten?
‘k Heb zo’n honger naar uw gloed.

 

Verlangen

 

Ik zegen u, verlangen,
Nu diep mijn blik begrijpt
Hoe rozenknop door zonne
tot roze rijpt.

Dat leerde ik uit uw ogen:
Die deden stil-spontaan
Bloesems van jong begeren
Wijd open gaan.

Zó hebt ge, zonder woorden,
Aan mij ’t geheim verteld
Hoe de ene mensenziele
In de andere smelt.

Want als ik, schoon van liefde,
U lang in de ogen schouw,
Voel ik mezelve worden
van kind tot vrouw.

 

Alice Nahon (16 augustus 1896 –  21 mei 1933)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Reiner Kunze werd geboren op 16 augustus 1933 in Oelsnitz, Erzgebirge. Tussen 1955 en 1959 was Kunze wetenschappelijk assistent aan de Karl-Marx universiteit in Leipzig. Nog voor zijn promotie verlaat hij de universiteit. Vanaf 1959 houdt hij zich bezig met schrijven en dichten. Zijn gedichtenbundel Sensible Wege – Achtundvierzig Gedichte und ein Zyklus (uitgegeven in de BRD) krijgt in de DDR heel wat kritiek en vanaf dat moment wordt het voor Kunze steeds moeilijker om zijn werk in de DDR uit te geven. Kunze gaf de DDR-autoriteiten in 1977 te kennen dat hij de DDR wil verlaten en naar de BRD wil gaan. Binnen drie dagen werd zijn verzoek om de DDR te mogen verlaten, ingewilligd.

Poetik

Für Jakub Ekier

So viele antworten gibt’s,
doch wir wissen nicht zu fragen

Das gedicht
ist der blindenstock des dichters

Mit ihm berührt er die dinge,
um sie zu erkennen

 

 

Du weißt zur Stunde ihn an fernem Ort

Du weißt zur stunde ihn an fernem ort
Mit dem verstand begreifst du seine ferne
Du weißt, es liegen zwischen ihm und dir
ein himmel sonne und ein himmel sterne

Und doch trittst du ans fenster immerfort

 

Reiner Kunze (Oelsnitz, 16 augustus 1933)

 

De Britse prozaschrijver, archeoloog en militair Thomas Edward Lawrence werd geboren op 16 augustus 1888. Hij staat beter bekend als Lawrence of Arabia.

 

Tijdens zijn leven heeft Lawrence verschillende boeken geschreven. Twee voorbeelden hiervan zijn: ‘Seven pillars of wisdom’ en ‘The mind’ over zijn tijd bij de luchtmacht. Toch heeft hij maar met een boek succes gehad namelijk met ‘Revolt in the dessert’ van het geld dat hij hiermee verdiende kon hij even voort maar voor de rest moest hij het altijd met een normaal loon stellen.

 

Citaat:

 

“ All men dream: but not equally. Those who dream by night in the dusty recesses of their minds wake in the day to find that it was vanity: but the dreamers of the day are dangerous men, for they may act their dreams with open eyes, to make it possible. This I did.”

 

Thomas Edward Lawrence (16 augustus 1888 – 19 mei 1935)

Bertolt Brecht

Het jaar 2006 is een Bertolt Brecht jaar. De Duitse schrijver stierf op 14 augustus 1956, vandaag dus precies vijftig jaar geleden.

 

Begin 1949 vertrekt Bertolt Brecht met een Tsjechisch paspoort via Praag naar Oost-Berlijn. Hij neemt zijn intrek in het huis dat later bekend wordt als het Brechthuis in de wijk Weißensee. In Oost-Berlijn leeft hij een rustig en relatief luxe leven. In het jaar van aankomst richt hij samen met zijn vrouw Helene Weigel het Berliner Ensemble op. Ook pakt hij de draad als theatermaker weer op. Zijn stukken worden zo nu en dan opgevoerd in steden buiten de DDR. Die opvoeringen buiten de DDR leiden weer tot spanningen in de DDR zelf, hij krijgt te maken met de censuur van het Oostblok en ziet enkele van zijn stukken afgekeurd worden.

 

In zijn laatste levensjaren houdt Brecht zich vooral bezig met het stimuleren van in zijn ogen getalenteerde schrijvers en toneelspelers. In Oost-Berlijn verhuist Brecht nog één keer, naar de Chausseestraat direct naast het kerkhof waar hij na zijn dood begraven wordt. Vlak voor zijn dood mag hij – in 1955 – nog de Stalin-Vredesprijs in ontvangst nemen. Brecht sterft in 1956 aan een hartinfarct.

 

 

Die Moritat von Mackie Messer

Und der Haifisch, der hat Zähne
und die trägt er im Gesicht
und Macheath, der hat ein Messer
doch das Messer sieht man nicht.

Ach, es sind des Haifischs Flossen
rot, wenn dieser Blut vergießt.
Mackie Messer trägt ‘nen Handschuh
drauf man keine Untat liest.

An ‘nem schönen blauen Sonntag
liegt ein toter Mann am Strand
und ein Mensch geht um die Ecke
den man Mackie Messer nennt.

Und Schmul Meier bleibt verschwunden
und so mancher reiche Mann
und sein Geld hat Mackie Messer
dem man nichts beweisen kann.

Jenny Towler ward gefunden
mit ‘nem Messer in der Brust
und am Kai geht Mackie Messer
der von allem nichts gewußt.

Und das große Feuer in Soho
sieben Kinder und ein Greis –
in der Menge Mackie Messer, den
man nicht fragt und der nichts weiß.

Und die minderjährige Witwe
deren Namen jeder weiß
wachte auf und war geschändet –
Mackie, welches war dein Preis?
Wachte auf und war geschändet –
Mackie, welches war dein Preis?

 

An meine Landsleute

Ihr, die ihr überlebtet in gestorbenen Städten
Habt doch nun endlich mit euch selbst Erbarmen!
Zieht nun in neue Kriege nicht, ihr Armen
Als ob die alten nicht gelanget hätten:
Ich bitt euch, habet mit euch selbst Erbarmen!

Ihr Männer, greift zur Kelle, nicht zum Messer!
Ihr säßet unter Dächern schließlich jetzt
Hättet ihr auf das Messer nicht gesetzt
Und unter Dächern sitzt es sich doch besser.
Ich bitt euch, greift zur Kelle, nicht zum Messer!

Ihr Kinder, daß sie euch mit Krieg verschonen
Müßt ihr um Einsicht eure Eltern bitten.
Sagt laut, ihr wollt nicht in Ruinen wohnen
Und nicht das leiden, was sie selber litten:
Ihr Kinder, daß sie euch mit Krieg verschonen!

Ihr Mütter, da es euch anheimgegeben
Den Krieg zu dulden oder nicht zu dulden
Ich bitt euch, lasset eure Kinder leben!
Daß sie euch die Geburt und nicht den Tod dann schulden
Ihr Mütter, lasset eure Kinder leben!

 

Entdeckung an einer jungen Frau

Des morgens nüchterner Abschied, eine Frau
Kühl zwischen Tür und Angel, kühl besehn.
Da sah ich: eine Strähn in ihrem Haar war grau
Ich konnt mich nicht entschließen mehr zu gehen.

Stumm nahm ich ihre Brust, und als sie fragte
Warum ich Nachtgast nach Verlauf der Nacht
Nicht gehen wollte, denn so war’s gedacht
Sah ich sie unumwunden an und sagte:

Ist’s nur noch eine Nacht, will ich noch bleiben
Doch nütze deine Zeit; das ist das Schlimme
Daß du so zwischen Tür und Angel stehst.

Und laß uns die Gespräche racher treiben
Denn wir vergaßen fast, daß du vergehst.
Und es verschlug Begierde mir die Stimme
.

 

Ontdekking aan een jonge vrouw

Een nuchter afscheid ’s morgens en een vrouw,
nog eenmaal koel bekeken en in haast.
Een grijze haarlok zag ik toen verbaasd
en ik besloot dat ik nog blijven zou.

Stom greep ik naar haar borsten. Toen zij vroeg,
waarom ik, nachtgast, ook nog na de nacht
niet wilde weggaan – en zo onverwacht –
zei ik, terwijl ik vrij mijn blik opsloeg:

Ik wil nog best een nachtje langer blijven.
Er is helaas al te veel tijd verstreken,
sinds jij zo zinloos op de drempel staat.

Dus laat ons de gesprekken voorwaarts drijven,
want wij vergaten haast dat jij vergaat.
En van begeerte kon ik niet meer spreken.

 

Vertaling: Frans Roumen

 

 

Bertolt Brecht (10 februari 1898 – 14 augustus 1956)