Vandeloo, Winnen, Doderer, Ferguson

De Belgische schrijver Jos Vandeloo werd geboren op 5 september 1925 in Zonhoven, Belgisch-Limburg. Vandeloo volgde middelbaar onderwijs in Hasselt en kreeg bovendien les bij de fraters in Zonhoven. Na de oorlog volgde hij een opleiding tot scheikundige en ging werken als steenkooldeskundige. In deze functie reisde hij tot 1953 door Europa om analyses uit te voeren.

Vandeloo werd adjunct-directeur en later directeur bij de Belgische vestiging van uitgeverij Manteau. Hij debuteerde in 1955 met de gedichtenbundel “Speelse parade”. Aan het einde van de jaren vijftig studeerde Vandeloo Nederlandse en Franse letterkunde en kunstgeschiedenis aan de Koninklijke Academie en aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen. In 1969 trad hij in dienst bij de Standaard Uitgeverij waar hij tot 1983 verschillende functies bekleedde.

 

Werk o.a:  “Woorden met doofstommen” (1957), “Het gevaar” (1960), “Dadels voor een vizier” (1965), “Waarom slaap je, liefje?” (1972), “De muggen” (1973), “De weg naar de Ardennen” (1988), “De beklimming van de Mont Ventoux” (1993) en “De vogelvrouw” (1993).

 

 

Fragmenent uit: Het gevaar

 “Vreemd, dat iemand hier lacht. Het is abnormaal. Er moest in grote letters op de muren staan: HIER LACHT MEN NIET. Of: STRENG VERBODEN TE LACHEN. De Overtreder Wordt Met Dwangarbeid Bestraft.”

“Een schok van herkenning ging door Benting. Een grote moedeloosheid overviel hem, een grondeloze teleurstelling maakte zich van hem meester. Het was nutteloos. Hij hoefde niet meer te vechten, hij hoefde niet langer te vluchten, alles was nu voorgoed gedaan, gespeeld, gesloten. Er stond een punt achter zijn leven. Ontsnappen was onmogelijk gebleken. Vluchten was zich begraven in een eindeloze illusie.”

 

 

De directeur van het grand hotel

De directeur van het grand hotel
café-restaurant heet hoffmann
hij heeft een rekening
bij de bekende amro-bank
althans volgens zijn briefpapier
er zijn 80 bedden en 1 lift
kamers met bad douche en telefoon
misschien verstaat u me niet?
moderne zimmer mit privatbad
cosy lounge
spécialités culinaires
geräumiger parkplatz
situatied opposite the railway station
chambres modernes/musique
restaurant à la carte
of à la diepvries
zalen beschikbaar voor 20
tot 200 personen
van normale omvang
voor vergaderingen recepties
partijen en concilies
ook voor huwelijksfeesten
alleen moet men dan later
niet komen klagen bij hoffmann.

Uit: Copernicus of de bloemen van het geluk’ (1967)

 

 


Jos Vandeloo
(Zonhoven, 5 september 1925)

 

 

Wielrenners die tijdens de Tour de France dikke boeken lezen hadden altijd al bij mij een streepje voor. Wanneer ze dan ook nog – zij het na hun wielerloopbaan – blijken te kunnen schrijven zoals Peter Winnen, en over meer dan sport alleen, genieten ze mijn eeuwige sympathie. En daarom geef ik hem hier de plek van Marcel Möring die op dezelfde dag als Peter werd geboren. Maar Marcel heeft dan ook weer zelf een eigen fraaie website.

 

Peter Winnen werd geboren op 5 september 1957 in Ysselsteyn. In 1981 debuteerde hij in de Ronde van Frankrijk en baarde opzien met een ritoverwinning naar Alpe d’Huez, een vijfde plaats in het eindklassement en de eerste plaats in het jongerenklassement. Het jaar daarna verbeterde hij zichzelf nog iets met een vierde plaats in de eindrangschikking en opnieuw ritwinst.

Zijn beste prestatie leverde Winnen waarschijnlijk in 1983 toen hij, na aanvankelijk tegenvallend rijden in de Pyreneeën, sterk terugkwam in de Alpen met opnieuw winst op Alpe d’Huez. Zelfs de eindoverwinning kwam binnen zijn bereik. Hij werd uiteindelijk 3e. Na zijn actieve wielerloopbaan ging Winnen naar de kunstacademie en publiceerde hij enkele boeken over de wielerwereld, waaronder Van Santander naar Santander. Daarnaast schrijft Winnen regelmatig columns voor kranten en tijdschriften, waaronder NRC Handelsblad. In december 2005 ging een muziektheaterproductie van zijn hand in première, getiteld Fiets. De voorstelling gaat over de verhouding tussen wielersport, media en commercie.

 

Uit: Van Santander naar Santander:Santander, 7 augustus 1978

 

Beste Hans,

 

Vanmorgen rond 10.00 uur te Santander gearriveerd. Wij zijn op weg naar huis. Het is mooi geweest. Het moet ook wel, want het geld is op. Over een paar uur nemen we de trein naar de Spaans-Franse grens. Daar vandaan hopen we op aansluiting naar Bordeaux. Nena ligt uitgeteld tegen haar rugzak in het zand. Ik ben zojuist de Atlantique ingelopen, verlichting zoekend voor een kater. Ik liet me willoos drijven op de golven, maar een slok zeewater die plots binnenspoelde bedierf de genezing. Over een paar dagen heb je haar weer terug, je Nena. Ik heb goed voor haar gezorgd en ben erg voorzichtig met haar geweest, zoals je me hebt opgedragen. Ik ben een man van mijn woord, dat weet je. Maar waar waren we gebleven? De binnenlanden van Portugal, St. Pedro d’Alva, de tuin van de dorpsdokter, of wat ervoor doorging. Een tuin die naadloos overliep in wildernis. Daar hebben we ons niet in gewaagd, op advies van onze gastheer, vanwege gifslangen en ander ongedierte. Fijne man, de dokter. Hij had ons zomaar op zijn grond toegelaten, om te kamperen. Een uitgebreid verslag vanuit dit oord is naar je onderweg. Lucia, de vrouw van de arts joeg ons gisteren nog wel de stuipen op het lijf We zaten meteen recht overeind toen haar hysterisch gekrijs door de ochtend schalde: ‘Le père est mort, Ie père est mort!’ Ik ritste panisch de tent open en holde in onderbroek op het huis af. Lucia stond op het balkon, gebogen rug, handen kruislings voor haar borst geslagen. Te père est mort,’ kermde ze nogmaals. Te pápe!’ Goddank, haar corpulente echtgenoot had heelhuids de schrans- en slemppartij van de avond ervoor doorstaan. Wij waren genood voor een diner met de familie. De hele middag hadden opgewonden geluiden weerklonken uit de keuken.

 

Peter Winnen (Ysselsteyn, 5 september 1957)

 

Franz Carl Heimito von Doderer werd geboren op 5 september 1896 in Weidlingau, Oostenrijk..Doderer was de jongste van de zes kinderen van architect Wilhelm Carl von Doderer, die in 1877 in de adelstand was verheven als Ridder von Doderer. Zijn vreemde naam, Heimito, is een opzettelijke verbastering van het Spaanse Jaimito, ‘kleine Jaime’. In 1938 publiceerde hij zijn eerste grote roman, Ein Mord, den jeder begeht. Hij wilde zich graag tot het katholicisme bekeren (de familie von Doderer behoorde tot de protestantse minderheid), en las de werken van Thomas van Aquino. Vanaf 1938 woonde hij weer in Wenen en woonde samen met Albert Paris Gütersloh. Hij bekeerde zich in 1940.

Tijdens WO II werkte Doderer voor de Luftwaffe in Frankrijk, maar kreeg met zenuwpijnen te kampen en werd ach
tereenvolgens naar Frankfurt an der Oder, Wiesbaden en Schongau overgeplaatst. Uiteindelijk belandde hij in 1945 in Oslo, waar hij verder werkte aan zijn grote romanprojecten waaraan hij reeds jaren bezig was (hij heeft de oorlog grotendeels schrijvend doorgebracht). Zijn beroemdste roman, Die Strudlhofstiege, verscheen in 1951, alhoewel het werk reeds in 1948 was voltooid: Doderer was nooit uit de NSDAP getreden en na de oorlog op een zwarte lijst van nazi’s terechtgekomen, en pas in 1947 werd hij, na een boete te hebben betaald, officieel ‘witgewassen’.

 

Uit: Die Strudlhofstiege

 

Als Mary K.s Gatte noch lebte, Oskar hieß er, und sie selbst noch auf zwei sehr schönen Beinen ging (das rechte hatihr, unweit ihrer Wohnung, am 21. September 1925 die

Straßenbahn über dem Knie abgefahren), tauchte ein gewisserDoktor Negria auf, ein junger rumänischer Arzt, der hierzu Wien an der berühmten Fakultät sich fortbildete und im Allgemeinen Krankenhaus seine Jahre machte. Solche Rumänenund Bulgaren hat es zu Wien immer gegeben, meist imUmkreise der Universität oder der Musik-Akademie. Man warsie gewohnt: ihre Art zu sprechen, die immer mehr mit dem Österreichischen sich durchsetzte, ihre dicken Haarwirbelüber der Stirn, ihre Gewohnheit, stets in den besten VillenviertelnSofia waren wohlhabend oder hatten wohlhabende Väter. Sie blieben durchaus Fremde (denen aus der Heimat andauernd ungeheure Pakete mit ihren nationalen Leckerbissen zugingen), nicht so konsolidiert fremd wie die Norddeutschen zwar, sondern mehr eine sozusagen hiesige Einrichtung, dennoch eben ,Balkaneser‘, weil auch bei ihnen sich das Spezifische ihres Sprechtones nie ganz verlor. Damen in Wien, welche ein oder zwei Zimmer ihrer Wohnung oder ihrer Villa zu vermieten gedachten, suchten sich dazu einen ,bulgarischen oder rumänischen Studenten‘ und wurden dann von diesen untereinander weiterempfohlen. Denn in den zahlreichen Cafés um die Universität oder um die Kliniken herum bestand ein connationaler Zusammenhang.

 

Heimito von Doderer (5 september 1896 – 23 december 1966)

 

Margaretha Ferguson-Wigerink, Nederlands prozaschrijfster, werd geboren op 5 september 1920 in Arnhem. Ferguson bracht een groot deel van haar jeugd door in Nederlands Indië en was van 1942 tot 1945 geïnterneerd in verschillende Japanse concentratiekampen. Na de bevrijding kwam ze naar Nederland. In 1948 keerde ze weer terug naar Indonesië, maar in 1950 vestigde ze zich definitief in Nederland. In 1959 debuteerde ze als prozaschrijfster met de verhalenbundel Anna en haar vader. Veel van haar werk speelt in Nederlands Indië en behandelt koloniale kwesties, zoals de opstand tegen elke vorm van onderdrukking. Tegen die achtergrond speelt ook haar roman Elias in Batavia en Jakarta (1977). Over haar ervaringen in de Japanse kampen tijdens de oorlog schreef ze Mammie ik ga dood. Aantekeningen uit de Japanse tijd op Java 1942-1945 (1976). Van haar reizen naar het Verre Oosten deed Ferguson verslag in Nu wonen daar andere mensen … terug op Java (1974), Een Haagse dame in China (1975) en China gewoon: een verslag (1981). In Brief aan niemand (1985) gaf ze dagboekfragmenten uit de jaren 1948-1984.

Uit: Chaos (1983)

 

Dat is een sjieke buurt waar u terechtkomt mevrouw,” merkte de man achter Katharina op terwijl de autobus met ex-geïnterneerden uit de Japanse kampen behoedzaam de Prins Hendriklaan inzwenkte. “Familie?”
“Nee… ik had opgegeven dat ik in Utrecht of Bilthoven wilde wonen om lngrid op de school van Kees Boeke te kunnen doen… en ik wil hier psychologie gaan studeren, bij de evacuatie uit Singapore kreeg ik dit adres, van een familie Verlaer. Kijk, we zijn er!”
Katharina werkte zich haastig overeind, zette lngrid neer op het gangpad, pakte haar spullen bij elkaar, de chauffeur hielp haar met de koffer. Ze keek nog even de rijen langs. De bustocht vanuit de Rotterdamse haven was onbegrijpelijk snel verlopen. Zo voelde je meteen hoe klein Holland was. Haar lotgenoten, allen afkomstig van het troepentransportschip waarmee ze vanuit Batavia en Singapore naar Nederland waren vervoerd, zaten op hun plaats in gelaten afwachting.
Velen gingen, net als zij naar onbekende opvangadressen. Op hun grauwe gezichten was tijdens de rit steeds weer verbazing te lezen geweest. “Kijk zie je dat. . . die keurige huizen allemaal:”en ze hebben bloemen in de tuinen. . . wat is het netjes op de weg, nergens vuilnishopen of andere rotzooi… er is hier niks gebeurd!”. . .
Nounou,” mompelden de anderen, “en de joden dan. . .”
Een deur was opengegaan, zo’n echte Hollandse zware huisdeur.
Vanaf de stoep, zo’n echte Hollandse stoep met een blauw randje waar ze als kind hinkelvlakken op had uitgezet met een van het schoolbord gejat krijtje – geel van buiten, wit van binnen, idioot om je op dit moment zoiets te herinneren – keerde Katharina zich om naar de wegschuivende bus. De laatste bekenden! Maar lngrid holde het geplaveide tuinpaadje al op, recht in de armen van een rijzige stralende witharige vorstin die neerhurkte en lngrid omhoogtilde. “En jij komt nou bij ons wonen. . . dàt is leuk! Welkom, welkom, mevrouw,” ze zette lngrid neer en gaf Katharina twee handen tegelijk. “Komt u binnen. . . geef die koffer maar hier!”

 

Margaretha Ferguson (5 september 1920 –  8 mei 1992)

Artaud, Chateaubriand, Huygens en Ruebsamen

Antonin Artaud werd geboren op 4 september 1896 in Marseille. Deze Franse avant-gardistische toneelschrijver- en criticus, dichter, acteur en regisseur behoorde enige tijd tot de surrealisten.

Antonin Artaud (eig. Antoine Marie Joseph Artaud), wiens vooruitstrevende ideeën tijdens zijn leven met onbegrip werden ontvangen, is vooral belangrijk als theoreticus van het vernieuwend theater. Artaud wilde terug naar het mysteriespel om zodoende de oerangsten en oerdriften van de mens zichtbaar te maken. Hij pleitte voor een zogenaamd “wreed theater”, een schokkende en onthullende vorm van toneel. Zijn manifest uit 1938, ‘Le théâtre et son double’, heeft grote invloed gehad op het avant-gardetheater na de Tweede Wereldoorlog.

Uit : Antonin Artaud à Jacques Rivière, 25 mai 1924

« Pourquoi mentir, pourquoi chercher à mettre sur le point littéraire une chose qui est le cri même de la vie, pourquoi donner des apparences de fiction à ce qui est fait de la substance indéracinable de l’âme, qui est comme la plainte de la réalité ? Oui, votre idée me plaît, elle me réjouit, elle me comble, mais à condition de donner à celui qui nous lira l’impression qu’il n’assiste pas à un travail fabriqué.
[…]
Cette inapplication à l’objet qui caractérise toute la littérature, est chez moi une inapplication à la vie. Je puis dire, moi, vraiment, que je ne suis pas au monde, et ce n’est pas une simple attitude d’esprit.
[…]
Il faut que le lecteur croie à une véritable maladie et non à un phénomène d’époque, à une maladie qui touche à l’essence de l’être et à ses possibilités centrales d’expression, et qui s’applique à toute une vie.
Une maladie qui affecte l’âme dans sa réalité la plus profonde, et qui en infecte les manifestations. Le poison de l’être. Une véritable paralysie. Une maladie qui vous enlève la parole, le souvenir, qui vous déracine la pensée. »
 

 

 

Antonin Artaud (4 september 1896 – 4 maart 1948)

 

François René de Chateaubriand werd geboren op 4 september 1768 in Saint Malo. In 1797 verscheen zijn Essai sur les révolutions, waarmee hij zich voorgoed tot de letteren bekeerde. Dit werk was grotendeels geïnspireerd door zijn korte buitenlandse militaire carrière en zijn leven als paria dat hij gedurende acht jaar had gekend.

Geheel in de lijn van de preromantiek las hij het werk de dichter Ossian en de werken van John Milton en Thomas Gray. Ondertussen werkte hij aan Les Natchez. Door het overlijden van zijn moeder en van een van zijn zussen vond Chataubriand het katholieke geloof terug en keerde hij terug naar Frankrijk in 1800. Door het terugvinden van zijn geloof publiceerde hij in 1801 een deel van Les Natchez: Atala, een verhaal over een christelijke maagd, Atala, die liever sterft dan haar geloof te verraden door met de Indiaan Chactas te trouwen. In 1802 volgt een tweede deel: Génie du christianisme, waarin René is ingevoegd als illustratie bij een hoofdstuk van Le Génie.

Uit: René

…/Le jour je m’égarais sur de grandes bruyères terminées par des forêts. Qu’il fallait peu de chose à ma rêverie : un feuille séchée que le vent chassait devant moi, une cabane dont la fumée s’élevait de la cime dépouillée des arbres, la mousse qui tremblait au souffle du nord sur le tronc d’un chêne, une roche écartée, un étang désert ou le jonc flétri murmurait ! Le clocher solitaire, s’élevant au loin dans la vallée, a souvent attiré mes regards ; souvent j’ai suivi des yeux les oiseaux de passage qui volaient au-dessus de ma tête. Je me figurais les bords ignorés, les climats lointains où ils se rendent ; j’aurais voulu être sur leurs ailes. Un secret instinct me tourmentais ; je sentais que je n’étais moi-même qu’un voyageur ; mais une voix du ciel semblait me dire : “homme, la saison de ta migration n’est pas encore venue ; attends que le vent de la mort se lève, alors tu déploieras ton vol vers ces régions inconnues que ton coeur demande.”
levez-vous vote, orages désirés qui devez emporter René dans les espaces d’une autre vie !
Ainsi disant, je marchais à grands pas, le visage enflammé, le vent sifflant dans ma chevelue, ne sentant ni pluie ni frimas, tourmenté, et comme possédé par le démon de mon coeur.

 

François René de Chateaubriand (4 september 1768 – 4 juli 1848)
Rond 1787

 

Constantijn Huygens werd geboren op 4 september 1596 in Den Haag. Hij heeft een enorme veelzijdigheid aan de dag gelegd. Niet alleen was hij de trouwe dienaar van drie prinsen, ook was hij een groot dichter, begaafd schilder, componist, musicus en een toegewijd vader. Hij kende zijn talen en zag veel van Europa. Hij verkeerde in de hoogste bestuurlijke kringen, maar maakte tegelijkertijd ook deel uit van de culturele elite.

Hij had een groot aandeel in het ontwerp van zijn eigen huis, was de ‘ontdekker’ van Rembrandt en onderhield contacten met grote denkers als Spinoza en Descartes. Constantijn Huygens had kortom veel weg van het toenmalige humanistische ideaalbeeld van de homo universalis. Die internationale oriëntatie vinden we ook terug in zijn poëzie, die anders was dan de gedichten die tot dan in Nederland werden geschreven, zoals de gedichten van Cats. Zijn gedichten waren vol dubbelzinnigheden, onverwachte gedachtensprongen en onalledaagse metaforen.

 

EEN ALLGEMEEN POEET

Primum ego me illorum, dederim quibus esse poetas, Excerpam numero. Horatius.

Hij is een krakend wiel, dat stadich maelt en knarst,
Van all dat in hem leeft zijn d’ herssenen ’tverwarst,
De Maegh het onversienst, ’tvermoedste Tong en Longer;
Een Waersegger, van dorst, een Logenaer, van honger;
Een aller paerden Sael; een kruijper inder daedt,
Een vlieger soo hij meent; een muffer waer hij gaet;
Een suffer waer hij sitt; een allgereedt bedichter
Van rouw, van vrolickheit; een haestigh woorden-vlichter;
Een misgeboort van ’t School; een wilde Latinist;
Een windigh wan-geback van semelen en gist
.

… 

 

Constantijn Huygens (4 september 1596 — 28 maart 1687)

 

Helga Ruebsamen is op 4 september 1934 geboren in Batavia, in Nederlands lndië. Op vijfjarige leeftijd kwam ze met haar ouders naar Nederland. In 1964 debuteerde ze met de verhalenbundel Kameleon. Eerder al ontving ze de Reina Prinsen Geerlings-aanmoedigingsprijs voor een paar van deze verhalen. Vijf jaar lang was ze zelf jurylid voor dit fonds, waardoor ze ervaring kreeg in het stimuleren, adviseren en begeleiden van beginnende schrijvers. Ze schreef De Heksenvriend ( 1966), Wonderolie ( 1970), en De ondergang van Marakov in 1971.Heel lang verschijnt er geen boek van haar. Ze is veel in het buitenland. Als ze weer terug is in Den Haag komt er in 1988 een verhalenbundel van haar uit: Op Scheveningen. De dansende kater is van 1992, een bundel tragi-komische verhalen. In 1998 wordt zij met deze roman genomineerd voor de Gouden Uil en voor de Libris Literatuur Prijs. In 1999 heeft zij opnieuw een verhalenbundel gepubliceerd met de titel Beer is terug.

Uit:Waarom drinken jullie zo veel?

 ” In een literair TV-programma vroeg Maarten ’t Hart:

“Waarom zijn er zoveel schrijvers die zo veel drinken?”

In deze aflevering zou de relatie tussen Literatuur en Alcohol worden belicht .

Als deskundigen waren komen opdraven drie doorgewinterde drankorgels, gelauwerd in de letteren zowel als in de kroeg, die met afgezakte broeken en opgeschorte rokken, halflege flessen onder de arm, lallend stonden te walsen op de tafel waaraan de beduusde presentator….nee hoor, vergeet het maar, het programma werd op een vroege zondagochtend opgenomen en iedere ware zuipschuit lag uiteraard op dat tijdstip te ronken in zijn nest en zou nooit voor zo’n programma te paaien zijn geweest, want de ware drinker heeft het op zondagochtend veel te druk met de bestrijding van zijn kater.

De ware drinker heeft het hoe dan ook altijd te druk om ook nog in TV-programma’s te kunnen verschijnen. Drinken is een volledige levenstaak, je kunt er niets anders bij doen.

Vandaar dat Maarten ’t Hart zich moest behelpen met twee tot inkeer gekomen schrijvers – een van hen was ik- en een drooggelegde dichter, die alledrie met uitgestreken gezichten achter een glaasje jus d’ orange zaten. Alledrie hadden wij in het verleden fors genuttigd , maar daarmee waren wij opgehouden. (Vraag mij nu even niet waarom.) De dichter wilde zelfs niet eens meer weten dat hij wel eens een borreltje teveel had op gehad.

Hij werd wit om zijn neus toen, voor de uitzending begon,  de andere schrijver en ik als weemoedige veteranen dranktafeleren oprakelden van weleer.

“We gaan het  niet over die bacchanalen en orgieën van vroeger hebben!” berispte hij ons preuts, ” Ik moet aan mijn winkeltje denken! Ik kom hier uitsluitend om mijn verzen voor te lezen en dat dient voor de goede verstaander voldoende te zijn.”

De presentator vermeldde als inleiding dat hij zelf van één glaasje alcohol al niet goed wordt, dat hij altijd om negen uur ’s avonds naar bed gaat en nooit te vinden zal zijn in een café, maar dat wij, drie notoire ex-gebruikers, waren aangetreden om te onthullen waarom zo talloos vele schrijvers zo onnoemelijk veel drinken.

 Eerst versimpelden wij de probleemstelling tot de vraag:

“Waarom drinken schrijvers zo veel?”

want daarop is gemakkelijk antwoord te geven.

Schrijvers die drinken, drinken nu eenmaal veel, net als alle andere mensen die drinken, omdat het immers onmogelijk is om als je echt drinkt maar een beetje te drinken, dat is een wet. Een beetje drinken is te vergelijken met “maar een beetje zwanger” zijn. Of, zoals Carmiggelt het beschreef, wie probeert om maar ’n beetje te drinken springt van een dak met de bedoeling om maar een paar etages te vallen. Een drinker drinkt dus nooit een beetje en wie het wel doet, is met iets anders bezig dan drinken. Met sociaal verkeer bijvoorbeeld, zoals het vieren van bruiloften en partijen, of met zelfmedicatie, zoals het opmonteren van een trage spijsvertering of het onderdrukken van tandpijn; allemaal geldige en begrijpelijke aanleidingen en redenen om alcohol te consumeren, maar met drinken heeft het niets te maken.”

 

Helga Ruebsamen (Batavia, 4 september 1934)

Victor Vroomkoning en Sergej Dovlatov

De Nederlandse dichter Victor Vroomkoning is de komende twee jaar stadsdichter van Nijmegen. De bekende poëzieschrijver woont in Nijmegen en gaf in die stad tot 1995 les in het middelbaar – en beroepsonderwijs. De 68-jarige Vroomkoning (pseudoniem van Walter van de Laar) is neerlandicus en filosoof. Hij heeft veel gepubliceerd in Nederlandse en Vlaamse literaire tijdschriften en bloemlezingen. Vroomkoning heeft een groot aantal prijzen gewonnen.  Vroomkoning zal voor Nijmegen zes gedichten per jaar schrijven over heden en verleden van stad en omgeving, zo heeft de gemeente donderdag bekendgemaakt. Daarnaast vervult hij een rol bij zogenoemde eenzame uitvaarten, teraardebestellingen zonder nabestaanden. Ook doet Vroomkoning mee aan educatieve projecten op scholen.

Werk o.a.: De einders tegemoet, De Stiel, Nijmegen 1983, Oud zeer, Manteau, Antwerpen-Amsterdam 1993, IJsbeerbestaan, De Arbeiderspers, Amsterdam 1999, Bij verstek, De Arbeiderspers, Amsterdam 2002

 

 

Vuilniszakken

Zoals ze daar ’s morgens
op de stoep tegen elkaar aan
geleund warmte zoekend
in hun plastic jassen
staan te wachten, grijs,
vormeloos, vol afgedankt
leven, tegelijk broos
en weerloos. Je zou ze
weer naar binnen willen
halen, je ouders
wachtend op de bus

 

Tuin

Tuin weer slagroomtaart,
hier en daar een wakkere
krokus, kaarsje wegens
het verjaren. Te mooi
om aan te snijden met
maat vierenveertig.
Toch moet de vis gelucht
onder het borstplaat
van de vijver.

Weer terug achter het
warme kijkglas tel ik
de achten die ik achter-
liet. Alleen bij sneeuw
de kraakheldere afdruk
van mijn ijsbeerbestaan.

 

Bedrijvigheid

Ik heb veel meegemaakt.
Vanaf mijn eerste dag
zocht ik mijn ouders
in mijn ouders tot hun
oogopslag vanmorgen.
Ook leefde ik veel levens
tussen vrouw en kinderen,
kreeg steeds kennis aan
de vrienden die ik had.
Onderwijl bereisde ik
de halve wereld in mijn
land, verhuisde aldoor in
mijn stad en zwierf door
de vier tuinen van mijn
tuin. Ik keek mijn ogen
uit naar het weekdier
in mijn dagelijkse bad,
herlas mijn twintig boeken
twintig maal, herschreef
mijn honderd verzen
onophoudelijk en had lief
alsof ik nooit had liefgehad

 


Victor Vroomkoning (Boxtel, 6 oktober 1938)

 

De Russische schrijver Sergej Dovlatov werd geboren op 3 september 1941 in Ufa, in het zuiden van Rusland.Hij schreef voornamelijk (vaak autobiografische) korte verhalen en romans. Hij vervulde zijn militaire dienstplicht in een Goelag gevangenenkamp, waarover hij later een roman zou schrijven. Hij begon zijn carrière als schrijver in de jaren ’60. Hij leidde het leven van een bohémien, vol drankmisbruik en vechtpartijen. Dovlatov maakte naam als journalist in Leningrad, maar het lukte hem niet zijn literaire werk uitgegeven te krijgen. Nadat hij in Leningrad in ongenade was gevallen bij de schrijversbond verhuisde hij naar Tallinn, waar hij artikelen schreef voor verschillende kranten (waaronder Večernij Tallinn en Sovetskaja Estonija). Over zijn periode in de Estse hoofdstad schreef hij het boek Kompromiss. In 1978 kreeg Dovlatov toestemming de Sovjet-Unie te verlaten; hij vestigde zich met zijn gezin in de Verenigde Staten, waar hij een baan kreeg als eindredacteur van een Russischtalige krant. In ditzelfde jaar werden zijn eerste twee boeken bij een westerse uitgeverij gepubliceerd. In de VS raakte hij bevriend met de schrijver Joseph Brodsky. Dovlatov overleed onverwacht in 1990. Hij was nog geen 50 jaar oud.

Uit: Het leven is kort (Vertaling  Eric Boerner)

»Nehmen sie«, sagte Regina, »und zusätzlich…«

Sie zog aus der Handtasche ein Manuskript in einem dünnen Umschlag. Levickij wartete geduldig. Mit einer lang erarbeiteten Bemühung setzte er eine Leidensgrimasse auf sein Gesicht. Dann fragte er:

»Ist das von ihnen?«

Regina antwortete mit der angemessenen Bescheidenheit.

»Das sind meine letzten Erzählungen. Leider nicht gerade die besten. Könnte man… Wenn es möglich wäre… Kurz, ihre Meinung… Die sprichwörtlichen zwei Worte…«

»Wünschen sie eine schriftliche Bemerkung?«

»Ja, wissen sie, die sprichwörtlichen drei Worte… Unabhängig von…«

»Ich schicke ihnen eine Karte.«

»Bemerkenswert. Meine Adresse steht auf der letzten Seite.«

Levickij stand auf:

»Und jetzt, entschuldigen sie mich. Das Prozedere.«

Mit dem Löffel klappernd, rührte Regina ihren Kaffee um. »Interessiert es sie vielleicht, wo ich abgestiegen bin…«

Levickij küsste ihr die Hand:

»Danke. Ich fürchte, meine Jugendgedichte waren ihren Anstrengungen nicht dienlich.«

Er nickte und wandte sich in Richtung Aufzug. Regina, nervös rauchend, ging zur Drehtür.

Levickij fuhr zur dritten Etage hinauf. Im Gang zu seinem Zimmer hielt er an. Er zog das Manuskript aus dem Umschlag. Riss den Papierstreifen mit der Adresse heraus. Steckte ihn in die Tasche seiner Radfahrerhose. Öffnete die vernickelte Klappe des Müllschluckers. Hielt das kleine Büchelchen in der Handfläche und warf es dann mit Schwung ins lärmende Dunkel. Denselben Weg flatterte auch, an den Wänden des Müllschluckers raschelnd, das Manuskript hinterher. Er schaffte es noch, die Aufschrift »Sommer in Karlsbad« zu entziffern. Augenblicklich war der Text geboren:

»Habe ihren warmen, klaren ›Sommer‹ gelesen – zweifach. Es liegt so eine Empfindung für das Leben und den Tod darin. Aber auch – ein Vorgefühl des Herbstes. Glückwunsch…«

Er ging auf sein Zimmer. Sofort rief er sei
ne Köchin und sagte:

»Wollen wir Haifisch spielen?«

Sergej Dovlatov (3 september 1941 – 24 augustus 1990)

Johan Daisne, Joseph Roth, Willem de Mérode

De Belgische schrijver Johan Daisne werd op 2 september 1912 in Gent geboren als Hermanus Thiery. Hij doorliep de handelsafdeling van het Koninklijk Atheneum en studeerde daarna economie en Slavische talen aan de universiteit in Gent. Na zijn promotie werkte Daisne onder meer als leraar. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij aangesteld als directeur van de Openbare Stadsbibliotheek in Gent. Een reis door Rusland resulteerde in de reportage “Stof op het Kremlin” (1935). Van 1937 tot 1948 was Johan Daisne redacteur van het tijdschrift Klaver(en)drie. Hij behoorde tot de oprichters van het Nieuw Vlaams Tijdschrift in 1945. Naast gedichten schreef Daisne romans, toneelstukken en beschouwingen. Hij was gefascineerd door de filmkunst en schreef veel over dit onderwerp. In het overlijdensjaar van Johan Daisne, 1978, verschenen zijn “Verzamelde gedichten”. Karakteristiek voor zijn poëzie, traditioneel van vorm en naar de geest verzoenend tegenover het leven van elke dag, is een bundel als “De nacht komt gauw genoeg” (1961). Andere belangrijke boeken van Johan Daisne zijn: “De trap van steen en wolken” (1942), “De man die zijn haar kort liet knippen” (1948), “Lago Maggiore” (1957), “Hoe schoon was mijn school” (1961) en “Ontmoeting in de zonnekeer” (1967). Johan Daisne werd in 1946 onderscheiden met de Staatsprijs voor Vlaamse toneelletterkunde. In 1960 werd “De neusvleugel der muze” (1959) bekroond met de Staatsprijs voor verhalend proza.

 

Je bent

Je bent, en je bent permanent,
sinds je gekomen bent, de zachte,
door niemand als door mij gekend,
de achtergrond van mijn gedachten.

Je bent, zolang het licht me schendt,
de dagen door, achter mijn jachten,
de tent waar zich mijn ziel naar wendt,
de verre grond voor als ’t zal nachten.

En donkert dan het firmament.
je bent, o droomschoot van mijn krachten,
de aan-weer-gloeiende orient,
de lent van morgen en nieuw trachten.

Je bent, en je bent permanent,
sinds je gekomen bent, present,
o achtergrond van mijn gedachten!

Op alles, als ik ’t ommewend,
vind ik je wenkend beeld present.
Je bent mijn aards en hemels wachten.

Je bent vervulling zonder end!…

 

De nacht komt gauw genoeg

Lig niet des nachts in bed te denken
aan al de dingen die ons krenken.
De dag was vol genoeg.

Probeer je niet te overtreffen
om je erboven te verheffen.
De dag was druk genoeg.

Koester de liefde voor je nering
niet tot een vuur van zielsvertering.
De eer was groot genoeg.

En denk ook zo nog morgenvroeg.
De dag komt gauw genoeg.

 

Johan Daisne (2 september 1912 – 9 augustus 1978)

 

De Oostenrijks – Hongaarse schrijver en journalist Joseph Roth  werd geboren op 2 september 1894 in Brody  in Galicië, aan de uiterste oostgrens van de toenmalige Dubbelmonarchie, en diende tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Oostenrijks-Hongaarse leger. Na de oorlog zou zijn werk doortrokken blijven van heimwee naar zijn verloren vaderland. Hij schreef romans en korte verhalen. Hij werd vooral bekend door zijn romans ‘Job’ (Hiob, 1930) en ‘Radetzkymars’  (Radetzkymarsch, 1932).In 1933 ontvluchtte hij Duitsland, waar zijn boeken verboden werden. Hij leidde sindsdien een reizend bestaan. Zijn werk werd sindsdien in Nederland uitgegeven door de Amsterdamse uitgevers Querido en Allert de Lange. Roth’s privé-leven werd vanaf 1928 overschaduwd door de ziekte van zijn vrouw die aan schizofrenie leed. In deze jaren schreef hij echter ook zijn meeste romans. Hij stierf verarmd in 1939 in ballingschap in Parijs aan de gevolgen van alcoholisme. Zijn graf is te vinden op het Cimetière de Thiais. Een van Roth’s bekendste romans is Radetzkymarsch (1932). Het vertelt over opkomst en neergang van 3 generaties van het geslacht Von Trotta, beginnend in 1859 met de grootvader, de “held van Solferino”, die in dat jaar min of meer toevallig het leven redt van de nog jonge keizer Franz Joseph. Het eindigt met de dood van de keizer in 1916. In de loop van het boek wordt de dreiging van de naderende wereldoorlog voelbaar. De oorlog die een eind zal maken aan de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie en de adellijke tak van het geslacht (Von) Trotta.

Uit : Radetzkymarsch

„Er unterhielt merkwürdige Beziehungen zum Essen. Es war, als ässe er die wichtigsten Stücke mit den Augen, sein Schönheitssinn verzehrte vor allem den Gehalt der Speisen, gewissermassen ihr Seelisches; der schale Rest, der dann in Mund und Gaumen gelangte, war langweilig und musste unverzüglich verschlungen werden.

Die schöne Ansicht der Speisen bereitete dem Alten ebensoviel Vergnügen wie ihre einfache Beschaffenheit. Denn er hielt auf ein sogenanntes »bürgerliches« Essen: ein Tribut, den er seinem Geschmack ebenso wie seiner Gesinnung zollte; diese nämlich nannte er eine spartanische. Mit einem glücklichen Geschick vereinigte er also die Sättigung seiner Lust mit den Forderungen der Pflicht. Er war ein Spartaner. Aber er war ein Österreicher.

Er machte sich nun, wie jeden Sonntag, daran, den »Spitz« zu zerschneiden. Er stiess die Manschetten in die Ärmel, hob beide Hände, und indem er Messer und Gabel an das Fleisch ansetzte, begann er, zu Fräulein Hirschwitz gewendet: »Sehn Sie, meine Gnädige, es genügt nicht, beim Fleischer ein zartes Stück zu verlangen. Man muss darauf achten, in welcher Art es geschnitten ist.Ich meine, Querschnitt oder Längsschnitt. Die Fleischer verstehen heutzutage ihr Handwerk nicht mehr. Das feinste Fleisch ist verdorben, nur durch einen falschen Schnitt. Sehen Sie her, Gnädigste! Ich kann es kaum noch retten. Es zerfällt in Fasern, es zerflattert geradezu. Als Ganzes kann man’s wohl >mürbe< nennen. Aber die einzelnen Stückchen werden zäh sein, wie Sie bald sehen werden. Was aber die Beilagen, wie es die Reichsdeutschen nennen, betrifft, so wünsche ich ein anderes Mal den Kren, genannt Meerrettich, etwas trockener. Er darf die Würze nicht in der Milch verlieren. Auch muss er, knapp bevor er zum Tisch kommt, angerichtet werden. Zu lange nass gewesen. Ein Fehler!«

Joseph Roth (2 september 1894 – 27 mei 1939)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) werd op 2 september 1887 geboren in Spijk. Zie ook mijn blog van 21 maart 2006.

 

 

BRUSSEL – I

Groote Markt

Gul en kunstzinnig is het volk geweest,
Statig van bouw en prachtig blauw van oogen,
Die gretig-wijd het gouden zonlicht zogen,
Geestig van zin en zinnelijke van geest

Hun huizen zijn als vrouwen op een feest,
Voornaam en moe, iets tot elkaar gebogen,
Met rag van kanten beeldhouwwerk omtogen,
En blank verguld, de burgerlijkste ’t meest.

Hun ouderdom volmaakte tooi en luister,
Zij droomen in een schemering van duister
Verheven boven het moderne grauw.

In de weerspiegelingen hunner ramen
Vloeien de beelden van ’t verleden samen
En flonkeren als zonneschijn in dauw

MerodeStaandeRechts

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939
Willem de Mérode staande rechts

De

Hermans, Lampo en de vader van Tarzan

Willem Frederik Hermans werd geboren op 1 september 1921 in Amsterdam. In 1971 werd aan Hermans de P.C. Hooftprijs toegekend, die hij weigerde. Toenmalig minister van het ministerie van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk, P.J. Engels, zou in zijn eerste brief (22 december 1972) aan Hermans een tikfout hebben laten staan: in plaats van Fl 8000,- zou Hermans Fl 18.000 tegemoet mogen zien. In een excuusbrief werd dit hersteld. Hermans schreef terug: ‘Men kan nauwelijks verwachten dat een schrijver zich bijzonder vereerd zal voelen wanneer hij bekroond wordt door een minister wiens handtekening van de ene dag op de andere 10.000 gulden in waarde daalt.’ Het zou niet het laatste rumoer zijn rondom de schrijver. Nadat hij zijn werk  als lector in de fysische geografie aan de universiteit van Groningen vaarwel had gezegd vestigde hij zich in 1973 als fulltime schrijver in Parijs. In Onder professoren, een ternauwernood verhulde sleutelroman, nam hij wraak op zijn oude tegenstanders en het universitaire milieu dat hem had uitgestoten. In 1977 werd hem in Brussel uit handen van de Belgische koning Boudewijn de Prijs der Nederlandse Letteren uitgereikt. Hermans zag dit als de belangrijkste en meest eervolle bekroning van zijn werk. Vooral omdat dit ook een blijk van waardering was in zijn geliefde België. Als kenner en liefhebber van de Franse taal en cultuur voelde hij zich in het bourgondische België altijd erg thuis.

Uit: De tranen der acadia’s

“Hij bukte zich, sloeg het dek van het bed op en ging liggen, alsof hij in zijn eigen bed stapte en Andrea er niet was. Zij moest er toch zijn, al begreep hij niet dat hij niet tegen haar aanstootte, toen hij ging liggen. Maar opeens kroop haar hand over zijn borst. Hij strekte zijn linker arm uit en Andrea lichtte vanzelf haar hoofd op. Zij wentelden zich tegelijkertijd naar elkaar toe. Zij wisten niet waar zij elkaar het innigst konden omklemmen. Hij streelde haar lichaam, zijn vingers zich verwarrend in de zachte zijde van haar nachthemd. Andrea kuste hem met de weke binnenkant van haar lippen die zo warm waren als zijn eigen mond en zo zacht dat hij ze nauwelijks voelde, dat hij niet kon uitmaken waar zij begon en hijzelf eindigde. Zijn hand gleed bijna angstig over haar huid, of Andrea tot hun straf plotseling in een afzichtelijk cadaver kon veranderen, of zijn vingers konden blijven haken in een open gezwel. Maar onmiddeliijk daarop sloegen zijn gedachten weer om. Zij trok de knopen van zijn ondergoed los, hij voelde haar hele lichaam techen zich aan, warm als zijn eigen bloed.” 

 

Uit: De raadselachtige Multatuli 

“De Franse tijd heeft heel wat sporen achtergelaten: een nieuwe staatsvorm, nieuwe ideeën, nieuwe wetten en de militaire dienstplicht. Maar ook slachtoffers.

Nog tientallen jaren zal de discussie over de vraag of Napoleon een monster geweest is, dan wel een kracht van de vooruitgang en de grondvester van een nieuwe tijd met nieuwe mensenrechten, niet verstommen. Ondertussen heeft de Corsicaanse heilbrenger ons vaderland straatarm achtergelaten.

Het door hem opgelegde Continentaal Stelsel, dat de handel met Engeland verbood en daardoor tot Engeland’s ondergang zou moeten voeren, had minder in het Engelse dan in het eigen vlees gesneden. Maar, als alle verbodsbepalingen, gaf ook deze, aan wie durfde, de kans zich te verrijken door het verbod te overtreden.

Een van hen schijnt de Amelandse zeekapitein Engel Douwes(zoon) Dekker te zijn geweest. Echt rijk werd hij daarvan niet.

Te Amsterdam worden de grachten bewoond door de rijken, patriciërs met dubbele namen en soms adellijke titels. In de straten en stegen die dwarsverbindingen tussen de grachten vormen, wonen de minder rijken. In een huis aan een van deze stegen, de Korsjespoortsteeg, komt op 2 maart 1820 het vierde, of eigenlijk het vijfde kind van Engel Dekker en zijn vrouw Sytske Eeltjes Klein ter wereld: Eduard.”

 

W. F. Hermans (1 september 1921 – 27 april 1995)
Zelfportret, zomer 1940


Hubert Léon Lampo
werd geboren op 1 september 1920 geboren in Het Kiel, Antwerpen. Hij is vooral bekend geworden door zijn roman De komst van Joachim Stiller (1960), die in 1976 werd verfilmd en waarvan tijdens zijn leven 44 nederlandstalige drukken en talrijke vertalingen verschenen. Lampo is in het Nederlandse taalgebied niet alleen een belangrijke grondlegger, maar tevens de met afstand bekendste exponent van het
magisch realisme, een stroming die zich kenmerkt door de realistische weergave van ‘bovennatuurlijke’ verschijnselen, eigenschappen en gebeurtenissen Het feit dat hij vrijwel de enige echt uitgesproken vertegenwoordiger van het magisch realisme in ons taalgebied was, verschafte hem bovendien een plaats in de Nederlandse en Belgische school- en geschiedenisboeken en tientallen jaren prijkte zijn werk op vrijwel alle lijsten van verplichte lectuur in het voortgezet onderwijs.

Terwijl hij met name in de jaren ’60 en ’70 van de twintigste eeuw met eer, roem en lof was overladen, zag hij zijn lezersschare nadien weer in een onthutsend tempo ineenschrompelen. Meest illustratief hiervoor is wel het feit dat hij op de lijst van de gedurende het jaar 2004 door Vlaamse bibliotheken meest uitgeleende auteurs al tot de 430e plaats was gedaald. Lampo maakte er overigens ook zelf bepaald geen geheim van dat hij zich door de allengs aanzwellende kritiek ten zeerste miskend en gekrenkt voelde.

Citaten:

“Maar een man die er naar streeft eerlijk te zijn of het langzamerhand te worden, draagt zijn rechter in het eigen hart.”

“Men kan gemakkelijker een vijandig mitrailleursnest het zwijgen opleggen, dan een herinnering, die als een luchtbel na jaren plots opnieuw naar het bewustzijn stijgt.”

“De dood: dat is maar wat snelwerkend gif in een beker wijn, een koude prik op de juiste plaats of een behoedzaam doorgesneden slagader.”

 

Hubert Lampo (1 september 1920 – 12 juli 2006)

 

Edgar Rice Burroughs werd geboren op 1 september 1875 in Chicago. Hij is vooral bekend geworden door zijn boeken over de held van de jungle: Tarzan. Zijn boek Tarzan of the Apes werd in oktober 1912 voor het eerst gepubliceerd.

 

Johnny Weissmuller in Tarzan The Apeman (1932)

 

Edgar Rice Burroughs (1 september 1875 – 19 maart 1950)

Théophile Gautier en William Saroyan

De Franse dichter en schrijver Théophile Gautier werd op 31 augustus 1811 geboren in een familie behorende tot de kleine bourgeoisie in Tarbes (departement Hautes-Pyrénées) waar hij zijn eerste lessen kreeg aan de plaatselijke school. Al vlug installeerde de familie zich te Parijs, waar Gautier gedurende korte tijd in 1822 op internaat zat aan het lycée Louis-le-Grand. Omdat hij zich daar zeer ogelukkig voelde, veranderde hij van school en ging vervolgens naar het collège Charlemagne. Daar ontmoette hij Gérard Labrunie (de latere Gérard de Nerval) met wie hij een vriendschap aanknoopte. Gautier vormde met enkele andere schrijvers en kunstenaars (waaronder de Nerval, Pétrus Borel, de schilder Corot) een eigen romantisch cenakel, le petit Cénacle genaamd. Hij las ook de eerste werken van de romantische schrijvers en begon zelf ook te schrijven. Hij las zijn eerste verzen ook voor aan Borel die hem vervolgens vol enthousiasme voorstelde aan Victor Hugo. Deze ontmoeting, op 27 juni 1829, had een grote invloed op Gautier en zou Gautier voorgoed in de richting van een literaire carrière duwen. Gautier bekleedde uiteindelijk een positie waarin hij in contact kwam met vele Franse intelligentsia. Bovendien werd hij beschouwd als een van de (theoretische) leiders van de Parnassebeweging. Baudelaire noemde zich zijn leerling en droeg zijn beroemde dichtbundel Les Fleurs du Mal aan hem op. Gautier stierf op 23 oktober 1872.

 

Plaintive tourterelle

Plaintive tourterelle,
Qui roucoules toujours,
Veux-tu prêter ton aile
Pour servir mes amours!

Comme toi, pauvre amante,
Bien loin de mon ramier,
Je pleure et me lamente
Sans pouvoir l’oublier.

Vole et que ton pied rose
Sur l’arbre ou sur la tour
Jamais ne se repose,
Car je languis d’amour.

Évite, ô ma colombe,
La halte des palmiers
Et tous les toits où tombe
La neige des ramiers.

Va droit sur sa fenêtre,
Près du palais du roi,
Donne-lui cette lettre
Et deux baisers pour moi.

Puis sur mon sein en flamme
Qui ne peut s’apaiser,
Reviens, avec son âme,
Reviens te reposer.

 

 

La Nue

 A l’horizon monte une nue,
Sculptant sa forme dans l’azur:
On dirait une vierge nue
Émergeant d’un lac au flot pur.

Debout dans sa conque nacrée,
Elle vogue sur le bleu clair.
Comme une Aphrodite éthérée,
Faite de l’écume de l’air;

On voit onder en molles poses
Son torse au contour incertain,
Et l’aurore répand des roses
Sur son épaule de satin.

Ses blancheurs de marbre et de neige
Se fondent amoureusement
Comme, au clair-obscur du Corrège
Le corps d’Antiope dormant.

Elle plane dans la lumière
Plus haut que l’Alpe ou l’Apennin;
A son corps, en vain retenue,
Sur l’aile de la passion,
Mon âme vole à cette nue
Et l’embrasse comme Ixion.

La raison dit: « Vague fumée,
Où l’on croit voir ce qu’on rêva,
Ombre au gré du vent déformée,
Bulle qui crève et qui s’en va! »

Le sentiment répond : « Qu’importe!
Qu’est-ce, après tout que la beauté,
Spectre charmant qu’un souffle emporte
Et qui n’est rien, ayant été!

A l’Idéal ouvre ton âme;
Mets dans ton coeur beaucoup de ciel,
Aime une nue, aime une femme,
Mais aime! – C’est l’essentiel! »

 

Théophile Gautier (31 augustus 1811 – 23 oktober 1872)

 

De Amerikaanse schrijver William Saroyan werd geboren op 31 augustus 1908 in Fresno, Californië. Hij was een van de belangrijkste Amerikaanse schrijvers van de 20e eeuw. De zoon van Armeense immigranten begon zijn loopbaan als schrijver met korte verhalen die verschenen tussen 1928 en 1936. Op grond van deze verhalen werd hij door de filmmaatschappij Columbia als script-schrijver ingehuurd. Naast scripts bleef hij romans en toneelstukken schrijven die vooral tijdens de economische crisis van de jaren dertig popul
air waren. In zijn werk vertelde hij vaak de geschiedenis van het opgroeien als zoon van Armeense immigranten. William Saroyan kreeg de Pulitzerprijs voor zijn toneelstuk The Time of your Life en een Acadamy Award voor het script van de film The Human Comedy.

Werk, o.a:  The Time of Your Life, October 1939, The Cave Dwellers, 1957, Here Comes There Goes You Know Who, 1961, Sons Come and Go, Mothers Hang in Forever, 1976

Uit: Growing up in Fresno

“Now, that’s when my real memories of Fresno began. And, I like all that about Fresno. I like the geometry of, the precise geometry, of setting out vines and orchards. And I was astonished by the contrast between the orderliness, if slightly despotic, of The Fred Finch Orphanage, and the total freedom and independence of the lifestyle, if I may use that overworked term, in Fresno. In a certain kind of a way, the postponed arrival of myself into a home of my own at the center of my own family, being in Fresno, surely made me helplessly aware, if not passionately fond, of the place. As we all know, one’s impulses to leave the place of one’s earliest life — I certainly was delighted to leave The Fred Finch Orphanage, and in 1926, a mere 10 years after my arrival in Fresno, I was delighted to leave Fresno, too. And, it wasn’t any too soon, because I really had become fed up, not only with the limitations and the preoccupations of the people of Fresno, but the same limitations and preoccupations of the members of my own family. A very special people, as members of any family are special. It was only later that I came to see from the perspective of faraway cities some of the charm and some of the depth, dimension, and potential meaning of Fresno, all of which has to be created by each member of that Fresno family. The immediate family and then the local family — visitors to the city itself. We are all visitors to whatever city we are in. There isn’t a great deal that can be said about any proximity of Fresno to culture in the sophisticated sense of that word. Culture is actually nothing more than how people say hello to one another and how they feel about one another, and whether or not they have a certain compulsion to be courteous with one another.”


William Saroyan (31 augustus 1908 – 18 mei 1981)

Maurice Maeterlinck

De Belgische dichter en schrijver Maurice Maeterlinck werd geboren op 29 augustus 1862 in een Gentse familie van rijke afkomst. Na een korte loopbaan als advocaat ruilde hij de balie voor het literaire leven van Parijs. Hij werd schrijver, eerst van toneelstukken, later van natuurfilosofische essays. Maeterlinck genoot een ongelooflijke populariteit. In 1911 werd hij wereldwijd gelauwerd. Hij ontving als eerste en voorlopig enige Belg de Nobelprijs voor Literatuur. In eigen land was het enthousiasme iets minder. De kerkelijke overheid plaatste er in 1914 zijn gehele oeuvre op de lijst van verboden werken. Daarentegen werd hij In 1932 door Koning Albert I tot graaf benoemd. Maeterlinck debuteerde in Parijs met zijn enige bundel gedichten: “Serres chaudes” in 1889. Hetzelfde jaar werd zijn eerste toneelstuk “La Princesse Maleine” opgevoerd. ‘Le Figaro’ is wild enthousiast. Maeterlinck werd in één klap beroemd. Zijn werk vol melancholie, mystiek en de schaduw van de dood, werd het boegbeeld van het symbolisme. Het stuk “Pelléas en Mélisande” (1892) keeg zelfs nog een tweede leven als opera van Claude Debussy. Rond de eeuwwisseling lag Parijs aan zijn voeten en werd zijn werk vertaald in twintig talen. Hij legde zich toe op het schrijven van essays met een natuurwetenschappelijke, filosofische inslag, waaronder “La Vie des Abeilles” (“Het leven van de bijen“, 1901) en “L’Intelligence des Fleurs” (“De kennis van bloemen”, 1907). Maurice Maeterlinck schreef in het Frans, maar een uitgebreide zoektocht op internet leverde maar een Frans gedicht op. Wel drie vertalingen in het Nederlands.

 

Oraison

Mon âme a peur comme une femme.
Voyez ce que j’ai fait, Seigneur,
De mes mains, les lys de mon âme,
De mes yeux, les cieux de mon cœur !

Ayez pitié de mes misères !
J’ai perdu la palme et l’anneau ;
Ayez pitié de mes prières,
Faibles fleurs dans un verre d’eau.

Ayez pitié du mal des lèvres,
Ayez pitié de mes regrets ;
Semez des lys le long des fièvres
Et des roses sur les marais.

Mon Dieu ! d’anciens vols de colombes
Jaunissent le ciel de mes yeux,
Ayez pitié du lin des lombes
Qui m’entoure de gestes bleus !

Maurice Maeterlinck (1862-1949)
Extrait de Serres chaudes, 1890

 

Broeikas

O Broeikas in het midden der wouden.
En Uw altijd gesloten deuren.
En al wat er is onder Uw koepel van glas
en in mijn ziel om te vergelijken met U.

De gedachten van een prinses die honger heeft,
de verveling van een matroos in de woestijn,
een kopermuziek onder de ramen van ongeneeslijk zieken.

Ga tot in de lauwste hoeken.
Het is als een bewusteloos-geworden vrouw op een dag
van de oogst;
er zijn postillons op de koer van het armenhuis;
in de verte gaat een jager op elanden voorbij, die ziekenverpleger
is geworden.

Zoek rond in de maneschijn.
(O, Niets is er op zijn plaats.)
Het is als een gekke voor haar rechters,
een oorlogsschip met volle zeilen op een kanaal,
nachtvogels op lelies,
gelui van doodsklokken omtrent het middaguur
(Ginder onder de stolpen),
een dagreis van zieken over het grasland,
een geur van ether in de zonneschijn.

Mijn God, Mijn God, wanneer krijgen wij regen,
en sneeuw en wind in de serre van glas ?

* * *

Serre der verveling

O die blauwe verveling in het hart.
Met als beters te verwachten:
Mijn dromen blauwig van smachten
In maanlicht, wenend en hard.

Verveling, blauw als de serre,
Waarin besloten zijn –
Achter ruiten met diep-groene schijn,
Overdekt met maanlicht en glanzen

De grote vegetaties
Wier nacht’lijk vergeten-zijn
zich droom-onbeweeglijk uitspreidt
Over de kleurloze rozen der passies –

Terwijl water zich langzaam verheft
En de maan en de hemel vermengt
Tot een zeegroene, eeuwige snik
In een monotoon-langzaam gedroom.

* * *

Verveling

De nonchalante pauwen zijn gevlucht,
De pauwen van vandaag, de witte pauwen,
Voor het komen van de dageraad beducht,
Gevlucht voor de verveling van ’t ontwaken,
Ik zie de witte pauwen, in mijn slaap gevlucht,
De pauwen van vandaag, de achteloze pauwen,
Die onverschillig, onder grijze lucht,
Belanden bij de vijver zonder zon, de grauwe,
Ik hoor de witte pauwen der verveling, op de vlucht,
Gevoelloos uitzien naar de zonneloze dagen.

 

 

 Gedichten uit de “Serres Chaudes”
vert. door J.L.De Belder

 

 


Maurice Maeterlinck (29 augustus 1862 – 6 mei 1949)

Janet Frame en Robertson Davies

Janet Frame werd geboren in Dunedin en groeide op in Oamaru. Ze ontving haar opvoeding in Waitaki Girls’ High School en het Dunedin Teachers College. Later leefde ze lange tijd in Londen en in de VS.. In 1947 werd er bij vergissing schizofrenie bij haar geconstateerd en liet zij zich opnemen in het Seacliff Mental Hospital. Ze bracht zeven jaar onder uiterst moeilijke omstandigheden door in verschillende psychiatrische klinieken en onderging meer dan tweehonderd elektroshocks. In deze tijd publiceerde zij haar eerste boek, een verzameling korte verhalen getiteld De lagune (The Lagoon and Other Stories, 1951). Op het moment dat haar boek de Hubert Church Memorial Award ontving, scheelde het niet veel of ze moest een lobotomie ondergaan. Door haar literaire werk raakte men uiteindelijk overtuigd dat zij niet geestelijk gestoord was.In 1956 verliet ze Nieuw-Zeeland met financiële ondersteuning van het State Literary Fund. Ze woonde gedurende zeven jaar op Ibiza, in Andorra en in Engeland.

Werk o.a:  Owls Do Cry (1957)The Pocket Mirror(1967), An Angel at My Table (1984)

The End

 

At the end

I have to move my sight up or down.

The path stops here.

Up is heaven, down is ocean

or, more simply, sky and sea rivalling

in welcome, crying Fly (or Drown) in me.

I have always found it hard to resist an invitation

especially when I have come to a dead end

a

dead

end.


The trees that grow along cliff-faces,

having suffered much from weather, put out thorns

taste of salt

ignore leaf-perm and polish:

hags under matted white hair

parcels of salt with the string tangled;

underneath

thumping the earth with their rebellious root-foot

trying to knock up

peace

out of her deep sleep.


I suppose, here, at the end, if I put out a path upon the air

I could walk on it, continue my life;

a plastic carpet, tight-rope style

but I’ve nothing beyond the end to hitch it to,

I can’t see into the mist around the ocean;

I shall have to change to a bird or a fish.


I can’t camp here at the end.

I wouldn’t survive

unless returning to a mythical time

I became a tree

toothless with my eyes full of salt spray;

rooted, protesting on the edge of this cliff

– Let me stay!

 

Eater of Crayfish

 

Commonplace, divine, bald, at home,

licking day-long breath from the walls of his air-cell

he will eat the crayfish green-garnished in its blush of dying,

burned, like love, in and beyond the salt element.


He will taste the embarrassment of dying,

tear off the livid armour hiding the bloodless flesh,

destroy the cable laid along the sea-bed

communicating bloom of excrement.


From the time he is born he will need to eat this crayfish,

his left hand love, his right hand hate, he will take

larger and larger meals of nightmare till his life accumulates

eyes, eyes, that walk on twigs under the sea.

 

Janet Frame (28 augustus 1924 – 29 januari 2004)

 

William Robertson Davies  werd geboren op 28 augustus 1913 in Thamesville, Ontario, Canada. Hij studeerde in Oxford en genoot een opleiding in acteren, regisseren en toneel management bij de Old Vic Repertory Company. Hij werkte van 1942 tot 1963 bij de Peterborough Examiner, een krant die in het bezit was van zijn familie en doceerde Engels aan de universiteit van Toronto van 1960 tot 1981.

Roberson Davies’ vroege roem was gebaseerd op de toneelstukken Eros at Breakfast (1949) en At My Heart’s Core (1950), die een satire vormen op de Canadese normen en waarden. Hij publiceerde ook humoristische essays als The Diary of Samuel Marchbanks (1947); The Table Talk of Samuel Marchbanks (1949) en Samuel Marchbanks’ Almanack (1967).

Roberson Davies’ drie romantrilogies bevestigden zijn faam als Candada’s belangrijkste letterkundige. De eerste, de Salterton trilogie, bestaat uit Tempest-Tost (1951), Leaven of Malice (1954) en A Mixture of Frailties (1958), speelt zich af in een provinciale Canadese universiteitsstad. De Cornish trilogie bestaat uit The Rebel Angels (1981), What’s Bred in the Bone (1985) en The Lyre of Orpheus (1988). Het is een satire op de wereld van de kunst, de opera en andere aspecten van de hogere cultuur in Canada. Murther & Walking Spirits, geschreven vanuit het perspectief van een dode man, verscheen in 1991. Davies’stierf op 2 december 1995 in Orangeville, Ontario.

Citaten:

“ I once had a dispute with a group of Swedish professors at the University of Uppsala as to which country, Sweden or Canada, was the dullest in the world. It was a draw; they claimed superiority because of their long history, and I claimed it because of Canada’s immense land mass, which gives us space for tremendous expansion, even of such things as dullness.”

“ This strengthens a belief which I have long cherished, that in a few centuries women will be the larger, stronger sex, admired for their biceps and superfluous hair, and that men will be their toys and domestic comforters, exciting tenderness in the female breast by their small feet, pretty soft hands, and general helplessness. I do not think I have a heart, for I have never been able to locate my pulse, or any other symptom of a circulatory system, but I am willing to share any of the benefits of male delicacy.”

“ Have you never read the manifesto of the Marchbanks Humanist Party? How does it begin?
The more taboos and prohibitions there are in the world
The poorer the people will be.
The more sharp weapons the people have
The more troubled the state will be.
The more cunning and skill man possesses
The more vicious things will appear.
The more laws and orders are made prominent
The more thieves and robbers there will be.
And who wrote that, do you suppose?” “You, I imagine.” “No, you don’t imagine. That’s what’s wrong with you, and your kind; you don’t, and can’t imagine. Those words were written by the Chinese sage Lao Tzu in the sixth century BC.”


William Robertson Davies (28 augustus 1913 – 2 december 1995)

Tom Lanoye en Charles de Coster

Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Hij woont en werkt in Antwerpen en Kaapstad.  Hij staat bekend als dichter, romancier, verhalenschrijver, columnist, toneelauteur en scenarist, en ook als performer van eigen en andermans werk. Is tevens oprichter en gedelegeerd bestuurder van de literaire factorij NV L.A.N.O.Y.E. Hij was  van 1 januari 2003 tot begin 2005 de eerste officiële stadsdichter van Antwerpen. Zelf noemde hij zich liever ‘externe stadsopsteller’. Tot zijn bekendste prozaboeken behoren de bestsellers Kartonnen dozen, het verfilmde Alles moet weg, de zogeheten Monstertrilogie (Het goddelijke monster, Zwarte tranen en Boze tongen), alsook de verhalenbundel Een slagerszoon met een brilletje.

 

Mijn moeilijk lief (1/3)

Vervloekt heb ik u, meer dan Beerschot ooit
verloor. Verlaten? In gedachten meer
dan eb en vloed uw kaden konden boenen.
Verraden? Nooit. Maar des te kwader vaak,
lijk iedere sinjoor, loop ik uw straten door
waarin zo veel zo grondig werd verklooid.

Maar waar – vooral door al wie er níet woont –
wat waardevol is nóg wordt weggehoond.
Dat ligt zwaar op mijn maag als ik dat hoor.
Ik spring dan – ondanks alles – in uw bres
en prijs u torenhoog. Ik wijs op uw
verleden, uw parlee, uw kathedraal.
Uw jazz toen jazz te boek stond als exces.
Ik toon u thans: uw kunst, uw diamant,
uw mannen van de mode en de dans.

Ik noem het allemaal! Maar met tactiek.
(Dus zonder uw balans en wapentuigtrafiek.)
(Uw flikken, al dan niet met vals krediet
en karren vol klandizie voor hun snol.)
(Uw secretaris met zijn vriendjeskliek.)
(Uw Schepenen met rugzak en sacochen.)
(Hun sleutelhangers, groter dan briochen.)
(De kaartjes voor hun koters.) (Hun paniek,
na jaren van struisvogelpolitiek.)

Oh nee! Dan krijgt kritiek bij mij geen kans.
Ik smelt voor uw tragiek en blijf u trouw.
Ik zing uw renommee. Qua fijne schrans.
Uw internationale resonans. Qua bier
met col en rock-‘n-roll met zwans.
Uw trotse koppigheid. Uw hoerenchance.
Uw fel talent – gemaltraiteerd misschien,
maar door geen twintig charlatans te nekken.
Al uw geweldig bruisen! Al dat pakkends…
Wie dan nog met u lacht, krijgt op zijn bakkens.

   

Pleinvrees voor het Theaterplein, wieg
van de vogelenmarkt, smartelijk
wachtend op renovatie
 

geniet op mijn banken
vergader op mij ja voetbal
betoog verlies in de massa
mekaar uit het oog –
maar geef dat ik niet
met mijzelf overschiet

kietel mijn flanken met de
rankste der skaters versier
mij met kruiden & kramen
voor uw gulzigste eters –
maar geef dat ik niet
hier alleen wortel schiet

sta op mij in de rij om
ter meest om ter langst
maar laat mij niet liggen
& vergeef mij die angst –
ik ben maar lijk gij
& gelijk ieder mens:

van mijn essentie –
de leegte – ben ik
zelf nog het bangst
.   

Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)

 

Charles de Coster, in het Frans altijd als De Coster geschreven, werd geboren op 20 augustus 1827 in München. Hij had een Vlaamse vader en een Waalse moeder en studeerde aan de Université Libre de Bruxelles waar hij zich aansloot bij de democratische en anti-clerikale opvattingen. Hij werd eerst journalist en later leraar aan de militaire school in Brussel.Les Légendes flamandes (Vlaamse legenden), in het tijdschrift Uylenspiegel, waaraan hij meewerkte, kende snel enig succes maar de rest van zijn werk genoot pas later bijval. Zijn voornaamste werk La Légende et les Aventures héroïques, joyeuses et glorieuses d’Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs viel niet in de smaak in Belgische conformistische kringen. Het was gekend in de hele wereld en vertaald in alle Europese talen, maar in eigen land genegeerd. In de jaren 70 werd het verfilmd in het Russisch, tegen de achtergrond van de Tachtigjarige Oorlog.

Uit  Uilenspiegel: 

“Te dien tijde namen de geuzen, onder welke Lamme en Uilenspiegel waren, het stedeken Gorkum.En zij waren aangevoerd door kapitein Marinus.Deze Marinus, die vroeger dijkwerker was, was weergaloos trots en verwaand en tekende met Gaspard Turk, den verdediger van Gorkum, ene capitulatie, bij dewelke Turk, de monniken, poorters, en soldaten, die binnen de vesting waren, vrijelijk zouden mogen uitgaan, met de kogel in de mond, het musket op de schouder, met alles wat zij zouden kunnen dragen, uitgenomen de goedingen van kerken en kloosters, die aan de belegeraars moesten komen.Maar op bevel van messire Lumey wederhield kapitein Marinus negentien monniken; alleen de soldaten en poorters liet hij gaan.En Uilenspiegel sprak:“Soldaten woord moet gulden woord wezen. Waarom breekt hij het zijne?”Een oude Geus antwoordde hem:“De monniken zijn zonen Satans, de melaatsheid der landen, de schande der volken.Sedert de komst van den bloedige hertog spelen dezen hier de baas in Gorkum.Onder hen is er een, paap Nicolaas, die fier is als een pauw en wreed als een tijger.Telkenmale dat hij over de straat ging met zijn monstrans, waarin zijn met hondenvet gebakken ouwel stak, keek hij met grammoedige ogen naar de huizen, uit welke de vrouwen niet kwamen om neder te knielen, en kloeg hij bij den rechter al degen
en aan, die de knie niet bogen voor zijnen afgod van water en bloem.De ander monniken volgden zijn voorbeeld.

Dat was de oorzaak van vele gruweldaden, verbrandingen en andere wrede folteringen in het stedeken Gorkum.-”

 

Charles de Coster (20 augustus 1827 – Elsene, 7 mei 1879)

Apollinaire, Romains en Isherwood

De Franstalige schrijver en dichter Guillaume Apollinaire is in Parijs geboren op 26 augustus 1880 als zoon van een ongehuwde moeder van Poolse afkomst en een Italiaanse officier. In Parijs ontmoet hij de groten van zijn tijd: Picasso, De Vlaminck, Henri Matisse, George Braque, Dufy, Van Dongen en Henri Rousseau. Daar ontwikkelt hij zijn grote schrijftalent. Hij ontmoet Marie Laurencin, maar ook zij verlaat hem om met een ander te trouwen. Hij beschrijft dit in Le poète assassiné (De vermoorde dichter). In 1913 verschijnt zijn dichtbundel Alcools. Vele bundels volgen. In november 1918 sterft hij aan de Spaanse griep en wordt begraven op Père-Lachaise. Na zijn dood wordt Calligrammes uitgegeven, gedichten die Apollinaire in de loopgraven heeft geschreven. Het werk van Apollinaire is van grote invloed geweest op Dada.

Nocturne

Le ciel nocturne et bas s’éblouit de la ville
Et mon cœur bat d’amour à l’unisson des vies
Qui animent la ville au-dessous des grands cieux
Et l’allument le soir sans étonner nos yeux

Les rues ont ébloui le ciel de leurs lumières
Et l’esprit éternel n’est que par la matière
Et l’amour est humain et ne vit qu’en nos vies
L’amour cet éternel qui meurt inassouvi

 

Automne

Dans le brouillard s’en vont un paysan cagneux
Et son boeuf lentement dans le brouillard d’automne
Qui cache les hameaux pauvres et vergogneux

Et s’en allant là-bas le paysan chantonne
Une chanson d’amour et d’infidélité
Qui parle d’une bague et d’un coeur que l’on brise

Oh! l’automne l’automne a fait mourir l’été
Dans le brouillard s’en vont deux silhouettes grises

 

Guillaume Apollinaire (26 augustus 1880 – 9 november 1918)

 

De Franse schrijver Jules Romains, pseudoniem van Louis Henri Farigoule, werd geboren op 26 augustus 1885 in  La Chapuze in het kanton Saint-Julien-Chapteuil. Zijn vader was leraar en zelf studeerde hij filosofie en biologie aan de Sorbonne. Later bekleedde hij leerstoelen in Brest, Nice en Parijs. In 1936 werd hij voorzitter van de internationale PEN Club. Dat was niet onomstreden omdat hij contacten had met een organisatie die dichtbij het nationaal-socialisme stond. Naar aanleiding van de bezetting van Frankrijk door Nazi-Duitsland emigreerde hij naar de VS en ging hij in New York wonen. In 1946 keerde hij naar Frankrijk terug en in het zelfde jaar werd hij lid van de Académie française.

Werk, oa: Knock, toneelstuk (1923),  Les Hommes de bonne volonté romanserie (1932-1947)

La chapelle

Entre deux piliers noirs sculptés dans le mystère,
Qui portent noblement la charge des arceaux,
La chapelle d’un saint se creuse, solitaire,
Comme un golfe antique où dorment les vaisseaux.

Et tant d’âmes déjà, mouettes immortelles
Que chassait sur les flots le vent de haute mer,
A l’abri de ces murs vinrent plier leurs ailes,
Qu’un peu de duvet blanc s’éternise dans l’air.

Si de l’ombre s’étale en nappes sur les pierres,
C’est qu’elles ont reçu depuis quatre cent ans
La fumée odorante et fine des prières,
Et les larmes de l’homme et les larmes du temps.

Un antique vitrail rêve près de la voûte
D’où ruisselle, roulant des constellations,
Claire comme la foi que ne trouble aucun doute,
Une rivière lente et calme de rayons.

Le vitrail généreux fait à toutes les choses
Qu’il soulève et qu’il tire à lui comme un aimant,
L’aumône de ses ors, de ses bleus, de ses roses,
Et jette à leur détresse un bout de firmament.

Et quand je passe là, plein d’angoisse, il me semble
Que, si le beau vitrail voulait s’ouvrir un peu,
Je verrais, à travers un arc-en-ciel qui tremble,
Tout proche, devant moi, frôlant mon âme, Dieu.

Jules Romains (26 augustus 1885 – 14 augustus 1972)

 

De Brits-Amerikaanse schrijver Christopher William Bradshaw Isherwood werd geboren op 26 augustus 1904 in Disley in het graafschap Cheshire in Engeland als zoon van een officier. Naar eigen zeggen ontdekte hij al op tienjarige leeftijd dat hij homosexueel was. Hij studeerde geschiedenis en medicijnen in Cambridge en Londen. Van 1929 tot 1933 leefde hij als leraar moderne talen in Berlijn, eerst aan het Institut für Sexualwissenschaft van Magnus Hirschfeld, toen in Berlijn – Kreuzberg en tenslotte vanaf december 1930 in Berlijn – Schöneberg, Nollendorfstraße 17, waar nu een gedenkplaat aan Isherwood herinnert. De romans Goodbye To Berlin en Mr Norris Changes Trains grijpen terug op Isherwoods belevenissen in het Berlijn van de jaren twintig. De stof voor de musical Cabaret is er grotendeels aan ontleend. Nadat hij uitgebreide reizen gemaakt had in Europa en naar China (1938) emigreerde Isherwood in 1939 naar de VS. Hij woonde in Calefornië en werkte als script schrijver voor de studio’s van Hollywood. In die tijd leerde hij de filosofie van de Vedanta kennen die zijn leven lang belangrijk voor hem bleef. In 1946 werd hij Amerikaans staatsburger. Isherwood had vijfendertig jaar lang een relatie met de dertig jaar jongere schilder Don Bachardy waarmee hij onder andere zijn novelle Meeting By The River omwerkte voor toneel. Op latere leeftijd engageerde Isherwood zich nog voor de Amerikaanse Gay Rights Movement.

On His Queerness

 

When I was young and wanted to see the sights,

They told me: ‘Cast an eye over the Roman Camp

If you care to.

But plan to spend most of your day at the Aquarium –

Because, after all, the Aquarium –

Well, I mean to say, the Aquarium –

Till you’ve seen the Aquarium you ain’t seen nothing.’

 

So I cast my eye over

The Roman Camp –

And that old Roman Camp,

That old, old Roman Camp

Got me

Interested.

 

So that now, near closing-time,

I find that I still know nothing –

And am still not even sorry that I know nothing –
About fish.

 

Zijn meest geciteerde tekst is wellicht het begin van Goodbye to Berlin (1939): “I am a camera with its shuter open, quite passive, recording, not thinking. Recording the man shaving at the window opposite and the woman in the kimono washing her hair. Some day, all this will have to be developed, carefully printed, fixed.”

Christopher Isherwood (26 augustus 1904 – 4 januari 1986)
Portret door Don Bachardy, 12 juli 1979