J. Bernlef, Sascha Kokot

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog..

 

Heel iemand anders

Volgens de bovenmeester was ik een mulo-kandidaat
voorbeeld van grijze middelmaat, onopvallend
verlegen, tot niet bijster veel in staat

Toen mijn vader verhaal kwam halen
keek meester peinzend voor zich uit
zat zo’n jongen werkelijk in zijn klas?

Vader kwam briesend thuis: hij wist
niet eens je naam of wie je was
ik knikte maar wist: meester had gelijk

Hij kon mij niet zien omdat ik jaren
getraind had op onzichtbaarheid
die kunst tot in de puntjes meester was

Vader kwam er later vaak op terug
wilde dat ik van alle markten thuis
de enig juiste richting vond

Ik trainde omgekeerd tot ik
tenslotte plotseling heel iemand
anders geworden voor hem stond.

 

Stilleven (met echt bloed)

de oprechtheid van
de groene plastic beker
met witte stippen

de baldadigheid van de
tandenborstel met wijd
uitstaande haren

de eerlijke ouderdom
van de half op-
gerolde tube

zo zou ik iedere morgen
willen denken

even duidelijk
mijn woorden
als de beweging

waarmee ik poets
en poets tot
het tandvlees bloedt

 

Winst in de woestijn

En steeds weer moet ik het ongelofelijke leren
een spiegelbeeld waarin ik leef
de pool verandert uit liefde zijn lading

De hitte van de huid ontwaakt in een woestijn
alleen zijn – zwijgen – slapen zonder schaduw
blijkt opeens uiterste copulatie te zijn

Dit geluiddichte zand is de enige metafoor
al zo versleten dat het haar voetstoots aanvaardt
zonder dat ik bijgeluiden hoor

Ik kan haar niets beloven want alles is te zien
(niet achter heuvels het zachte gras – het eiland – de vrije woning)
zij ziet meteen wat ik verdien

Zand. En niet eens een schep voorhanden
(ik wil alles voor je doen)
er is geen keuze, er bestaan geen betere landen

Zomin als er iets is
waarmee je bent te vergelijken
‘als’ is in dit land steeds mis

En dat is de winst uit dorst gewonnen
ik zeg ik heb je lief en jij weet
hij heeft het niet verzonnen.

 

J. Bernlef (14 januari 1937 – 29 oktober 2012)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

de kinderen zijn we kwijtgeraakt

de kinderen zijn we kwijtgeraakt
we kennen hun namen niet
er was geen tijd om ze uit te kiezen in te studeren
hun kamers blijven ongebruikt
onze lichamen hebben daarin geen nut
onzeker tegenover elkaar
wijzen ze ons steeds verder weg
ze lijken de routes feilloos te kennen
ook al weten we nauwelijks nog
wat ons hier houdt in de koude gangen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e januari ook mijn blog van 14 januari 2019 en eveneens mijn blog van 14 januari 2018 deel 2.

Donald Niedekker

De Nederlandse dichter en schrijver Donald B. Niedekker werd geboren in Amsterdam op 14 januari 1963. Hij publiceerde met fotograaf Harold Naaijer een aantal reisboeken. Hierna publiceerde hij romans, novellen en dichtbundels. Zijn romandebuut is “Hier ben ik uit 2002”. Hoofdonderwerpen zijn de familie Bruynzeel en liefdevolle herinneringen aan zijn grootvader. In 2008 schreef Niedekker onder het pseudoniem Ellen Wenkelbach het boek “Het moet wel beschaafd blijven” waarin hij het leven van de hoofdpersoon Carla beschrijft. Deze roman gaat over eenzaamheid en over de onbelangrijkheid van luxe. De roman “Oksana” werd in 2017 genomineerd voor de Fintro literatuurprijs. Niedekker ontving in 2021 de Brusselse VUB Luc Bucquoye Prijs voor eigenzinnige literatuur, en kreeg de F. Bordewijk-prijs 2022 “voor Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost”.

Uit: Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost

“De geograaf denkt na. De predikant denkt na. De astronoom denkt na. Over grenzen. Grenzen van het land en grenzen van de open zee. Grenzen die God aan de mens heeft gesteld. Grenzen aan wat we kunnen weten en grenzen van het heelal. Grenzen aan het meten van de lengtegraad. De Jakobsstaf zou al lang verouderd moeten zijn. Grenzen achter Kaap Tabin. Petrus Plancius is de geograaf. Petrus Plancius is de predikant. Petrus Plancius is de astronoom. Hij is zo te zeggen de drieschaar van de Noordoostpassage. Of ik bij deze afvallige van de Roomse Kerk met de drie-eenheid, heilig of niet, op de proppen kan komen is een kwestie die buiten mijn overigens uiterst bescheiden bevoegdheid valt. Petrus Plancius kent de wereld van kaarten en van verhalen waar stuurmannen mee terugkomen. Observaties, kustlijnen, dieptemetingen met het schietlood, ankerplaatsen, heersende winden, zeestromingen, gedrag van vogels, afwijkingen van het kompas. Hij kent de wereld van de cijfers en die van het Woord. Als Petrus Plancius nadenkt is het bijna alsof God nadenkt. Laten we zeggen, een koele, misschien wat steile geest waarvan elk punt een middelpunt is van gedachten, theorieën en leerstellingen. Nu denkt hij na over grenzen en stuit hij op een grens in zijn geheugen. Dat irriteert hem. Zijn geheugen staat hem normaal ter beschikking als de Bijbel. Onfeilbaar, een glashelder, kloppend bouwwerk van verwijzingen, toespelingen, allegorieën die elkaar in elkaar spiegelen. Geen speld tussen te krijgen. De koets, getrokken door drie vosbruine paarden en een schimmel, hotsebotste over een kuilige zandweg. Ze passeerden lotgenoten die ook Brussel, Antwerpen, Brugge waren ontvlucht. Een vader in een gehavende vilten jas deelde in de berm een plat brood en een worst met drie kinderen die tegen hem aan leunden. Nee, hij wilde niet kijken. De wielen rammelden over een knuppelbrug, was het de Rijn bij Leiden?, en Petrus Plancius had een flits van inzicht. Hij had het meteen moeten opschrijven, maar zijn ganzenveren, inktpot en vellen papier lagen in een kist op het dak van de koets waar takken langs schuurden. Ergerlijk. Ook het geluid van die takken. En nog ergerlijker is het dat hij zich nu, nu zijn pennen geslepen op de eikenhouten tafel liggen onder het scheepje aan het balkenplafond, een tafel groot genoeg voor een kaart van de wereld, Cornelis Claesz had hem op zijn tweede dag in Amsterdam er een verkocht, nu zijn pennen klaar voor gebruik liggen, het papier blank en de inktpot geopend, hij zich inval niet kan herinneren. Hij had de doorgang gevonden. Maar als je de premisse bent vergeten kun je niets aanvangen met die verwarrende reeks van thesen, antithesen en synthesen. Ergerlijk. Hij had niet naar buiten moeten kijken. Naar de vrouw in een dikke katoenen, ruim geplooide rok, die onder haar verstelde jas een grijs hemd losknoopte en de baby, een kleine roze vlek in jute, zoogde terwijl een man de akker in sjokte. Enkele weken geleden was Plancius de vrouw misschien in Brussel op het marktplein gepasseerd.”

 

Donald Niedekker (Amsterdam, 14 januari 1963)

Edmund White, Adrian Kasnitz

De Amerikaanse schrijver en essayist Edmund White werd geboren op 13 januari 1940 in Cincinnati. Zie ook alle tags voor Edmund White op dit blog.

Uit: A Previous Life

“Six months had gone by and the day was fast approaching when they’d agreed to read their memoirs in alternating chapters out loud to each other. They were in the Engadin, in the little town of Sils Maria. Around the corner, in a two-story house painted white with green trim, Nietzsche had lived briefly in the upstairs room. Now the Engadin was a costly ski resort, twice the site of the Winter Olympics, but in Nietzsche’s time, it must have been one of the most remote places on earth, reachable from Italy only by a steep, perilous road through the Maloja Pass in a carriage, then a sleigh pulled by six lathered-up horses baring their big yellow teeth around the bits, their breath visible in the cold mountain air (a sleigh ride was disagreeably called a Schlittenfahrt in German). The most famous village in the area was St. Moritz.
They had no visible servants there, though an expensive service washed the sheets, shoveled the roof and walkway, watered the plants, ran the sweeper, aired the rooms (throwing back the heavy duvet), turned up the heat a day in advance of their return, dusted everything (though there was no dust so high up in the mountains). The simple priceless side tables inlaid with split reeds and designed in the 1920s, the overhead lamp from the 1950s made in Milan, sprouting multicolored metal cups of light, the matronly restuffed 1950s couch from Paris in green velvet, the polished wood zigzag chairs, the huge painting of the naked, dagger-wielding artist himself with Italian words spilling out of his mouth— all of it materialized before their eyes as Ruggero turned on the track lighting and disarmed the security system. The room looked glaring and guilty as a police photo of a murder scene. Not one thing in it had Constance chosen. She had put up a favorite Chagall poster of a red rooster, but it had mysteriously disappeared and found its way into the unused maid’s room. She knew the house represented the high point of taste (she knew it because connoisseurs exclaimed over it and shelter magazines often asked to photograph it but were always turned down. Ruggero was worried about thieves and tax collectors).
This afternoon they’d arrived in their four-wheel drive, so suited for navigating through the snow. Ruggero had insisted on skiing right away. Constance didn’t really ski. She’d taken lessons but was afraid of heights, and even the mountain lifts made her sick. The only reason to ski was to keep Ruggero company, and after she discovered he found her ineptness annoying she abandoned the unpleasant effort. Whereas he had gone on ski holidays with his distant cousins every January since he was six, she had never even put on a ski boot until she was twenty-eight— and had promptly broken her toe and had to sit slightly drunk by the fire with a lap robe and a brandy snifter (how delightful!), watching through the windows the dying light illuminate the downhill racers.”

 

Edmund White (Cincinnati, 13 januari 1940)

 

De Duitse dichter en schrijver Adrian Kasnitz werd geboren op 10 januari 1974 in Orneta, Polen. Zie ook alle tags voor Adrian Kasnitz op dit blog.

 

Gelukkige nederlagen

De lijst met nederlagen begint met het krabben
als baby de uitslag die maar niet weggaat
de chemische crème die de zaken alleen maar erger maakt
de pijn in het hoofd en in plaats van grapjes, de vage gedachten
de angsten van het kind de ongesteldheid de benauwdheid
het toekijken bij het spelen van de anderen
die altijd anders zullen blijven, hoe hard je ook je best doet
de breuken, de puistjes, de meisjes die je uitlachten
passen allemaal op het blad en zijn niets slechts
vergeleken met de beproevingen die voor je liggen
het onvermoeibare dagelijkse leven het najagen van geld
armoedige stoffen verkies je boven armoedige prestaties
en nu, nu je struikelt, valt, begin je
afstand te nemen, los te laten, schuif je het slechte opzij
rolt je af blijft op de straat liggen kijkt ganzen na
die het luchtruim kruisen in de vlucht schreeuwen ze gaggagggag

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Kasnitz (Ometa, 10 januari 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e januari ook mijn blog van 13 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Cees van der Pluijm, Katharina Hacker

De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook alle tags voor Cees van der Pluijm op dit blog.

 

VOORLOPIGE BESTEMMING 1

Een kale kamer, wasbak, kastje, bed
Essentie van een opgeschoond bestaan
Het kastje leeg, schaars water uit de kraan
Een raam met zicht op een vervallen flat

Verstild in een vergrijsd namiddaglicht
Een auto claxonneert, er slaat een deur
Er staat geen wind; er hangt de droge geur
Van stof en zand; je doet het raam maar dicht

En trekt vertraagd je zware schoenen uit
Geen doel, geen haast, er zijn lijkt nu genoeg
Alleen te zijn, met niemand in de buurt –

Het is voor elke keuze nog te vroeg
Je neemt niet eens tot niets doen het besluit
Laat staan dat je bepaalt hoe lang het duurt

 

Afscheid

Ik had vannacht mijn moeder aan de lijn
En iemand zei: ‘Er zal een auto komen’
’t Was niet mijn moeder echter die ik hoorde

Toen klonk een zacht gekraak, er stoorde
Iets of iemand de verbinding;
zelfs geen hijgen
Was daarna nog te horen – enkel zwijgen

‘k Heb nooit meer van mijn moeder iets vernomen
En nooit meer zal ik dromen zonder pijn

 

GROEN VAN TOEN – Park Sonsbeek

Terwijl de molens braaf de wind vermalen
Terwijl de zon de aarde blijft bestralen
Terwijl het water altijd maar blijft stromen
Lijkt hier de tijd soms haast tot staan gekomen:

Gestold in eeuwenoude hoge bomen
In rondingen van heuvels en van dalen
In stenen die van ijs en reizen dromen

We zien de hand van God en hier en daar
De mens die Hem een handje hielp wanneer
Het aankwam op een waterval, een meer
Wat snoeien met de zaag of met de schaar

Want hoe dan ook, de schepping is niet klaar:
Of God bestaat of niet, aan ons de eer
Zijn tuin te wieden, jaar na jaar na jaar

 

Cees van der Pluijm (12 januari 1954 – 14 december 2014)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Katharina Hacker werd geboren op 11 januari 1967 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Katharina Hacker op dit blog.

 

In oktober

de kleur bladdert van de ogen
terwijl de dag boven het dak de wind
aandrijft en de geur van wierook
uit de struiken opstijgt de buizerdroepen
onophoudelijk weerklinken en allerlei soorten vliegtuigen
voorbijgangers zijn hier overal paraderen
zoals in de stad honden voor ze uit en
met licht schoeisel aan de voeten
terwijl het landschap zichzelf uitput
onder de dagelijkse blikken
worden de kleuren van dag tot dag
gewaagder bladderen van de ogen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e januari ook mijn blog van 12 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Katharina Hacker, Adrian Kasnitz

De Duitse dichteres en schrijfster Katharina Hacker werd geboren op 11 januari 1967 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Katharina Hacker op dit blog.

Uit: Die Gäste

„1
Am 21. Juni, meinem fünfzigsten Geburtstag, klingelte es, bevor ich ins Institut für schwindende Idiome aufbrechen konnte, um halb acht an der Tür, und ein Bote brachte einen Brief des alten Rechtsanwalts Doktor Kowalk. Der Bote, ein schlaksiger junger Mann in blauem Drillich und weißen Turnschuhen, wartete, dass ich den Brief öffnete und las.
Er bitte mich, schrieb Doktor Kowalk, im Namen meiner Großmutter, noch am selben Tag in seine Kanzlei in der Genthiner Straße zu kommen, noch vormittags, denn er habe mir eine wichtige Mitteilung zu machen.
Meine Großmutter ist tot, sagte ich dem Boten, der gleichgültig mit den Achseln zuckte, mir ein Blatt hinhielt zum Unterschreiben, sogar einen Stift hatte er dabei. Dann eilte er die Treppen hinunter, übersprang zuweilen eine Stufe, wie Florian es oft getan hatte, und war davon.

2
Ich dachte daran, wie mir Florian früher Blumen gebracht, zum ersten Mal, als er vierzehn war, zum letzten Mal kurz vor seinem achtzehnten Geburtstag, bevor er fortging und nicht wiederkehrte. Er hatte drei Wochen nach mir Geburtstag, dieses Jahr würde es der einundzwanzigste sein.
Sie hatten auch Kuchen gebacken und den Frühstückstisch geschmückt, nämlich mit den Geschenken, die sie mir machten, Daniel und Florian, so wie ich es für Florian und Daniel tat, dessen Geburtstag im Dezember lag.
In der Wohnung war es still, eine Taube gurrte vom Dach, es war freundlich aufgeräumt. Wo alle fort sind, könnten sie zurückkehren, und wer schwarzsieht, ist nicht besser, als wer die Hoffnung behält. Und wer das nächste Unglück schon kommen sieht, hält es damit auch nicht ab, hatte ich Florian gesagt, wenn er mich fragte, ob er, wenn er erwachsen sei, noch Tiere und Blumen und Bäume sehen werde, oder ob die Hitze und die Stürme und die Ozeane alles verschlingen würden.
Bis es so weit ist, sagte ich ihm, sollten wir eine Lebendfalle für die Maus in der Küche aufstellen. Denn in der Küche sahen wir früh morgens, wenn ich mit Florian aufstand, um ihm vor der Schule sein Frühstück zu machen, an vielen Tagen eine Maus. Sie ist auch ein Tier, sagte ich, und wenn auch nicht das letzte auf Erden, so freut sie sich doch über glimpfliche Behandlung.“

 

Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)

 

De Duitse dichter en schrijver Adrian Kasnitz werd geboren op 10 januari 1974 in Orneta, Polen. Zie ook alle tags voor Adrian Kasnitz op dit blog.

 

Bushalte in maart

Ze tolereert zichzelf in het bushokje en schopt tegen blikjes
in verdoemenissen, belt naar andere steden zonder wachttijd

denkt naargeestig land dit en mensen zonder regels
tegen het recht van de dommere vechten, de wonderen

laten gelden, verbindingen in schijn uitzoeken
naar andere bestemmingen en nummers opdiepen

oude vijfcijferige telefoonnummers noemt ze uit haar hoofd

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Kasnitz (Ometa, 10 januari 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e januari ook mijn blog van 11 januari 2019 en ook mijn blog van 11 januari 2015 en ook mijn blog van 11 januari 2016 deel 2.

Saskia Stehouwer, Adrian Kasnitz

De Nederlandse dichteres Saskia Stehouwer werd geboren op 10 januari 1975 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Saskia Stehouwer op dit blog.

 

BAARDGROEI

vannacht ben ik een man die een vrouw kust
en zijn halfnaakte vader belooft
op zoek te gaan naar een bruid

vannacht steelt een vrouw een blauw hertje van mijn balkon
en moppert dat onze kleren haar kat bang maken
zelfs in mijn dromen moeten mensen van me houden

ik vind het dagboek van mijn oma in een wachtkamer
het is druk het loopt slecht af

een man verdwijnt in een veld vol molens
zijn gedachten kleine kinderen die op hun knie zijn gevallen

morgen ontmoet hij een jongen
die een helder beeld heeft van zijn toekomst

morgen zal hij iets kwijtraken en in een hotel gaan wonen
om het terug te vinden

 

BEZOEK

haar wijst naar het noorden
handen wapperen een bevel
naar de tas die onbereikbaar op de grond ligt
een pad dat eindigt in fluisterende auto’s
een vader die discreet zijn kind het perron opduwt

ze raakt mijn schedel
vlak bij de plek
waar jij vroeg
wat ik wilde worden

niemand komt haar halen
haar stem geen partij
voor haar stuiterende armen
lichaam dat wil stijgen
boven alle nieuwbouw
boven de slechte huid
het kan geregeld worden
als de pauze lang genoeg duurt

er is geen kleingeld in dit dorp
wel vrouwen met baarden
en verregende kinderen

we halen de borrelnoten uit de vuilnisbak
en zetten ons aan tafel
kom eens langs
we zitten er nog

 

glimp

toen onze vader het huis uit
en zijn hoofd in liep
hoorden we de deur
dichtslaan

we zagen hem nooit meer
maar er kwamen boodschappen
die ons zeiden wantrouwend te staan
tegenover mensen die lange vakanties boeken

de kleuren veranderden
een helder blauw kwam op de muren terecht
en onze nagels ontwikkelden een duidelijk
groene ondertoon

we leerden op een andere manier naar vogels kijken hoewel we hun namen vergaten
we verzamelden de slakken die ons het meest raakten en legden ze op een hoopje op de keukentafel
we rechtten onze schouders
en ontdekten onze nek

op een dinsdagochtend besloten
we de berg te beklimmen
die naast ons huis verschenen was
terwijl we hoger klommen pelde de wind onze kleren af
onze huid leerde vloeiend een nieuwe taal

weer thuis deden we alle boeken weg
zaten op het kleed en luisterden
naar de wereld die geduldig op onze deur klopte

 

Saskia Stehouwer (Alkmaar, 10 januari 1975)

 

De Duitse dichter en schrijver Adrian Kasnitz werd geboren op 10 januari 1974 in Orneta, Polen. Zie ook alle tags voor Adrian Kasnitz op dit blog.

 

noordwijk, shoarma

onder het groene licht van de tl-buis
eten we in brood gerold vlees
en dromen van reïncarnatie
elders het leven, b.v. op Java

op het strand zijn er maar twee richtingen
alsof goed en kwaad daar voor altijd gescheiden zijn
maar jij lacht

we oefenen vlucht, we zijn koppig
we sluiten met het verleden
een carthaagse vrede

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Kasnitz (Ometa, 10 januari 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e januari ook mijn blog van 10 januari 2019 en ook mijn blog van 10 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Bas Heijne, Nora Bossong

De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.

Uit: Leugen & waarheid

‘In potentie zijn we allemaal kleine dictators.’
Gesprek met Richard Wrangham, antropoloog
………………………………………………………………………
Het idee dat een soort zichzelf kan domesticeren werd lang voor onmogelijk gehouden. Er werd altijd van uitgegaan dat de ene soort de andere moest domesticeren, zoals mensen met honden hebben gedaan.
‘In zijn klassieker The Descent of Man komt Charles Darwin heel dicht in de buurt bij het idee dat de mens een zichzelf domesticerende soort is, maar hij schrikt er op het laatste moment voor terug. Hij zag in dat mensen in veel opzichten op gedomesticeerde dieren leken. In de eerste plaats omdat wij in onze persoonlijke interacties opvallend weinig agressief zijn, vergeleken met andere diersoorten.
Maar hij begreep maar niet welk evolutionair mechanisme dat veroorzaakt kon hebben.’
U stelt dat wij mensen steeds minder agressief zijn geworden, omdat in de vroegste menselijke gemeenschappen agressieve, dominante mannen ter dood werden gebracht. Het is, ironisch genoeg, de doodstraf die ons beschaafd heeft gemaakt.
‘De mens is de enige soort die over de cognitieve verfijning beschikt om met een groep mensen tot het besluit te komen dat een agressief element geëxecuteerd moet worden. Je ziet dat nog altijd in bepaalde kleine gemeenschappen. Op de lange termijn heeft dat een systeem geschapen waarin wij beseffen dat wanneer we ons te agressief gedragen, te dominant, te asociaal, we gevaar lopen. Tegenwoordig dreigt dan gevangenisstraf. Maar voordat gevangenissen bestonden was er maar één manier om van mannen – want we hebben het vooral over mannen – af te komen die als een gevaar voor de samenleving werden beschouwd: de doodstraf. Het heeft ons geleerd ons in te houden, ons aan te passen.
U beschouwt die oeroude angst voor executie ook als basis van ons moreel besef, ons altruïsme. Zelfs onze neiging anderen de les te lezen, komt daar vandaan. We zijn dus niet goed, we deugen helemaal niet, we zijn gewoon bang.
‘Ik weet dat veel mensen de voorkeur geven aan het idee dat ons altruïsme voortkomt uit een of andere aangeboren positieve houding tegenover de wereld. En natuurlijk is het ingewikkeld, want dankzij een evolutionair psychologisch proces ervaren we zulke gevoelens ook werkelijk als positief. Ik beweer ook niet dat we enkel goed doen uit angst. Maar ik denk wel dat dit de beste evolutionaire verklaring is voor hoe we aan die positieve gevoelens zijn gekomen.’
Dus zelfs dat stemmetje in je hoofd dat wij ons geweten noemen…
‘…is het gevolg van dat proces. Vanuit evolutionair perspectief is het echt heel lastig te ontkennen dat ons geweten negatieve aspecten in zich draagt. Het wordt geactiveerd door angst voor overtredingen, angst voor straf, angst om af te wijken van de norm.’

 

Bas Heijne (Nijmegen, 9 januari 1960)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Nora Bossong werd geboren op 9 januari 1982 in Bremen. Zie ook alle tags voor Nora Bossong op dit blog.

 

Licht verenkleed

Misschien te laat als een kraai
onze morgen snoeit. Een klap.
En of hij valt en of hij doorvliegt –
Ik vraag te luid of je nog koffie wilt.
Je blik is nors, als uit de dag gebroken.
Het ruikt naar zand. Je vraagt me of ik het weet
dat kraaien ooit wit gevederd waren.
Ik maak de sigaret uit, ik wens mij
weg van hier, ik zou niemand,
ik zou hoogstens één ander willen zien.
Je noemt me: Koronis. Ik wijs naar het raam:
Kijk maar, het uitzicht is niet veranderd!
Wat gaan jou de uren aan die je niet kent?
Ik wil slechts meisje zijn, niet in Arcadia wonen.
Je nagel krabt nog in de as
maar je bent stil alsof je weg bent.
Ik ben te licht voor je mythen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nora Bossong (Bremen, 9 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e januari ook mijn blog van 9 januari 2019 en ook mijn blog van 9 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

De Wijzen (Hélène Swarth), Alfred Tomlinson

 

Bij de viering van Driekoningen

 

De aanbidding der Wijzen door Luigi Miradori (il Genovesino), 1640-1650

 

DE WIJZEN

Zij zagen blank een wonderster verrijzen.
Die ster te volgen dreef hun zieledrang.
Door woestenij geen dooltocht zwaar en bang:
Trouw blonk de ster en bleef hen wijzen.

Plots in den hoge hoorden ze engelzang –
Een arme grot was ’t einddoel van hun reizen.
De kemels knielden. En de grote wijzen
Aanschouwden ’t kind, geprofeteerd zó lang.

Een arme stal – Daar lag en lachte zoetjes,
In schamel stro het stralend Godekind
En hief zijn handje zegenend met groetjes.

De wijzen bogen door zijn glans verblind
En vlijden, wenend, blij door Hem bemind,
Goud, mirre en wierook aan zijn blote voetjes.

 

Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941)
Kerstsfeer in Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth

 

De Engelse dichter, vertaler en graficus Alfred Charles Tomlinson werd geboren op 8 januari 1927 in Stoke-on-Trent, Staffordshire. Zie ook alle tags voor Alfred Tomlinson op dit blog.

 

De mergelgroeven

Het was naar een landschap van water, licht en lucht
Dat ik zocht – om mijzelf vrij te spreken van een wereld
Waarin stoïcijnse lethargie de enige repliek scheen
Op horizonnen en de straten die hen de weg versperden
In een monotone damp, een gloed van grijsheid.
Ik vond mijn spraak. En nu, na jaren teruggekeerd
Om te verhalen van alles wat bezielde en verstikte,
Inhaleer ik de vertrouwde, groezelige lucht
Uit een landschap van opgegraven ingewanden, onderwerelden
Vrijgegeven door omringend klei. Met het delven
Van de mergel werd een tweede natuur blootgelegd
En water dat, omhooggesijpeld om de groeven op te vullen,
Hen uitstrekte tot knipperende, schitterende meren
Tussen torens en spitsen, straten en braakland
In trage ontginningen, glinsterplekken, balanceringen,
Alsof ontvlammend Eden zijn eigen val herriep
En woorden en water uit dezelfde bron voortkwamen.

 

Vertaald door Peter Nijmeijer

 

Alfred Tomlinson (8 januari 1927 – 22 August 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e januari ook mijn blog van 8 januari 2019 en ook mijn blog van 8 januari 2017 deel 2.

Frans Kellendonk, Dionne Brand

De Nederlandse schrijver en vertaler Frans Kellendonk werd geboren in Nijmegen op 7 januari 1951. Zie ook alle tags voor Frans Kellendonk op dit blog.

Uit: Mystiek Lichaam 

“Zijn rijkdom was iets ongrijpbaars. Rijkdom was iets in je hoofd, het was zinloos die vast te willen leggen op papier. Uiteindelijk was zijn rijkdom zijn gevoel over zichzelf.
Het hoofd van Gijselhart vertaalde bezittingen in geld, geld in bezittingen, de getallen erin waren voortdurend op drift, ze dijden optimistisch uit, krompen somber ineen, en de oude lippen bootsten die bewegingen na. De laatste tijd voelde Gijselhart zich overwegend arm, de slakken lagen uitgedroogd tegen elkaar aangekruld. Zijn bezit bestond uit vastgoed her en der in de stad, tien kilometer verderop – oude woningen en drie terreinen met autostallingen. Een zekerder belegging dan vastgoed was er niet, zijns inziens, maar daken gingen lekken, er braken brandjes uit, de garagedeuren liepen om de zoveel tijd van hun katrollen, op de meest ongelegen momenten stuurde de gemeente je aanschrijvingen. De helft van de week was hij op karwei om die euvels te verhelpen. Hij werd te oud voor dat werk. Soms stootte hij een pand af, na lang delibereren. Een maand later had hij toch weer een ander ervoor in de plaats gekocht. De loods achter zijn huis was volgestouwd met oud ijzer en sloopmetalen, die elke dag van waarde veranderden, als je de markttabellen in de krant mocht geloven. Vijfentwintig jaar had hij aan die schrootberg gebouwd. Als je het erts erbij dacht waaruit de metalen gewonnen waren, en de grond die ervoor was afgegraven, dan moest het de hoogste berg van Nederland zijn. En toch was de berg voor zijn gevoel vaak niet hoger dan een molshoop. Alles lag door elkaar, koper, lood, zink, ferro en non-ferro. Hij had er leidingbuizen van koper en lood, dubbelzwaar door de aangekoekte cement, een grote partij groen bladkoper dat van een kerkkoepel gesloopt was, een bronzen scheepsschroef, ijzeren potkachels, accu’s, regenpijpen en zinken gootbekleding, stroken zink in lubben gevouwen en samengeperst, maar ook traploperroeden van messing, deurklinken, kandelaars, tussen het gras gevonden patroonhulzen, stukjes koperdraad opgeraapt achter de electricien.
Nooit had hij er een gram van verkocht. Wie weet was de hele handel geen rooie cent waard, dan zou het uit zijn met zijn spelletje solitaire. Hij wist niet hoe zwaar de berg was. Hij wilde het ook niet weten. ‘Een berg’ of ‘ik weet niet hoeveel ton’, dat was de maat die hij hanteerde wanneer hij de koersen van de London Metal Exchange doorlas en het schroot omsmolt tot spijs voor zijn fantasie.
Lood en zink brachten niet veel meer op tegenwoordig. Het allesverziekende communisme dumpte die metalen op de markten van het westen, door een gat in het ijzeren gordijn. In de bouw werden ze bovendien nauwelijks meer gebruikt. Maar koper was nog steeds goed aan de prijs. Hij smolt het koper om tot een spiegel waarin hij zich een Guggenheim of Van Saxen-Coburg kon wanen. Wie zich in koper spiegelt, spiegelt zich zacht. Venus had zich in koper gespiegeld toen ze bij Cyprus uit zee was gekomen.”

 

Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990)

 

De Canadese dichteres en schrijfster Dionne Brand werd geboren op 7 januari 1953 op Trinidad. Zie ook alle tags voor Dionne Brand op dit blog.

 

Dorstig

I

Deze stad is schoonheid
onbreekbaar en verliefd als oogleden,
in de straten, druk met heftige vaarwels,
ondergedompelde landingen,
Ik ben onschuldig als drempels
en verpletterde nachtvogels, smoorverliefd,
als lege liften

laat me deuropeningen aankondigen,
hoeken, achtervolging, laat me zeggen
hier staand in wimpers, in
onzichtbare borsten, in het krimpende meer
in de kleine winkeltjes van onware herinneringen,
het broze, afgeknabbelde leven dat we leiden,
ik word vastgehouden en vastgehouden

doet de aanraking van alles me blozen,
duiven en beschadigde jongens,
halfdode uren, blinde muzikanten,
onduidelijke vrouwen in bont en blauwe jurken
zelfs de gewone mannen in grijs pak met verschrikkelijke
koffers, hoe komt dat, hoe komt dat
dat Ik niets zo intiem verwacht als geschiedenis

had ik een ander leven gehad
verstoken van deze omhelzing met gebroken dingen,
iriserende aderen, extatische kogels, kleine scheurtjes
in de hersenen, zou ik deze specifieke feiten kennen,
hoe een zin een wang schramt hoe water
de liefde uitdroogt, dit, een gedachte zo terloops
als elke seconde een adem uitblaast

en dit, we ontmoeten elkaar in zorgeloze tussenpozen,
in koffiebars, benzinestations, in kunstmatige
gesprekken, loterijen, onvertaalbare
monden, in versies van wat we kunnen zijn,
een trilling van de hand in de realisatie
van eindes, een vluchtige tranenvloed
op de huid, het gretige loslaten in haast.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Dionne Brand (Trinidad, 7 januari 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e januari ook mijn blog van 7 januari 2022 en ook mijn blog van 7 januari 2019 en ook mijn blog van 7 januari 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Hester Knibbe, Carl Sandburg

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Hester Knibbe op dit blog.

 

Psalm 4631

In mijn nood roep ik
niet en tot niemand, ik zwijg; wie na zoveel
zand erover nog leeft, heeft het schreeuwen

verleerd. Laat de eik maar kreunen
en klagen om blad dat voortijdig
te gronde, de tak van zijn stam

afgerukt, laat mij woordeloos
staan in zijn schaduw. Laat

mijn zwijgen niet klein en gebukt
zijn maar waardig hoog
en breed als de kroon van de boom

nu zijn wortels en stilte zich
hechten aan jou en alle gebed
wordt gesmoord in de aarde

 

Dame met hoed

Zij aan de andere kant van de tafel
draagt haar hoed als een wapen
waarmee ze de vingerafdruk van de jaren
elegant overschaduwt. Was ze een

woning, ze liet zich met wijnrank
en bloemen begroeien, groene klimop
die zomer en winter de vraat aan de voegen
verdoezelt, ze liet de haag

niet meer snoeien. Nu ze een vrouw is
bedekt ze met mode de dood in haar huis,
zet zich hoog op de hakken en trekt
met de rand van haar hoed de groeven

het zicht uit.

 

Jongenskopje

Eerst was ik er en daarna
mijn beeld. Ik speelde gewoon
toen de meester mij kneedde.

Gehard in het vuur werd ik
breekbaar en stond op de schouw
van mijn eeuw als versteend. Toen

kwam er een tijd van vallen
en breken; ook ik lag aan scherven
te sterven, verdween. Totdat

in een andere tijd een geoefende hand
mij met wat passen en meten weer
bestaan wist te geven. Maar

ik ben nooit geheeld; onuitwisbaar
loopt door mijn gezicht een lijkbleke
streep waar je nooit meer omheenkijkt.

 

Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

 

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Zie ook alle tags voor Carl Sandburg op dit blog.

 

Drie geesten

Drie kleermakers van Tooley Street schreven: Wij, het Volk.
De namen zijn vergeten. Het is een grap onder geesten.

Snijders of herstellers of armgatbrekers, ze zaten
met gekruiste benen te naaien, grepen naar een schaar, stalen
elkaars vingerhoedjes.

Met gekruiste benen, werkend voor loon, grapjes makend met elkaar
als kneusjes, gesneden uit de stof van een Meester Kleermaker,
zaten ze en deelden hun gedachten over de glorie van
Het Volk, ze ontmoetten elkaar na het werk en dronken bier op
Het Volk.

Vervaagd in het schemerdonker zijn de namen vergeten.
Het is een grap onder geesten. Laat maar gaan. Ze schreven: Wij,
Het Volk.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e januari ook mijn blog van 6 januari 2021 en ook mijn blog van 6 januari 2019 deel 2 en eveneens deel 3.