De bomen laten op hun naakte vingers kijken, ze zijn gemaakt van stof waar honger uit ontstond, de takken zijn verhuld beknopte fraaie blijken van dorst die zich vertakt, zich hecht onder de grond.
Nazomer aan de rivier
Doodse achtermiddag, aalscholver op een tak waar de rivier het breedst is rimpelt het oppervlak.
Spanrups
Een oog, een lus, een hoge rug, dat onaanzienlijk takje vlees dat lopend op zijn tenen stokt.
Een reuzenrad in miniatuur, een viadukt, een ereboog, zo vordert hij op weg naar groen.
Als iemand uit het midden leeft dan hij, hij heft zijn lichaam op, zijn houten huid kan op zijn kop
en op zijn achterbenen staan, hij boogt op stilstand en hij hoopt voor lijnrecht door te kunnen gaan.
“Drie weken voor mijn geboorte stierf een man van 68 die de laatste twintig jaar van zijn leven voornamelijk bij het raam had gezeten. Hoestend, rochelend, rokend. Zijn pijp verbrandde meer lucifers dan tabak. Geduldig en vriendelijk schilde hij de aardappels en sneed hij de prei. Het was de zomer van 1971, in het uiterste oosten van België, het gebied dat Duitstalig is. ‘Ik zie hem nog zitten,’ zegt Betty, een van zijn dochters, ‘daar in de hoek.’ Ze wijst naar een stoel bij het raam. Betty is samen met drie van haar oudere broers in het ouderlijk huis blijven wonen. We zitten met zijn allen in de salon, ik met een schriftje op schoot. ‘De laatste jaren kwam hij niet meer buiten. Ik heb hem nooit anders gekend dan moeizaam ademend,’ zegt ze. De drie grijze broers knikken. Langdurig ziek, sedentair bestaan, tamelijk jong gestorven – het lijkt niet te wijzen op een erg bewogen leven. Maar ik heb inmiddels geleerd dat de laatste levensjaren van een mens vaak weinig zeggen over het leven dat eraan voorafging. Zachtmoedige bejaarden blijken soms decennialang onuitstaanbare sujetten te zijn geweest. Bij jovialen komt het gezeik vaak met de jaren. En zelfmoord volgt soms op een leven vol uitbundigheid. Maar zelden was het contrast groter dan bij deze vroeg versleten man. In de loop van enkele uren in dat stille huis leer ik dat hij niet alleen elf kinderen, maar ook vijf nationaliteiten en twee identiteiten heeft gehad. Een veelbewogen, maar weinig rooskleurig leven. ‘Mein Leben war von Anfang an ein Leidensweg,’ staat er op zijn doodsprentje, dat zijn dochter voor mij fotokopieert. Er zijn mensen in wier lichamen de geschiedenis zoveel lijnen trekt, krast en kerft, dat stilzitten, zodra het kan, nog de enige optie is. Na de wirwar het wit – of in elk geval het verlangen ernaar. Maar waar te beginnen? Het begint met knoopjes, zo stel ik me voor, fijne, zwarte knoopjes dicht opeen, de rits is nog niet uitgevonden, knoopjes die welven op het tempo van haar jachtige ademhaling, hoog in haar borst. Wat raast er door haar heen? Hunkering, schrik, of het heimelijke genot dat schrik soms kan geven? De donkere opwinding van een grens die wordt overschreden? Knoopjes van haar korset, waarin ze ’s ochtends nog de kamers heeft schoongemaakt, ’s middags nog de soep uit de terrine heeft geserveerd, ze voelde zijn blik. Het zilveren bestek op het tafelkleed van damast. Het gerinkel van glazen. Knoopjes die zijn verzorgde vingers nu onverstoorbaar een voor een openmaken. Hij heeft dit vaker gedaan, dat kan ze wel merken. Düsseldorf, mei 1902. De negentiende eeuw is nog volop bezig. Hij is eigenaar van een fabriek, zij is dienstmeisje. Zij komt uit Rheydt, in de buurt van Mönchengladbach. Ze is naar Düsseldorf getrokken, net als zovelen. Daar is werk.”
Dicht bij de rand. Bijna ondraaglijk. hopen wolken zich op en verdampen uit het noorden van de witte beer. Deze boom splijtende ochtend droom ik van zijn diepe sporen, het levensreddende niervet.
Ik denk aan de zomer met zijn stralende vruchten, bloesems die zich omvormen in bessen, bladeren, handenvol graan.
Misschien is wat koud is de tijd dat we de liefde meten die we altijd hebben gehad, in het geheim, voor onze eigen botten, de harde messcherpe liefde voor de warme rivier van het ik, boven al het andere; misschien
is dat wat het betekent de schoonheid van de blauwe haai die koers zet naar de tuimelende zeehonden.
In het sneeuwseizoen, in de onmetelijke kou, worden we wreed maar eerlijk; wij houden onszelf in leven, als we kunnen, nemen, het ene na het andere van de noodzakelijke lichamen van anderen, de vele geplette rode bloemen.
Vertaald door Frans Roumen
Mary Oliver 10 september 1935 – 17 januari 2019) Icoon door Kelly Latimore, 2019
„Bevor er diese Reise unternahm, die für sein junges Herz – wir wollen es nicht verhehlen – eine Art Herausforderung zu großen, wenn auch noch unbestimmten Taten war, führte er ein langes Gespräch mit Konsul Tienappel. Der beleibte ehrbare Alte konnte anfangs die einfache Idee, ein paar Semester im Osten zu studieren, nicht verstehen, und als Hans Castorp sie ihm auf philosophische Art, nach dem Prinzip der Analogie, erläuterte, erhob der Onkel sich vom Sofa, schritt im Salon auf und ab und hielt eine kleine politische Ansprache. In wenigen Sätzen zeichnete er, für seine phlegmatische Natur ungewöhnlich ausdrucksvoll, einen allgemeinen Abriß der Weltgeschichte, der Geschichte Europas und schließlich Deutschlands, in dem für den Osten als solchen keine besonders guten Wertungen vorgesehen waren. «Deine Vergleiche», sagte er und blieb plötzlich am Fenster stehen, «sind, wenn sie auch von der Distanz zeugen, die einem Menschen in unseren Kreisen eigen ist, völlig fehl am Platz. Die Zeiten, da unsere Vorfahren nach Reval, Riga, Königsberg oder Danzig aufbrachen, sind unwiederbringlich vorbei. Sicher – du willst kein Kontor gründen und keine Ritterrüstung anlegen, du willst Schiffe bauen. Aber was können die dort für eine technische Hochschule haben? Bestimmt eine miserable, das sag ich dir, mein Lieber – eine miserable, denn was ist das schon für eine Schule, die gerade erst gegründet wurde? Und außerdem» – hier drückte Konsul Tienappel beinahe das Gesicht an die Scheibe und senkte aus für Castorp unverständlichen Gründen die Stimme – «sollte man Situationen meiden, in denen die mühsam erarbeiteten Formen im Chaos versinken könnten.» All dies war dermaßen verwunderlich, daß Castorp, an solch eine Ereiferung des Alten nicht gewöhnt, dessen Bewegungen und Worte halboffenen Mundes verfolgte, was aussah, als sei er so beeindruckt, daß ihm die Luft wegblieb. Schließlich überwand er seine Scheu und sagte: «Aber, lieber Onkel, du redest ja mit mir, als wollte ich in den Krieg ziehen oder zumindest in ein entlegenes, gefährliches Reich, aus dem die Rückkehr zwar nicht ausgeschlossen, aber alles andere als sicher ist. Ich denke doch, daß ein Ort, den man ohne Problem mit der Eisenbahn und den Dampfern unserer Schifffahrtslinien erreicht, nicht allzu gefährlich sein kann. Oder irre ich mich da?» «Deine Sophisterei, mein Lieber», der Konsul wandte das Gesicht vom Fenster ab und sah Castorp aufmerksam an, «übrigens typisch für dein Alter, und auch dein Mangel an Erfahrung machen es zu einem unsinnigen Unterfangen, dir meine Gründe weiter zu erläutern. Ich hatte natürlich nie die Absicht, und die habe ich auch jetzt nicht, auf deine Entscheidungen Einfluß zu nehmen.“
Nu stoeit mijn kleine hondje door de witte boomgaard, vertrapt de nieuwe sneeuw met wilde pootjes. Rent van hier naar daar, opgewonden, nauwelijks in staat te stoppen, hij springt, hij draait totdat de witte sneeuw beschreven is met grote, uitbundige letters, een lange zin, die de geneugten van het lichaam uitdrukt in deze wereld. O, ik had het niet beter kunnen zeggen
daar was het zo stil ik kon mijn stem er niet verbergen in het rumoer van auto’s in de muziek van een café
er was geen omweg voor het woord en geen geluid waarin het kon verdrinken en weer gevonden worden alsof het van een ander was
wanneer ik daar gezegd had wat ik zeggen wilde had je het onherroepelijk gehoord hadden wij zwijgend verder moeten lopen te stil was het ik durfde niet
en toen we bijna bij de huizen waren en ik het zeggen ging zag je een eekhoorn je wees en holde naar de boom waarin hij was geklommen
Slapeloosheid
liefde heeft een lichaam als het mijne huid en mond nevels dwalen uit de grond bij de buren ’t licht aan
nachtlucht moet ik slikken donkernatte toverbal bomen staan te bidden voor een sterfgeval
tussen vingers zichtbaar wordt een rode vonk lucifer verdronk in de nevel sissend
achteroverliggend glijd ik naar de grond hoe mijn armen dichtgaan haren in mijn mond
Winterwandeling
Weet je wat is? – als het door sneeuw bedekt zich inkeert tot een kern die wij niet kennen, die dood lijkt als het doodse staan van dennen aan randen die het sneeuwen samentrekt
rondom een vijver, blinder oog dan wennen aan zo veel witheid die het oog bevlekt van binnen uit, dat het dood ontdekt in zich, drijvende vlokken die ontkennen
dat je het weet: het smelt op donker water nog voor het spiegelbeeld geworden is, oplossend tot oorspronkelijke staat-
nog zie ik jou, maar denkend nu aan later vind ik ook in jouw ogen duisternis- in ’t onbehuisde thuis, in jouw gelaat.
De Nederlandse dichteres, vertaalster, recensente en popcritica Elly de Waard werd geboren in Bergen (NH) op 8 september 1940. Zie ook alle tags voor Elly de Waard op dit blog.
Aan…
Zoals een vader, die zich in zijn kinderen verdiept – zo is de wind, als hij het blad beschouwt dat hij nog hangen liet.
De wijze waarop kou, koortsachtig, wolken aan je lippen graast, nu je ligt uitgeteld, is die van wollen schapen op een pasgeschoren veld – zo raadselachtig.
Teveel doen heft tekort gedaan nooit op – voor sommig verdriet is de dood het intiemste. Winter, gelukkige gevangenis, waarin wij zijn geveld door rust, niet meer door ziekte.
Wie Zegt
Wie zegt dat vlinders geen bibliotheken Hebben waarin de stand van het verpoppen
Tot op de draden staat berekend? Bloembladeren geen ponskaarten zijn
Van andere berichten dan van eten? Onze uren zijn hun leven
Maar onze ondergang valt net zo min Te meten aan het perspektief
Van sterren waarin wij ons onzichtbaar Weten. Uit uitspansel is de limiet
Aan elk gedachtenstelsel Gevangen in het gareel waarvan
Wij kruipen of rennen Alnaargelang.
Media vita
Verspreid tegen de lucht gespijkerd als de sterren En van liefde ziek ben ik, ik kom tot niets.
Nacht is het in je ziel, de grijze iris van je blik Balt zich rondom je ondoordringbare pupillen samen.
Ons bed, de plek van je confessies, is zo naakt Als kalend linnen en zo onbevlekt
Als het uitzicht op de stad die in de diepte Voor het raam van dit hotel in sneeuw ligt uitgeteld.
Een wolkenkrabber klieft het stratenplan Dat in een vorige eeuw met vaste hand werd aangelegd –
Platanen, stammen bladderend als plafonds, Ontbloten er hun pleisterwerk en in hun takken
Hangen uitgebrand de vruchten van hun lampions – Zwart kant bedekt frivool balcons, ook die van onze kamers
Waar de stoelen gapen nu over de vloeren Lopers van ochtendlicht in banen worden uitgerold.
Wij reizen samen, Slapen zonder lief te hebben en staan haastig op –
Stations zijn dit en restauraties, haltes, oponthoud En alles wat zij van ons vergen
Is wat de opdracht is van elke dag aan elk voor zich: De tijd te doden tot wij sterven.
Wat ik de volgende keer zou doen, is kijken naar de aarde alvorens iets te zeggen. ik zou stoppen net voordat ik een huis binnenging en een minuut keizer zijn en beter naar de wind luisteren of naar hoe stil de lucht is.
Als iemand tegen me zou spreken, zij het verwijtend of lovend of gewoon als tijdverdrijf, zou ik naar het gezicht kijken, hoe de mond moet werken, en elke spanning zien, elke teken van wat de stem verhief.
En vooral zou ik meer begrijpen – de aarde die zich schrap zet en zweeft, de lucht die elk blad en veer boven bos en water vindt, en voor ieder mens het lichaam dat in de kleding gloeit als een licht.
“Hij kon zich er geen voorstelling van maken, van Bronno in Amerika. De gedachte aan hun lunchafspraak van morgen, over minder dan acht uur nog maar, maakte het onmogelijk om te gaan slapen. Hij dronk zijn glas wijn leeg, liep naar het bureau in zijn werkkamer terwijl hij met één hand zijn das losmaakte, zijn kaak omhoogwijzend en ook zijn ogen merkwaardig genoeg naar het plafond gericht, alsof het ‘ontdassen’ iets was waarbij je omhoogkeek. Flauwekul natuurlijk, en toch keek hij altijd naar het plafond als hij zijn das afdeed. Zoals hij er ook op een dag achter was gekomen dat hij zijn tanden altijd poetste met één hand op zijn rug. En dat zijn rechtervoet altijd vreemd naar buiten stond gedraaid als hij op de wc zat. Dit soort merkwaardigheden had hij niet bij zichzelf ontdekt maar had hij van Misaki moeten vernemen, toen een groot deel van zijn leven er al op zat. Hij bleef bij zijn eikenhouten bureau staan. Het blad was ingelegd met oranje leer, de lades hadden bronzen handgrepen en aan de zijkant zat een grote verticale barst. Hij had het bureau al achtendertig jaar. In 1980, een paar weken voor de kroning van Beatrix, liep hij aan het begin van de avond langs de Prinsengracht. Tussen de Noordermarkt en de Westerstraat zag hij een oude man en een oude vrouw een van de twee ladeblokken haast komisch langzaam naar buiten tillen. Stapje voor stapje schuifelden ze door de hoge deur van het grachtenpand, pauzeerden even op het bordes en begonnen vervolgens traag aan de afdaling van de bel-etage naar de begane grond. Op het moment dat ze de stoep wilden oversteken, kruiste Bernhard hun pad. Wat zouden ze ermee gaan doen? vroeg hij zich af, maar hij zei niets, groette met een glimlach en slenterde verder. Het was een ideale lenteavond voor een wandeling: koud nog, maar je rook aan de lucht dat de winter voorbij was. Hoewel het nog licht was, brandden de lantaarnpalen al. In een verwaarloosd bootje lag een junk te slapen, met zijn schoenen uitstekend onder het blauwe zeil. Aan de overkant liep een groepje studenten. Bernhard wandelde de hele gordel af, aan van alles en nog wat denkend, tot hij bij de Amstel kwam. Daar nam hij de brug naar de overkant, sloeg af naar links en liep weer terug naar huis, nu aan de overzijde van de Prinsengracht. Hij kwam langs het Amstelveld, het Paleis van Justitie en café Het Molenpad. Toen hij bijna weer bij de Brouwersgracht was, zag hij het bureau staan. Het was in elkaar gezet en stond tussen twee parkeerplekken op de klinkers. Er stond een stoel bij. Je kon er zo plaatsnemen om te gaan werken. Hij liep een stukje terug en stak bij de Prinsenstraat het water over. Daar was toen net De Bolhoed geopend, het vegetarische restaurant waar hij weleens ging eten. Hij wandelde door naar het bureau en vond een briefje: Antiek bureau zoekt nieuwe eigenaar. Hij draaide zich om en keek naar het huis. Het bejaarde stel stond voor het raam op de eerste verdieping en keek hem aanmoedigend aan. De man schoof het raam open. ‘Neem maar mee, hoor, als u geïnteresseerd bent!’
Uit: Als de duivel leidt (Vertaald door Harmien Robroch)
“Ik heb haar het leven ontnomen. Ik kan het niet ontkennen, heb ik ook nooit gedaan, in elk geval niet voor mezelf. Onder een weidse, donkere, Schotse sterrenhemel heb ik haar het leven ontnomen, terwijl onze collega’s en vrienden even verderop in het grote huis zaten en niets doorhadden. Ik heb haar het leven ontnomen, wat mijn leven er beter op maakte. Ook dat kan ik niet ontkennen; onverkwikkelijk misschien, een akelige waarheid, maar desalniettemin de waarheid. Ik leef al dertig jaar met deze wetenschap. Ik zal niet liegen en beweren dat er geen dag voorbijgaat dat ik haar gezicht niet voor me zie; ooit was dat misschien zo, de eerste maanden, misschien zelfs het eerste jaar, maar naarmate de tijd vorderde, bleven de herinneringen langer weg, nam de angst verder af, verwaterde het schuldgevoel. Maar ik zie haar nog steeds voor me, zo duidelijk als die nacht. Haar gezicht vol energie en leven, kleur en uitdrukkingen; en ik zie het ook nietszeggend en leeg en bleek, als een weerspiegeling van de volle maan. Mijn herinneringen aan haar zijn niet vervaagd, alleen opgeborgen als de rekwisieten van een toneelstuk. Zo nu en dan heeft iets in mij behoefte aan een reprise. Maar geen toneelillusie, dramatische kunstgreep of kunstbloed zou ooit overtuigend genoeg zijn. Die avond leerde ik hoe de dood er werkelijk uitzag. Ik zie nog steeds de bleke huid van haar armen en benen in dat jurkje met korte mouwen, haar ledematen vreemd rondom haar als een buikspreekpop of marionet, poppenogen die voorgoed een glazige blik hadden gekregen. Het was geen beschuldigende blik. Hij ging langs me heen, was gericht op een plek die niet meer van deze wereld was. Ze lag op de zachte grond en de maan scheen een schemerig licht op haar begrafenisprocessie, met bomen als baardragers, ogen van bedeesde, angstige wezens die ongezien knipperden en getuigen waren (en één van die bedeesde, angstige, ongeziene wezens zou een mens blijken te zijn). Aan haar graf werd niet gesproken, geen eerbetoon en geen tranen. Het was er plechtig en stil. Er kwam muziek uit het huis. Het geluid klonk ver weg, niet verbonden met de plek waar ik stond, een eiland in de tijd waar nog niemand wist wat er was gebeurd. En toch was het zo vlakbij. Er hoefde maar iemand mij te zoeken, haar te zoeken, en het eiland zou overspoeld worden. Ik had de kans om die afstand te behouden, maar de muziek die door de lucht zweefde zei me dat ik snel moest handelen en vastberaden moest zijn.”
Hoogstens een kenner van de klopsignalen van de specht, de afwijkingen en resonanties onderzoekend van de wisselende boomstammen, en elk hout heeft een andere toon. De eisen van de natuur zijn legio en nestbouw is er maar één van voor deze luidruchtige vogel, die op tijd verder trekt, op zoek naar een onvindbare echo.
« ….. bijvoorbeeld: als jullie het deden (wat is het woord?) dat het dan soms was alsof je niets in je armen had, een amandelogige schone met een gezicht als de maan en heur borsten als lammeren die onder de leliën weiden, ogen als bedauwde druiven en een mond van honing, een droom die zich in jouw armen vlijt en je doet vergeten wat het is, het leven (deze korte opflakkering enzovoort), de wereld, jullie, dat wil zeggen wat jij bent en wat zij is, dat er geen verschil meer is tussen haar en jou, dat je niet meer weet waar zij begint en jij eindigt, zij in jouw armen, jij in haar armen en je beweegt en de wereld beweegt …under us all moved, and moved us, gently, up and down, and from side to side… en plotseling, als het moment daar is waarop twee ophouden te bestaan en op het punt staan één te worden, daar lost ze op en ineens is er de leegte en het besef van wat je aan het doen bent, dat je op een ander mens ligt, dat je een kluwen van ledematen bent, een worsteling, kussens die zich ermee bemoeien, lakens die je benen grijpen, de radio van de buren …is het lang geleden, is het lang geleden… jouw geknikte pols, haar lege ogen, haar in het niets starende ogen, of misschien kijken ze juist naar binnen, naar een plek daar in haar diepste binnenste, een plek waar jij niet kunt komen maar waar je wilt zijn, want je wilt weten wie zij is, wie dat is die hier in jouw armen ligt en dit doet met jou maar ook heel erg zonder jou en je zegt waar denk je aan? en zij zegt nergens aan en dat kun je je niet voorstellen, want je bent versmolten tot een Griekse beeldengroep van lust en verlangen en begeerte en dan moet er toch iets zijn als wat wil ik van hem/haar, wat wil zij/hij van mij, wat ben ik voor haar/hem en wat is hij/zij voor mij, dus je vraagt wat ze voelt als ze nergens aan denkt lust, woede, vreugde, geilheid, weet ik veel en ze zegt geilheid, denk ik en je denkt denk ik? want geilheid is niet vaag, geilheid is duidelijk, als er iets duidelijk is dan geilheid, je zegt wat voel je dan als we vrijen? (wat is het woord?) en zij die haar wenkbrauwen fronst, want Joyce houdt er niet van om over deze dingen te praten – je hebt haar ooit gevraagd wat haar fantasieën waren en het heeft drie jaar geduurd voor daar een soort antwoord op kwam en dat was niet zozeer een fantasie als wel een plan van aanpak – hoe het was als jullie het deden, dat vroeg je, en ze zei zoiets als nou, gewoon en je denkt gewoon? gewoon dat is als een katholiek die de heilige communie omschrijft als ‘een stukje brood en een slok wijn’. Misschien is dat het: dat jij communie wilde en zij brood en wijn.”
“De bel ging. Het was een uur of elf. Dora stond in haar peignoir in haar droomkeuken. Ze stond hier al een poosje, maar ze wilde eigenlijk niets. Behalve misschien weer terug naar bed, met alle dekens over haar hoofd. Een paar uur eerder op deze grauwe winterochtend was Nils humeurig vertrokken omdat zij niets had kunnen verzinnen dat hem een erectie bezorgde. Ze was er nog te slaperig voor geweest. “Heb je gisteravond toch weer te veel gezopen”, snauwde hij haar toe. Zwakjes had zij geantwoord, zo zacht dat hij het niet kon horen, want hij was al bijna de slaapkamer uit: Bij sommige mannen gaat het ook gewoon vanzelf. Hij had het toch gehoord. Hij kwam er zelfs voor terug, boog zich over haar heen en schreeuwde: “Niet met een kouwe koe.” Ze wist al langer dan vandaag dat het niet zo goed ging, met haar en Nils. Maar ze had niet geleerd, zoals talrijke mensen in haar omgeving klaarblijkelijk wel, hoe men een uitgeblust huwelijk nog tot de dood erop volgt in stand houdt. Haar dag was bedorven. Ze had geprobeerd van welke kant ze haar huwelijk liet beste kon beschouwen. Dacht ze terug aan hoe het vroeger was geweest, dan begreep ze dat veel was verloren, zo niet alles. Dacht ze vooruit, aan hoe het moest worden, de volgende twintig jaar, dan zag het er pas echt wurgend uit. Nils kon niets meer van haar verdragen. Als hij niet kwaad was over haar drankgebruik, dan minachtte hij haar omdat ze te veel rookte, en als ze de sigaretten met veel moeite had afgezworen, dan vond hij dat ze te veel vrat. Haar gewicht en omvang mocht ze weleens halveren, had hij haar zondagavond toegebeten, hij ging er nota bene tegen opzien naast zo’n mastodont in bed te schuiven, hij keek liever naar het laatste tv-journaal, met die leuke Pia Dijkstra. “Zal ik dan spelen dat ik Pia Dijkstra ben, die het nieuws voorleest en dat jij dan als inbreker vermomd de studio binnensluipt en mij van achteren bespringt…?” Hoe diep kon een mens zinken? “Hm”, had Nils gezegd, “van achteren, hm, dat zou nog gaan, met niet te veel licht erbij dan. Zeg, jij kunt haar stem toch wel een beetje nadoen, hè?” Waarom was ze, meer dan een kwarteeuw geleden, toen ze trouwde met Nils, van ganser harte gestopt met haar kwakkelende loopbaan in het theater? Om beter voor haar man te kunnen zorgen? Ze speelde de laatste jaren meer en beter toneel dan ze op de planken had gedaan. De bel ging nog eens, niet opdringerig maar heel decent. Don keek door de luxaflex, oei, een boeman stond voor de deur. Ze rilde ervan, maar het was de postbode, met een bivakmuts op. Ze bestudeerde hem door de spleetjes van de zonwering, ze nam hem van top tot teen op, meer uit gewoonte dan uit veiligheidsoverwegingen. Ze kon aan de verleiding van een pakje toch geen weerstand bieden, daarom ging ze de deur hoe dan ook opendoen. Al zou het de laatste daad van haar leven zijn, al was ze nog in haar smoezelige peignoir. In de gang stelde ze zich voor hoe de dikke roodgekuifde postbode haar met een schot hagel in de onderbuik zou vloeren, hoe hij haar met zijn voet opzij zou schuiven, hoe hij vloekend voor de lege brandkast zou staan en uit woede haar dus alsnog verkrachten. Dan bloedde ze langzaam leeg op het marmer.”
Helga Ruebsamen(4 september 1934 – 8 november 2016)
Zelfs C. P. Kavafis – cynisch, ascetisch, onbekend in zijn tijd – drukte op eigen kosten gedichten die niemand wou publiceren, gedichten intiem, persoonlijk, om te delen met lezers die hij vrienden noemde.
Maar ik heb honderden gedichten verstopt in een doos. Ook al weet ik dat Kavafis ooit verzen In zwarte en gouden linten wikkelde om cadeau te doen.
De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Jacq Firmin Vogelaar (pseudoniem van Franciscus Wilhelmus Maria (Frans) Broers) werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voorJacq Firmin Vogelaar op dit blog.
Uit: Oefeningen in het dagboekschrijven (augustus ’81, tweede keus) 28/7. Dinsdag
“+ In het voorgaande heb ik gesmokkeld. Teveel gestileerd. Als schermbloemen voegen zich aantekeningen rond een kern, waaieren uit en er komt tekening in. Alsof dat vanzelf gaat. De volgorde heb ik echter pas achteraf aangebracht, zodat er een natuurlike ordening van gedachten is ontstaan (in tegenstelling tot de wanorde van sprongen, zijpaden, herhalingen enz. zoals de aantekeningen van dag tot dag op papier komen), een natuurlike ordening die het resultaat is van een ingreep.
Zo kwam het mij bvb., voor het kontrast, beter uit om het bezoek aan N. een week naar voren te schuiven. Daardoor komt de mededeling van A. harder aan, daar ik (net ziek geweest) nog niet bekomen ben van het onthutsende bericht dat W. mij stuurt over D., zijn zoon, met wie ik vele jaren eng bevriend ben geweest.
+ Zolang ik niet het geschikte schrift heb, kan ik niet beginnen.
+ Beschouw deze maand als voorspel – als inwerkperiode. Misschien zal ik daarna echt kunnen beginnen.
+ Ik wil een tijdje m’n handen vrij hebben, me niet zo volledig binden aan de Operaties. Het geplande deel 4 is nog lang niet in het stadium van schrijven. En het dagboekplan komt vooral voort uit de (bijna fysieke) behoefte om te schrijven, aan iets substantieels, dageliks. In principe moet die vorm me de gelegenheid bieden om niet direkt bij elkaar horende bezigheden en onderwerpen in één kontekst samen te brengen.
De werkwijze ligt voor de hand: sinds Raadsels heb ik de voortgang van de produksie systematies in draaiboeken bijgehouden – de schriften als logboek (of: machinekamer en stuurhut tegelijk). Niet alleen kon ik dankzij de chronologiese ordening op elk moment alles terugvinden en rekapituleren; ik hield daardoor ook greep op het vermenigvuldigingsproces. In de metode van werken verwarring zoveel mogelik uitschakelen. ‘Un hasard doit être incessament la matière d’un calcul rigoureux’ (Poe geciteerd door Jules Verne).
+ Ik hoorde de transistorradio schetteren en nam daarom aan dat de buurman aan het werk was; er bleek niemand te zijn, maar de radio stond wel aan. De stad is overal.
+ Waarom zou ik geen wederwaardigheden (wat ’n woord) verzinnen? Ik kan me in een bedachte situatie gemakkeliker van een afstand bekijken dan in een verslag. Een fiksie maak ik intenser mee dan een gebeurtenis die me overkomt.”
Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)
De Afro-Amerikaanse dichter Adrian Matejka werd geboren in Neurenberg, Duitsland, op 5 september 1971 en groeide op in Californië en Indiana. Zie ook alle tags voor Adrian Matejka op dit blog.
Prijsvechter
Ik hou van paarden omdat ze de snelste man voorbij zullen lopen. Ze zijn majestueus,
zo statig als een zaterdagse vrouw voor een feest. Paarden ruiken naar wat
het betekent snel te zijn: zweet en grind dat opspat tijdens het vroege ochtend lopen.
Het in- en uitademen als grind in vermoeide longen. Ik verzorgde ze en racete met
paarden van Texas tot Boston totdat er een mijn dijbeen brak met een zijwaartse
trap. Ik kan geen paard meer rijden, maar zelfs als ik het zou kunnen, we hebben deze
auto’s nu die ons met 1 km per minuut kunnen vervoeren. Ik koop de snelste
auto die ik kan vinden zodra ik mijn geld bij elkaar heb. In de ring,
ben ik als een auto. Mijn vuisten werken als opgevoerde motoren. ik heb
het soort elasticiteit waar andere vechters van dromen nadat ik ze heb laten inslapen
op het canvas. Als ik een man vastgrijp, is het alsof ik wordt gewikkeld in vergeving.
Als ik een man haak, is het alsof ik wordt geraakt door frustratie. Ik weet niet of paarden
blij of verward zijn door de nieuwe manier van voortbewegen, maar ik kan met zekerheid
zeggen: mijn prijsvechtende cohorten zijn beslist ontevreden over mijn aanwezigheid.