Advent Calendar (Rowan Williams), Julia Kasdorf

Bij de 2e zondag van de Advent

 

De Annunciatie door Hendrick ter Brugghen, ca. 1624

 

Advent Calendar

He will come like last leaf’s fall.

One night when the November wind
has flayed the trees to bone, and earth
wakes choking on the mould,
the soft shroud’s folding.

He will come like frost.
One morning when the shrinking earth
opens on mist, to find itself
arrested in the net
of alien, sword-set beauty.

He will come like dark.
One evening when the bursting red
December sun draws up the sheet
and penny-masks its eye to yield
the star-snowed fields of sky.

He will come, will come,
will come like crying in the night,
like blood, like breaking,
as the earth writhes to toss him free.
He will come like child.

 

Rowan Williams (Swansea, 14 juni 1950)
Swansea in de kersttijd

 

De Amerikaanse dichteres Julia Mae Spicher Kasdorf werd geboren op 6 december 1962 in Lewistown, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Julia Kasdorf op dit blog.

 

Wat ik van mijn moeder heb geleerd

Ik heb van mijn moeder geleerd hoe ik de levenden
lief moet hebben, om voldoende vazen bij de hand te hebben
voor het geval je je naar het ziekenhuis moet haasten
met gesneden pioenrozen uit het perk, de zwarte mieren
nog plakkend aan de knoppen. Ik heb geleerd om potten te bewaren
groot genoeg om er fruitsalade in te conserveren voor een heel
rouwend huishouden, om ingemaakte peren en perziken
in blokjes te verdelen, om door donkerrode druivenschillen te snijden
en de kweekzaadjes met een mespunt eraf te schrapen.
Ik heb geleerd om een opgebaarde te bezoeken, ook al kende ik
de overledene niet, om de vochtige handen te drukken
van de levenden, om in hun ogen te kijken en medeleven
te betuigen, alsof ik toen al het verlies begreep.
Ik heb geleerd dat alles wat we ook maar zeggen niets betekent,
wat iemand zich zal herinneren, is dat we kwamen.
Ik leerde te geloven dat ik de kracht had om vreselijke pijnen
te verzachten, significant als een engel.
Als een dokter leerde ik uit andermans
lijden mijn eigen bruikbaarheid te maken, en als je eenmaal
weet hoe je dit doet, kun je nooit weigeren.
Aan elk huis dat je betreedt, moet je genezing
aanbieden: een chocoladetaart die je zelf hebt gebakken,
de zegen van je stem, je kuise aanraking.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Julia Kasdorf (Lewistown, 6 december 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e december ook mijn blog van 6 december 2018 en ook mijn blog van 6 december 2017

Wat heeft Sint voor jou gekocht? (Thomas Verbogt), Arthur Sze

Bij Sinterklaas

 

 

Uit: Wat heeft Sint voor jou gekocht? (Geraas)

“Terwijl de wind steeds harder door de bomen begon te waaien (hier in huis zelfs waaide de wind), moest ik alles nog regelen voor het heerlijk avondje. Ieder jaar neem ik me voor dat anders te gaan doen, zoals mijn moeder vroeger. Die had volgens mij in oktober alles al in huis. Nu vind ik dat wat vroeg, maar op de laatste dag is weer het andere uiterste. Over iets wat mijn eigen schuld is, klaag ik nooit. Waarom zou ik, ik vind het ook wel iets hebben. Laten we het alsjeblieft aangename nervositeit noemen. Altijd moet ik vlak voor pakjesavond nog iets kopen. Nu ook weer, in het warenhuis, een sieraad, althans een onderdeel van een sieraad, iets voor aan een ketting. Ik was danig winkelziek, maar had duidelijke instructies: die ingang, dan rechtdoor, tweede vitrine links Maar daarin zag ik het dringend gewenste geschenk niet, hoe heette het ook alweer? Het was benauwend druk en toen ik eindelijk een mevrouw van de sieradenafdeling te spreken kreeg en de gedeeltelijke naam van het sieraad noemde, zei ze dat ik waarschijnlijk ‘bij onze banketbakker’ moest zijn. Ik schudde mijn hoofd en keek om me heen. En ja, toen werd het stil in me, een milde vorm van acute levensmoeheid die naar binnen sloeg en me min of meer versteende. Alleen mijn ogen kon ik nog naar links en naar rechts draaien. Vanuit mijn linkerooghoek zag ik een verkoopster naar me toe komen, een Surinaamse. Ze glimlachte geruststellend, legde een hand op mijn onderarm en zei zacht: ‘IJ zoekt iets, maar weet niet wat.’ Ik kon me weer bewegen en knikte opgelucht, niet alleen omdat ze me begreep, maar ook omdat ze mijn leven trefzeker samenvatte. Ze stelde voor samen even te kijken. Dat deden we en binnen de kortste keren had ik wat ik zocht. Nadat ik had betaald, liep ze nog een stukje mee naar de uitgang. Ten afscheid legde ze weer even haar hand op mijn onderarm. Het heerlijk avondje was begonnen.”

 

Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

Het geschenk

De stukjes van deze legpuzzel vormen
straks het gouden gezicht van Toetanchamon,

maar momenteel zijn het vlekjes
kleur verspreid over de vloer.

Deze momenten van bewustzijn
hebben geen puzzelpasvorm – hartslag

van een vliegende zwaluw – sporen
van een rode lynx op het Windsorpad,

voorgevoel dat vreugde schuilgaat in
een lucifer, in zonnebloemstengels uitrukken,

een urn leegschudden vanaf een brug
zodat de asresten een wolk vormen.

De stukjes van een leven blijven uiteindelijk
stukjes. Niemand kan papyrus herstellen

als het eenmaal vlam heeft gevat;
maar voordat de agapanthus bloeit,

voordat het lichaam verschroeit, uitwist
het bewustzijn, heb je tijd

om te puzzelen, schommelen, slingeren, brassen
huppelen, doedelen, klagen, gloeien.

 

Vertaald door K. Michel

 

Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie ook alle tags voor Sinterklaas en voor 5 december en zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn blog van 5 december 2018.

Rainer Maria Rilke, Arthur Sze

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

Uit: Duineser Elegien

Die erste Elegie

Wer, wenn ich schriee, hörte mich denn aus der Engel
Ordnungen? und gesetzt selbst, es nähme
einer mich plötzlich ans Herz: ich verginge von seinem
stärkeren Dasein. Denn das Schöne ist nichts
als des Schrecklichen Anfang, den wir noch grade ertragen,
und wir bewundern es so, weil es gelassen verschmäht,
uns zu zerstören. Ein jeder Engel ist schrecklich.
      Und so verhalt ich mich denn und verschlucke den Lockruf
dunkelen Schluchzens. Ach, wen vermögen
wir denn zu brauchen? Engel nicht, Menschen nicht,
und die findigen Tiere merken es schon,
dass wir nicht sehr verlässlich zu Haus sind
in der gedeuteten Welt. Es bleibt uns vielleicht
irgend ein Baum an dem Abhang, dass wir ihn täglich
wiedersähen; es bleibt uns die Straße von gestern
und das verzogene Treusein einer Gewohnheit,
der es bei uns gefiel, und so blieb sie und ging nicht.
      O und die Nacht, die Nacht, wenn der Wind voller Weltraum
uns am Angesicht zehrt -, wem bliebe sie nicht, die ersehnte,
sanft enttäuschende, welche dem einzelnen Herzen
mühsam bevorsteht. Ist sie den Liebenden leichter?
Ach, sie verdecken sich nur mit einander ihr Los.
      Weißt du’s noch nicht? Wirf aus den Armen die Leere
zu den Räumen hinzu, die wir atmen; vielleicht da die Vögel
die erweiterte Luft fühlen mit innigerm Flug.

Ja, die Frühlinge brauchten dich wohl. Es muteten manche
Sterne dir zu, dass du sie spürtest. Es hob
sich eine Woge heran im Vergangenen, oder
da du vorüberkamst am geöffneten Fenster,
gab eine Geige sich hin. Das alles war Auftrag.
Aber bewältigtest du’s? Warst du nicht immer
noch von Erwartung zerstreut, als kündigte alles
eine Geliebte dir an? (Wo willst du sie bergen,
da doch die großen fremden Gedanken bei dir
aus und ein gehn und öfters bleiben bei Nacht.)
Sehnt es dich aber, so singe die Liebenden; lange
noch nicht unsterblich genug ist ihr berühmtes Gefühl.
Jene, du neidest sie fast, Verlassenen, die du
so viel liebender fandst als die Gestillten. Beginn
immer von neuem die nie zu erreichende Preisung;
denk: es erhält sich der Held, selbst der Untergang war ihm
nur ein Vorwand, zu sein: seine letzte Geburt.
Aber die Liebenden nimmt die erschöpfte Natur
in sich zurück, als wären nicht zweimal die Kräfte,
dieses zu leisten. Hast du der Gaspara Stampa
denn genügend gedacht, dass irgend ein Mädchen,
dem der Geliebte entging, am gesteigerten Beispiel
dieser Liebenden fühlt: dass ich würde wie sie?
Sollen nicht endlich uns diese ältesten Schmerzen
fruchtbarer werden? Ist es nicht Zeit, dass wir liebend
uns vom Geliebten befrein und es bebend bestehn:
wie der Pfeil die Sehne besteht, um gesammelt im Absprung
mehr zu sein als er selbst. Denn Bleiben ist nirgends.

Stimmen, Stimmen. Höre, mein Herz, wie sonst nur
Heilige hörten: dass sie der riesige Ruf
aufhob vom Boden; sie aber knieten,
Unmögliche, weiter und achtetens nicht:
So waren sie hörend. Nicht, dass du Gottes ertrügest
die Stimme, bei weitem. Aber das Wehende höre,
die ununterbrochene Nachricht, die aus Stille sich bildet.
Es rauscht jetzt von jenen jungen Toten zu dir.
Wo immer du eintratest, redete nicht in Kirchen
zu Rom und Neapel ruhig ihr Schicksal dich an?
Oder es trug eine Inschrift sich erhaben dir auf,
wie neulich die Tafel in Santa Maria Formosa.
Was sie mir wollen? leise soll ich des Unrechts
Anschein abtun, der ihrer Geister
reine Bewegung manchmal ein wenig behindert.

Freilich ist es seltsam, die Erde nicht mehr zu bewohnen,
kaum erlernte Gebräuche nicht mehr zu üben,
Rosen, und andern eigens versprechenden Dingen
nicht die Bedeutung menschlicher Zukunft zu geben;
das, was man war in unendlich ängstlichen Händen,
nicht mehr zu sein, und selbst den eigenen Namen
wegzulassen wie ein zerbrochenes Spielzeug.
Seltsam, die Wünsche nicht weiterzuwünschen. Seltsam,
alles, was sich bezog, so lose im Raume
flattern zu sehen. Und das Totsein ist mühsam
und voller Nachholn, dass man allmählich ein wenig
Ewigkeit spürt. – Aber Lebendige machen
alle den Fehler, dass sie zu stark unterscheiden.
Engel (sagt man) wüssten oft nicht, ob sie unter
Lebenden gehn oder Toten. Die ewige Strömung
reißt durch beide Bereiche alle Alter
immer mit sich und übertönt sie in beiden.

Schließlich brauchen sie uns nicht mehr, die Früheentrückten,
man entwöhnt sich des Irdischen sanft, wie man den Brüsten
milde der Mutter entwächst. Aber wir, die so große
Geheimnisse brauchen, denen aus Trauer so oft
seliger Fortschritt entspringt -: könnten wir sein ohne sie?
Ist die Sage umsonst, dass einst in der Klage um Linos
wagende erste Musik dürre Erstarrung durchdrang;
dass erst im erschrockenen Raum, dem ein beinah göttlicher Jüngling
plötzlich für immer enttrat, das Leere in jene
Schwingung geriet, die uns jetzt hinreißt und tröstet und hilft.

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Portret door Leonid Pasternak, 1928

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

Slapers

Een kolibrie met een zwarte kin landt
op een metalen draad en rust gedurende vijf seconden;
vijf seconden lang laat een pianist zijn hoofd zakken
en zijn handen rusten op de sleutels;

een man baadt waar irrigatiewater
een poel vormt voordat het in de rivier uitmondt;
een monteur draait een plug los en motorolie
loopt weg in een emmer; gedurende vijf seconden,

ruik ik pepermunt door een open raam,
herinner me waar een wild blad van je huid afgleed,
hier komt aanraking voor het zien; dat ik je vasthield,
herinner ik me, aan de overkant van een kanaal, het geluid van mannen

die inktvissen op ijs leggen bij het eerste licht;
voor het eerste licht, fysiek contact,
onze kloppende harten , geklets van vrouwelijke regen
op het dak; terwijl de kolibrie

uit het zicht snort, grijpen de tandwieltjes van een klok
in elkaar met verschillende snelheden; we horen
een reeks ostinato-noten en zijn niet gebonden
aan het gewicht van ons lichaam op aarde.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e december ook mijn blog van 4 december 2018 en eveneens mijn blog van 4 december 2017 en ook mijn blog van 4 december 2016 deel 3.

Kristina Sandberg, Arthur Sze

De Zweedse schrijfster Kristina Sandberg werd geboren op 3 december 1971 in Sundsvall. Zie ook alle tags voor Kristina Sandberg op dit blog.

Uit: De komst van een kind (Vertaald door Wendy Prins)

“Maj neemt de laatste tafel af, spoelt de vaatdoek uit en ziet dat Ingrid haar schort uitklopt voor ze haar koffiekopje pakt en zegt tuurlijk ga je mee, Maj. Olof is knap en blij en glimlacht naar Maj, laat Ingrid niet merken hoe hij naar haar kijkt. met zijn bruine ogen. dik, donker haar en een lok die over zijn voorhoofd valt, onwillekeurig of bewust. dat weet ze niet, maar die ogen – en Maj pakt de porseleinen kan met koffie. Blieft meneer nog een kopje koffie, vraagt ze, voor de grap, theatraal, heel graag, lieve juffrouw, antwoordt hij en hij houdt zijn kopje bij. Zweetvoeten, ze kan niet met hen meegaan met deze stinkende voeten die de hele dag in hakschoenen bekneld hebben gezeten. Nee, gaan Jullie maat zegt ze en zet de kan op de toonbank. Ah, doe niet zo saai, zucht Ingrid. nu met donker gestifte lippen wanneer heeft ze dat gedaan? – toen Okt kwam waren ze nog bleek, als ze de lunchroom sluiten hebben ze beiden meestal een bloos op hun wangen en ruikt hun haar naar vet en kardemom van de bakkerij in de ruimte ernaast – heeft Ingrid nooit stinkvoeten? En dan zegt Ingrid dat Tomas aardig is en er goed uitziet en hij heeft een auto. We gaan alleen maar een eindje rijden, naar Gullvik of Skeppsmaln, het is zo’n heerlijke avond, bovendien is het zaterdag.
Een krap bemeten toilet, een kleine wastafel. maar met koud en warm water. Moeizaam brengt ze haar ene voet omhoog, om hem in te zepen, schoon te spoelen, af te drogen, ook tussen de tenen. Wat doe je daar, roept Ingrid, de andere voet, onder haar oksels, haar onderbroek, nee, ze kan niet in vieze zijden kousen en stinkend ondergoed meegaan. Lippenstift, rouge, haar wenkbrauwen worden veel te donker met die met-zwarte mascara, ze veegt het uit en ziet opeens bont en blauw rond haar ogen, maakt de handdoek nat, doet er zeep op, boent stevig langs haar wenkbrauwen. Zo is het in elk geval beter. Zonder kousen. Nee, dat ts nog erger, dat gaat niet, ze moet de oude kousen maar aan en net doen of het Ingrid is die stinkt Hij zou ook rijk zijn. Tomas, dat heeft Ingrid tussen neus en lippen door genoemd, en als ze de achterdeur op slot doen, zegt Olof dat niets zo verrukkelijk is als mooie meisjes in een zomerjurk, niet bloedserieus, maar toch. Zie je mij nu, Erik, dal ik een eigen kamer heb en vrienden en werk? Olof geeft ook haar een arm, met tikkende hakken lopen ze naar de Viktoriaesplanaden. De auto staat op de binnenplaats en Olof zegt dat het geen probleem zal zijn om hem over te halen, maar ze wil niet mee naar binnen, haar benen trillen zo. en dan zegt Ingrid dat ze mee moet. anders zegt Tomas misschien wel nee en wil hl) in de stad blijven. Hij heeft vast wel wat in huts, zegt Olof en dan lopen ze de trap op, naar de derde verdieping, ze is bulten adem als ze bij de deur zijn. Olof belt aan, trekt haar naar zich toe, ze moet goed te zien zijn als Tomas opendoet. maar het blijft stil daarbinnen, Olof drukt nogmaals op de bel, harder, en langer nu. Lag je te slapen, vraagt Olof en Tomas haalt een hand door zijn lichtgrijze haar, ze blijft stokstijf staan, ze hadden niet gezegd dat hij oud is, zeker al dertig. veertig? Kom binnen, zegt hij, de geur van rook en Iets anders, iets onbestemd.”

 

Kristina Sandberg (Sundsvall, 3 december 1971)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

De kans

De blauwzwarte bergen zijn geëtst
met ijs. Ik rijd naar het zuiden in vervagend licht.
De lichten van mijn auto gingen voor me
uit, en verdwijnen voor mijn ogen.
En als ik de dertig nader, zijn de afstanden
korter dan ik denk? De geest
reist met de snelheid van het licht. Maar voor
hoeveel mensen zijn de passies
ijzerhout, ijzerhout dat verhardt en verhardt?
Neem de ex-muzikant, verzekeringsagent,
die zichzelf een polis over zijn eigen leven verkoopt;
of de goochelaar die zichzelf heeft opgesloten
in een kist en in zee geworpen,
om dan te ontdekken dat hij gevangen zit in zijn eigen ketenen.
Ik wil een passie die groeit en groeit.
Voelen, denken, handelen en gedefinieerd worden
door jouw acties, gedachten, gevoelens.
Zoals in de botten van een hand op een röntgenfoto,
wil ik dat het heldere witte licht werkt
tegen de vage wazige randen van de duisternis:
zelfs als de duisternis voorafgaat en ons
volgt hebben we de kans om korte tijd te schitteren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e september ook mijn blog van 3 december 2018 en eveneens mijn blog van 3 december 2017 deel 3.

Frédéric Leroy, Arthur Sze

De Vlaamse dichter Frédéric Leroy werd geboren op 2 december 1974 in Blankenberge. Zie ook alle tags voor Frédéric Leroy op dit blog.

Voor Hellas – Oxi!

Nee! Opdat dit land geen lege doos zou zijn
maar een opstandig, rammelend kerkhof,
een plek om wijn te morsen, broederlijk
armen over schouders te slaan, demonen
uit de voorvaderlijke grond te stampen.

Nee! Omdat dit leven in de moederschoot,
deze bottende schandpaal, geen snelweg
naar de dood is, maar een feestkalender,
omdat we tussen de maaltijden bereid zijn
de kroonschatten van dit bestaan te dragen.

Nee! Omdat waarde schuilt in het woord
van het orakel en in de adem van de zee
die meeuwen en molenwieken vaart geeft,
nooit in de tijdelijke wetten van tirannen
of in het dragen van gestreken uniformen.

Nee! Opdat dit Hellas geen staat zou zijn
van onderdrukten, enkel van de goden
een overwogen handdruk in het blauwe
afwassop van Europa, een halsketting
van aaneengeregen eilandgedachten.

Nee! Omdat grenzen denkbeeldig zijn,
we allen drieste Bulgaren zijn in de harten
van Australiërs, argonauten en nomaden
langs de paden van het wildvee, met hoop
in de harten, op zoek naar oorsprong.

Nee! Opdat je altijd één van ons zou zijn,
iedereen je naam zou dragen: Vrijheid.

 

Zomeravond

Elk begin is heilig zwanger
van een zwellend universum
ook wanneer je langzaam
je witte bloes losknoopt
doorheen de stilte
als het droge knetteren
van een insectenvleugel
en het bleke zonlicht
zachtjes vallen laat
op je bange schouders
,

ik echter ben gevangen
in de diepte van je navel.

Als gulzige zilvervisjes
flitsend in donker water
glijden je vlugge vingers
doorheen je stugge haren,
je haren die je losgooit
eensklaps maar verwacht
als een zware regenbui
op een zwoele zomeravond.

 

Heiden

De zon scheen vaker. Aan de dingen kleefden
nog de namen, uitnodigend, uitwisselbaar
als losse plaatjes, zodat ik rozenstruiken
krokodillen ging noemen, mezelf krijger.

Wreedheid was een deugd, rauw geweld
iets voor helden (dat wat heerste onder
de zomerzon, triomfeerde, regenwormen
in stukken hakte). Ik lachte vaker toen.

In een wereld van gras en pluizen was ik
heidens blond, wist van god noch gebod
maar hield van het witgekalkte kapelletje
verderop – plukte plechtig kruisspinnen.

Ik schiep een pantheon van gedrochten,
krioelend in glazen confituurpotten.

 

Frédéric Leroy (Blankenberge, 2 december 1974)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

Een wereldbol uitpakken

Ik staar naar de Stille Oceaan en verwacht niet
ooit de hoofden op Paaseiland te zien,

hoewel ik vermoed dat het zonlicht kabbelt
over de gele grassen die naar de kust afhellen
;

gisteren at een ree gras in de boomgaard:
het spitste zijn oren en stopte met eten

toen het voelde dat we toekeken
vanuit een glazen corridor – in zijn slaap, zweet

een veteraan en maakt een landmijn onschadelijk.
Op de wereldbol markeer ik de Slag om

de Koraalzee – daar zeurt nu niemand over.
Een gedicht kan nooit te donker zijn,

ik knik en, turend naar Kenai, hoor
ik ijs dat langs een inham breekt;

gisteren draafde een coyote dwars door ’t licht
van mijn koplampen en draaide zijn hoofd om

maar hield zijn pas niet in; dat is hoe
ik op deze planeet wil leven:

levend voor een konijn bij een glazen deur-
en bloeiend waar geen bloem is.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Arthur Sze (New York,1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e december ook mijn blog van 2 december 2018.

Pierre Kemp, Ernst Toller

De Nederlandse dichter en schilder Pierre Kemp werd geboren in Maastricht op 1 december 1886. Zie ook alle tags voor Pierre Kemp op dit blog.

 

Hemelvaart der Liefde

Ik stal uw ziel uit uwe donkre oogen
In nacht van storm en regen, als ik joeg
Gestrengeld in een rukwind voort en loech
Luid om ’t gebruis der boomen wildbewogen.

Wij joegen voort, totdat uw ziel mij vroeg:
‘Waar wij nu wel tesamen henentogen?’
Ik zweeg en zag u aan met mededongen –
Wonder en liefde en dat was u genoeg.

Wij joegen voort, opcirkelende in
De zuilen lucht, die – als een vliegend woud
Van boomen-storm – langs rotsen en ravijn

Donderden voort…. tot waar het rustbegin
Versmolt in ’t zinkend woeden, ’t zinkend goud
Der sterren…. tot…. waar enkel zielen zijn.

 

Herfst

Ik hoor de wind in de publieke bomen
en zie het grote rode licht van de maan
ontgoocheld en on-vooringenomen
achter de laagste takken opwaarts gaan.
Er wil in mij iets teder musiceren
over het schoon vergaan. Wat ik niet wil.
De dingen moeten liever maar verteren,
zo worden ze immers stil.

 

Voorwinter

De zielen hebben de lange jassen aan
in héél de stad,
al is er één onder een lantaarn doorgegaan
die nog geen had.
Er zal wel geen collecte zijn
voor die ziel zonder ’t lange kleed,
want een ziel hoeft niet gekleed te zijn
om haar lief en leed.

 

Pierre Kemp (1 december 1886 – 21 juli 1967)

 

De Duitse dichter en schrijver Ernst Toller werd geboren op 1 december 1893 in Samotschin (tegenwoordig Szamocin). Zie ook alle tags voor Ernst Toller op dit blog.

 

De strijder

Moeder, moeder, waarom ben jij het niet?

Kan ik niet die vrouw
Die mij met haar bloed
In donkere nachten de hartslag leende
Met een vroom hart moeder noemen.
Dan wil ik lange afstanden afleggen
Oh, dat ik, het zoeken nooit moe.
Bij stekelige ligusterhagen dromend.
Jou, moeder, vinden mocht.
Ben ik geen moeder voor mezelf?
Jij, vrouw, schonk kreunend
Ooit het leven mij.
Ik stierf sinds die dag zo menigmaal
Ik stierf
Baarde mezelf
Stierf
Baarde mezelf

Ik werd mezelf tot moeder.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ernst Toller (1 december 1893 – 22 mei 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e december ook mijn blog van 1 december 2018 deel 2 en eveneens deel 3.  

Dennis Gaens, Arthur Sze

De Nederlandse dichter Dennis Gaens werd geboren in Susteren op 30 november 1982. Zie ook alle tags voor Dennis Gaens op dit blog.

 

Lamento voor de meisjes die mijn straat hebben verlaten

I
De meisjes die het meest van alles
op dieren leken, doen het nu met
kunstenaars en wonen op boten of
in zolderkamers, die ze ‘ateliers’ noemen.

De mooiste meisjes gingen, kwamen
terug en trouwden met Harry, Henk of
Leo, namen een labrador en kregen
om de haverklap kinderen die op voetbal
of ballet moesten.

Ze lieten alleen de plekken achter waar
we zaten en zoenden; de speeltuin,
het fietsenrek en de overkapping bij
de parkeerplaats. De telefooncellen
zijn al jaren geleden weggehaald.

 

Het is dit of doodgaan

We komen namen halen.
Niet dat we onze ouders haten – we zijn
hooguit verongelijkt over onze vaders.

Onze aanval volgt op bevel van helemaal
beneden. Als u nog elektriciteit heeft
hebben we uw stad nog niet aangedaan.

We zoeken iets om op in te steken en uit te barsten.

Als we niet zo verdomd verstrooid zouden zijn,
waren we er al geweest.

 

zo jong komen we niet meer bij elkaar

In haar laatste dagen thuis gooide Dani alles uit het raam; omdat ze het daar
zelf te koud begon te vinden, wilde ze binnen plek hebben om rondjes door
de kamer te kunnen draaien.

Luuk is ook deze zomer niet teruggekomen. We kunnen alleen maar
hopen dat hij het halfrond is overgestoken en ergens in de zon zit. Tot hij
terugkomt blijven we hem indachtig sjekkies roken.

Lotte had alleen al in de eerste twee weken drie mobieltjes in de Waal
gegooid, omdat ze vreemde telefoontjes verwachtte. Ze droeg meer
vermommingen dan outfits die seizoen. Ze kocht een kaartje voor de trein
van 8.05 uur.

Dave at alleen nog bij zijn ouders en sukkelde elke avond in slaap voor de tv,
die de hele nacht reclames bleef herhalen. Hij zei dat zijn fiets stuk was. Ik
vroeg hem waarop hij wachtte, hij zei: ‘een nieuw begin.’

 

Dennis Gaens (Susteren, 30 november 1982)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze  op dit blog.

 

Netverlichting

Balancerend op een brug, met straatverlichting
aan beide oevers zet een man
een saxofoon aan zijn lippen, munten
in een omgekeerde pet en een carrousel

op een piazza begint te draaien:
waar zijn de poorten naar het paradijs?
Een vrouw buigt zich over een uitgestoken
papieren beker – leerarbeiders naaien

onder lampen: een riem, portemonnee, tas –
leer kastanjebruin geverfd, beige, zwart –
werknemers uit Seoul, Lagos, Singapore –
een fresco op een kerkmuur verbeeldt

de dood van een heilige: een monnik heft
beide handen in de lucht – in een vliegtuig,
vormt zich een stolsel in het been van een vrouw
en begint naar haar hart te reizen –

een reeks noten maakt rimpels op het water;
en, terwijl het stolsel zich vastzet, lossen op een markt
in de buurt van kabbelende golven mannen
sardientjes in een uitbarsting van Argentijns licht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e november ook mijn blog van 30 november 2018 en eveneens mijn blog van 30 november 2016 en ook mijn blog van 30 november 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Advent (Patrick Kavanagh), Mario Petrucci

Bij de 1e zondag van de Advent

 

Quincy Market at Twilight door Laura Lee Zanghetti, 2012

 

Advent

We have tested and tasted too much, lover-
Through a chink too wide there comes in no wonder.
But here in the Advent-darkened room
Where the dry black bread and the sugarless tea
Of penance will charm back the luxury
Of a child’s soul, we’ll return to Doom
The knowledge we stole but could not use.

And the newness that was in every stale thing
When we looked at it as children: the spirit-shocking
Wonder in a black slanting Ulster hill
Or the prophetic astonishment in the tedious talking
Of an old fool will awake for us and bring
You and me to the yard gate to watch the whins
And the bog-holes, cart-tracks, old stables where Time begins.

O after Christmas we’ll have no need to go searching
For the difference that sets an old phrase burning-
We’ll hear it in the whispered argument of a churning
Or in the streets where the village boys are lurching.
And we’ll hear it among decent men too
Who barrow dung in gardens under trees,
Wherever life pours ordinary plenty.
Won’t we be rich, my love and I, and
God we shall not ask for reason’s payment,
The why of heart-breaking strangeness in dreeping hedges
Nor analyse God’s breath in common statement.
We have thrown into the dust-bin the clay-minted wages
Of pleasure, knowledge and the conscious hour-
And Christ comes with a January flower.

 

Patrick Kavanagh (21 oktober 1904 – 30 november 1967)
De Round Tower in Inniskeen, de geboorteplaats van Patrick Kavanagh

 

De Engelse dichter en schrijver Mario Petrucci werd geboren op 29 november 1958 in Londen. Zie ook alle tags voor Mario Petrucci op dit blog.

 

BROOD
(Southwell Workhouse)

Wij zijn mannen half-
gebakken – zwaaiend met
loodzware mokers

boven onze hoofden
op elleboogstokken
van brood. Uur

na uur: mannen
van bloem. Gered door
een snufje zout.

Hier omdat
we ons broodje
zouden moeten gebruiken. Omdat

mannen van vuur ijzer
eten. Roest. Hele
landen. Maar wij

zweven door dagen
op korsten. Van dageraad
tot schemer elk vlot

hetzelfde. Zoals
wij. Elke snee zijn
we – op drift

op een bakje pap.
Ontbijt. Middagmaal.
Avondmaal. Eén brandstof.

En wanneer we eindelijk
opstijgen naar de hemel
dan denk ik

dat we gedwongen worden
om Zijn velden te maaien
goddelijk met tarwe –

bergen te verzetten
van heilige gist – en
terug te reiken naar beneden

om daar (een voor
één) elke grijze wolk van deeg
te kneden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mario Petrucci (Londen, 29 november 1958)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e november ook mijn blog van 29 november 2018 en eveneens mijn blog van 29 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Erwin Mortier, Nicole Brossard

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook alle tags voor Erwin Mortier op dit blog.

Uit: Gestameld liedboek. Moedergetijden

“Voor de rest doen we zo goed als mogelijk ons best de trage dood die zich thuis aan het afspelen is niet als een beproeving te beschouwen – wat niet voor de hand ligt. Rationeel kan ik alleen maar hopen dat mijn moeder niet lang meer moet lijden, want het is zo zinloos. Ze heeft nog amper besef van tijd, plaats, de anderen. De flamboyante vrouw die altijd graag le-ven en plezier om zich heen had, is nu een kromgetrokken, broodmagere gestalte geworden, die over het tuinpad naar de auto toe schuifelt, met veel moeite het portier opent en dan gaat zitten, vermoedelijk omdat ze zich in dat kleine Peugeotje, dat blikken baarmoedertje, veilig voelt.
Mijn hart breekt als ik het zie.
Tegelijk vind ik de gedachte dat ze er in het geheel niet meer zou zijn verkillend, en ik maak me ook wat zorgen om mijn vader, die haar nu met veel geduld en toewijding omringt en zijn verdriet uitstelt – een valies dat almaar zwaarder wordt…
Soms treft me de ongevoeligheid, ongetwijfeld onbedoeld, der medemensen, bijvoorbeeld wanneer ik te horen krijg dat het erg is, zeker, maar dat zesenzestig nu toch ook niet meer zo jong is. Alsof er een leeftijd zou bestaan waarop je iemand wel het noodlot kunt toevertrouwen.
We schrijven gedichten, dat wil zeggen pogingen tot welluidende bezwaarschriften tegen de grillen van het lot en het noodlot, tegen de opmaak van het universum en onszelf. Maar achter het betreffende loket blijft het stil terwijl de rij wachtenden steeds langer wordt – en tegen het glas is een A-viertje geplakt, met daarop de melding: Onze diensten zijn nooit open.

*********************************************************

Een namiddag lang heb ik bij haar gebabysit. Ze was onrustig, en soms agressief. Ze wilde weglopen. Mijn vader was naar het voetbal van mijn neefjes gaan kijken. Ik heb de achterdeur moeten vergrendelen.
Na een tijdje werd ze rustiger, en dan hebben we, ik kan het geen andere naam geven, ‘huisje gespeeld’, maar dan zonder de lol die kinderen daaraan beleven. Ze kwam met een pantalon van pa uit de badkamer. Ze wilde eerst dat ik die aantrok, waarschijnlijk omdat ik dan op hem zou lijken. Dan moest ik de broek voor haar opplooien. Ze liep ermee naar de tafel. Ik moest het bundeltje gladstrijken voor haar. Dan wilde ze van haar schoenen in haar pantoffels stappen, en van haar pantoffels in haar schoenen, en weer in haar pantoffels. Dan even haar bed in – en ik op de overloop al jankend staan wachten tot ze weer zou opstaan (ze staat altijd op, altijd weer, na een minuut of vijf).
Pas na een uur of twee kalmeerde ze helemaal. Zat in de zetel beneden te rillen. Ik vroeg: Heb je kou?
Ze knikte.”

 

Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

 

Steden met hun dwazen van god

deze keer tel ik de handen, de voeten,
de talen, de tunieken, de kiezelstenen
de hoofden, de baarden
de petten, sluiers, sjaals,
tel de duizeligheid niet mee
de wassingen de wonderen
de zweepslagen,
in de luidsprekers
tientallen uitgespuwde woorden, een vuur zo groot
dat je water op het voorhoofd nodig hebt, op de voeten,
ik tel de ogen, de vingers,
ik tel tot aan het stof
ik tel tot aan de kindertijd

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e november ook mijn blog van 28 november 2018 en eveneens mijn blog van 28 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Navid Kermani, Nicole Brossard

De Duits-Iraanse schrijver en islamist Navid Kermani werd geboren op 27 november 1967 in Siegen. Zie ook alle tags voor Navid Kermani op dit blog.

Uit: Ungläubiges Staunen. Über das Christentum

„Der katholische Freund schließt nicht aus, daß der Evangelist Lukas persönlich das Bild gemalt habe. Er hat Artikel darüber geschrieben, wie er es aufstöberte, von denen ich erst einen las. Im Labor ist das Holz noch nicht untersucht worden. Die Nonnen hätten Sorge, weil es bereits so morsch sei. Kunsthistoriker hätten das Bild allerdings für eindeutig antik befunden, erstes Jahrhundert sei wahrscheinlich. Die Jungfrau hat auch mich angeschaut, ohne Alter.
Der Freund brachte mich zu dem Kloster, das in einer gewöhnlichen Wohnstraße auf dem Monte Mario liegt, am anderen Ufer des Tibers neben dem Hilton, und ließ sich durch eine Sprechklappe in der bröckligen Seitenmauer den Schlüssel aushändigen, während ich im Auto wartete. Bevor er mich in die Kapelle führte, wo die Nonnen das Bild bereits für uns umgedreht hatten, pinkelte er noch ins Gebüsch neben dem Eisentor. Gewöhnlich schaut die Jungfrau in den Gebetsraum der Nonnen, die sich lebenslang eingesperrt haben, weder Besucher empfangen noch auf Reisen gehen oder auch nur spazieren oder einkaufen. Gott genügt.
Durch das vergitterte Fenster, in dem das Bild hängt, sahen wir einige von ihnen und hörten alle im fahlen Licht beten, bis übers Kinn verschleiert, weißes, gestärktes Gewand, schwarze Hauben. Fünf der dreizehn Schwestern sind über achtzig. Die in dem Ausschnitt der Gebetsbank saßen, den ich durch das Fenster sehen konnte, waren nicht jünger. Auf den kahlen Wänden ihrer Barockkirche zeichnen sich groß-flächig die Wasserflecken ab. Der Freund sagt, daß die Leitungen verrotten, die Telefone nicht funktionieren und an Reparatur nicht zu denken ist, bevor das Kloster seine Schulden begleicht. Die Bitte um Spenden ist der Teil ihres Gebets, dessen Erfüllung noch aussteht.
Nach einigen Minuten löschten die Nonnen das Licht, so daß wir nur noch ihre Stimmen hörten, ein Vers tief, ein Vers hoch, Singsang mit Pausen, ohne daß ich ein Wort verstand. Seinem Buch hat der Freund ein Zitat des zurückgetretenen Papstes vorangestellt, das nichts Neues sagt, doch immer wieder neu zu sagen ist: «Große Dinge werden durch die Wiederholung nicht langweilig. Nur das Belanglose braucht die Abwechslung und muß schnell durch anderes ersetzt werden. Das Große wird größer, indem wir es wiederholen, und wir selbst werden reicher dabei und werden still und werden frei.» In Rom wurde ich ohnehin neidisch aufs Christentum, neidisch selbst auf einen Papst, der auch solche Sätze sagt, und wenn ich den Gedanken der Inkarnation in nur einem Menschen nicht für grundverkehrt hielte und speziell die ¬katholische Vorstellungswelt mir nicht so heidnisch vorkäme, mich die Ordnung nicht abstieße, die alle und eben auch die menschlichen Verhältnisse hierarchisiert, die Demonstration von Macht in jeder katholischen Kirche, dazu die bis in den Blutrausch reichende Leidensvergötterung, womöglich hätte ich mich seinen Praktiken nach und nach angeschlossen, hätte die lateinische Messe besucht und wäre mit Pausen in den Singsang eingefallen, wenngleich anfangs mehr aus ästhetischen Gründen, vielleicht auch aus Faszination für die beispiellose Kontinuität einer Institution, die aus Gottes Angehörigen eine Gemeinschaft bildet. Nur ihr ist sie auf Dauer gelungen. Wer weiß, vielleicht wäre auch mir eines Tages das Wunder erschienen, das dieses prächtigste aller Himmelsgebäude hervorgebracht hat. So halte ich die Möglichkeit zwar weiterhin für falsch – aber erkenne, mehr noch: spüre, warum das Christentum eine Möglichkeit ist.“

 

Navid Kermani (Siegen, 27 november 1967)

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

 

Steden met een gezicht

zo velen ontvingen ideeën als een kloof
in mijn spieren
in de buurt zeggen we dat jij het bent, maar wij zijn het
met een gedachte aan bruggen, ghats
rivieren in tijden van vrede en marteling

een streling langs de oorlel
steden gemaakt om ons in verwarring te brengen
in de blauwe schoonheid van de droom

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e november ook mijn blog van 27 november 2018 en eveneens mijn blog van 27 november 2017.