De Annunciatie door Hendrick ter Brugghen, ca. 1624
Advent Calendar
He will come like last leaf’s fall.
One night when the November wind has flayed the trees to bone, and earth wakes choking on the mould, the soft shroud’s folding.
He will come like frost. One morning when the shrinking earth opens on mist, to find itself arrested in the net of alien, sword-set beauty.
He will come like dark. One evening when the bursting red December sun draws up the sheet and penny-masks its eye to yield the star-snowed fields of sky.
He will come, will come, will come like crying in the night, like blood, like breaking, as the earth writhes to toss him free. He will come like child.
Rowan Williams (Swansea, 14 juni 1950) Swansea in de kersttijd
Ik heb van mijn moeder geleerd hoe ik de levenden lief moet hebben, om voldoende vazen bij de hand te hebben voor het geval je je naar het ziekenhuis moet haasten met gesneden pioenrozen uit het perk, de zwarte mieren nog plakkend aan de knoppen. Ik heb geleerd om potten te bewaren groot genoeg om er fruitsalade in te conserveren voor een heel rouwend huishouden, om ingemaakte peren en perziken in blokjes te verdelen, om door donkerrode druivenschillen te snijden en de kweekzaadjes met een mespunt eraf te schrapen. Ik heb geleerd om een opgebaarde te bezoeken, ook al kende ik de overledene niet, om de vochtige handen te drukken van de levenden, om in hun ogen te kijken en medeleven te betuigen, alsof ik toen al het verlies begreep. Ik heb geleerd dat alles wat we ook maar zeggen niets betekent, wat iemand zich zal herinneren, is dat we kwamen. Ik leerde te geloven dat ik de kracht had om vreselijke pijnen te verzachten, significant als een engel. Als een dokter leerde ik uit andermans lijden mijn eigen bruikbaarheid te maken, en als je eenmaal weet hoe je dit doet, kun je nooit weigeren. Aan elk huis dat je betreedt, moet je genezing aanbieden: een chocoladetaart die je zelf hebt gebakken, de zegen van je stem, je kuise aanraking.
“Terwijl de wind steeds harder door de bomen begon te waaien (hier in huis zelfs waaide de wind), moest ik alles nog regelen voor het heerlijk avondje. Ieder jaar neem ik me voor dat anders te gaan doen, zoals mijn moeder vroeger. Die had volgens mij in oktober alles al in huis. Nu vind ik dat wat vroeg, maar op de laatste dag is weer het andere uiterste. Over iets wat mijn eigen schuld is, klaag ik nooit. Waarom zou ik, ik vind het ook wel iets hebben. Laten we het alsjeblieft aangename nervositeit noemen. Altijd moet ik vlak voor pakjesavond nog iets kopen. Nu ook weer, in het warenhuis, een sieraad, althans een onderdeel van een sieraad, iets voor aan een ketting. Ik was danig winkelziek, maar had duidelijke instructies: die ingang, dan rechtdoor, tweede vitrine links Maar daarin zag ik het dringend gewenste geschenk niet, hoe heette het ook alweer? Het was benauwend druk en toen ik eindelijk een mevrouw van de sieradenafdeling te spreken kreeg en de gedeeltelijke naam van het sieraad noemde, zei ze dat ik waarschijnlijk ‘bij onze banketbakker’ moest zijn. Ik schudde mijn hoofd en keek om me heen. En ja, toen werd het stil in me, een milde vorm van acute levensmoeheid die naar binnen sloeg en me min of meer versteende. Alleen mijn ogen kon ik nog naar links en naar rechts draaien. Vanuit mijn linkerooghoek zag ik een verkoopster naar me toe komen, een Surinaamse. Ze glimlachte geruststellend, legde een hand op mijn onderarm en zei zacht: ‘IJ zoekt iets, maar weet niet wat.’ Ik kon me weer bewegen en knikte opgelucht, niet alleen omdat ze me begreep, maar ook omdat ze mijn leven trefzeker samenvatte. Ze stelde voor samen even te kijken. Dat deden we en binnen de kortste keren had ik wat ik zocht. Nadat ik had betaald, liep ze nog een stukje mee naar de uitgang. Ten afscheid legde ze weer even haar hand op mijn onderarm. Het heerlijk avondje was begonnen.”
Wer, wenn ich schriee, hörte mich denn aus der Engel Ordnungen? und gesetzt selbst, es nähme einer mich plötzlich ans Herz: ich verginge von seinem stärkeren Dasein. Denn das Schöne ist nichts als des Schrecklichen Anfang, den wir noch grade ertragen, und wir bewundern es so, weil es gelassen verschmäht, uns zu zerstören. Ein jeder Engel ist schrecklich. Und so verhalt ich mich denn und verschlucke den Lockruf dunkelen Schluchzens. Ach, wen vermögen wir denn zu brauchen? Engel nicht, Menschen nicht, und die findigen Tiere merken es schon, dass wir nicht sehr verlässlich zu Haus sind in der gedeuteten Welt. Es bleibt uns vielleicht irgend ein Baum an dem Abhang, dass wir ihn täglich wiedersähen; es bleibt uns die Straße von gestern und das verzogene Treusein einer Gewohnheit, der es bei uns gefiel, und so blieb sie und ging nicht. O und die Nacht, die Nacht, wenn der Wind voller Weltraum uns am Angesicht zehrt -, wem bliebe sie nicht, die ersehnte, sanft enttäuschende, welche dem einzelnen Herzen mühsam bevorsteht. Ist sie den Liebenden leichter? Ach, sie verdecken sich nur mit einander ihr Los. Weißt du’s noch nicht? Wirf aus den Armen die Leere zu den Räumen hinzu, die wir atmen; vielleicht da die Vögel die erweiterte Luft fühlen mit innigerm Flug.
Ja, die Frühlinge brauchten dich wohl. Es muteten manche Sterne dir zu, dass du sie spürtest. Es hob sich eine Woge heran im Vergangenen, oder da du vorüberkamst am geöffneten Fenster, gab eine Geige sich hin. Das alles war Auftrag. Aber bewältigtest du’s? Warst du nicht immer noch von Erwartung zerstreut, als kündigte alles eine Geliebte dir an? (Wo willst du sie bergen, da doch die großen fremden Gedanken bei dir aus und ein gehn und öfters bleiben bei Nacht.) Sehnt es dich aber, so singe die Liebenden; lange noch nicht unsterblich genug ist ihr berühmtes Gefühl. Jene, du neidest sie fast, Verlassenen, die du so viel liebender fandst als die Gestillten. Beginn immer von neuem die nie zu erreichende Preisung; denk: es erhält sich der Held, selbst der Untergang war ihm nur ein Vorwand, zu sein: seine letzte Geburt. Aber die Liebenden nimmt die erschöpfte Natur in sich zurück, als wären nicht zweimal die Kräfte, dieses zu leisten. Hast du der Gaspara Stampa denn genügend gedacht, dass irgend ein Mädchen, dem der Geliebte entging, am gesteigerten Beispiel dieser Liebenden fühlt: dass ich würde wie sie? Sollen nicht endlich uns diese ältesten Schmerzen fruchtbarer werden? Ist es nicht Zeit, dass wir liebend uns vom Geliebten befrein und es bebend bestehn: wie der Pfeil die Sehne besteht, um gesammelt im Absprung mehr zu sein als er selbst. Denn Bleiben ist nirgends.
Stimmen, Stimmen. Höre, mein Herz, wie sonst nur Heilige hörten: dass sie der riesige Ruf aufhob vom Boden; sie aber knieten, Unmögliche, weiter und achtetens nicht: So waren sie hörend. Nicht, dass du Gottes ertrügest die Stimme, bei weitem. Aber das Wehende höre, die ununterbrochene Nachricht, die aus Stille sich bildet. Es rauscht jetzt von jenen jungen Toten zu dir. Wo immer du eintratest, redete nicht in Kirchen zu Rom und Neapel ruhig ihr Schicksal dich an? Oder es trug eine Inschrift sich erhaben dir auf, wie neulich die Tafel in Santa Maria Formosa. Was sie mir wollen? leise soll ich des Unrechts Anschein abtun, der ihrer Geister reine Bewegung manchmal ein wenig behindert.
Freilich ist es seltsam, die Erde nicht mehr zu bewohnen, kaum erlernte Gebräuche nicht mehr zu üben, Rosen, und andern eigens versprechenden Dingen nicht die Bedeutung menschlicher Zukunft zu geben; das, was man war in unendlich ängstlichen Händen, nicht mehr zu sein, und selbst den eigenen Namen wegzulassen wie ein zerbrochenes Spielzeug. Seltsam, die Wünsche nicht weiterzuwünschen. Seltsam, alles, was sich bezog, so lose im Raume flattern zu sehen. Und das Totsein ist mühsam und voller Nachholn, dass man allmählich ein wenig Ewigkeit spürt. – Aber Lebendige machen alle den Fehler, dass sie zu stark unterscheiden. Engel (sagt man) wüssten oft nicht, ob sie unter Lebenden gehn oder Toten. Die ewige Strömung reißt durch beide Bereiche alle Alter immer mit sich und übertönt sie in beiden.
Schließlich brauchen sie uns nicht mehr, die Früheentrückten, man entwöhnt sich des Irdischen sanft, wie man den Brüsten milde der Mutter entwächst. Aber wir, die so große Geheimnisse brauchen, denen aus Trauer so oft seliger Fortschritt entspringt -: könnten wir sein ohne sie? Ist die Sage umsonst, dass einst in der Klage um Linos wagende erste Musik dürre Erstarrung durchdrang; dass erst im erschrockenen Raum, dem ein beinah göttlicher Jüngling plötzlich für immer enttrat, das Leere in jene Schwingung geriet, die uns jetzt hinreißt und tröstet und hilft.
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926) Portret door Leonid Pasternak, 1928
Een kolibrie met een zwarte kin landt op een metalen draad en rust gedurende vijf seconden; vijf seconden lang laat een pianist zijn hoofd zakken en zijn handen rusten op de sleutels;
een man baadt waar irrigatiewater een poel vormt voordat het in de rivier uitmondt; een monteur draait een plug los en motorolie loopt weg in een emmer; gedurende vijf seconden,
ruik ik pepermunt door een open raam, herinner me waar een wild blad van je huid afgleed, hier komt aanraking voor het zien; dat ik je vasthield, herinner ik me, aan de overkant van een kanaal, het geluid van mannen
die inktvissen op ijs leggen bij het eerste licht; voor het eerste licht, fysiek contact, onze kloppende harten , geklets van vrouwelijke regen op het dak; terwijl de kolibrie
uit het zicht snort, grijpen de tandwieltjes van een klok in elkaar met verschillende snelheden; we horen een reeks ostinato-noten en zijn niet gebonden aan het gewicht van ons lichaam op aarde.
Uit: De komst van een kind (Vertaald door Wendy Prins)
“Maj neemt de laatste tafel af, spoelt de vaatdoek uit en ziet dat Ingrid haar schort uitklopt voor ze haar koffiekopje pakt en zegt tuurlijk ga je mee, Maj. Olof is knap en blij en glimlacht naar Maj, laat Ingrid niet merken hoe hij naar haar kijkt. met zijn bruine ogen. dik, donker haar en een lok die over zijn voorhoofd valt, onwillekeurig of bewust. dat weet ze niet, maar die ogen – en Maj pakt de porseleinen kan met koffie. Blieft meneer nog een kopje koffie, vraagt ze, voor de grap, theatraal, heel graag, lieve juffrouw, antwoordt hij en hij houdt zijn kopje bij. Zweetvoeten, ze kan niet met hen meegaan met deze stinkende voeten die de hele dag in hakschoenen bekneld hebben gezeten. Nee, gaan Jullie maat zegt ze en zet de kan op de toonbank. Ah, doe niet zo saai, zucht Ingrid. nu met donker gestifte lippen wanneer heeft ze dat gedaan? – toen Okt kwam waren ze nog bleek, als ze de lunchroom sluiten hebben ze beiden meestal een bloos op hun wangen en ruikt hun haar naar vet en kardemom van de bakkerij in de ruimte ernaast – heeft Ingrid nooit stinkvoeten? En dan zegt Ingrid dat Tomas aardig is en er goed uitziet en hij heeft een auto. We gaan alleen maar een eindje rijden, naar Gullvik of Skeppsmaln, het is zo’n heerlijke avond, bovendien is het zaterdag. Een krap bemeten toilet, een kleine wastafel. maar met koud en warm water. Moeizaam brengt ze haar ene voet omhoog, om hem in te zepen, schoon te spoelen, af te drogen, ook tussen de tenen. Wat doe je daar, roept Ingrid, de andere voet, onder haar oksels, haar onderbroek, nee, ze kan niet in vieze zijden kousen en stinkend ondergoed meegaan. Lippenstift, rouge, haar wenkbrauwen worden veel te donker met die met-zwarte mascara, ze veegt het uit en ziet opeens bont en blauw rond haar ogen, maakt de handdoek nat, doet er zeep op, boent stevig langs haar wenkbrauwen. Zo is het in elk geval beter. Zonder kousen. Nee, dat ts nog erger, dat gaat niet, ze moet de oude kousen maar aan en net doen of het Ingrid is die stinkt Hij zou ook rijk zijn. Tomas, dat heeft Ingrid tussen neus en lippen door genoemd, en als ze de achterdeur op slot doen, zegt Olof dat niets zo verrukkelijk is als mooie meisjes in een zomerjurk, niet bloedserieus, maar toch. Zie je mij nu, Erik, dal ik een eigen kamer heb en vrienden en werk? Olof geeft ook haar een arm, met tikkende hakken lopen ze naar de Viktoriaesplanaden. De auto staat op de binnenplaats en Olof zegt dat het geen probleem zal zijn om hem over te halen, maar ze wil niet mee naar binnen, haar benen trillen zo. en dan zegt Ingrid dat ze mee moet. anders zegt Tomas misschien wel nee en wil hl) in de stad blijven. Hij heeft vast wel wat in huts, zegt Olof en dan lopen ze de trap op, naar de derde verdieping, ze is bulten adem als ze bij de deur zijn. Olof belt aan, trekt haar naar zich toe, ze moet goed te zien zijn als Tomas opendoet. maar het blijft stil daarbinnen, Olof drukt nogmaals op de bel, harder, en langer nu. Lag je te slapen, vraagt Olof en Tomas haalt een hand door zijn lichtgrijze haar, ze blijft stokstijf staan, ze hadden niet gezegd dat hij oud is, zeker al dertig. veertig? Kom binnen, zegt hij, de geur van rook en Iets anders, iets onbestemd.”
De blauwzwarte bergen zijn geëtst met ijs. Ik rijd naar het zuiden in vervagend licht. De lichten van mijn auto gingen voor me uit, en verdwijnen voor mijn ogen. En als ik de dertig nader, zijn de afstanden korter dan ik denk? De geest reist met de snelheid van het licht. Maar voor hoeveel mensen zijn de passies ijzerhout, ijzerhout dat verhardt en verhardt? Neem de ex-muzikant, verzekeringsagent, die zichzelf een polis over zijn eigen leven verkoopt; of de goochelaar die zichzelf heeft opgesloten in een kist en in zee geworpen, om dan te ontdekken dat hij gevangen zit in zijn eigen ketenen. Ik wil een passie die groeit en groeit. Voelen, denken, handelen en gedefinieerd worden door jouw acties, gedachten, gevoelens. Zoals in de botten van een hand op een röntgenfoto, wil ik dat het heldere witte licht werkt tegen de vage wazige randen van de duisternis: zelfs als de duisternis voorafgaat en ons volgt hebben we de kans om korte tijd te schitteren.
Nee! Opdat dit land geen lege doos zou zijn maar een opstandig, rammelend kerkhof, een plek om wijn te morsen, broederlijk armen over schouders te slaan, demonen uit de voorvaderlijke grond te stampen.
Nee! Omdat dit leven in de moederschoot, deze bottende schandpaal, geen snelweg naar de dood is, maar een feestkalender, omdat we tussen de maaltijden bereid zijn de kroonschatten van dit bestaan te dragen.
Nee! Omdat waarde schuilt in het woord van het orakel en in de adem van de zee die meeuwen en molenwieken vaart geeft, nooit in de tijdelijke wetten van tirannen of in het dragen van gestreken uniformen.
Nee! Opdat dit Hellas geen staat zou zijn van onderdrukten, enkel van de goden een overwogen handdruk in het blauwe afwassop van Europa, een halsketting van aaneengeregen eilandgedachten.
Nee! Omdat grenzen denkbeeldig zijn, we allen drieste Bulgaren zijn in de harten van Australiërs, argonauten en nomaden langs de paden van het wildvee, met hoop in de harten, op zoek naar oorsprong.
Nee! Opdat je altijd één van ons zou zijn, iedereen je naam zou dragen: Vrijheid.
Zomeravond
Elk begin is heilig zwanger van een zwellend universum ook wanneer je langzaam je witte bloes losknoopt doorheen de stilte als het droge knetteren van een insectenvleugel en het bleke zonlicht zachtjes vallen laat op je bange schouders,
ik echter ben gevangen in de diepte van je navel.
Als gulzige zilvervisjes flitsend in donker water glijden je vlugge vingers doorheen je stugge haren, je haren die je losgooit eensklaps maar verwacht als een zware regenbui op een zwoele zomeravond.
Heiden
De zon scheen vaker. Aan de dingen kleefden nog de namen, uitnodigend, uitwisselbaar als losse plaatjes, zodat ik rozenstruiken krokodillen ging noemen, mezelf krijger.
Wreedheid was een deugd, rauw geweld iets voor helden (dat wat heerste onder de zomerzon, triomfeerde, regenwormen in stukken hakte). Ik lachte vaker toen.
In een wereld van gras en pluizen was ik heidens blond, wist van god noch gebod maar hield van het witgekalkte kapelletje verderop – plukte plechtig kruisspinnen.
Ik schiep een pantheon van gedrochten, krioelend in glazen confituurpotten.
Ik stal uw ziel uit uwe donkre oogen In nacht van storm en regen, als ik joeg Gestrengeld in een rukwind voort en loech Luid om ’t gebruis der boomen wildbewogen.
Wij joegen voort, totdat uw ziel mij vroeg: ‘Waar wij nu wel tesamen henentogen?’ Ik zweeg en zag u aan met mededongen – Wonder en liefde en dat was u genoeg.
Wij joegen voort, opcirkelende in De zuilen lucht, die – als een vliegend woud Van boomen-storm – langs rotsen en ravijn
Donderden voort…. tot waar het rustbegin Versmolt in ’t zinkend woeden, ’t zinkend goud Der sterren…. tot…. waar enkel zielen zijn.
Herfst
Ik hoor de wind in de publieke bomen en zie het grote rode licht van de maan ontgoocheld en on-vooringenomen achter de laagste takken opwaarts gaan. Er wil in mij iets teder musiceren over het schoon vergaan. Wat ik niet wil. De dingen moeten liever maar verteren, zo worden ze immers stil.
Voorwinter
De zielen hebben de lange jassen aan in héél de stad, al is er één onder een lantaarn doorgegaan die nog geen had. Er zal wel geen collecte zijn voor die ziel zonder ’t lange kleed, want een ziel hoeft niet gekleed te zijn om haar lief en leed.
Pierre Kemp (1 december 1886 – 21 juli 1967)
De Duitse dichter en schrijver Ernst Toller werd geboren op 1 december 1893 in Samotschin (tegenwoordig Szamocin). Zie ook alle tags voor Ernst Toller op dit blog.
De strijder
Moeder, moeder, waarom ben jij het niet?
Kan ik niet die vrouw Die mij met haar bloed In donkere nachten de hartslag leende Met een vroom hart moeder noemen. Dan wil ik lange afstanden afleggen Oh, dat ik, het zoeken nooit moe. Bij stekelige ligusterhagen dromend. Jou, moeder, vinden mocht. Ben ik geen moeder voor mezelf? Jij, vrouw, schonk kreunend Ooit het leven mij. Ik stierf sinds die dag zo menigmaal Ik stierf Baarde mezelf Stierf Baarde mezelf
Lamento voor de meisjes die mijn straat hebben verlaten
I De meisjes die het meest van alles op dieren leken, doen het nu met kunstenaars en wonen op boten of in zolderkamers, die ze ‘ateliers’ noemen.
De mooiste meisjes gingen, kwamen terug en trouwden met Harry, Henk of Leo, namen een labrador en kregen om de haverklap kinderen die op voetbal of ballet moesten.
Ze lieten alleen de plekken achter waar we zaten en zoenden; de speeltuin, het fietsenrek en de overkapping bij de parkeerplaats. De telefooncellen zijn al jaren geleden weggehaald.
Het is dit of doodgaan
We komen namen halen. Niet dat we onze ouders haten – we zijn hooguit verongelijkt over onze vaders.
Onze aanval volgt op bevel van helemaal beneden. Als u nog elektriciteit heeft hebben we uw stad nog niet aangedaan.
We zoeken iets om op in te steken en uit te barsten.
Als we niet zo verdomd verstrooid zouden zijn, waren we er al geweest.
zo jong komen we niet meer bij elkaar
In haar laatste dagen thuis gooide Dani alles uit het raam; omdat ze het daar zelf te koud begon te vinden, wilde ze binnen plek hebben om rondjes door de kamer te kunnen draaien.
Luuk is ook deze zomer niet teruggekomen. We kunnen alleen maar hopen dat hij het halfrond is overgestoken en ergens in de zon zit. Tot hij terugkomt blijven we hem indachtig sjekkies roken.
Lotte had alleen al in de eerste twee weken drie mobieltjes in de Waal gegooid, omdat ze vreemde telefoontjes verwachtte. Ze droeg meer vermommingen dan outfits die seizoen. Ze kocht een kaartje voor de trein van 8.05 uur.
Dave at alleen nog bij zijn ouders en sukkelde elke avond in slaap voor de tv, die de hele nacht reclames bleef herhalen. Hij zei dat zijn fiets stuk was. Ik vroeg hem waarop hij wachtte, hij zei: ‘een nieuw begin.’
Balancerend op een brug, met straatverlichting aan beide oevers zet een man een saxofoon aan zijn lippen, munten in een omgekeerde pet en een carrousel
op een piazza begint te draaien: waar zijn de poorten naar het paradijs? Een vrouw buigt zich over een uitgestoken papieren beker – leerarbeiders naaien
onder lampen: een riem, portemonnee, tas – leer kastanjebruin geverfd, beige, zwart – werknemers uit Seoul, Lagos, Singapore – een fresco op een kerkmuur verbeeldt
de dood van een heilige: een monnik heft beide handen in de lucht – in een vliegtuig, vormt zich een stolsel in het been van een vrouw en begint naar haar hart te reizen –
een reeks noten maakt rimpels op het water; en, terwijl het stolsel zich vastzet, lossen op een markt in de buurt van kabbelende golven mannen sardientjes in een uitbarsting van Argentijns licht.
Quincy Market at Twilight door Laura Lee Zanghetti, 2012
Advent
We have tested and tasted too much, lover- Through a chink too wide there comes in no wonder. But here in the Advent-darkened room Where the dry black bread and the sugarless tea Of penance will charm back the luxury Of a child’s soul, we’ll return to Doom The knowledge we stole but could not use.
And the newness that was in every stale thing When we looked at it as children: the spirit-shocking Wonder in a black slanting Ulster hill Or the prophetic astonishment in the tedious talking Of an old fool will awake for us and bring You and me to the yard gate to watch the whins And the bog-holes, cart-tracks, old stables where Time begins.
O after Christmas we’ll have no need to go searching For the difference that sets an old phrase burning- We’ll hear it in the whispered argument of a churning Or in the streets where the village boys are lurching. And we’ll hear it among decent men too Who barrow dung in gardens under trees, Wherever life pours ordinary plenty. Won’t we be rich, my love and I, and God we shall not ask for reason’s payment, The why of heart-breaking strangeness in dreeping hedges Nor analyse God’s breath in common statement. We have thrown into the dust-bin the clay-minted wages Of pleasure, knowledge and the conscious hour- And Christ comes with a January flower.
Patrick Kavanagh (21 oktober 1904 – 30 november 1967) De Round Tower in Inniskeen, de geboorteplaats van Patrick Kavanagh
“Voor de rest doen we zo goed als mogelijk ons best de trage dood die zich thuis aan het afspelen is niet als een beproeving te beschouwen – wat niet voor de hand ligt. Rationeel kan ik alleen maar hopen dat mijn moeder niet lang meer moet lijden, want het is zo zinloos. Ze heeft nog amper besef van tijd, plaats, de anderen. De flamboyante vrouw die altijd graag le-ven en plezier om zich heen had, is nu een kromgetrokken, broodmagere gestalte geworden, die over het tuinpad naar de auto toe schuifelt, met veel moeite het portier opent en dan gaat zitten, vermoedelijk omdat ze zich in dat kleine Peugeotje, dat blikken baarmoedertje, veilig voelt. Mijn hart breekt als ik het zie. Tegelijk vind ik de gedachte dat ze er in het geheel niet meer zou zijn verkillend, en ik maak me ook wat zorgen om mijn vader, die haar nu met veel geduld en toewijding omringt en zijn verdriet uitstelt – een valies dat almaar zwaarder wordt… Soms treft me de ongevoeligheid, ongetwijfeld onbedoeld, der medemensen, bijvoorbeeld wanneer ik te horen krijg dat het erg is, zeker, maar dat zesenzestig nu toch ook niet meer zo jong is. Alsof er een leeftijd zou bestaan waarop je iemand wel het noodlot kunt toevertrouwen. We schrijven gedichten, dat wil zeggen pogingen tot welluidende bezwaarschriften tegen de grillen van het lot en het noodlot, tegen de opmaak van het universum en onszelf. Maar achter het betreffende loket blijft het stil terwijl de rij wachtenden steeds langer wordt – en tegen het glas is een A-viertje geplakt, met daarop de melding: Onze diensten zijn nooit open.
Een namiddag lang heb ik bij haar gebabysit. Ze was onrustig, en soms agressief. Ze wilde weglopen. Mijn vader was naar het voetbal van mijn neefjes gaan kijken. Ik heb de achterdeur moeten vergrendelen. Na een tijdje werd ze rustiger, en dan hebben we, ik kan het geen andere naam geven, ‘huisje gespeeld’, maar dan zonder de lol die kinderen daaraan beleven. Ze kwam met een pantalon van pa uit de badkamer. Ze wilde eerst dat ik die aantrok, waarschijnlijk omdat ik dan op hem zou lijken. Dan moest ik de broek voor haar opplooien. Ze liep ermee naar de tafel. Ik moest het bundeltje gladstrijken voor haar. Dan wilde ze van haar schoenen in haar pantoffels stappen, en van haar pantoffels in haar schoenen, en weer in haar pantoffels. Dan even haar bed in – en ik op de overloop al jankend staan wachten tot ze weer zou opstaan (ze staat altijd op, altijd weer, na een minuut of vijf). Pas na een uur of twee kalmeerde ze helemaal. Zat in de zetel beneden te rillen. Ik vroeg: Heb je kou? Ze knikte.”
deze keer tel ik de handen, de voeten, de talen, de tunieken, de kiezelstenen de hoofden, de baarden de petten, sluiers, sjaals, tel de duizeligheid niet mee de wassingen de wonderen de zweepslagen, in de luidsprekers tientallen uitgespuwde woorden, een vuur zo groot dat je water op het voorhoofd nodig hebt, op de voeten, ik tel de ogen, de vingers, ik tel tot aan het stof ik tel tot aan de kindertijd
„Der katholische Freund schließt nicht aus, daß der Evangelist Lukas persönlich das Bild gemalt habe. Er hat Artikel darüber geschrieben, wie er es aufstöberte, von denen ich erst einen las. Im Labor ist das Holz noch nicht untersucht worden. Die Nonnen hätten Sorge, weil es bereits so morsch sei. Kunsthistoriker hätten das Bild allerdings für eindeutig antik befunden, erstes Jahrhundert sei wahrscheinlich. Die Jungfrau hat auch mich angeschaut, ohne Alter. Der Freund brachte mich zu dem Kloster, das in einer gewöhnlichen Wohnstraße auf dem Monte Mario liegt, am anderen Ufer des Tibers neben dem Hilton, und ließ sich durch eine Sprechklappe in der bröckligen Seitenmauer den Schlüssel aushändigen, während ich im Auto wartete. Bevor er mich in die Kapelle führte, wo die Nonnen das Bild bereits für uns umgedreht hatten, pinkelte er noch ins Gebüsch neben dem Eisentor. Gewöhnlich schaut die Jungfrau in den Gebetsraum der Nonnen, die sich lebenslang eingesperrt haben, weder Besucher empfangen noch auf Reisen gehen oder auch nur spazieren oder einkaufen. Gott genügt. Durch das vergitterte Fenster, in dem das Bild hängt, sahen wir einige von ihnen und hörten alle im fahlen Licht beten, bis übers Kinn verschleiert, weißes, gestärktes Gewand, schwarze Hauben. Fünf der dreizehn Schwestern sind über achtzig. Die in dem Ausschnitt der Gebetsbank saßen, den ich durch das Fenster sehen konnte, waren nicht jünger. Auf den kahlen Wänden ihrer Barockkirche zeichnen sich groß-flächig die Wasserflecken ab. Der Freund sagt, daß die Leitungen verrotten, die Telefone nicht funktionieren und an Reparatur nicht zu denken ist, bevor das Kloster seine Schulden begleicht. Die Bitte um Spenden ist der Teil ihres Gebets, dessen Erfüllung noch aussteht. Nach einigen Minuten löschten die Nonnen das Licht, so daß wir nur noch ihre Stimmen hörten, ein Vers tief, ein Vers hoch, Singsang mit Pausen, ohne daß ich ein Wort verstand. Seinem Buch hat der Freund ein Zitat des zurückgetretenen Papstes vorangestellt, das nichts Neues sagt, doch immer wieder neu zu sagen ist: «Große Dinge werden durch die Wiederholung nicht langweilig. Nur das Belanglose braucht die Abwechslung und muß schnell durch anderes ersetzt werden. Das Große wird größer, indem wir es wiederholen, und wir selbst werden reicher dabei und werden still und werden frei.» In Rom wurde ich ohnehin neidisch aufs Christentum, neidisch selbst auf einen Papst, der auch solche Sätze sagt, und wenn ich den Gedanken der Inkarnation in nur einem Menschen nicht für grundverkehrt hielte und speziell die ¬katholische Vorstellungswelt mir nicht so heidnisch vorkäme, mich die Ordnung nicht abstieße, die alle und eben auch die menschlichen Verhältnisse hierarchisiert, die Demonstration von Macht in jeder katholischen Kirche, dazu die bis in den Blutrausch reichende Leidensvergötterung, womöglich hätte ich mich seinen Praktiken nach und nach angeschlossen, hätte die lateinische Messe besucht und wäre mit Pausen in den Singsang eingefallen, wenngleich anfangs mehr aus ästhetischen Gründen, vielleicht auch aus Faszination für die beispiellose Kontinuität einer Institution, die aus Gottes Angehörigen eine Gemeinschaft bildet. Nur ihr ist sie auf Dauer gelungen. Wer weiß, vielleicht wäre auch mir eines Tages das Wunder erschienen, das dieses prächtigste aller Himmelsgebäude hervorgebracht hat. So halte ich die Möglichkeit zwar weiterhin für falsch – aber erkenne, mehr noch: spüre, warum das Christentum eine Möglichkeit ist.“
zo velen ontvingen ideeën als een kloof in mijn spieren in de buurt zeggen we dat jij het bent, maar wij zijn het met een gedachte aan bruggen, ghats rivieren in tijden van vrede en marteling
een streling langs de oorlel steden gemaakt om ons in verwarring te brengen in de blauwe schoonheid van de droom