Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes, Colin Dexter, Ingrid Noll, Akram Assem, Lanza del Vasto

De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter en vertaler Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. In de maand september is er in de Openbare Bibliotheek Gelderland Zuid aan het Mariënburg in Nijmegen een expositie over de Nijmeegse schrijver, dichter, vertaler Pé Hawinkels. Ook wordt er bij café Trianon een literair baken van Hawinkels onthuld. Dit ter gelegenheid van zijn veertigste sterfdag op 16 augustus 1977. Zie ook mijn blog van 29 september 2010 en ook alle tags voor Pé Hawinkels op dit blog.

 

Sketches of Spain

I
alfalfa voor mijn wit konijn
spattend gras voor mijn vechtstier
die een windsel om zijn poten draagt
sinaasappels als ogen van te grote witte muizen
lanen van zo groene verf
en het hijgen van de wijn

II
de nacht staat tot barstens toe gespannen
en met mijn gitaar van bloed
prik ik gaten in de donkerblauwe lucht-ballon
die ineenkrimpt tot een snik

III
wanneer is de hitte opgestaan
die nu hangt te hijgen over het land
dat geel is als een buik
de rode doeken van de merelvrouwen
die zich geluidloos onderkruiks bewegen
klapperen tegen mijn tanden
een ezel scheurt onder koren de zon
de zes zonen van de waard

IV
een stier leeft als een trompetstoot in het gras
staat vreselijk in de weiden met een hek
een stier zaait een wolk ontzag in maag en knieën
een stier is spieren kracht en machtsgedonder
een stier sterft lillend in het zand
een vlek ellende darmen bloed
een stier sterft onder trompetstoten en olé

 

 
Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)
Portret door Joseph Quaedackers,1990

Lees verder “Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes, Colin Dexter, Ingrid Noll, Akram Assem, Lanza del Vasto”

Herinnering aan Hella Haasse

Herinnering aan Hella Haasse

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hella Haasse is vandaag precies zes jaar geleden overleden. Hélène Serafia Haasse werd op 2 februari 1918 geboren te Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Hellas Haasse op dit blog .

Paestum

Ik zie de witte paarden van de zee
driftig schuimbekkend landwaarts dringen.
Bergen en dalen rollen voor hen uit,
tuimelend groen, onstuimig violet,
en loodrecht op het strand springen fonteinen:
voorboden van de god en zijn triomf.

De spiegels krimpen langzaam van het zand,
dan sproeit opnieuw de vloed die glooiing blank.
De paarden steigeren aan de horizon.

Ik wacht niet meer. Poseidon zal niet komen.
Hij heeft zijn dode stad voorgoed verlaten,
daar zijn de golven verticaal versteend:
geribde zuilen tussen gras en brem.
IJl waaien heeft de branding overstemd.

Verdwaalde schelpen schud ik leeg. Ik hoor
het suizen in hun ronding aan mijn oor:
de adem van de tijd die ik verloor

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)

Ankie Peypers

De Nederlandse dichteres Ankie Peypers werd geboren op 29 september 1928 in Amsterdam. Peypers debuteerde in 1946 met de bundel “Zeventien”, een bundel met zeventien gedichten die zij voor haar zeventiende jaar geschreven had. Sindsdien verschenen er vele dichtbundels, vertalingen en enkele romans van haar. In 1991 kwam er een verzamelbundel van haar poëzie uit: “Gedichten 1951-1975”. Peypers raakte in de jaren vijftig en zestig sterk betrokken bij het feminisme. Ze was medeoprichtster van het feministisch-literaire tijdschrift Surplus. In haar gedichten weerklonk het verzet van vrouwen tegen hun achtergestelde positie. Maar haar maatschappelijke betrokkenheid was breder. Vanaf 1976 was ze voorzitter van PEN Centrum Nederland, een organisatie die zich inzette voor bedreigde schrijvers en kunstenaars. Ook was ze jarenlang voorzitter van het Centrum voor Chileense Cultuur. In de jaren zestig trad ze op in radio- en televisieprogramma’s, waaronder het AVRO-programma Hou Je aan Je Woord met vakgenoten Victor van Vriesland, Hella Haasse en Godfried Bomans. In de jaren tachtig was ze vaste medewerker aan de radioprogramma’s van de Humanistische Omroep. In 2000 schreef ze op verzoek van het Nationaal Comité 4 en 5 mei een aantal herdenkingsgedichten. Ze droeg ze tijdens de Nationale Dodenherdenking op 4 mei zelf voor in de Nieuwe Kerk in Amsterdam in aanwezigheid van koningin Beatrix. Haar laatste optreden in het openbaar was op 10 juni van dit jaar bij het Zeeuwse festival Park en Poëzie in Middelburg. Peypers woonde sinds jaren in Frankrijk, samen met beeldend kunstenares An Dekker.

 

Topografie

Je bent niet in kaart gebracht.
Je zou een mooi lang land zijn.
Gestrekte armen, je voeten samen,
de ronding van je hoofd;
meridianen om je te verdelen.

Ik heb je niet geleerd op school,
geen dwarsdoorsnede op het bord
dunne lagen tijd,
verstenend.

We praten
maar ik ken je grenzen niet
de kanalen die je hebt gegraven niet
nergens cirkels van je steden
geen windroos in een hoek, geen vaan.

Geen kust waar ik aan land kan gaan.

 

Het was september

Het was september achter hoge ramen.
Geraniums waarop het daglicht brak
stuurden de kinderblikken naar de juffrouw
die voor de klas stond en de waarheid sprak.

Zij wees de platen aan en zei de namen
schreef witkrijten tekens op het zwart
tekens voor aap en noot en duiven
die kinderen in schriften overschrijven
– zo was het in hun denken niet, zij buigen
zich verwonderd over het papier en zwijgen –
schrijven het woord dat onaantastbaar wordt.

Het is september achter hoge ramen.
Mijn stem de aanwijsstok van donker hout
die tastend woorden zoekt en twijfelt
en nooit de waarheid spreekt
– er is geen teken en de woorden buigen
verwonderderd over het tekort en zwijgen –
trekt krom, verspintert, breekt.

 

Ben je zestig

ben je zestig? vroeg mijn vader
als ik iets wilde dat niet kon

wilde me binnen zijn perken
en ik was te horig aan hem
aan de gemoedelijke lasso
van zijn ogen en zijn stem
zo lang

doe al vaker wat niet kan
nu ik bijna zestig ben

 
Ankie Peypers (29 september 1928 – 24 oktober 2008)

 

Philip Huff, Ellis Peters, Ben Greenman, Thijs Zonneveld, Albert Vigoleis Thelen, Robert Thomas, Prosper Mérimée, Francis Turner Palgrave, Rudolf Baumbach

.De Nederlandse dichter en schrijver Philip Huff werd geboren op 28 september 1984 in Zwolle. Zie ook alle tags voor Philip Huff op dit blog.

Uit: Niemand in de stad

“Ik ben verhuisd. Heel de dag heb ik met Matt en Elisabeth op mijn oude kamer kartonnen dozen en lichtblauwe Albert Heijn-kratjes ingepakt en die omhoog gesjouwd, drie trappen op. Elisabeth liep rond in haar trainingsbroek, het lichtblonde haar opgestoken, voor het eerst een beetje op haar gemak.
Mijn moeder sopte de kozijnen en lapte de ramen. Later loeide de oude stofzuiger. Van tussen de planken van de houten vloer kwam samengeklit stof, met veel lange, witte en bruine haren erin: souvenirs van de meisjes die de afgelopen jaren bij Bart waren blijven slapen.
‘Het is maar goed dat je geen allergie hebt,’ zei mijn moeder, toen ze de volle stofzuigerzak in de vuilnisbak uitsloeg.
Elisabeth en ik tilden mijn bed en mijn bureau in delen naar boven. We zetten de nieuwe stalamp naast het bureau neer, een geschenk van Elisabeths ouders.
Nu kijk ik naar de schone, helverlichte ruimte en de ingelijste foto van Matt en mijzelf. Ik luister naar de serie van stiltes, opgedeeld door het tikken van de klok.
Mijn vorige kamer, vanwaar ik ook uitzicht op de Prinsengracht had, was de portiersloge, naast de voordeur. Ik heb er het grootste deel van mijn eerste jaar gewoond; een hok niet groter dan de meeste invaliden-wc’s, met chronische geluidsoverlast uit de keuken en van de toeristen buiten. Deze kamer is groter en stiller. Voordat Bart hier zat, was dit Jacobs kamer. De vensterbanken en kasten stonden vol gipsen en wassen modellen van het menselijk gebit. Aan de muren hingen gele plakplaatjes vol tekeningetjes van de menselijke anatomie en medische termen en steekwoorden uit zijn studieboeken. Er stond een ongeordende boekenkast die uitpuilde.
Boven mijn bed hangt nu de ingelijste prent van Joost van den Vondel uit de portiersloge. Met strenge blik, een ganzenveer en papier tussen zijn samengevouwen handen, kijkt Joost me aan. De witte boord van zijn hemd is hooggesloten. In mijn boekenkast staat zijn Gysbreght. Daarnaast een facsimile van De Vondeling, in 1851 hier vlakbij gedrukt bij G. van der Linden op de Egelantiersstraat. Gekregen van Elisabeth. Onderin staan de dikke banden van mijn studie, allemaal over historische onderwerpen, keurig op alfabet. Ik kijk naar de foto van mijn oude voetbalelft al en met een binnensmondse boer komt de daghap bij café De Prins naar boven: mosselen met worteltjes en frites.”

 
Philip Huff (Zwolle, 28 september 1984)

Lees verder “Philip Huff, Ellis Peters, Ben Greenman, Thijs Zonneveld, Albert Vigoleis Thelen, Robert Thomas, Prosper Mérimée, Francis Turner Palgrave, Rudolf Baumbach”

Altweibersommer (Klaus Ender), Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 
Indian Summer door Vasily Polenov, 1893

 

Altweibersommer

Der Abschied ist nun angesagt,
es trauert die Natur,
der Sommer ist zu sehr betagt,
es läuft jetzt seine Uhr.

Das Werden ist Vergangenheit,
es setzt das Scheiden ein,
es zeigt sich in Erhabenheit
als herbstlich schöner Schein.

Ein silberfarbnes Nachtgewand
ummantelt Berg und Tal,
die Welt – sie glänzt im Ruhestand,
die Sonne leuchtet fahl.

Es perlt der Tau von Halm und Blatt,
der Himmel zeigt sein Blau
und jeder Tropfen spiegelt matt,
verschönt des Abschieds Grau.

Vollzogen wird ein schwerer Gang
in stiller Harmonie,
es ist des Lebens Abgesang,
erlöschen wird es nie.

 

 
Klaus Ender (Berlijn, 2 april 1939)
Berlijn, de geboorteplaats van Klaus Ender

 

 Zie voor de schrijvers van de 27 september ook mijn vorige blog van vandaag.

Irvine Welsh, Ko de Laat, Kay Ryan, Esther Verhoef, Ignace Schretlen, Josef Škvorecký, Christian Schloyer, Tanja Kinkel, Edvard Kocbek

De Schotse schrijver Irvine Welsh werd geboren op 27 september 1958 in Leith, Edinburgh. Zie ook alle tags voor Irvine Welsh op dit blog.

Uit:The Bedroom Secrets of the Master Chefs

“She Came to Dance, 20 January 1980
– THIS IS THE fuckin Clash! The green-haired girl had screamed into the face of the flinty-eyed bouncer, who’d shoved her back into her seat. — And this is a fuckin cinema, he’d told her. It was the Odeon cinema, and the security personnel seemed determined to stop any dancing. But after the local band, Joseph K, had finished their set, the main act had come out all guns blazing, blasting out ‘Clash City Rockers’, and the crowd immediately surged down to the front of the house. The girl with the green hair scanned around for the bouncer, who was preoccupied, then sprang back up. For a while the security staff tried to stem the tide, but finally capitulated about halfway through the set, between ‘I Fought the Law’ and ‘(White Man) in Hammersmith Palais’. The crowd was lost in the thrashing noise; at the front of the house they bounced along in rapture, while those at the back climbed on to their seats to dance. The girl with green hair, now right at the front centre of the stage, seemed to be rising higher than the rest, or perhaps it was just her hair, and the way the strobes hit it, making it appear as if a spectacular emerald flame was bursting from her head. A few, only a few, were gobbing at the band and she was screaming at them to cut it out as he – her hero – had only just recovered from hepatitis. She’d been to the Odeon only a few times before, most recently to see Apocalypse Now, but it wasn’t like this and she could bet that it had never been. Her friend Trina was a few feet from her, the only other girl so near the front that she could almost smell the band. Taking a last gulp from the plastic Im Bru bottle she’d filled with snakebite, she killed it and let it fall to the sticky, carpeted floor. Her brain fizzed with the buzz of it working in tandem with the amphetamine sulphate she’d taken earlier. She roared the words of the songs as she leapt, working herself into a defiant frenzy, going to a place where she could almost forget what he had told her earlier that afternoon. Just after they’d made love when he’d gone so quiet and distant, his thin, wiry frame shivering on the mattress. — What’s up, Donnie? What is it? she’d asked him. — It’s all fucked, he’d said blankly. She told him not to be daft, everything was brilliant and the Clash gig was happening tonight, they’d been waiting for this for ages. Then he turned round and his eyes were moist and he looked like a child. It was then that her first and only lover had told her that he’d been fucking someone else earlier; right there on the mattress they shared every night, the place where they’d just made love. It had meant nothing; it was a mistake, he immediately claimed, panic rising in him as the extent of his transgression became apparent in her reaction.”

 

 
Irvine Welsh (Edinburg, 27 september 1958)

Lees verder “Irvine Welsh, Ko de Laat, Kay Ryan, Esther Verhoef, Ignace Schretlen, Josef Škvorecký, Christian Schloyer, Tanja Kinkel, Edvard Kocbek”

Nate Pritts

De Amerikaanse dichter en letterkundige Nate Pritts werd geboren in Syracuse, New York, op 27 september 1974. Pritts behaalde een PhD in schrijven met een specialisatie in de Britse romantiek aan de Universiteit van Louisiana, een Master of Fine Arts in Poetry aan het Warren Wilson College, en een bachelordiploma in Engels en film aan de State University of New York. Dr. Pritts heeft aan alle leeftijden les gegeven met behulp van verschillende methoden, waaronder Blackboard, Moodle en Desire2Learn, eCollege en Canvas. Hij vindt het leuk hoe online leren de kruising van creativiteit en technologie mogelijk maakt. Pritts is ook de auteur van acht poëziebundels, waaronder “The Wonderfull Yeare”, “Post Human” en “Decoherence”,waarvoor hij de 42 Miles Press Poetry Award ontving. Zijn creatieve werk en essays over creativiteit, onderwijs en leren zijn gepubliceerd in American Poetry Review, Poets & Writers, Writers Digest en op vele andere plaatsen.

 

We’re making mistakes together

Forget all your dreams since they’re forgetting
about you. They pretend that you’re capable,
or better than you are. You wake up much worse-

wrecked in the morning with birds in that light.
That light promises a whole new landscape but
don’t believe it!
Hold tight to the failures that fill up

your outline like a cloud silhouette made out of anger.
Stacks of paper were shuffled & machine-mangled
while you slept through the mist. Find the lost page

that fits in, that helps it make sense: a signature
needed or else the parcel rejected. Let me sing
a few more of these ruins to you. The starting

is over & we’re both living still. Stand up
if you can because I’m talking to you & the whispers
assail my affections again. Look: even things that evade me

still lodge in my cosmos & the stars that I’m thinking
shoot themselves out. Here’s where I write another
line about galaxies because it’ll sound like I’ve got science

to back me up. I’ll use the word orbit but maybe mean
plunge then I’ll talk about heaven & mean something less.
My circling degrades & leads me to you & we both

know better but seem not to care. Tell me when you hear
a reason to blare from my radio static.
My hope is a bare hope since it’s naked & fleeting.

 

Intentional Noise

In the kitchen my gypsy stew
comes together, any leftover vegetables
mingling, as the glass back door
fogs with heat. I can’t see
what’s happening out there
in the kitchen—the bread rising
& spreading.
I obsess
about my decisions on certain days
but mostly act without worry.
I save the regret for later.
It’s probably only possible
to believe in something
the way I want to if you can’t see it.
The observable universe is full
of real but invisible force that helps
shunt light from source to destination,
to bang off something & into
something else. I roll over in the morning
to see Jenny so solidly sleeping
or sometimes only see her pillow
illuminated in actual absence
which is temporary.
Researchers point out
that you actually hear less
when the air is suffused with sound.

 

 
Nate Pritts (Syracuse, 27 september 1974)

Bart Chabot, T. S. Eliot, Thomas van Aalten, Jerry Hormone, Luís Fernando Veríssimo, Mark Haddon, William Self, Jane Smiley, Vladimir Vojnovitsj

De Nederlandse dichter en schrijver Bart Chabot werd geboren in Den Haag op 26 september 1954. Zie ook alle tags voor Bart Chabot op dit blog.

 

Bij de ondergrondse

aprilwarmte —dit markeerde het prille begin van de lente
en betekende voor de leden van de ondergrondse
dat het de hoogste tijd was
om tot actie over te gaan

op de kerkhoven en begraafplaatsen van het koninkrijk
krioelden de doden dooreen;
werkelijk overal waren zij gemobiliseerd
en van heinde en verre opgetrommeld —
vele handen maakten licht werk
en aan werk was geen gebrek

de sfeer onderling was opgeruimd
om niet te zeggen: levendig
wie goed naar het aardoppervlak keek
kon soms iets zien bewegen,
een signaal dat vlak onder de grond
met man en macht werd doorgewerkt

allerwegen werd het gras zonder pardon
uit de grond gedrukt
bloemen werden omhooggeduwd
en opgestoten in de vaart der volkeren
en stads- en parkbomen kregen het groene licht;
waarop zij hun takken lieten ontbotten

dat de doden zich zonder enige hinder
door materie konden verplaatsen
kwam bij de uitvoering van de werkzaamheden
goed van pas

 

Milky Way

ik keek omhoog
de nachthemel in
en zag de melkweg,
althans een flink stuk ervan
de melkweg, waar ik zelf
deel van uitmaakte —
een radertje; een van de vele
ik was doordrongen van
een besef van nietigheid
waar ik persoonlijk
heel wel mee uit de voeten kon

beter kijkend viel me op
dat nogal wat sterren me met enigszins
verwijtende blik aanstaarden
ik pijnigde mijn hoofd
wat de reden van hun ergernis
zou kunnen zijn
had ik hen iets misdaan?
bij mijn weten niet —
maar 100% zeker daarvan
was ik niet

tot ik me realiseerde
dat ik hen, tot op heden, niet
of nauwelijks aan bod had laten komen
in mijn gedichten
het was waar: de melkweg
c.q. de individuele sterren
hadden mijn poëzie
tot nog toe niet gehaald;
niets onoverkomelijks

 
Bart Chabot (Den Haag, 26 september 1954)

Lees verder “Bart Chabot, T. S. Eliot, Thomas van Aalten, Jerry Hormone, Luís Fernando Veríssimo, Mark Haddon, William Self, Jane Smiley, Vladimir Vojnovitsj”

Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen, Rebecca Gablé, Lu Xun

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Jij en ik (Vertaald door Etta Maris)

“Met een arm stevig om de ski’s geslagen, de skischoenentas in mijn hand en de rugzak op mijn rug, zag ik hoe mijn moeder de auto keerde. Met mijn andere hand zwaaide ik naar haar en wachtte tot de BMW was verdwenen over de brug.
Ik liep door de Viale Mazzini. Ik passeerde het gebouw van de RAI. Op ongeveer honderd meter van het kruispunt met de Via Col di Lana ging ik langzamer lopen, terwijl mijn hart sneller ging bonken. Ik had een vieze smaak in mijn mond, alsof ik aan een stuk koperdraad had gelikt. Al die spullen die ik moest dragen hinderden me. Het leek wel een sauna in dat ski-jack.
Bij het kruispunt aangekomen, leunde ik tegen een muur en keek om de hoek. Verderop, voor een moderne kerk, stond een grote Mercedes SUV. Ik zag Alessia Roncato en haar moeder, de Soemeriër en Oscar Tommasi, die de koffers in de kofferbak zette. Een Volvo met een paar ski’s boven op het dak parkeerde naast de Mercedes en Riccardo Dobosz stapte uit en rende naar de anderen toe. Even later stapte de vader van Dobosz uit.
Ik trok me terug tegen de muur. Ik legde de ski’s neer, ritste mijn jack open en gluurde opnieuw om de hoek. Nu waren de moeder van Alessia en de vader van Dobosz bezig de ski’s boven op de Mercedes te bevestigen. De Soemeriër sprong in het rond en deed alsof hij bokste tegen Dobosz. Alessia en Oscar Tommasi praatten tegen hun mobieltjes. Het duurde behoorlijk lang voordat ze eindelijk klaar waren, Alessia’s moeder werd boos op haar dochter omdat die niet meehielp, de Soemeriër sprong op het dak van de auto om de ski’s te controleren. Maar uiteindelijk vertrokken ze.
Tijdens de tramrit voelde ik me een idioot. Met die ski’s en skischoenen, geplet tussen ambtenaren in jasje-dasje en moeders die hun kinderen naar school brachten. Als ik mijn ogen dichtdeed leek het of ik in een kabelbaantje zat, tussen Alessia, Oscar Tommasi, Dobosz en de Soemeriër in. Ik kon de geur van cacaoboter en zonnebrandcrème ruiken. En terwijl we uit de cabine stapten zouden we elkaar duwen en lachen en hard praten en lak hebben aan alle andere mensen. Net als die lui die door mijn moeder en vader pummels genoemd werden. Ik zou grappige dingen zeggen en ze aan het lachen maken terwijl ze hun ski’s vastklikten. Typetjes doen, moppen vertellen. Ik wist nooit grappige moppen. Je moet heel erg zeker van jezelf zijn om moppen te kunnen vertellen.”

 
Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

Lees verder “Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen, Rebecca Gablé, Lu Xun”

Felipe García Quintero

De Colombiaanse dichter Felipe García Quintero werd geboren op 25 september 1973 in Popayán. Quintero studeerde Spaanse filologie in Spanje, culturele studies in Ecuador en literatuur en Spaans in Colombia. Hij publiceerde vier dichtbundels (“Monólogos del huésped” (Monologen van de gastheer), 1996; “Señales de tránsito” (Verkeersborden), 1997; “Vida de nadie”(Niemands leven), 1999; en “Piedra vacía” (Vacante steen), 2001) en een essay over de Colombiaanse dichter Rafael Maya. Hij heeft verschillende prijzen en beurzen ontvangen in Colombia, Chili en Spanje, waaronder de Premio de Poesía Pablo Neruda. Hij is redacteur van het poëzietijdschrift Ophelia en doceert journalistiek aan de Universidad del Cauca, in Popayán, zijn geboortestad.

Uit: Piedra vacía

IV.

   you bring a bit of bread and some wine to feed the vigil in
the night of your soul.

   In the depths of your eyes you look at the hands that offered
up their bones to build the house and fill it with words.

   Meanwhile, the writing in the darkness grows like the flickering of
the flames, your heart keeps quiet; its tremor stops beating.

   Suddenly nobody exists anymore.

   We are alone and you only think of her. You give yourself up to
the wine of laughter and the bread of silence, and to your memories:
those thoughts that inflame your tongue and burn like the words that
consume you.

   And you want to die, and for that you write:

V.

   one believes in writing. That writing is air, and that’s enough.

   But language inhabits the outdoors of the house, persists in human
gravity.

   Because writing is to be burdened with the procession of your life,
with the implements that do not fit into a different corner which are
not the days, that one after another are the void.

   Because death is to go and no more.

   And it is the will of love to die.

   Yes, the love of dying, the only writing:

 

Vertaald door Nicolás Suescún

 
Felipe García Quintero (Popayán, 25 september 1973)