To be in love Is to touch with a lighter hand. In yourself you stretch, you are well. You look at things Through his eyes. A cardinal is red. A sky is blue. Suddenly you know he knows too. He is not there but You know you are tasting together The winter, or a light spring weather. His hand to take your hand is overmuch. Too much to bear. You cannot look in his eyes Because your pulse must not say What must not be said. When he Shuts a door- Is not there_ Your arms are water. And you are free With a ghastly freedom. You are the beautiful half Of a golden hurt. You remember and covet his mouth To touch, to whisper on. Oh when to declare Is certain Death! Oh when to apprize Is to mesmerize, To see fall down, the Column of Gold, Into the commonest ash.
Gwendolyn Brooks (7 juni 1917 – 3 december 2000) Borstbeeld door Sara S. Miller, 1994
De Nederlandse dichter Johannes Aloysius Antonius Engelman werd geboren in Utrecht op 7 juni 1900. Engelman begon als journalist bij het Utrechtse dagblad Het Centrum en werd vervolgens in 1932 redacteur van het dagblad De Tijd, waar hij samen met A. van Domburg en A. van Duinkerken vanaf 1933 de kunstredactie vormde. Samen met Pieter van der Meer de Walcheren verzorgde hij van 1926 tot 1941 de rubriek Kunst en Letteren in het weekblad De Nieuwe Eeuw. In 1953 werd hij docent esthetiek en moderne kunst aan de Jan van Eyckacademie in Maastricht, een functie die hij slechts korte tijd vervulde. Na enkele gedichten te hebben gepubliceerd in tijdschriften, bundelde hij op aandringen van zijn vriend H. Marsman zijn poëzie in “Het roosvenster” (1927), in 1930 gevolgd door de bundel “Sine nomine”. Gedichten hieruit werden opnieuw opgenomen in wat zijn meest belangrijke en meest herdrukte bundel zou worden: ”Tuin van Eros” (1932). Deze bundel werd bekroond met de poëzieprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Anders dan veel van zijn rooms-katholieke geloofsgenoten heeft Engelman meegewerkt aan tijdschriften als De Vrije Bladen en Forum. Engelman schreef aanvankelijk voor Roeping en hij was mede-oprichter van De Gemeenschap. Dat laatste blad verliet hij in 1930 vanwege een conflict met de gebroeders Kuitenbrouwer die het blad in zijn ogen in fascistisch vaarwater brachten. Toen die een eigen tijdschrift oprichtten onder de naam De Nieuwe Gemeenschap, keerde Engelman terug in de redactie van De Gemeenschap op aandringen van Anton van Duinkerken. Tijdens WO II verwierf Engelman voldoende kennis van het Grieks om hem in staat te stellen Sophocles’ “Oedipus” te vertalen. Hij maakte ook een vertaling van de tekst van Bachs Mattheuspassion (1950). Zijn muzikaliteit maakte hem een ideale partner voor veel musici met wie hij samenwerkte voor opera’s en gelegenheidsspelen. Zo schreef hij het libretto voor de opera “Philomela” (1950) van Hendrik Andriessen. Zijn belangstelling voor het oude Griekenland en zijn reizen naar dat land leidde tot de reisbrieven in “Tweemaal Apollo” (1955). In 1960 werd zijn poëzie verzameld in “Verzamelde gedichten”, waarvan in 1972 een heruitgave volgde die werd uitgebreid met “Het Bittermeer”. In 1955 werd aan Jan Engelman de Constantijn Huygensprijs toegekend voor zijn gehele oeuvre.
VERA JANACOPOULOS
Cantilene
Ambrosia, wat vloeit mij aan? uw schedelveld is koeler maan en alle appels blozen
de klankgazelle die ik vond hoe zoete zoele kindermond van zeeschuim en van rozen
o muze in het morgenlicht o minnares en slank gedicht er is een god verscholen
violen vlagen op het mos elysium, de vlinders los en duizendjarig dolen
Doorreis
God heeft ons spelende beschreven, als kindren hulploos gaan wij heen. Geen heul is ons in ’t lest gebleven, zijn diepe vaderlach alleen.
O bloed, bestijg de broze zomen van dit gevonnist, schuldig lijf: gij hebt een koninkrijk ontnomen en gij alleen rekt ons verblijf.
Maar hoor, wanneer de blauwe velden der nacht begroeid van sterren staan, wat aarde, zee en wind niet telden en laat geen fluist’ring u ontgaan.
Jan Engelman (Utrecht 7 juni 1900—Amsterdam 20 maart 1972) Portret door Piet Vermeulen, 1961
„Gustav Aschenbach oder von Aschenbach, wie seit seinem fünfzigsten Geburtstag amtlich sein Name lautete, hatte an einem Frühlingsnachmittag des Jahres 19.., das unserem Kontinent monatelang eine so gefahrdrohende Miene zeigte, von seiner Wohnung in der Prinz-Regentenstraße zu München aus, allein einen weiteren Spaziergang unternommen. Überreizt von der schwierigen und gefährlichen, eben jetzt eine höchste Behutsamkeit, Umsicht, Eindringlichkeit und Genauigkeit des Willens erfordernden Arbeit der Vormittagsstunden, hatte der Schriftsteller dem Fortschwingen des produzierenden Triebwerks in seinem Innern, jenem »motus animi continuus«, worin nach Cicero das Wesen der Beredsamkeit besteht, auch nach der Mittagsmahlzeit nicht Einhalt zu tun vermocht und den entlastenden Schlummer nicht gefunden, der ihm, bei zunehmender Abnutzbarkeit seiner Kräfte, einmal untertags so nötig war. So hatte er bald nach dem Tee das Freie gesucht, in der Hoffnung, daß Luft und Bewegung ihn wieder herstellen und ihm zu einem ersprießlichen Abend verhelfen würden.
Scene uit de film „Dood in Venetië” van Luchino Visconti uit 1971
Es war Anfang Mai und, nach naßkalten Wochen, ein falscher Hochsommer eingefallen. Der Englische Garten, obgleich nur erst zart belaubt, war dumpfig wie im August und in der Nähe der Stadt voller Wagen und Spaziergänger gewesen. Beim Aumeister, wohin stillere und stillere Wege ihn geführt, hatte Aschenbach eine kleine Weile den volkstümlich belebten Wirtsgarten überblickt, an dessen Rande einige Droschken und Equipagen hielten, hatte von dort bei sinkender Sonne seinen Heimweg außerhalb des Parks über die offene Flur genommen und erwartete, da er sich müde fühlte und über Föhring Gewitter drohte, am Nördlichen Friedhof die Tram, die ihn in gerader Linie zur Stadt zurückbringen sollte. Zufällig fand er den Halteplatz und seine Umgebung von Menschen leer. Weder auf der gepflasterten Ungererstraße, deren Schienengeleise sich einsam gleißend gegen Schwabing erstreckten, noch auf der Föhringer Chaussee war ein Fuhrwerk zu sehen; hinter den Zäunen der Steinmetzereien, wo zu Kauf stehende Kreuze, Gedächtnistafeln und Monumente ein zweites, unbehaustes Gräberfeld bilden, regte sich nichts, und das byzantinische Bauwerk der Aussegnungshalle gegenüber lag schweigend im Abglanz des scheidenden Tages”
Thomas Mann (6 juni 1875 – 12 augustus 1955) In 1905
Aanvangt de klaagzang van de gitaar. Breken doen de bekers van de ochtend. Aanvangt de klaagzang van de gitaar. Hem smoren is nutteloos. Hem smoren is onmogelijk. Hij huilt eentonig zoals het water huilt, zoals de wind huilt over de sneeuwvlakte. Hem smoren is nutteloos. Hem smoren is onmogelijk. Hij huilt om dingen ver. Heet zand uit het zuiden snakt naar witte camelia’s. Hij huilt om de pijl zonder doel, om de avond zonder ochtend en om de eerste vogel dood op de tak. O gitaar! Hart door vijf zwaarden zwaargewond.
Processiebeeld
Maad met hoepelrok, Maagd der Verlatenheid, open als een onmetelijke Op je lichtende schip klief je door het hoogwater van de stad, tussen roezige saeta’s en kristalsterren. Maagd met hoepelrok jij klieft door de straatrivier tot in zee!
Vertaald door Bart Vonck
De zigeunernon Voor José Moreno Villa
Stilte van witkalk en mirte. Kaasjeskruid in de kruidentuin. De non borduurt violieren op een strogeel doek. In de grijze luchter vliegen zeven vogels van het prisma. In de verte gromt de kerk als een beer op zijn rug. Wat borduurt zij mooi! Hoe fraai! Op het strogele doek wil zij de bloemen van haar fantasie borduren. Wat een zonnebloem! Wat een magnolia van pailletten en linten. Wat een saffraantjes, wat een maantjes op de altaardwaal! Vijf pompelmoezen versuikeren vlakbij in de keuken. De vijf wonden van Christus in Alméria geoogst. In de ogen van de non galopperen twee ruiters. Een verre gesmoorde zucht maakt haar hemd los, en terwijl ze in verstarde verten naar wolken en bergen staart, breekt haar hart van suiker en citroenverbena. O, wat een steile vlakte met twintig zonnen erboven. Wat een rechtopstaande stromen dagen in haar fantasie! Toch gaat zij verder met haar bloemen, terwijl rechtop, in de bries, het licht schaakspeelt hoog in het zonnescherm.
Vertaald door Lepus
Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936) Portret door Mick Rooney, 1990-95
“When, some years after the Hamish episode, I found that I was pregnant, I went through slightly more than the usual degrees of incredulity and shock, for reasons which I doubtless shall be unable to restrain myself from recounting: there was nobody to tell, nobody to ask, so I was obliged once more to fall back on the dimly reported experiences of friends and information I had gleaned through the years from cheap fiction. I never at any point had any intention of going to a doctor: I had not been ill for so many years that I was unaware even of the procedure for visiting one, and felt that even if I did get round to it I would be reprimanded like a school child for my state. I did not feel much in the mood for reproof. So I kept it to myself, and thought that I would try at least to deal with it by myself. It took me some time to summon up the courage: I sat for a whole day in the British Museum, damp with fear, staring blankly at the open pages of Samuel Daniel, and thinking about gin. I knew vaguely about gin, that it was supposed to do something or other to the womb, quinine or something, I believe, and that combined with a hot bath it sometimes works, so I decided that other girls had gone through with it, so why not me. One might be lucky. I had no idea how much gin one was supposed to consume, but I had a nasty feeling that it was a whole bottle: the prospect of this upset me both physically and financially. I grudged the thought of two pounds on a bottle of gin, just to make myself ill. However, I couldn’t pretend that I couldn’t afford it, and it was relatively cheap compared with other methods, so I grimly turned the pages of Daniel and decided that I would give it a try. As I turned the pages, a very handy image, thesis-wise, caught my attention, and I noted it down. Lucky in work, unlucky in love. Love is of man’s life a thing apart, ’tis woman’s whole existence, as Byron mistakenly remarked.”
“I was born in the Rotunda Hospital, on June 5th, 1932. There were nine children before me and twelve after me, so I myself belong to the middle group. Out of this total of twenty-two, seventeen lived, but four died in infancy, leaving thirteen still to hold the family fort. Mine was a difficult birth, I am told. Both mother and son almost died. A whole army of relations queued up outside the hospital until the small hours of the morning, waiting for news and praying furiously that it would be good. After my birth Mother was sent to recuperate for some weeks and I was kept in the hospital while she was away. I remained there for some time, without name, for I wasn’t baptized until my mother was well enough to bring me to church. It was Mother who first saw that there was something wrong with me. I was about four months old at the time. She noticed that my head had a habit of falling backward whenever she tried to feed me. She attempted to correct this by placing her hand on the back of my neck to keep it steady. But when she took it away, back it would drop again. That was the first warning sign. Then she became aware of other defects as I got older. She saw that my hands were clenched nearly all of the time and were inclined to twine behind my back; my mouth couldn’t grasp the teat of the bottle because even at that early age my jaws would either lock together tightly, so that it was impossible for her to open them, or they would suddenly become limp and fall loose, dragging my whole mouth to one side. At six months I could not sit up without having a mountain of pillows around me. At twelve months it was the same.
Christy Brown (5 juni 1932 – 6 september 1981) Daniel Day-Lewis als Christy in de film “My Left Foot” uit 1989
De Nederlandse dichter, schrijver en schilder Robert Marie Philmain Joseph Franquinet werd geboren in Amby (bij Maastricht) op 5 juni 1915. Franquinet debuteerde in 1933 als jong katholiek dichter met de bundel Het vroege uur. De barokke taal in die eersteling heeft hem zijn leven lang niet meer verlaten. Na een fervent belijden van het katholicisme werd hij steeds kritischer en nam hij afstand van zijn katholieke tijdgenoten. Hij publiceerde regelmatig in het tijdschrift Forum en ontwikkelde zich als essayist en romanschrijver. WO II, waarvan hij een jaar in de gevangenis doorbracht, is de breuk in zijn leven: alle romans en poëzie van na deze tijd cirkelen rond het thema van geweld en zijn tegenstrevers liefde en erotiek. Na de oorlog vestigde hij zich in Parijs en verdween hij langzaam van het literaire toneel, ondanks het feit dat hij door Marsman, Greshoff en Vestdijk tot de belangrijke auteurs werd gerekend. Met zijn roman “Drijfzand” (1977) begon echter een herwaardering van Franquinet.
Uit: Drijfzand
““Wanneer is onder mijn schedel het ruisen begonnen? Herinneringen zijn ontastbare obstakels geworden. Valt er ooit nog stilte over het woud van verminkingen? Wie ben ik geworden? Een schrale boom in de mist. Een bed in een uitdragerszaak. Een drijvend ding in het schuim van afvoerwater. Lang voordat de schimmels van de weemoed woekerden. Afscheid? Dit en dat moesten we nog doen. Een val in de kale ruimteloosheid spannen van wat nog zelfverdediging genoemd kan worden. Hebben we geen feilloze kennis van elkaar? We beminden als ongekooide honden. Een langspeelplaat die altijd draait is als de vorm van iemands handen die in troebel water zijn omtrek verliest. In de wulpsheid van je vlees hoor ik de stem van de gevangene jammerend schreeuwen. Wie van jullie heeft de straf bedacht? Het plat van zijn voeten wordt opengesneden, het vel gesperd, gevuld met kleine spijkers en daarna weer dichtgenaaid. Hij wordt naar de woestijn gebracht, ver van het dorp. Hij wordt aan zijn lot overgelaten, gillend van de pijn wanneer hij staan of gaan wil. Woestijngieren laten een kadaver de tijd niet om uit te drogen in de brandende sirocco. De man heeft een parkiet gestolen. ‘En jij opent je ogen en blijft glimlachend liggen.’ ‘Je moet bij zulke dingen niet teveel nadenken,’ zeg je. ‘Je kijkt naar de muur aan de overkant alsof daar de verloren tijd staat aangetekend. Het irriteert me dat ik je over de dingen-achter-de-dingen moet spreken.’ ‘Nee, geen uitleg. Waarom? Dat vogeltje is een turkooiskleurige schaduw, maar men kan het liefhebben.’ ‘Doe niet belachelijk.’ En ik bedroefd: ‘de eerste keer in Normandië.’ Er komt een nuance in de plooi van je mondhoek. Ik huiver om de koelte van je ogen en raak met een vinger de rand van je mond aan. En je trilt als het wateroppervlak tegen mijn lichaam voor dat onze monden hun vocht mengen. Nou, ja, wat doe ik met mijn onuitgesproken minachting? Zo gaat het altijd. De werkelijkheid is sneller dan de onwerkelijkheid. Afstand? Veel later. Maar de tijd krimpt als een overwinterde appel.”
Fronleichnamsprozession in Hofgastein door Adolph Menzel, 1880
Fronleichnam
Von Glockenschall, von Weihrauchduft umflossen, Durchwogt die Straßen festliches Gepränge Und lockt ringsum ein froh bewegt Gedränge An alle Fenster, – deines bleibt geschlossen.
So hab auch ich der Träume bunte Menge, Der Seele Inhalt, vor dir ausgegossen: Du merktests kaum, da schwieg ich scheu-verdrossen, Und leis verweht der Wind die leisen Klänge.
Nimm dich in acht: ein Tag ist schnell entschwunden, Und leer und öde liegt die Straße wieder; Nimm dich in acht: mir ahnt, es kommen Stunden,
Da du ersehnest die verschmähten Lieder: Heut tönt dir, unbegehrt, vielstimmiger Reigen, Wenn einst du sein begehrst, wird er dir schweigen.
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929) Wenen, Stephansdom vom Stock-im-Eisen-Platz, door Rudolf von Alt, 1832. Hugo von Hofmannsthal werd geboren in Wenen.
Der Efeuripper vom Rombergpark hackt wieder blindwütig auf den Efeu ein. Doch auf Balkonien stört das keinen. Man sitzt und trinkt Sangria con mucho alegria. Noch eben waren die Wölkchen lachsrot vom Sonnenuntergang, jetzt ist es schon dunkel, dämmerungsblau mit Violettschein, und die Fledermaus flippt durchs Himmelskarree im Hinterhof. Gott sei Dank, dass die Nachbarn nicht mehr grillen dürfen. – Ob er heute wieder hackt? – Der Efeuripper? Vielleicht. Gegenüber steht eine einsame Frau und raucht. Der Mond ist aufgegangen. Ein Baby schreit. Das ist der Mond! Das Baby schreit lauter. Dann schluchzt es nur noch, wird still. Der Duft des Sommerflieders, der aus dem Schuppendach wächst, steigt empor und weht durch den Hinterhof. Alle unterhalten sich leise,lachen gedämpft, nur im dritten Stock knurrt einer: Immer das Gefummel mit dem Werwolfgebiss!
Fett absaugen
Die letzte Flasche Wein war schlecht, er sucht seine Socken auf der Straße. Sagt einer: Komm mit, wir gehen protestieren. Er mit. Kleiner Haufen, aber zum Äußersten entschlossen. Sie bauen sich vor dem Rathaus auf. Wogegen sind wir? – Weißt du’s nicht? Der Bürgermeister hat dem Stadtwappen das Fett absaugen lassen. – Wie? – Ein Designer aus Düsseldorf hat dem Struppvogel den Bauch wegretuschiert. – Bei die-ser Haushaltslage? Für fuffzehntausend Eu! War es mein Genosse? Er schreit: Bürgermeister Langemeyer, klaut des Adlers gold’ne Eier! Und backt sich ein Ei! Er steht allein vor dem Rathaus. Eine Hand legt sich auf seine linke Schulter. Auf seine rechte auch. Grüne Minna. Und ab nach Aplerbeck.