André Brink, Eduard Escoffet, G. K. Chesterton, Bernard Clavel, Leah Goldberg, T. H. White

De Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink werd geboren op 29 mei 1935 in Vrede. Zie ook alle tags voor André Brink op dit blog.

Uit: A Fork in the Road

“It was in the late afternoon of a blue and golden late summer’s day, Thursday 18 April, 1963, that Ingrid walked into my ordered existence and turned it upside down. Until that moment I was ensconced in an ultimately predictable life as husband and father, lecturer in literature; dreaming about a future as a writer after the early surprising shock of a novel, Lobola vir die lewe (Dowry for Life) that caught the Afrikaans literary establishment unprepared, but painfully aware of the claims and the curtailments of domesticity, the threat of bourgeois complacency, of being a small fish in a small pond. And afterwards? A world in which nothing would ever be sure and safe again, and in which everything, from the most private to the public, from love to politics, was to be exposed to risk and uncertainty and danger.
We were in the dusky, dusty front room of the rambling old house in Cheviot Place, Green Point, were Jan and Marjorie lived, perhaps the only truly bohemian artist’s house in the Cape – a group of writers gathered to plan a protest against the new censorship bill which was then taking shape in parliament. Several of us had already launched individual attacks on the proposed onslaught on the arts sponsored by a prominent right-wing parliamentarian, Abraham Jonker, whose own early forays into realist fiction had failed to live up to their initial promise, and who had become notorious for proclaiming that even Shakespeare could do with some censoring. But it was now time for organised resistance on a larger scale. The discussion was energetic and passionate, but there was nothing yet to mark the day as exceptional.
And then she came in, small and quiet, but tense, her blonde curly hair unruly, her dark eyes guarded but smouldering. The daughter of the would-be chief censor, Abraham Jonker. She was wearing a white, loose man’s shirt several sizes too big for her, and tight green pants, a size or two too small. She was smoking. Her bare feet were narrow and beautiful. I would never again meet a woman without looking at her feet.”

 

 
André Brink (29 mei 1935 – 6 februari 2015)

Lees verder “André Brink, Eduard Escoffet, G. K. Chesterton, Bernard Clavel, Leah Goldberg, T. H. White”

Leo Pleysier, Ad Zuiderent, Adriaan Bontebal, Frank Schätzing, Maeve Binchy, Thomas Moore, Ian Fleming, Walker Percy

De Belgische schrijver Leo Pleysier werd geboren in Rijkevorsel op 28 mei 1945. Zie ook alle tags voor Leo Pleysier op dit blog.

Uit:De weg naar Kralingen

“Maart
Maar letterlijk nog, de daver op het lijf. Want ’s morgens het overgordijn opentrekken en tegen een strakke, staalgrijze hemel aankijken. Het spichtige wintergras plat tegen de hardbevroren grond gedrukt door de sinds een week opnieuw uit het noordoosten waaiende wind die vanuit alle hoeken en pijpen om het huis blaast. Op het terras twee kippen die ineengedoken tegen de onderkant van het keukenraam beschutting voor de nacht hebben gezocht. Het is duidelijk te zien hoe de schaarse tipjes groen van de bottende vlier, de krent en de wilg terug ineengeschrompeld zijn tot paars-bruine restjes die spoedig weer los zullen laten. Achteraan in de tuin enkele merels die wat op en neer door het gras en tussen het struikgewas wippen. (En wrijft de slaper zich de ogen uit alsof nu pas tot hem doordringt dat er een buitengebeuren is dat ook zonder hem zijn gang wel gaat?)
Maart, maar zich telkens weer laten inpakken door de lichtelijk gespannen verwachting waarmee men omstreeks deze tijd van het jaar bij het opstaan de tuin in kijkt. Zo onderhand zou men toch al wel beter mogen weten? Nou ja, een nasleep wellicht van de lagere-school-tijd die ons heeft opgezadeld met een seizoen-gevoel dat nooit meer van de stereotypen bevrijd zal kunnen worden. Er waren de leeslesjes die ieder jaar weer van sneeuw- en ijspret spraken zodat wij, opgeladen zoals we daar vaak van geraakten, thuis massa’s ijssleeën in elkaar begonnen te timmeren. In alle maten en soorten hadden we er op de duur, maar vaak genoeg zonder dat we heel die winter lang ook maar één keer onze bouwsels op het ijs beproeven konden. Spreek maar niet van de fascinerende plaatjes met blije kinderen die in de heldere vroegte van de Paasmorgen eieren raapten in de met lentezon overgoten gazons. In werkelijkheid beperkte het paaseieren rapen zich tot een krij sende aangelegenheid met ruziënde broers en zusjes in het natte grasperkje aan de voorkant van het hut. We konden al wel beter hebben geweten ja.”

 
Leo Pleysier (Rijkevorsel, 28 mei 1945)

Lees verder “Leo Pleysier, Ad Zuiderent, Adriaan Bontebal, Frank Schätzing, Maeve Binchy, Thomas Moore, Ian Fleming, Walker Percy”

Vladislav Chodasevitsj

De Russische schrijver en dichter Vladislav Felitsianovitsj Chodasevitsj werd geboren in Moskou op 28 mei 1885. Chodasevitsj was de zoon van een Poolse edelman en een joodse moeder. Hij studeerde in Moskou, maar voelde de roeping om poëet te worden en brak zijn studie af. Vóór Chodasevitsj in 1922 Rusland verliet, maakte hij deel uit van de Moskouse en Petersburgse literaire kringen. Hij kende onder andere Osip Mandelstam, Andrej Bely, Nikolaj Goemiljov en Maksim Gorki persoonlijk. In 1922 verliet Chodasevitsj, wiens houding tegenover het revolutionaire bewind tot dan toe afwachtend was geweest, met zijn geliefde Nina Berberova het land. Hij kende een zwakke gezondheid en stierf in 1939 te Parijs. In 1920 verscheen zijn dichtbundel ‘Als een graankorrel’, die hem faam bezorgde en waarvan Vladimir Nabokov later schreef dat deze tot de beste uit de Russische literatuur behoorde.Na zijn emigratie naar Berlijn bereikte Chodasevitsj, behalve als dichter, vooral als intelligent, scherpzinnig en cynisch prozaïst en biograaf een artistiek hoogtepunt. Met name zijn memoires (Necropolis, Het glas dat geen leugens verdraagt) sloegen aan. ‘Necropolis: over boeken en mensen’ (in Nederland verschenen als deel 128 in de Privé-Domein-reeks) is een getuigenis over een woelige periode in de Russische geschiedenis. Het is ook een persoonlijk verslag over Chodasevitsj’ immer zwakke gezondheid, zijn jeugddromen, vrienden en collega’s.

De Waterval

Je aanloop in de hoogte nemend,
Daar, op die steile rotspartij,
Spring, stroom, de oren spitsend, spelend,
Luidkeels de trappen af naar mij!

Daal, regenbogen, sprenkelend, neder,
Je heftig stotend in je vaart,
Verberg je heimelijk zieden weder
In het stenen ingewand der aard.

Vlieg met een kracht, niet te betomen,
Opdat geen slinkse hand jou vat
En omvormt tot gestage stromen
Geschikt voor schoepen – van een rad.

 

Vertaald door Kees Jiskoot

 

Look for Me

Look for me in spring’s transparent air.
I flit like vanishing wings, no heavier than
a sound, a breath, a sunray on the floor;
I’m lighter than that ray – it’s there: I’m gone.

But we are friends for ever, undivided!
Listen: I’m here. Your hands can feel the way
to reach me with their living touch, extended
trembling into the restless flame of day.

Happen to close your eyelids, while you linger…
Make me one final effort, and you might
find at the nerve-ends of each quivering finger
brushes of secret fire as I ignite.

 

Vertaald door Peter Daniels


Vladislav Chodasevitsj (28 mei 1885 – 14 juni 1939)

Guntram Vesper

De Duitse schrijver Guntram Vesper werd geboren op 28 mei 1941 in Frohburg. Guntram Vesper is de zoon van een plattelandslandarts. Zijn voorouders waren mijnwerkers en smeden in het gebied rond Freiberg en Altenburger. Van 1947 tot 1955 bezocht hij de school in Frohburg en van 1955 tot 1957 de middelbare school in de nabijgelegen provinciestad Geithain. Zijn eerste pogingen tot schrijven deed hij al in de eerste klas. In 1957 vluchttede familie vluchtte uit Frohburg naar de Bondsrepubliek. Vanuit de noodopvang ging de jonge Vesper gingen op eigen houtje naar een dorp in de Vogelsberg en werkte eerst op een boerderij en vervolgens in de Hessische bruinkoolwinning. Hij bezocht het Aufbaugymnasium metinternaat in Friedberg / Hessen. Daar ontmoette hij zijn toekomstige vrouw. Met schrijvende vrienden gaf hij een literair tijdschrift uiy. Tegelijkertijd correspondeerde Vesper met veel Duitse schrijvers, zoals Arnold Zweig, Kurt Hiller, Alfred Kantorowicz, Hans Mayer, Peter Huchel, Arno Schmidt, Enzensberger, Kunert, Rühmkorf en Bobrowski. In 1963 beëindigde hij de middelbare school en ging hij een korte tijd Duits en geschiedenis studeren in Gießen. Nog in hetzelfde jaar ginghij naar Göttingen en volgde er geneeskunde en vooral geesteswetenschappen met de nadruk op sociale geschiedenis van de industrialisatie en de geschiedenis van revoluties en oorlogen in de late 18e en in de 19e eeuw. Na de eerste boekpublicaties, hoorspelen en opdrachten voor de pers besloot Vesper te kiezen voor het freelance schrijverschap. Hij nam deel aan de laatste grote bijeenkomst van de Gruppe 47. In 1967 ondernam hij een lezingentournee met Wolf Peter Schnetz maar Praag, gevolgd in 1968 door een reis naar Moskou, Leningrad en Kiev. In de periode 1986-1987 gaf hij gastcolleges aan de universiteit van Essen. 1993-1994 bekleedde hij de Brüder-Grimm-leersoel aan de Universiteit van Kassel. Naast boeken schreef Vesper ongeveer twintig toneelstukken en essays, evenals radio- en tv-films.

Uit: Frohburg

„Möbel. Zimmerwände. Tür. Der lange schmale Korr‘idor.Braunes Linoleum. Halhdunkel. “Faderhall der Schritte.
Die Steintreppe abwärts. Unten Eingangshalle. Der Quergang.Rechts die Küche. links das Restaurant. Weißgefleekt der Hund des Gastwirts. Dreibeinn. blind. nach allen Seiten horchend, schnuppemd. nach allen Seiten schnappend. Der Hund hieß Hink, der Gastwirt Kuntz. die Leute sagten Hink und Kuntz.
In der Post. so die Säufer. kriegst du von Hink und Kuntz dein Bier. Eines Tages verschwunden der Kuna, verschwunden der Hink und auch die restliche Familie. Fluchtpunkt Schwanewald. Dort ging der Köter ein. Aus Heimweh. schrieb Frau Kuntz nach Frohburg. In der vertrauten engen Post hat er jede
Ecke. jedes Zentimeterchen gekannt. im großen Schwarzwald nichts. Mutter las das Vater vor und drückte die Augen raus: Siehste.
Der Posthof hinten. Laderampe, Fässerluke, Wasehhaus, Hasenställe, Schuppen füir Feuerholz, Briketts. Handwagen. Benzinkanister, Fahrräder. In der Remise das rote Paketauto.jeden Werktag früh halb sechs den Kellerberg hinauf zum Bahnhof. Lautlos fast. nur leise surrend, an den Zug aus Leipzig. dann durch die Stadt von Haus zu Haus. Akkuantrieb. Gleichrichter. Ladekabel. Aus dem braunen Olympiajahr.
Torwege: Wege ins Leben. auf die Thälmannstraße.
Um die Ecke unser ganzer Stolz. der weite Markt. Dreiunddreißig, 1. Mai, Festtagsfoto. Weiß Gott ein Fahnenmeer. Jede Bahn schwarzweiß und rot bei Braunsberg aus den Druckmaschinen.
Bis in die letzte Ecke gefüllt der große Platz mit Uniformen, Arbeitsmänteln. weißen Kitteln. Im Vordergrund. mit dem Vergrößerungsglas entdeckt, Mutter, einundzwanzig‚ Krimmermantel. unterm Arm ein Buch. Der Graf von Monte Christo, wie ich später hörte. Vergingen zwanzig Jahre, dann neuer Auftrieb. Nuschke kam. der alte Mann aus der Regierung. Am l7.]uni nach Westberlin verbracht, anderntags zurückgekehrt aus Amischutzhaft. jetzt zur Belohnung Ehrenbürger, Spalierstehen auf der Rathaustreppe, Klatschen.“

 
Guntram Vesper (Frohburg, 28 mei 1941)

Jan Blokker, Niels ’t Hooft, Louis-Ferdinand Céline, Georges Eekhoud, Said, John Cheever, John Barth

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Jan Blokker werd geboren in Amsterdam op 27 mei 1927. Zie ook alle tags voor Jan Blokker op dit blog.

Uit: De locomotief rijdt

“‘Van films wordt verwacht dat ze ergens over gaan, zoals dat ook wordt verwacht van boeken, brochures, krantenartikelen of ander geschreven materiaal. Beeldkijkers zijn daarbij net als letterlezers bijna altijd voorbereid op waar het over zal gaan, want dát vooral bepaalt hun keuze. De één wil wijzer worden en kiest consequent voor documentaires, de ander heeft het avontuur in de tropen lief en sloeg vroeger nooit een film over van Dorothy Lamour en haar lamé zwempakken. Een mededeling, een Boodschap of een verhaal – in alle gevallen wordt het houvast verschaft door een inhoud.
In tegenstelling tot de oudste geschréven inhoud is de oudste filminhoud zeer wel bekend, want die is ook maar van nog geen tachtig jaar geleden. Het ligt overigens voor de hand te veronderstellen dat de inhoud van de eerste geschreven tekst ons even erg zou ‘tegenvallen’ als die van de eerste filmbeelden. Het oerfilmbeeld is een stoomtrein die anno 1895 een Frans station binnenloopt (of een soortgelijke trein langs een Amerikaans perron: net als de boekdrukkunst heeft de cinematografie twee uitvinders), en wat er onmiddellijk aan beelden op volgt is even rauw, ongestileerd en ‘naturalistisch’: arbeiders die een fabriek verlaten, twee meisjes doen een paraplu-dans, een moeder geeft haar kind de borst, een man stapt uit een rijtuig; we schijnen te maken te hebben met het huis-tuin-en-keuken-kiekjes-stadium van de film. Doorslaggevend bij dat alles is de illusie van de werkelijkheidsbetrapping. Parijse kranten schrijven na de eerste demonstratie van de gebroeders Lumière over de ‘mathematische getrouwheid’ van de vertoonde beelden en over ‘tableaux vivants animés d’une vie absolument intense’, en becijferen met vooruitziende blik de dankbaarheid van latere generaties voor wat de Kinematographe kan bewaren: ‘on pourra par exemple revoir agir les siens longtemps après qu’on les aura perdus’. (Le Radical, eind december 1895). Dat laatste is natuurlijk het waarst van alles – wat er ook tegenvalt aan het oerfilmbeeld, het laat ons in ieder geval zien hoe een locomotief er in 1895 uitzag en bewoog, en dan heb ik ’t nog niet eens over de gelukkige omstandigheid dat de Lumières net op tijd waren met hun uitvinding om de kroning van de laatste tsaar aller Russen (14 mei 1896) met mathematische getrouwheid te laten vereeuwigen.”

 

 
Jan Blokker (27 mei 1927 – 6 juli 2010)

Lees verder “Jan Blokker, Niels ’t Hooft, Louis-Ferdinand Céline, Georges Eekhoud, Said, John Cheever, John Barth”

Alan Hollinghurst, Radwa Ashour, Hugo Raes, Vítězslav Nezval, Ivan O. Godfroid, Maxwell Bodenheim, Machteld Brands

De Britse schrijver Alan Hollinghurst werd geboren op 26 mei 1954 in Stoud, Gloucestershire. Zie ook alle tags voor Alan Hollinghurst op dit blog.

Uit: The Swimming Pool Library

„I came home on the last train. Opposite me sat a couple of London Transport maintenance men, one small, fifty, decrepit, the other a severely handsome black of about thirty-five. Heavy canvas bags were tilted against their boots, their overalls open above their vests in the stale heat of the Underground. They were about to start work! I looked at them with a kind of swimming, drunken wonder, amazed at the thought of their inverted lives, of how their occupation depended on our travel, but could only be pursued, I saw it now, when we were not traveling. As we went home and sank into unconsciousness gangs of these men, with lamps and blow-lamps, and long-handled ratchet spanners, moved out along the tunnels; and wagons, not made to carry passengers, freakishly functional, rolled slowly and clangorously forwards from sidings unknown to the commuter. Such lonely, invisible work must bring on strange thoughts; the men who walked through every tunnel of the labyrinth, tapping the rails, must feel such reassurance seeing the lights of others at last approaching, voices calling out their friendly, technical patter. The black was looking at his loosely cupped hands: he was very aloof, composed, with an air of massive, scarcely conscious competence – I felt more than respect, a kind of tenderness for him. I imagined his relief at getting home and taking his boots off and going to bed as the day brightened around the curtains and the noise of the streets built up outside. He turned his hands over and I saw the pale gold band of his wedding-ring.
All the gates but one at the station were closed and I, with two or three others, scuttled out as if being granted an unusual concession. Then there were the ten minutes to walk home. The drink made it seem closer, so that next day I would not remember the walk at all. And the idea of Arthur, too, which I had suppressed to make it all the more exciting when I recalled it, must have driven me along at quite a lick.
I was getting a taste for black names, West Indian names; they were a kind of time-travel, the words people whispered to their pillows, doodled on their copy-book margins, cried out in passion when my grandfather was young. I used to think these Edwardian names were the denial of romance: Archibald, Ernest, Lionel, Hubert were laughably stolid; they bespoke personalities unflecked by sex or malice.“

 

 
Alan Hollinghurst (Stoud, 26 mei 1954)

Lees verder “Alan Hollinghurst, Radwa Ashour, Hugo Raes, Vítězslav Nezval, Ivan O. Godfroid, Maxwell Bodenheim, Machteld Brands”

Am heiligen Pfingstfest (Sigmund von Birken)

Prettige Pinksterdagen!

 

 
Pinksteren door Nicolás Borrás (1530–1610)

 

Am heiligen Pfingstfest

Gottes Odem und Verwandter,
Gott von Gotte, Geister-Geist,
Der du, Jesu Abgesandter,
Himmel-ab auf Erd gereist!
Sey willkommen! Trost der Herzen,
Liecht der Seelen, bäster Gast,
Sinnen-Sonne, Freuden-Glast
In den trüben Trübsal-Schmerzen,
Geber aller guten Gab!
Willkomm kommest du herab.

Jesus und sein Vater sollen
Neben dir mir willkomm seyn,
Weil sie (ach der Ehre!) wollen
Beyde bey mir ziehen ein.
Du solst ihnen Wohnung machen,
Drüm sie senden dich voran.
Thu dann du, was ich nicht kan:
Schmück mein Herz mit edlen Sachen,
Daß diß Haus mög schön und rein
Solcher Gäste würdig seyn.

Glaub muß ihnen gehn entgegen,
Demut muß aufwarten hier
Und die Lieb der Gäste pflegen:
Diese Gaben bring mit dir
Und was sonst mir ist vonnöten.
Ach der hohen Gnaden-Sach,
Daß will unter diesem Dach
Gott, der Herren Herr, eintreten.
Ja er kehret nicht nur ein,
Ich soll seine Wohnung seyn.

Grosse Herren bringen Gaben.
Was wird mangeln mir forthin,
Wann ich Gott zum Gast werd haben
Und wann sein Palast ich bin?
Weiche, Welt! weich, Höll und Sünde!
Fleisches-Lüste, weicht von mir,
Daß der Geist des Himmels hier
Nicht, was ihm zuwider, finde.
Nun so komm zu mir, mein Hort,
Bis ich zu dir komme dort.

 


Sigmund von Birken (25 april 1626 – 21 juni 1681)
Wildstein, parochiekerk St. Johannis. Sigmund von Birken werd geboren in Wildstein

 

Zie voor de schrijvers van de 25e mei ook mijn drie vorige blogs van vandaag.

Egyd Gstättner, Eve Ensler, Friedrich Dieckmann, Claire Castillon, Raymond Carver, Jamaica Kincaid

De Oostenrijkse schrijver en essayist Egyd Gstättner werd geboren op 25 mei 1962 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Egyd Gstättner op dit blog.

Uit: Absturz aus dem Himmel

„Ein einziges Wahllokal habe aber unvorhergesehen noch offen und könne bis auf Weiteres auch nicht geschlossen werden, ein Unikum in der Geschichte der Republik, vielleicht das Ende dieser und der Anfang einer anderen Republik oder überhaupt einer anderen Herrschaftsform. Das waren noch Zeiten, als man Republiken für unvergänglich und Atlanten für mehr oder weniger endgültig hielt. In Wirklichkeit ist mein Mittelschulatlas heute ein Märchenbuch, in Wirklichkeit purzeln Republiken immer über Lächerlichkeiten und werden von winzigen Details zu Fall gebracht.
Ein falsches Händeschütteln, und der Minister stürzt ein, und der einstürzende Minister reißt den Bundeskanzler mit sich, der Bundeskanzler reißt den Bundespräsidenten mit sich, der Bundespräsident reißt die Republik mit sich fort, und schon ist die Welt verändert und der Atlas antiquarisch. Sofort wird eine Konferenzschaltung vom Fernsehzentrum ins Landesstudio und ins Wahllokal gelegt und der unentschlossene Wähler durch die Trennwand hindurch interviewt. Zur Frage des Zeithorizonts wolle und könne er sich noch nicht äußern, sagt er, er sei sich als Einsiebenkommafünfmillionstelsouverän der ihm übertragenen Verantwortung, die vergleichsweise tonnenschwer auf seinen Schultern laste, voll bewusst, sagt er.“

 
Egyd Gstättner (Klagenfurt, 25 mei 1962)

Lees verder “Egyd Gstättner, Eve Ensler, Friedrich Dieckmann, Claire Castillon, Raymond Carver, Jamaica Kincaid”

Robert Ludlum, Theodore Roethke, Georges Bordonove, W. P. Kinsella, John Gregory Dunne, Max von der Grün

De Amerikaanse schrijver Robert Ludlum werd geboren in New York op 25 mei 1927. Zie ook alle tags voor Robert Ludlum op dit blog.

Uit: The Bourne Sanction

“A rare compliment from you, Jason.”
“Are my compliments so rare?”
“Like Martin, you’re a master at keeping secrets,” she said. “But I have doubts about how healthy that is.”
“I’m sure it’s not healthy at all,” Bourne said. “But it’s the life we chose.”
“Speaking of which.” She sat down on a chair opposite him. “I came early for our dinner date to talk to you about a work situation, but now, seeing how content you are here, I don’t know whether to continue.”
Bourne recalled the first time he had seen her, a slim, shapely figure in the mist, dark hair swirling about her face. She was standing at the parapet in the Cloisters, overlooking the Hudson River. The two of them had come there to say good-bye to their mutual friend Martin Lindros, whom Bourne had valiantly tried to save, only to fail.
Today Moira was dressed in a wool suit, a silk blouse open at the throat. Her face was strong, with a prominent nose, deep brown eyes wide apart, intelligent, curved slightly at their outer corners. Her hair fell to her shoulders in luxuriant waves. There was an uncommon serenity about her, a woman who knew what she was about, who wouldn’t be intimidated or bullied by anyone, woman or man.”

 

 
Robert Ludlum (25 mei 1927 – 12 maart 2001)
Matt Damon als Jason Bourne

Lees verder “Robert Ludlum, Theodore Roethke, Georges Bordonove, W. P. Kinsella, John Gregory Dunne, Max von der Grün”

Ralph Waldo Emerson, Rosario Castellanos, Alain Grandbois, Naim Frashëri, Edward Bulwer-Lytton

De Amerikaanse dichter, schrijver, filosoof en essayist Ralph Waldo Emerson werd geboren in Boston, Massachusetts op 25 mei 1803. Zie ook alle tags voor Ralph Waldo Emerson op dit blog.

 

Fate

Deep in the man sits fast his fate
To mould his fortunes, mean or great:
Unknown to Cromwell as to me
Was Cromwell’s measure or degree;
Unknown to him as to his horse,
If he than his groom be better or worse.
He works, plots, fights, in rude affairs,
With squires, lords, kings, his craft compares,
Till late he learned, through doubt and fear,
Broad England harbored not his peer:
Obeying time, the last to own
The Genius from its cloudy throne.
For the prevision is allied
Unto the thing so signified;
Or say, the foresight that awaits
Is the same Genius that creates.

 

The Bell

I love thy music, mellow bell,
I love thine iron chime,
To life or death, to heaven or hell,
Which calls the sons of Time.

Thy voice upon the deep
The home-bound sea-boy hails,
It charms his cares to sleep,
It cheers him as he sails.

To house of God and heavenly joys
Thy summons called our sires,
And good men thought thy sacred voice
Disarmed the thunder’s fires.

And soon thy music, sad death-bell,
Shall lift its notes once more,
And mix my requiem with the wind
That sweeps my native shore.

 

 
Ralph Waldo Emerson (25 mei 1803 – 27 april 1882)
Portret door David Scott, 1848

Lees verder “Ralph Waldo Emerson, Rosario Castellanos, Alain Grandbois, Naim Frashëri, Edward Bulwer-Lytton”