Dolce far niente, Anna Enquist, Rupert Brooke

Dolce far niente

 

 
Zuiderkerk in Amsterdam door Claude Monet, ca. 1874

 

De stad herboren

Liggend ontwerpt hij het stadsdak, prent
het patroon van bladloze takken tegen fel

blauw in zijn brein, dat bloemkooltje, leeg




nog en klein. Waakzaam ontvangt hij licht
en lawaai, zonder oordeel. Honden, motoren,
een boor. Ik duw zijn wagen en merk hoe hij

schift, niet meer schrikt, scheidt wat hem boeit
en wat niet. Hij verovert de woorden, hij groeit

en zit voor op mijn fiets. Hij vult zijn stad in




met herrie en troep, wil stil bij de vuilnis,
de veegwagen, roept de lantaarns aan,

verstomt bij de rijzende brug, wacht verheugd.




In anderhalf jaar ben ik om, heb ik hekel
en haat laten gaan, is er dankzij zijn geestdrift

een heldere lusthof ontstaan. In het park




gaan wij liggen op doodmoe gras, in de verte
murmelt de stad. We kijken tevreden omhoog,

hij en ik, door de takken van de plataan.

 

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
Anna Enquist is sinds februari stadsdichter van Amsterdam

Lees verder “Dolce far niente, Anna Enquist, Rupert Brooke”

P. D. James

 

De Engelse schrijfster P. D. James (eig. Phyllis Dorothy James) werd geboren op 3 August 1920 in Oxford. James groeide op in Cambridge, waar zij tot 1937 de Cambridge Girls High School bezocht. Tijdens WO II werkte zij als verpleegster. In 1941 trouwde ze met de arts Connor Bantry White, die na de oorlog ziek werd en verpleegd moest worden, zodat zij tot aan zijn dood voor beider inkomen moest zorgen. Zij werkte lang in de administratie van het staatsziekenhuis voordat zij in 1968 overstapte naar het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar ze tot haar pensionering in 1979 bleef. In de vroege jaren 1960 begon zij naast haar werk met het schrijven van een thriller met als rechercheur een zwijgzame weduwnaar met een poëtische ader, genaamd Adam Dalgliesh. In 1972 introduceerde PD James als een van de eerste schrijvers een vrouwelijke privé-detective, Cordelia Gray, in een roman met de veelzeggende titel “An Unsuitable Job for a Woman”. Voor haar literaire werk ontving zij heel wat onderscheidingen, zoals in 1974 de Macavity Award van de Amerikaanse Mystery Readers International voor Beste Non-Fictie voor haar boek “Talking About Detective Fiction”. In 1983 werd ze door de Koningin opgenomen in de Order of the British Empire, in 1991 werd zij benoemd tot life peer als barones James of Holland Park, in het graafschap Suffolk Southwold en daardoor lid van het Britse Hogerhuis.

Uit: The Lighthouse

“Commander Adam Dalgliesh was not unused to being urgently summoned to non-scheduled meetings with unspecified people at inconvenient times, but usually with one purpose in common: he could be confident that somewhere there lay a dead body awaiting his attention. There were other urgent calls, other meetings, sometimes at the highest level. Dalgliesh, as a permanent ADC to the Commissioner, had a number of functions which, as they grew in number and importance, had become so ill-defined that most of his colleagues had given up trying to define them. But this meeting, called in Assistant Commissioner Harkness’s office on the seventh floor of New Scotland Yard at ten-fifty-five on the morning of Saturday, 23 October, had, from his first entry into the room, the unmistakable presaging of murder. This had nothing to do with a certain serious tension on the faces turned towards him; a departmental debacle would have caused greater concern. It was rather that unnatural death always provoked a peculiar unease, an uncomfortable realisation that there were still some things that might not be susceptible to bureaucratic control.
There were only three men awaiting him and Dalgliesh was surprised to see Alexander Conistone of the Foreign and Commonwealth Office.
He liked Conistone, who was one of the few eccentrics remaining in an increasingly conformist and politicised service. Conistone had acquired a reputation for crisis management. This was partly founded on his belief that there was no emergency that was not amenable to precedent or departmental regulations, but when these orthodoxies failed, he could reveal a dangerous capacity for imaginative initiatives which, by any bureaucratic logic, deserved to end in disaster but never did. Dalgliesh, for whom few of the labyrinths of Westminster bureaucracy were wholly unfamiliar, had earlier decided that this dichotomy of character was inherited. Generations of Conistones had been soldiers. The foreign fields of Britain’s imperialis- tic past were enriched by the bodies of unmemorialised victims of previous Conistones’ crises management. Even Conistone’s eccentric appearance reflected a personal ambiguity. Alone among his colleagues, he dressed with the careful pinstriped conformity of a civil servant of the Thirties while, with his strong bony face, mottled cheeks and hair with the resilient waywardness of straw, he looked like a farmer. »

 

 
P. D. James (Oxford, 3 augustus 1920)

Dolce far niente, Hendrik Marsman, Gerrit Komrij, Hans Warren, James Baldwin

Dolce far niente – Canal Parade

 

 
Gay Pride, Amsterdam

 

Twee vrienden

De maan maakt den nacht tot een sneeuwwit veld.
een man heeft zijn vriend van zijn leven verteld:

er is door dit spreken een wonder gebeurd:
hun harten zijn zoozeer eender gekleurd

dat de een als hij soms naar den ander ziet
bij zichzelven zegt: maar ben ìk dat niet?

een vrouw; nog een vrouw; een verterend gemis.
het is alsof alles ten einde is:

want één hart blijft thuis en één hart gaat op reis
maar geen van twee vindt het Paradijs.

 

 
Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)
Met zijn vrouw in 1934

Lees verder “Dolce far niente, Hendrik Marsman, Gerrit Komrij, Hans Warren, James Baldwin”

Dolce far niente, Fred Endrikat, Gerrit Krol, Frans Pointl, Ko Un, Edward van de Vendel

 

Dolce far niente

 

 
Green and Gold door Henry Scott Tuke, 1920

 

Wochenbrevier

Am Montag fängt die Woche an.
Am Montag ruht der brave Mann,
das taten unsre Ahnen schon.
Wir halten streng auf Tradition.

Am Dienstag hält man mit sich Rat.
Man sammelt Mut und Kraft zur Tat.
Bevor man anfängt, eins, zwei, drei,
bums – ist der Dienstag schon vorbei.

Am Mittwoch fasst man den Entschluss:
Bestimmt, es soll, es wird, es muss,
mag kommen, was da kommen mag,
ab morgen früh am Donnerstag.

Am Donnerstag fasst man den Plan:
Von heute ab wird was getan.
Gedacht, getan, getan, gedacht,
inzwischen ist es wieder Nacht.

Am Freitag geht von alters her,
was man auch anfängt, stets verquer.
Drum ruh dich aus und sei belehrt:
Wer gar nichts tut – macht nichts verkehrt.

Am Samstag ist das Wochen-End,
da wird ganz gründlich ausgepennt.
Heut anzufangen, lohnt sich nicht.
Die Ruhe ist des Bürgers Pflicht.

Am Sonntag möcht’ man so viel tun.
Am Sonntag
muss man leider ruhn.
Zur Arbeit ist es nie zu spät.
O Kinder, wie die Zeit vergeht.

 

 
Fred Endrikat (7 juni 1890 – 12 augustus 1942)

Lees verder “Dolce far niente, Fred Endrikat, Gerrit Krol, Frans Pointl, Ko Un, Edward van de Vendel”

Dolce far niente, Israël Querido , Cees Nooteboom, Wouter Godijn, Grand Corps Malade

 

Dolce far niente

 


Brug over de Egelantiersgracht in de Jordaan

 

Uit: De Jordaan: Amsterdamsch epos

“Als het reuzen-gezin maar bijéén bleef, en als er maar geen vreemde den protserigen neus tusschen drong.
In het winteravondlijke walmrood der lantaarns waren zij heerschers van de donkere, enge straten en grachtjes, waar iedere kei van hún leek. Dan was er vrij messengevecht en meidenspel; dan werd er in het half-duister gewelddadigheid uitgewrokt op zwakker vrouwen-lichamen, waarvoor ze bij klaarlichten dag later schuw de oogen knipperden. Dan werd er gedobbeld in de gangen, waar nooit een vreemde tronie zich vertoonde; achter karren op de rottende straat; dan werd er gevrijd en gedronken, maar alles, als één schrikwekkende bende, smart en schande, begeweld-dadiging en oneer, ramp en vervloekenis van elkaar duldend en overnemend, zonder ooit er politie in te moeien. Want ze verafschuwden politie-mannen als indringers en verbrekers van onbewust éénheids-gevoel.
Ze waren van één ras, één klasse, door éénzelfde levensgolf rondgezwabberd, naar vóór gestooten, naar achteren gekanteld, op één plek grond. –
Daarom konden ze elkaar bestelen in nuchterheid of dronkenschap, nooit mocht een ánder ze striemen of afstraffen, dan de buurtgenooten zelf. – Ze leefden op elkaar, als menschen in een zwaar gedrang. Ze lazen malkander de misdaden en de deugden uit de oogen. Heel vroeg al hun bed uit, pakten ze hun negotie aan of bezwermden de fabrieken. Maar van venttochten, van fabrieken of werkplaatsen terug,…. het veiligst en gelukkigst voelden ze zich eerst in hun Jordaan, voor de open deur, op stoepen, houten leuning-trappen, tusschen het gewoel der menschen, tegenover bekende tronies uit steeg-slurven en walmende dwarsstraatjes. Het gelukkigst bij hun vischhengel, duiven, blompotten, kanaries; bij hun jak-wijven en vooral bij hun tapperijen. De hooge buik-bruggetjes tusschen de dwarsstraten in, bezwierden ze met veel grooter gemak en bevalligheid dan de niet-buurtgenooten, en markten-slentering leek hun heerlijker dan de schoonste buitenwandeling. In wilde ruzie waren ze gegroeid; zonder ruzie leek hun het bestaan traag en saai.”

 

 
Israël Querido (1 oktober 1872 – 5 augustus 1932)

Lees verder “Dolce far niente, Israël Querido , Cees Nooteboom, Wouter Godijn, Grand Corps Malade”

Dolce far niente – Naarden Vesting

Dolce far niente – Naarden Vesting

 

 
Naarden Vesting

 

 
Duivensteeg

 

Iemand moet het doen

Iemand moet het doen, iemand
moet de schimmen van zieners
en zangers de weg wijzen, iemand

bevroren paden betreden onder
schaduwregen van een vlucht spreeuwen,
moet in de melkwitte winter allen

gedenken die hier ooit liepen
en dronken en sliepen – zodat zij
blijven. Iemand moet het doen.

 

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

Lees verder “Dolce far niente – Naarden Vesting”

Martijn Simons

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijver Martijn Simons werd geboren in 1985 en groeide op in Woerden. Hij studeerde Nederlandse taal en cultuur. Simons debuteerde eind 2009 met het korte verhaal ‘De cavia’ in De Gids. In 2010 verscheen zijn debuutroman “Zomerslaap”. Hij was tot september 2014 ook columnist voor Volkskrant.

Uit: Zomerslaap

“‘De molen stond op een heuvel midden in het dorp. De wieken bewogen niet en de vlag boven de ingang hing recht naar beneden. Geen zuchtje wind. Er liep een kronkelpad met ongelijke stenen naartoe, ze glommen in de zon. Toen ik er bijna was, stapte ik in een stuk kauwgom, kleverig en zacht. Je kon de lucht boven de huizen in de verte zien trillen.
In de hal, bij de ingang van het restaurant, hing een banier. hulde aan het zilveren bruidspaar. Wie zou het ding zo scheef hebben opgehangen?
Ik was hier één keer eerder geweest, om een lijst met bestellingen die mijn moeder had ingevuld af te geven. Er stonden namen van gerechten op en hoeveelheden, en onderaan stond de prijs. Goed voor een paar maanden kamerhuur in de stad. Had ik helemaal niet, een kamer, en in de stad was ik nog niet eens geweest. Over een paar weken zou ik gaan, dan was de introductie. Ik ademde diep in en duwde de zware deur open.
Binnen rook het precies zoals ik me van de vorige keer herinnerde, muf en naar stro, maar nu vermengd met een walm van etensgeuren uit de keuken. Aan het plafond hing een koelinstallatie die een zacht zoemend geluid maakte, maar het apparaat leek niet te functioneren.
Aan de muren van het restaurant hingen antieke keukenattributen, koperen pannen waarin ik mezelf weerspiegeld zag. Lepels in alle soorten en maten en een schuimspaan. Op iedere tafel stond een bloemstukje.
Mijn moeder liep met korte passen door de ruimte, de warmte leek haar niet te raken. Ze had haar haar opgestoken en het stond haar goed, ik wilde er wel met mijn hand doorheen, maar dan zou ze vast boos worden. Ze droeg een donker jurkje dat haar jong maakte, en ze had felrode lippenstift op. Haar hakken klikten op de tegels.
De koffiekopjes stonden in hoge stapels op een tafel. Op elk schoteltje lag een chocolaatje, die waren natuurlijk allang gesmolten.”

 
Martijn Simons (Woerden, 1985)

Dolce far niente, Theo Thijssen, Guillermo Martínez, Harry Mulisch, Chang-Rae

 

Dolce far niente

 

 
Brouwersgracht 99, Amsterdam
Hier had Theo Thijssens moeder vanaf 1890 een kruidenierszaak

 

Uit: In de ochtend van het leven

“Met die Arie Tol, die ook op de Brouwersgracht bleek te wonen, tegenover de Langestraat, ging ik om vier uur naar huis; we hadden haast, want om vijf uur moesten we weer op avondschool zijn, tekenen. `Ik ben al aan de blokken begonnen,’ vertelde hij.
 `Ik allang,’ zei ik, maar ik vertelde niet van m’n vrijmoedige sprong.
 Hij was ook op Franse cursus, op de Lauriergracht.
 Ik ook, in de Raamstraat, en er was besloten dat ik daar maar blijven zou.
 Ik vertelde van de bibliotheek op Letter A, over de vierhonderd boeken. O, maar op Letter G was de bibliotheek ook aardig uitgebreid, er waren nu over de zestig boeken. Ook van Jules Verne? vroeg ik. Ja, verscheidene; en ook van Kapitein Marryat. Bijvoorbeeld `Koningskind’ en `Jakob Eerlijk’. `Is `De woudlooper’ er ook bij?’ vroeg ik. Nee, `De woudlooper’ was er niet bij. Jammer, vond ik, dat was zowat het mooiste boek dat er bestond. `Nou, je moet van de week `Het koningskind’ zien te krijgen,’ zei Tol, `of `Vlissingen in 1572′, die zijn ook niet voor de poes, hoor.’
 We waren aan onze winkel gekomen. `O,’ zei hij, `woon je hier? Nou, ik kom je morgenochtend afhalen, hoor.’
 Dat is het begin geweest van m’n grote jongensvriendschap.”
(…)

“ Mater, de grossier die op de Rozengracht z’n zaak had en die elke woensdag om één uur de bestelling kwam opnemen, kon álles leveren, behalve petroleum; petroleum, beweerde hij, is de dood in een kruidenierszaak. Maar hij mócht lang niet alles leveren. De suiker nam moeder van hem, omdat hij de suiker van Spakler had; en rijst en ’t losse meel en andere grutterswaren, en zeep en soda leverde Mater ook. Maar azijnin mijn winkel alleen azijn van De Ooievaar, zei moeder; en ’t was geen praatje: ik moest altijd naar die fabriek, op de Lijnbaansgracht, om een vaatje te bestellen.”

 

 
Theo Thijssen (16 juni 1879 – 23 december 1943)
In 1901

Lees verder “Dolce far niente, Theo Thijssen, Guillermo Martínez, Harry Mulisch, Chang-Rae”

Dolce far niente, Ingo Baumgartner, Remco Campert, Malcolm Lowry, Gerard Manley Hopkins

 

Dolce far niente

 

 
De storm door Jan van Goyen, 1641

 

Gewitter am See

Ein Delta formt des Blitzes Feuer,
rückt schemenhaft den Berg ins Licht.
Die Wolke wird zum Ungeheuer,
das grollend dunklen Qualm erbricht.

Aus Spielgekräusel wachsen Wogen
die Anmut flieht in Hast den See.
Bedenklich hin zum Nass gebogen,
schwankt Segeltuch in wilder Bö.

Die Möwen schützen sich, sie ducken
sich schweigend in das Uferrohr.
Doch bald verebbt das Himmelszucken
und Blau strahlt kräftig wie zuvor.

 

 
Ingo Baumgartner (Oberndorf an der Salzach, 24 december 1944)

 

Lees verder “Dolce far niente, Ingo Baumgartner, Remco Campert, Malcolm Lowry, Gerard Manley Hopkins”

Dolce far niente, Tour de France, Michael Longley, Hilde Domin, Graeme C. Simsion

 

Dolce far niente – Bij de Tour de France

 


De finish in Parijs

Uit: Rond de 40

“De Tour volgen is in zekere zin een ziekte. Steeds was daar die terugkerende vraag: wat doe ik hier? En steeds weer moest ik het juiste antwoord schuldig blijven, maar dat had ik ook als ik in Italië of Spanje op een hoge berg volkomen vast stond in het verkeer. Als ons vliegtuig net vertrokken was omdat de renners die dag wat langzaam gereden hadden. Als ik ergens in de vochtige mist, in een kleine halfopen cabine in een microfoon zat te babbelen en de levensloop van twee Spanjaarden, een Rus en een Belg zat voor te dragen. De tijd kroop voort en in mijn bonkende achterhoofd klonk de melodie van Jackson Browne’s ‘The Barricades of Heaven’.
Je deed het in de maand juli omdat het de Tour was. Een sympathiek onding. Ooit zei ‘ami’ Jean Marie Leblanc dat de Tour uit zijn voegen ging barsten. Hij zei dat lang geleden en de Tour is alleen maar verder gegroeid en bijna geëxplodeerd. De dranghekken, vroeger nauwelijks aanwezig, reiken nu tot in de hemel. Als journalistieke onderneming moet je je inkopen voor de exclusieve en snelle interviews, de Tour leeft al lang niet meer op de straat.
De romantiek, zo prachtig hoorbaar in de stem van Jean Nelissen, is verpacht aan een gele bank die angstig mooie, langbenige vrouwen op een podium samendrijft. Deze kussende, lachende meiden hebben bodyguards en een privéchauffeur. Van een alpinopet hebben ze nog nooit gehoord. Wie Yvette Horner is? Ach wat!
En toch ga ik weer, voor de veertigste keer. Met optimisme, een blij ge- moed en met mijn zelfgemaakte plakboeken vol uitslagen. En ja, er komt weer een avond dat je hotelkamer de grootte van een schoenendoos zal hebben. Dat al het licht uitvalt, dat het contact met Hilversum er gewoon even niet is, dat de randweg rond Nantes he-le-maal vast staat. Maar dan haal je de schouders op. Ach wat, het is de Tour.
Beter deze vrolijke chaos dan het saaie, grijze bestaan van een loonslaaf elders. In zekere zin is de Tour rock & roll, vrijheid. En die zocht ik blijkbaar in 1973. Met heel veel dank aan Kees Buurman en Bob Spaak, die me de kans gaven in deze chaos te leren overleven.”

 

 
Mart Smeets (Arnhem, 11 januari 1947)

Lees verder “Dolce far niente, Tour de France, Michael Longley, Hilde Domin, Graeme C. Simsion”