Dolce far niente, Remco Campert, Arthur Japin, Gregoire Delacourt, Yves Petry

Dolce far niente

 

 
Brug over de Schinkel, de Sluis bij de Overtoom, Amsterdam
door Jan Hermanus Melcher Tilmes, z.j.

 

Op de Overtoom

Het dooit op de Overtoom
maar het vriest ook alweer op
melden mijn voeten
die mijn dag verlopen
ik blijf dicht bij huis
steeds dichter
dat is mijn leeftijd
wolken worden zwaarder van onkleur
de geur van gisteren hangt nog aan me
ik at met mijn vriend
we braken het brood
en deelden de doden
we zijn al bijna uit zicht
wij lachen nog
wat moet je anders?
omhelzen elkaar ten afscheid
misschien je weet maar nooit

 

 
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

Lees verder “Dolce far niente, Remco Campert, Arthur Japin, Gregoire Delacourt, Yves Petry”

Dolce far niente, Kees Fens, Lieke Marsman, Max Dauthendey

 

Dolce far niente

 

 
Het Spui in 1895, geschilderd door Eduard Karsen

 

Uit: Het stadsgevoel (Het geluk van de brug)

“Soms sta ik in de avond wel eens een klein kwartier voor het raam.
Ik kijk naar de overzijde; lang niet overal brandt licht, maar elk verlicht raam doet mij beseffen dat ik niet alleen ben. Het licht geeft ook een gevoel van veiligheid. De mooiste passages in oude jongensboeken vond ik altijd de beschrijvingen van het sluiten van der stadspoorten. Niemand er meer in, niemand er meer uit, we zitten veilig achter de muren, onder elkaar. Ik geloof dat nog altijd de poort van het Begijnhof op een vast uur wordt gesloten. Ik vind dat een prachtig symbolisch gebaar en ik benijd de poortwachter die het ritueel uitvoert.
Als ik niets meer zie, luister ik. Ik kan de Westertoren horen, de hele nacht door. Ik ben niet alleen. Die sensatie is alleen in een stad mogelijk. (Ik heb nu en dan ook een vertrouwensrelatie met die schildwachten van de nacht: de lantarenpalen.)
Deze week zag ik in het derde deel van de Geschiedenis van Amsterdam een schilderij van Breitner. De Kalverstraat met vlaggen op een regenachtige avond. Ik moet het ooit hebben gezien, ik ben het vergeten en ik voel mij schuldig. Een schitterende streep van geel licht loopt over het bijna abstracte schilderij heen. Licht van etalages kan men nog ter linker- en rechterzijde zien. De besloten straat is voor mij de volmaakte uitdrukking van mijn stadsgevoel. Ik zou daar graag hebben gelopen opgenomen in de lichtstreep. We hebben de ‘echte’ straat niet eens nodig. Al jaren draag ik het schilderij van het Spui van Eduard Karsen in gedachten mee. Het is van een zeldzame stadsintimiteit, zoals ook sommige schilderijen van de grote Witsen.
Ik denk dat mijn stadsgevoelens lopen tot de vroegere afscheiding van stad en land: de lijn Orteliuskade, Postjeskade, Stadionkade. Daarachter ligt een stad van veelal brede straten. De intimiteit is weg, verlichte ramen aan de overzijde zijn verre lichtpunten. Men is er niet meer onder elkaar en misschien pas echt verlaten.

 

 
Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)

Lees verder “Dolce far niente, Kees Fens, Lieke Marsman, Max Dauthendey”

Dolce far niente, Frans Erens, Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw

 

Dolce far niente

 

Hartjesdag op de Zeedijk door Johan Braakensiek, 1926

 

Uit: Zeedijk

“Zij was een teêre, slanke meid.
Op den Zéédijk ging ze wandelend voort.
In het vierkantig gerok der breede meiden liep ze buigend zacht; in het stevig getrap der voortschommelende matrozen, ging ze, buigend zacht als waaiend riet.
Onder de helmen diep, glommen heimelijk de oogen der stappende agenten, als waterpoelen in het ruig gestruik op de avond-hei.
Als glimwormen hel, glommen de helmen der loerende agenten.
Vijandig recht, de gezichten strak, liepen vrouwen blootshoofd en in wit gejak, langs het kalm gestap der loerende agenten.
Van rechts en links glansde kroeg aan kroeg met de rijen van flesschen der vonkelende likeuren. Van rechts en links kwam zang en spel en getrappel van dans en gespring.
Binnen ging de lieve meid, stil en met ernst.
Zij danste, danste de lieve meid, de slanke witte hand gespreid op den schouder van den dronken matroos.
Haar gezichtje zacht, geresigneerd, draaide weg tusschen de gezichten vol, wellustig-vol, slaperig-dik, lachend-dik der op- en neêr springende vrouwen.
Tusschen de vierkante meiden met de donkere rokken, die waaiden breed, als krinolinen wijd.
Vloog licht en rank, in vollen zwaai en leliewit de slanke meid.
Gloeiend heet en rood in zweet trapte ferm de sterke matroos, meênemend licht, het lichte wicht.
In den nevelenden stof, in den wirbelenden dans, in het voeten gebons, in het plompende gestomp, in het vioolgesnerp verdween, kwam op de vliegende meid.
Op de borsten en ruggen de halssnoeren klikten en tikten. De zwaar-vleezige, zwart-nagelige handen op de ruggen gespreid, kwamen op? verdwenen snel in het gezwaai en gedraai. Er tusschen door de witte hand, verdwijnend hier, verdwijnend daar.”

 

Frans Erens (23 juli 1857– 5 december 1936)
Plaquette in Landgraaf
Lees verder “Dolce far niente, Frans Erens, Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw”

Dolce far niente, Tour de France, Frans Erens, Edwin Winkels

 

Dolce far niente – Bij de Tour de France

 

Uit: Weerzien met Indurain

“Terug naar de begrafenis van Samaranch, of de ceremonie van belangrijke mensen die vanochtend plaatsvond. Bekende gezichten kwamen voorbij en ik verheugde me bijzonder toen ineens de enige (oud-)sporter naar buiten kwam, Miguel Indurain. Dezelfde karakteristieke kop als vroeger, met die neus van een Griekse god en de diepe ogen waarin bijna nooit enige emotie te bespeuren was. Bijna elke zomer tussen 1990 en 1996 maakte ik hem dagelijks mee, tijdens onze gezamenlijke Tour de France. Hij op de fiets, ik in de auto. Ik weet het, mijn Nederlandse collega’s vonden ze doodsaai, die vijf Tours die Indurain op rij won, maar voor een verslaggever van een Spaanse krant was het de hemel op aarde: elke dag volgden we de grote favoriet van dichtbij, elke dag was er wel wat te schrijven. Oké, Indurain praat nu veel meer en losser dan hij toen deed, maar zouden we in Nederland ook klagen als een saaie en stille als Joop Zoetemelk elke keer weer vanaf de proloog de Tour naar zijn hand zou zetten? Genieten was het, de bazen gaven ons drie, vier pagina’s per dag, want de lezers vraten het. Én Indurain stelde bijna nooit teleur.

 

 
Miguel Indurain

 

Gedurende één Tour schreef ik bovendien dagelijks een column over de Grote Zwijger in De Volkskrant: Heimwee naar Navarra, omdat Miguel altijd de indruk wekte zo snel mogelijk weer terug naar huis te willen. Een prachtige uitdaging natuurlijk, vanaf de eerste dag filosoferen over de gedoodverfde winnaar. Een uitgever vond de columns zelfs de moeite waard om te bundelen tot een dun boekje. Er werden, geloof ik, 867 exemplaren van verkocht; voldoende om bescheiden te blijven.
“Hoe is ‘t?” We wisselden vanochtend kort wat woorden uit, hoe het gaat in het leven. Waarom hij op de begrafenis was…. “Ja, dat hoort erbij, maar op een begrafenis ben je altijd te laat,” zei Indurain. Niets bijzonders verder. Gewoon de bescheiden sympathie van één van de grootste sporters die Spanje ooit heeft voortgebracht. Sterker nog, de eerste grote, sterke Spanjaard die het land van heel veel minderwaardigheidscomplexen afhielp.”

 

 
Edwin Winkels (Utrecht, 1962)

Lees verder “Dolce far niente, Tour de France, Frans Erens, Edwin Winkels”

Blumen sehet ruhig sprießen (Johann Wolfgang von Goethe)

 

Dolce far niente

 

 
Goethes tuinhuis in de zomer door Max Oehler, rond 1920

 

Blumen sehet ruhig sprießen

Blumen sehet ruhig sprießen,
Reizend euer Haupt umzieren;
Früchte wollen nicht verführen,
Kostend mag man sie genießen.

Bieten bräunliche Gesichter
Kirschen, Pfirschen, Königspflaumen,
Kauft! denn gegen Zung’ und Gaumen
Hält sich Auge schlecht als Richter.

Kommt, von allerreifsten Früchten
Mit Geschmack und Lust zu speisen!
über Rosen läßt sich dichten,
In die äpfel muß man beißen.

Sei’s erlaubt, uns anzupaaren
Eurem reichen Jugendflor,
Und wir putzen reifer Waren
Fülle nachbarlich empor.

Unter lustigen Gewinden,
In geschmückter Lauben Bucht,
Alles ist zugleich zu finden:
Knospe, Blätter, Blume, Frucht.

 

 
Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)
Portret door Joseph Karl Stieler, 1828

 

Zie voor de schrijvers van de 22e juli ook mijn twee blogs van 2 juli 2011 en eveneens mijn blog van 22 juli 2012.

Dolce far niente (Muiderslot, Muiden)

Dolce far niente

 

 
Muiderslot

 

Muidse reis

Vochtig Zuien
schort uw buien
over Muien
enen dag,
die ik garen
zonder baren,
stil en klaar
droge zag.

 

 
Constantijn Huygens (4 september 1596 — 28 maart 1687)
Portret van Constantijn Huygens door Hendrik de Keyzer, 1627 (detail)

 

Een Majeboom

Aan de Joffren Anne en Tesselschae Roemer Visschers gesonden naer haar vertreck vanden huijse te Muiden, in ’t jaer 1621, spreekt

Orpheus met sijn stem en vinger
Maeckte eertijdts den boomen voeten,
Datse bij gekroonde stoeten
Liepen nae den soeten singer.
Ist dan vreemdt, dat ick verslinger
Op uw speelen,
Op uw queelen,
En loop achter aen uw keelen?
Ick, die ben van ’t selve volck?
En was hij der goden tolck,
Ghij syt speelnoots van godinnen.
En indien Thalia haer sinnen
Eens tot trouwen zet, sult ghij
Elleck sitten aen een zij.

 

 
Pieter Cornelisz. Hooft (16 maart 1581 – 21 mei 1647)
Portret (kopie naar Joachim von Sandrart, 1700)

Lees verder “Dolce far niente (Muiderslot, Muiden)”

The Summer Rain (Henry David Thoreau), Hans Lodeizen

Dolce far niente

 

 
Landschap bij Auvers in de regen door Vincent van Gogh, 1890

 

The Summer Rain

My books I’d fain cast off, I cannot read,
’Twixt every page my thoughts go stray at large
Down in the meadow, where is richer feed,
And will not mind to hit their proper targe.

Plutarch was good, and so was Homer too,
Our Shakespeare’s life were rich to live again,
What Plutarch read, that was not good nor true,
Nor Shakespeare’s books, unless his books were men.

Here while I lie beneath this walnut bough,
What care I for the Greeks or for Troy town,
If juster battles are enacted now
Between the ants upon this hummock’s crown?

Bid Homer wait till I the issue learn,
If red or black the gods will favor most,
Or yonder Ajax will the phalanx turn,
Struggling to heave some rock against the host.

Tell Shakespeare to attend some leisure hour,
For now I’ve business with this drop of dew,
And see you not, the clouds prepare a shower—
I’ll meet him shortly when the sky is blue.

This bed of herd’s grass and wild oats was spread
Last year with nicer skill than monarchs use.
A clover tuft is pillow for my head,
And violets quite overtop my shoes.

And now the cordial clouds have shut all in,
And gently swells the wind to say all’s well;
The scattered drops are falling fast and thin,
Some in the pool, some in the flower-bell.

I am well drenched upon my bed of oats;
But see that globe come rolling down its stem,
Now like a lonely planet there it floats,
And now it sinks into my garment’s hem.

Drip drip the trees for all the country round,
And richness rare distills from every bough;
The wind alone it is makes every sound,
Shaking down crystals on the leaves below.

For shame the sun will never show himself,
Who could not with his beams e’er melt me so;
My dripping locks—they would become an elf,
Who in a beaded coat does gayly go.

 

 
Henry David Thoreau (12 juli 1817 – 6 mei 1862)
Standbeeld in Walden Pond

Lees verder “The Summer Rain (Henry David Thoreau), Hans Lodeizen”

Arie Storm

De Nederlandse schrijver en literatuurcriticus Arie Storm werd geboren in Den Haag op 20 juli 1963. Hij debuteerde in 1994 met de roman Hémans duik, die vervolgens werd genomineerd voor de Debutantenprijs. Tegenwoordig schrijft hij voor Het Parool en Vrij Nederland, vroeger publiceerde hij ook in Bzzlletin en Snoecks Almanak. Hij was van 2012 tot 2014 te horen als literatuurrecensent in de TROS Nieuwsshow op Radio 1.

Uit Afgunst

“De angst of de pijn of het liefdesverdriet of de lustgevoelens van een ander kun je uitsluitend begrijpen als je je in een volkomen identieke toestand bevindt (….). Zomin als je je in een ander kunt verplaatsen, zomin kun je je verplaatsen in de persoon die je ooit zelf bent geweest.”
(…)

“In deze positieve stemming was ik voorts van mening dat die hele theorie van mij dat er iemand anders in mijn hoofd zat, ook al nergens op sloeg. Ik zei tegen mezelf (ik moet er een schorre stem van hebben gekregen): ‘Waarom zal er iemand anders in mijn hoofd zitten?”
(…)

‘ Welnee, ’ zeg ik, ‘er is geen Boze Heks. En papa is er toch, dus er kan je niks gebeuren.’ ‘Beetje eigenlijk best wel eng in feite,’ zegt Masja. Naarmate ze in leeftijd vordert, wordt haar taalgebruik er niet beknopter op. Als tweejarige zei ze in vergelijkbare situaties: ‘beetje eng.’

Arie Storm (Den Haag, 20 juli 1963)

 

Slenteren met een ongelukkige auteur (Simon Carmiggelt), Karl Vannieuwkerke, Anna Enquist

Dolce far niente

 

 
Spui met Maagdenhuis, Amsterdam

 

Uit: Slenteren met een ongelukkige auteur

“Schrijvers zijn ziekelijk nieuwsgierig naar alles wat ze niet aangaat. Ik stond op en liep in de richting van de Kalverstraat. Voor het Maagdenhuis groepten wat mensen tezamen bij het opzienbarende moderne kunstwerk dat daar sinds kort dapper beproeft uit te komen boven de geparkeerde auto’s, een karweitje dat alleen aan de Eiffeltoren aardig is gelukt.
Een vlezige man, met een opmerkelijk dom gezicht en een baard die nodig eens bemest moest worden, vroeg op polemische toon aan een grijzende dame:
‘Wat stelt dat nou vóór?’
‘Ik weet het niet,’ antwoordde ze, ‘het wordt niet uitgelegd.’
(Connolly: ‘Hoeveel boeken schreef Renoir over hoe men schilderen moet?’)
‘En allemaal van onze belastingcenten,’ riep de man. ‘Kijk!’
Hij wees naar een met zwarte viltstift op het kunstwerk geschreven mededeling, die luidde: ‘Dit kost 50.000 gulden’.
Ik dacht aan een bespiegeling van Connolly over de houding van de staat jegens de kunst die, zo meende hij, Engeland maakte tot een natie van commentators, critici en kleurloze uitleggers. ‘Alles voor de melkbar en niks voor de koe.’ En hij verzuchtte: ‘Wanneer zal de staat eens zeggen: hier is duizend pond, jongeman, ga waarheen je wilt en kom terug met iets moois.’ Maar als de overheid het doet, zoals voor het Maagdenhuis, staan allerlei mannen te roepen dat zij niet mooi vinden wat die jongeman mooi vond.
‘Dit kost 50.000 gulden,’ las de dikke met stemverheffing voor.
Hij las niet wat er onder stond, met dunnere lettertjes, namelijk: ‘Nou – en?’. Dat klonk meer ter zake. De meest functionele bekladding van een kunstwerk stond te lezen op het grafmonument van Oscar Wilde: ‘Oscar, we love you, John and Will’.
De twee vrouwen met de boodschappentassen kwamen nu langs.
Ze keken naar het kunstwerk en de ene vrouw zei, veel diepzinniger dan ze vermoedde:
‘O, dat is maar tijdelijk.’

 
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)

Lees verder “Slenteren met een ongelukkige auteur (Simon Carmiggelt), Karl Vannieuwkerke, Anna Enquist”

Lucas Malan

De Zuidafrikaanse dichter Lucas Cornelis Malan werd geboren in Nylstroom op 19 juli 1946. Hij was de op een na jongste van zes kinderen. Zijn vader was meubelmaker. Hij begon zijn schooljaren in Noordwijk en vertrok daarna naar Pietersburg, waar hij in 1963 het matriculatie-examen aflegde. In 1964 schreef hij zich in aan het Normaalkollege in Pretoria, waar hij in 1966 een bachelor diploma behaalde met Afrikaans-Nederlands en kunstgeschiedenis als hoofdvak. In 1967 verwierf hij een onderwijsdiploma. Na een periode als docent aan de Hogere Seunskool Helpmekaar in Johannesburg nam hij in 1973 studieverlof en begon hij aan zijn BA in Afrikaans en Nederlands aan de Randse Afrikaanse Universiteit. In 1975 begon hij aan zijn MA aan de Universiteit van de Witwatersrand en in 1978 werd hem de graad met lof uitgereikt. In 1984 behaalde hij een tweede graad in de Toegepaste Taalkunde aan RAU en in 1989 zijn DLitt aan de Universiteit van Pretoria over de poëzie van Ernst van Heerden. Lucas was bijna 30 jaar bij het onderwijs betrokken. Vanaf 1987 was hij hoofd van het Departement Afrikaans aan de Johannesburg College of Education. In 1997 verliet hij het onderwijs en vestigde hij zich in Darling aan de West-Kaap. Lucas leverde regelmatig bijdragen aan kranten en tijdschriften en zijn recensies (toneel en letterkundig) en artikelen verschenen in Rapport, Vrije Weekblad, Kalender, Karring, Die Transvaler en Beeld. Vanaf 1986 tot 1992 schreef hij een regelmatige rubriek in De Kat over de Afrikaanse poëzie. Gedurende de jaren zeventig verschenen enkele gedichten van Lucas in Tijdschrift voor Letterkunde en Contrast en in 1979 en 1980 ook in The Bloody Horse en Standpunten. In 1981 verscheen zijn debuutbundel, een “’n Bark vir die ontheemdes” In 1985 volgde “Tydspoor”, in 1987 “Edenboom”, “Kaartenhuis” in 1990, “Hongergrond” in 1994 en in 2002 “Afstanden”. In 2008 wordt “Vermanings” gepubliceerd. In 1986 schreef Lucas een bekroond drama (derde plaats in Radio Zuid-Afrika’s landelijke competitie voor hoorspelen), “Die jaar van die yskaste”, Op 15 april 2010 stierf hij aan complicaties na een hartoperatie.

DIE STERRE VOORSPEL

Wanneer die Diereriem na die stand
van die Bul beweeg, word die nagte stil
en die aarde koud. Die geil wildedruif
het algaande rooi van skaamte opgekrul
en skud nou bedees haar nuttelose drag
blare af. Vrugloos was dié stok se jaar
en sy brand nou so stuk-stuk af.

Die bol, die struik, die boom en blom
het ‘n saak met die stand van die son;
maar die kleiner een, die silwerling
van die nag, ons wufte maan – wat
kan sý met ‘n stuiwer bring?

Ag, sy grimeer maar na gelang van dit
wat die Bul verlang. Saans bak sy mooi
broodjies, volrond, en sy gaan haar gang;
sy doen gewoon en gedra haar fatsoenlik
– soos dit ‘n kieskeurige dame betaam
wat van groter dinge weet; sy wat kuis
bly wag op die koms van die Ram.

 

THE STARS FORETELL

When the Zodiac revolves towards
the sign of the Bull, the nights grow still
and the earth grows cold. The rank wild grape
gradually curls up in her blush of bashfulness,
timidly casting off her ineffectual robes
of leaves. Fruitless was this vine’s year
and piecemeal she is now burning down.

The bulb, the shrub, the tree and flower
have a concern with the position of the sun;
but the smaller one, the silverling
of the night, our frivolous moon – what
ha’penny’s worth can she bring?

Ah, she titivates herself to please
the Bull. At night it’s time for humble
pie, full-rounded, and she goes her way;
as always she behaves respectfully
– as befits a fastidious lady
who knows of greater things; she who chastely
keeps waiting for the coming of the Ram.

 

Vertaald door Charl J.F. Cilliers

 
Lucas Malan (19 juli 1946 – 15 april 2010)