Kudde schapen in een veld na de oogst door Camille Pissarro, 1889
Summer
See what Delights in Sylvan Scenes appear! Descending Gods have found Elysium here. In Woods bright Venus with Adonis stray’d; And chast Diana haunts the Forest Shade. Come lovely Nymph, and bless the silent Hours, When Swains from Sheering seek their nightly Bow’rs; When weary Reapers quit the sultry Field, And crown’d with Corn, their Thanks to Ceres yield. This harmless Grove no lurking Viper hides, But in my Breast the Serpent Love abides. Here Bees from Blossoms sip the rosy Dew, But your Alexis knows no Sweet but you. Some God conduct you to these blissful Seats, The mossie Fountains, and the Green Retreats! Where-e’er you walk, cool Gales shall fan the Glade, Trees, where you sit, shall crowd into a Shade, Where-e’er you tread, the blushing Flow’rs shall rise, And all things flourish where you turn your Eyes. Oh! how I long with you to pass my Days, Invoke the Muses, and resound your Praise; Your Praise the Birds shall chant in ev’ry Grove, And Winds shall waft it to the Pow’rs above. But would you sing, and rival Orpheus’ Strain, The wond’ring Forests soon shou’d dance again, The moving Mountains hear the pow’rful Call, And headlong Streams hang list’ning in their Fall!
But see, the Shepherds shun the Noon-day Heat, The lowing Herds to murm’ring Brooks retreat, To closer Shades the panting Flocks remove, Ye Gods! and is there no Relief for Love? But soon the Sun with milder Rays descends To the cool Ocean, where his Journey ends; On me Love’s fiercer Flames for ever prey, By Night he scorches, as he burns by Day.
Alexander Pope (21 mei 1688 – 30 mei 1744) Portret door Michael Dahl, rond 1727
De Nederlandse dichter Tsead Bruinja werd geboren in Rinsumageest op 17 juli 1974. Zijn eerste twee bundels gaf hij in eigen beheer uit. Zijn bundel “Dat het zo hoorde” werd genomineerd werd voor de Jo Peters Poëzieprijs. Met het collectief Gewassen (2001-2004), met onder anderen dichter Sieger MG en videokunstenaar Alan D. Joseph won hij in 2002 het Hendrik de Vriesstipendium. Bruinja stelt bloemlezingen samen (o.a. de befaamde Kutgedichten en de bloemlezing Droom in Blauwe regenjas – nieuwe Friese dichters), recenseert, presenteert, interviewt en treedt op in binnen en buitenland (o.a. in Indonesië, Nicaragua en Zimbabwe). Zijn meest recente bundels zijn “Overwoekerd”, in 2012 genomineerd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs, en “Angel”. Die laatste verscheen als krant en werd op website De Contrabas als gratis download binnen een maand 2000 keer gedownload. Sinds 2008 schrijft Bruinja één keer per maand een gedicht bij de actualiteit voor het EO radio 1 programma Dit is de dag. In datzelfde jaar maakte zanger en caberetier Herman van Veen schilderijen bij zijn werk die geëxposeerd werden in het Natuurmuseum Fryslân te Leeuwarden. Eind 2008 werd Bruinja genomineerd als Dichter des Vaderlands voor de periode 2009-2013. Bruinja werd tweede. In 2013 verscheen het boek “Stofsûgersjongers / Stofzuigerzangers” met etsen van Mirka Farabegoli en de debuut cd van klassiek saxofoniste Femke IJlstra.
appels kopen
kruimelig rijp verdriet spiegelt haar in de bakken van de marktkoopman
delicaat is zij die van appels houdt hij ziet dat hij ziet haar weerbarstig
lachend om zijn zoetzure grappen `t liefst trekt hij een knipmes nu
en toont haar de helften ruwe pit ze twijfelt voor wat lijkt een vruchtloos uur
krap aan haalt ze de laatste bus
als zij naar het danshuis gaat draagt ze een mand vol rode wangen
daar aan haar zongekleurde armen bedelen kindmannen hangend om watervrucht mee naar dakhuis dak
maar zij komt voor het dansen als zij komt komt ze voor het dansen
als zij komt gaat alles dansen mag een gospelgilletje over komen varen uit het zuiden van tabak ver amerika
mijn slotheupen willen wiegen zich in haar leegte wagen tot dageraad me komt breken en zij weer naast me slaapt
herhaald verzoek
ik kijk om me heen en er is niets nieuws niets ouds dat ik open kan doen
jij klopt aan
en er zijn cafés er zijn boeken die ik open kan doen
er zijn tafels waar mensen aan zitten
misschien staat er in hun agenda één verjaardag die het onthouden waard is
en ik heb de meest waardeloze knieën
en ik vraag je
elke ochtend dat jij je ogen open doet om de wereld nieuw te maken
De Nederlandse muzikant en schrijver Thé (Matheus Josephus) Lau werd eboren in Bergen op 17 juli 1952. Lau speelde als gitarist in verscheidene bands en was lid van Neerlands Hoop Express. In 1979 richtte hij de band The Scene op, bekend van de hits “Blauw” en “Iedereen is van de wereld”. Lau werd de leadzanger. Lau nam in 2003 afscheid van zijn band en toerde sindsdien met toetsenist Jan-Peter Bast langs de Nederlandse theaters. Op 13 oktober 2006 is Lau gestart met zijn theatertournee Tempel der liefde, waarbij hij begeleid werd door toetsenist Bast en het tangostrijkkwartet Pavadita. In 2003 werd zijn oeuvre gebundeld in het boek “Thé Lau”, de teksten. In 2000 debuteerde hij met de verhalenbundel “De sterren van de hemel”. Zijn debuutroman “Hemelrijk” kwam in 2004 uit, in 2006 gevolgd door een bundel muziekverhalen, met als titel In de dakgoot. In 2007 verscheen 1000 vissen, een bibliofiele uitgave met verhalen over de Amsterdamse Spaarndammerbuurt, waar Thé Lau sinds 15 jaar woonde en werkte. Het door Lau geschreven bevrijdingslied “In vrijheid” (2005) wordt ieder jaar veelvuldig ten uitvoer gebracht op Bevrijdingsdag, 5 mei. In 2007 kwam The Scene weer bij elkaar en ging Lau met drie vroegere bandleden weer toeren. Ook namen ze een cd op. In 2010 nam Thé Lau samen met Lange Frans het nummer Zing voor me op, waarmee ze de eerste plaats van de Nederlandse Single Top 100 bereikten. Op 12 augustus 2013 werd bekendgemaakt dat hij aan keelkanker leed. Hij liet na de behandeling weten dat zijn chemokuur en bestralingen goed waren verlopen en dat hij goede hoop had voor 2014. In april 2014 liet zijn management echter weten dat Lau uitzaaiingen in zijn linkerlong had en uitbehandeld was.Vanaf juni 2014 gaf hij met zijn band een aantal afscheidsconcerten. In hetzelfde jaar verscheen zij tweede roman “Juliette, een liefde in snapshots”.
Uit: Juliette, een liefde in snapshots
““Muisstil lag Robbie naast de Duitse Elsa in bed en streelde haar mollige, bezwete lichaam. Met haar hand op zijn heup glimlachte ze dromerig en onverschillig naar het plafond. Hij keek naar haar profiel in het maanlicht dat spaarzaam naar binnen scheen en rook de geur van gemaaid gras en sigaretten in haar blonde haar. Op weg naar haar huisje had ze hem een paar keer gemaand zijn brommer aan de kant te zetten en Robbie al rokend en zoenend in de berm geduwd, of tegen een heg. Ze was dronken geweest, maar dat gold eigenlijk avond na avond voor iedereen die café Ruïne, vernoemd naar het historische kerkje ertegenover, rond sluitingstijd verliet. ‘Het was mijn eerste keer,’ zei Robbie. ‘Deed ik het een beetje goed?’ ‘Mmm,’ mompelde Elsa, en viel in slaap. Het was geen ja en geen nee. De volgende ochtend was haar plek in het bed leeg, en verward keek Robbie om zich heen. Zijn kruis klopte nog na en hij voelde zich voldaan, maar gek genoeg ook eenzaam. Elsa was enkele jaren geleden tijdens een zomervakantie met haar ouders in onmin geraakt en in het dorp blijven plakken. Ze was een makkelijke score geweest. Het hele dorp ging met haar naar bed, mannen en vrouwen. Of liever, zijzelf ging met het hele dorp naar bed, met mannen en vrouwen uit het café of het strandpaviljoen, met wie maar wilde en beschikbaar was, en op elk denkbaar uur, behalve wanneer ze als serveerster aan het werk was. De hele enclave zag haar als een Duits seksspeeltje.”
“Jezus leeft, en hij rijdt voor Rabobank. Nou ja, zijn dubbelganger dan. De dunne beentjes, de iele armpjes, het baardje, de vrome blik in zijn ogen – alles klopt. Het is een wonder dat gelovigen zich niet massaal aan de voeten van Laurens ten Dam werpen als hij neerdaalt van het trapje van de ploegbus.
Eenmaal op de fiets is de gelijkenis nog treffender. Bij mijn weten heeft Jezus nooit op een fiets gezeten, maar áls hij wielrenner was geweest, dan had hij gereden als Laurens. Sleurend. Zwoegend. Harkend. Zwetend. Snotterend. Bloedend. Lijdend, in naam van de hele mensheid.
Laurens doet niet aan dagjes rustig aan, hij verstopt zich niet in de bus of in de buik van het peloton. In plaats daarvan knijpt hij zichzelf uit als een tube tandpasta die bijna op is – iedere etappe nog een klein beetje meer. Niet voor niets zit hij alle dagen in de kopgroep, met zijn tong in zijn voorwiel en zwarte sneeuwvlokjes voor zijn ogen, vechtend voor een (verre) ereplaats. Afzien, afzien, nog meer afzien.
Eigenlijk was hij in deze Tour om Robert Gesink en Bauke Mollema te helpen, maar die zitten thuis tv te kijken terwijl hij zichzelf nog maar eens een beetje verder uitknijpt. Laurens lijdt alleen. Hij draagt het kruis van het Nederlandse wielrennen naar boven, naar beneden, naar boven, naar beneden, naar boven, naar beneden – en dat drie weken lang, aan één stuk door.
Ik kende Laurens al toen hij nog te jong was voor een Jezusbaardje, maar vijftien jaar geleden zat Het Grote Lijden er ook al in. Ik herinner me een gezamenlijke training op een klimmetje in Nergens-ennog-wat-dorp. We moesten van de dienstdoende trainer een miljoen keer omhoog rijden: Laurens vond het geweldig, vooral toen het ook nog begon te regenen. Na een keer of achthonderdduizend viel ik in de afdaling – mijn voorwiel sloeg onder me weg op een nat wildrooster. Ik bloedde als een rund en vond mezelf enorm zielig. Kleine Lautje niet.”
Met een vingerreiking, een zachte g in de gewrichtjes, schept de architect door een uiterst dure schuur de hoge waardigheid van de zo oude schilders. Die kijken ons aan door de ingelijste ogen van meisje en matrone, hoender en hond, schutter en schout, bruid en burgemeester, boegbeeld en stier. Etc. Met een diepe indruk in het vlees van onze ziel dwalen we in het licht van de zalen, waar geen buiten is, alleen maar verf te zien. Zo voelen we ons onsterfelijk: nergens het gevaar van leven. Zo achten we die almaar ogen soms wel angstloze miljoenen waard. Straks lopen we op het Museumplein. Hier is buiten. Hier woont de dag als elke dag, als alle, alle dagdagdagen. Kijk, een voorjaarsvrouw met groene ogen om in te verdrinken. Kijk, een lenteman met ogen van vertrouwen. Kijk, een zonlichtkind dat een bootje vaart als een droom, en met ogen van lach en spel. Hoeveel zouden we op dit groene plein, gelijst in Amsterdam, voor deze levende ogen willen geven? We lopen voorbij. We lopen voorbij.
“Julius was dressed in a white linen cassock, his pleated knee-length tunic had tight sleeves, while the elbow-length scarlet velvet cape was trimmed in ermine, as was the scarlet velvet skullcap. “Ah, Buonarroti, you have returned to us. You are pleased with the statue in Bologna, are you not?” “It will bring honor on us.” “You see,” cried Julius triumphantly, throwing out his arms energetically to include the entire room. “You had no confidence in yourself. When I made this splendid opportunity available to you, you cried out, ‘It is not my trade!'” The Pope’s mimicking of Michelangelo’s slightly hoarse voice brought appreciative laughter from the court. “Now you see how you have made it your trade, by creating a fine bronze.” “You are generous, Holy Father,” murmured Michelangelo with a twinge of impatience, his mind occupied with the pile of stained marbles lying just a few hundred yards away. “I intend to continue being generous,” cried the Pope heartily. “I am going to favor you above all the painting masters of Italy.” ” . . . ‘painting’ masters?” “Yes. I have decided that you are the best artist to complete the work begun by your countrymen Botticelli, Ghirlandaio, Rosselli, whom I myself hired to paint the frieze in the Sistine Chapel. I am commissioning you to complete my uncle Sixtus’ chapel by painting the ceiling.” There was a slight patter of applause. Michelangelo was stunned. Nausea gripped him. He had asked Sangallo to make it clear to the Pope that he would return to Rome only to begin carving on the sculptures for the tomb. He cried passionately: “I am a sculptor, not a painter!” Julius shook his head in despair.“
Irving Stone (14 juli 1903 – 26 augustus 1989) Charlton Heston als Michelangelo in de film “The Agony and the Ecstasy” uit 1965
Kleff, Wimmer, Hoeneß, Held und Beckenbauer, Kapellmann, Jung, Grabowski, Franke, Klein, Müller, Geye, Wunder, Nigbur und Hölzenbein, Erwin und Helmut Kremers, Zobel, Assauer,
Krauthausen, Doctor Kunter, Wittkamp und Beer, Fichtel, Flohr, Breitner, Budde und Savkovic, Hoffmann, Lútkebohmert, Kostedde, Rupp und Hosic, Brenninger, Blau und Handschuh, Köppel und Scheer,
Vogt, Pröpper, Schwarzenbeck, Cullmann, Sziedat, Deterding, Brück, Nickel und Overath,
Netzer und Heynckes, Kohle, Walitza, Dürnberger, Löhr, Wolter, Konopka,
Maier, Roth, Jensen, Jung, Diehl und Hansen, Danner, Schulz, Bonhof, Kulik und Jansen
2-1 & 1-2
De wedstrijd was het juiste spiegelbeeld van die 2-1 in het gedoemd verleden. Eerst werd ik in de Hel gevierendeeld, en daarna kwam ik in de Hof van Eden.
Twee-een verliezen of met 2-1 winnen: ontgoocheling of een waanzinnig feest. Je kunt er maar het best niet aan beginnen, dan is je leven wel zo kalm geweest.
Ik vond het jammer dat wij toen niet wonnen, want winnen is het doel van elke sport. Maar anderzijds is voetbal maar verzonnen: geen mens die er veel menselijker door wordt.
Natuurlijk was ik blij met onze zege, als journalist was ik zelfs dubbel blij. Wij hadden immers iets cadeau gekregen: kopij, kopij, o en voorgoed kopij!
Nico Scheepmaker (13 november 1930 – 5 april 1990)
Uit:De geschiedenis van mijn duiventil (Vertaald door Froukje Slofstra)
“Als kind wilde ik heel graag een duiventil hebben. Mijn leven lang heb ik geen vuriger verlangen gekend. Ik was negen toen mijn vader me het geld beloofde voor drie duivenpaartjes en planken. Het was 1904. Ik moest toelatingsexamen doen voor de voorbereidende klas van het Nikolajevski-gymnasium. Mijn familie woonde in de stad Nikolajev, in het gouvernement Cherson. Dat gouvernement bestaat niet meer, onze stad is opgenomen in het district Odessa. Ik was pas negen, en ik was bang voor de examens. Voor twee vakken – Russisch en rekenen – mocht ik niet minder dan een vijf halen. De numerus clausus was streng op ons gymnasium, slechts vijf procent. Op veertig jongens werden maar twee joodse jongens toegelaten tot de voorbereidende klas. De leraren ondervroegen die jongens listig; niemand kreeg zulke ingewikkelde vragen als wij. Daarom beloofde mijn vader de duiven te kopen op voorwaarde dat ik twee vijf plussen zou halen. Hij kwelde me uitentreuren, ik verviel in een eindeloze dagdroom, een lange, wanhopige kinderdroom, en al dromend ging ik naar het examen en ik bracht het er toch beter af dan de anderen. Ik kon goed leren. Welke listen de leraren ook gebruikten, mijn verstand en mijn gretige geheugen konden ze me niet afnemen. Ik kon goed leren en kreeg twee vijven. Maar daarna veranderde alles. Chariton Efroessi, een graanhandelaar die tarwe exporteerde naar Marseille, betaalde vijfhonderd roebel smeergeld voor zijn zoon, van mijn vijf werd een vijf min gemaakt, en in mijn plaats werd de kleine Efroessi toegelaten tot het gymnasium. Het was een zware klap voor mijn vader. Vanaf mijn zesde had hij me in alle mogelijke vakken onderwezen. Het voorval met die min dreef hem tot wanhoop. Hij wilde Efroessi in elkaar slaan, of twee sjouwers omkopen om Efroessi in elkaar te slaan, maar mijn moeder bracht hem daarvan af, en ik begon me voor te bereiden op een ander toelatingsexamen, dat van volgend jaar voor de eerste klas. Achter mijn rug haalden mijn familieleden een leraar over om in één jaar de stof van zowel de voorbereidende als de eerste klas met mij door te nemen, en aangezien we ten einde raad waren, leerde ik drie boeken vanbuiten: de grammatica van Smirnovski, het rekenboek van Jevtoesjevski en de inleiding tot de Russische geschiedenis van Poetsykovitsj. Nu gebruiken kinderen die boeken niet meer, maar ik heb ze vanbuiten geleerd, regel voor regel, en het jaar daarna kreeg ik voor het examen Russisch van de leraar Karavajev de onbereikbare vijf plus.”
Isaak Babel (13 juli 1894 – 27 januari 1940) Monument in Odessa
“Es ist später Abend in unserm Stadtwald, leise wispert das Laub in der lauen Sommerluft und aus der Ferne tönt das Geschwirr der Feldgrillen bis unter die Bäume. Durch die Gipfel fällt bleiches Licht auf den Waldweg und das undeutliche Geäst des Unterholzes. Der Mond besprengt den Pfad mit schimmernden Flecken, er zündet im Gewirr der Blätter und Zweige verlorene Lichter auf, hier läuft es vom Baumstamme bläulich herab wie brennender Spiritus, dort im Grunde leuchten aus tiefer Dunkelheit die Wedel eines Farnkrautes in grünlichen Golde, und über dem Weg ragt der dürre Ast als ungeheures weißes Geweih. Dazwischen aber und darunter schwarze, greifbare Finsternis. Runder Mond am Himmel, deine Versuche den Wald zu erleuchten sind unordentlich, bleichsüchtig und launenhaft. Bitte, beschränke deine Lichter auf den Damm, der zur Stadt führt, wirf deinen falben Schein nicht allzuschräge über den Weg hinaus, denn linker Hand geht es abschüssig in Sumpf und Wasser. Pfui, du Lügner! da ist der Sumpf, und der Schuh blieb darin stecken. Aber dir ist das gerade recht, Täuschen und Betrügen ist deine liebste Arbeit, du Phantast unter den Sternen. Man wundert sich allgemein, daß die Menschen der Vorzeit dich als Gott verehrten. Einst hat das griechische Mädchen dich Selene gerufen und sie hat dir die Schale mit purpurnem Mohn bekränzt, um durch deinen Zauber den treulosen Geliebten zu ihrer Türschwelle zu locken. Damit ist es für immer vorbei. Wir haben die Wissenschaft und Photogen, und du bist herabgekommen zu einem armen alten Gaukler, der fern von Menschen im Walde umherflackert. Zu einem Gaukler! Man erweist dir noch allzuviel Ehre, wenn man dich überhaupt als lebendes Wesen behandelt. Was bist du denn eigentlich? eine Kugel ausgebrannter blasiger Schlacke, luftlos, farbenlos, wasserlos. Bah! eine Kugel? Unsere Gelehrten wissen, daß du nicht einmal rund bist, auch darin lügst du. Wir von der Erde haben dich nach unserer Seite in die Länge gezogen. Du bist gewissermaßen zugespitzt, und deine Gestalt ist erbärmlich und unregelmäßig. Du bist nichts als eine Art großer Erdrübe, welche sich in ewiger Sklaverei um uns herumwälzt.“
Gustav Freytag (13 juli 1816 – 30 april 1895) Portret door Karl Stauffer-Bern