Ingmar Heytze, Elke Erb

De Nederlandse schrijver en dichter Ingmar Heytze werd geboren op 16 februari 1970 in Utrecht. Zie ook alle tags voor Ingmar Heytze op dit blog.

 

Voor de liefste onbekende
Wie van ons twee heeft de ander bedacht?
Paul Eluard

Wat ben ik blij dat ik je nog niet ken.
Ik dank de sterren en de maan
dat iedereen die komt en gaat
de diepste sporen achterlaat, behalve jij,
dat jij mijn deuren, dicht of open,
steeds voorbijgelopen bent.

Het is maar goed dat je me niet herkent.
Kussen onder straatlantaarns
en samen dwalen door de regen,
wéér verliefd zijn, wéér verliezen,
bijna sterven van verdriet –
dat hoeft nu allemaal nog niet.

Ik ben nog niet aan ons gehecht.
Ik kijk bepaald niet naar je uit.
Neem de tijd, als je dat wilt.
Wacht een maand, een jaar,
de eeuwigheid en één seconde meer –
maar kom, voor ik mijn ogen sluit.

 

Geheim gedicht

Vannacht heb ik een zoen begraven.
Hij lag dertien maanden tussen ons in
en jij had al een paar keer gevraagd:
wat ligt daar nou toch steeds.

Toen je eindelijk sliep, drukte ik
de zoen met mijn lippen in een doosje
vol watten en liep naar de tuin. Daar
groef ik een graf van twee monden diep

onder de beuk. De duizend zoenen
die volgend jaar rood en zoet uit de takken
komen waaien, zijn allemaal voor jou.

 

Tegenstemwijzer

Stem wie je wilt. Op de lieve mevrouw
van de overkant, de jongen met de groene
baard, het lekkerste hapje uit de krant,
de salonsocialist, het sprekende weekdier,
het grijze toppunt van onkreukbaarheid.

Stem een regent of opponent of dilettant,
alles is goed, behalve Trots en Vrij – laat
Vreeswijk liggen waar het hoort, ver onder
ons niveau. Geef angst en haat geen stem.
Wees trots op de stad, niet op Nederland.

 

Ingmar Heytze (Utrecht, 16 februari 1970)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Elke Erb werd geboren op 18 februari 1938 in Scherbach in de Eifel. Zie ook alle tags voor Elke Erb op dit blog. Elke Erb is op 22 januari jongstleden op 89-jarige leeftijd overleden.

 

AVONDROOD

De avond draagt het rood van het symbool,
Draag het verder. In de vreemde.

(Ga naar de wind. Vraag de wind.
Ga naar de maan. Vraag de maan.
Ga naar de zon. Vraag haar.)

Wij dragen aan de verte, de vreemde
het rood over van het overgeleverde symbool.

Wij staan op post, als het van eigenaar verandert.
Zijn erfgenaam is het kind. Zijn plaats is de wieg.

O dit woord
peetouders van het ondergeschoven kind.

       – O wij, sprookjesachtig arme,
       in de vreemde gestuurde, verstoten
       moeders van het ondergeschoven kind!

Wij in het vagevuur
van onze ridderlijkheid trouwe
peetouders van het ondergeschoven kind
verlossen onszelf, laten zien wie we zijn, gaan
vreemd.

 

Vertaald door Peter Wessels

 

Elke Erb (18 februari 1938 – 22 januari 2024)

 

Zie voor meer schrijvers van de 16e februari ook mijn blog van 16 februari 2019 en ook mijn blog van 16 februari 2018 en ook mijn blog van 16 februari 2016 en ook mijn blog van 16 februari 2015.

Richard Blanco

De Amerikaanse dichter en schrijver Richard Blanco werd geboren op 15 februari 1968 in Madrid. Zie ook alle tags voor Richard Blanco op dit blog.

 

América

III.
By seven I had grown suspicious—we were still here.
Overheard conversations about returning
had grown wistful and less frequent.
I spoke English; my parents didn’t.
We didn’t live in a two-story house
with a maid or a wood-panel station wagon
nor vacation camping in Colorado.
None of the girls had hair of gold;
none of my brothers or cousins
were named Greg, Peter, or Marcia;
we were not the Brady Bunch.
None of the black and white characters
on Donna Reed or on the Dick Van Dyke Show
were named Guadalupe, Lázaro, or Mercedes.
Patty Duke’s family wasn’t like us either—
they didn’t have pork on Thanksgiving,
they ate turkey with cranberry sauce;
they didn’t have yuca, they had yams
like the dittos of Pilgrims I colored in class.

IV.
A week before Thanksgiving
I explained to my abuelita
about the Indians and the Mayflower,
how Lincoln set the slaves free;
I explained to my parents about
the purple mountain’s majesty,
“one if by land, two if by sea,”
the cherry tree, the tea party,
the amber waves of grain,
the “masses yearning to be free,”
liberty and justice for all, until
finally they agreed:
this Thanksgiving we would have turkey,
as well as pork.

V.
Abuelita prepared the poor fowl
as if committing an act of treason,
faking her enthusiasm for my sake.
Mamá set a frozen pumpkin pie in the oven
and prepared candied yams following instructions
I translated from the marshmallow bag.
The table was arrayed with gladiolas,
the plattered turkey loomed at the center
on plastic silver from Woolworth’s.
Everyone sat in green velvet chairs
we had upholstered with clear vinyl,
except Tío Carlos and Toti, seated
in the folding chairs from the Salvation Army.
I uttered a bilingual blessing
and the turkey was passed around
like a game of Russian Roulette.
“DRY,” Tío Berto complained, and proceeded
to drown the lean slices with pork fat drippings
and cranberry jelly—“esa mierda roja,” he called it.
Faces fell when Mamá presented her ochre pie—
pumpkin was a home remedy for ulcers, not a dessert.
Tía María made three rounds of Cuban coffee
then Abuelo and Pepe cleared the living room furniture,
put on a Celia Cruz LP and the entire family
began to merengue over the linoleum of our apartment,
sweating rum and coffee until they remembered—
it was 1970 and 46 degrees—
in América.
After repositioning the furniture,
an appropriate darkness filled the room.
Tío Berto was the last to leave.

 

Maine en toch Miami

De zachte harp van vallende sneeuw die door
mijn dennenbomen tokkelt wiegt mij tot rust, en toch
hoor ik nog steeds de bongo van onweersbuien
tikken op het dak van mijn vreemde jeugd, dansend
op de woede van de wolken, die mijn verdriet weg regenden .
Hoewel de sneeuw geruisloos smelt in het gegorgel
van mijn kreek blijft de stem van mijn grootmoeder
bevroren in mijn oren, en noemt me nog steeds een mietje
mij lovend als haar beste vriend. Ook al
verbaas ik me elke keer over de abracadabra van de lente
dat mijn lila bloemen verschijnen, ik verdwijn nog steeds terug
in de magie van zomeravonden op de veranda,
met de maan die de verhalen van mijn grootvader verlichtte
over zijn verloren Cuba, zijn woorden meegesleept
met de rook van zijn tabak en de geur
van zijn jasmijnboom die de nacht met
zijn kleine, geurige sterren deed bloeien. Ondanks de dagsterren
die achter de lavendelwolken gluurden die de bergtoppen
in mijn raam bij zonsondergang inbakerden , sta ik nog steeds
op bij de zon van mijn jeugd boven de zee na
een nachtje slapen op een zandbed, dromend van of
bang voor wie ik wel of niet zou worden.
Hoewel ik moedig genoeg werd om te trouwen
Met een man die alleen van mij kan houden in zijn Engels:
darling, sweetheart, honey, beantwoord ik zijn liefde
meer in mijn Spaans dat ik in zijn oren fluister als
hij slaapt: amorcito, tesoro, ceilo. Na alle
gehaktbroodjes en appeltaarten die we hebben gebakken
in onze keuken zit ik nog steeds met de herinnering
aan de tafel van mijn moeder, het verlies proevend van haar
met uien gesmoorde vaca frita en romige taart.
Hoe smaakvol mijn sierkussens ook
perfect passen bij mijn chique vloerkleden en de stijlvolle
kunst aan mijn muren, het valt soms allemaal uit elkaar,
net zoals ik, totdat ik me de jongen die ik was herinner
altijd zou moeten zijn, alleen spelend met
zijn Lego in de familiekamer, nog steeds betoverd
door de vreugde van zijn pure zelf en zijn creaties:
perfect of niet, mooi of niet, onsterfelijk of
zo sterfelijk als het overvloedige leven dat ik hier heb opgebouwd,
ook al blijf ik leven terwijl mijn vader sterft
in ons oude huis, zijn hoofd in mijn hand
voor een slokje thee en een kus op zijn voorhoofd…
ons laatste afscheid in het huis dat nog steeds leeft
in dit huis waar ik verder leef o
m ook te sterven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Richard Blanco (Madrid, 15 februari 1968)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e februari ook mijn blog van 15 februari 2019 en ook mijn blog van 15 februari 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Tuin van Epicurus (Ida Gerhardt), Aschermittwoch (Otto Baisch)

 

 

Koppel op het balkon door Raphael “Rafi” Perez, 2004

 

Tuin van Epicurus

(voor de vrienden)

Gij die in eenvoud wilt tezamenhoren,
de tiende jaarkring sloot om onze dis,-
waar vriendschap open als het zonlicht is
werd ons een ongepeild geluk beschoren.

In arbeid werd der uren goud ontgonnen;
de volle rijkdom van het eigen ik
vindt ieder terug, gespiegeld in de blik
van wie aan hèm zijn klaarte heeft gewonnen.

Zie naar het licht-hoe kleurt het mild en stil
ons samenzijn. Wat grenzen zijn gesteld
aan wie het nodige slechts nemen wil?

Nog ongeweten wegen zult gij gaan.
Vriendschap-gij hebt haar reinigend geweld
alreeds beseft. Zo weet: zij ving pas aan.

 

Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)
Gorinchem. De geboorteplaat van Ida Gerhardt

 

 

Aswoensdag door Glenn Brady, 2007

 

Aschermittwoch

Der Morgen graut, der erste Tag der Fasten
Erhellt zu früh der Kammer stillen Raum.
Wie gerne möchte wohl der Schläfer rasten,
Ein flüchtig Glück verlängern noch im Traum!
Umsonst, der Schlummer liebt nicht, da zu weilen,
Wo man so spät um seine Gunst gefreit;
Er wartet kaum, bis sich die Giebel teilen,
Entflieht mit stillem Hohne vor der Zeit.

Wozu nun auf dem Bett herum sich werfen,
Wenn man um Ruhe sich vergebens quält?
Nein, lieber auf, damit die schlaffen Nerven
Der frische Hauch des Morgens wieder stählt.
Da liegen sie verstreut, die bunten Fetzen,
In die du gestern tändelnd dich gehüllt;
Was zögerst du, den Fuß darauf zu setzen?
Sie haben ihre Absicht doch erfüllt!

Dort grinst die hohle Larve dir entgegen,
Die deine wolkenvolle Stirn umschloss.
Du seufzest! — Ist so viel daran gelegen,
Dass für ein Jahr die Narrenzeit verfloss?
Wehmütig schüttelst du das Haupt; nicht solches,
Von gestern nicht ist dein geheimes Leid?
Dir hat die Spitze eines gift’gen Dolches
Die Brust getroffen schon vor langer Zeit?

Vor langer Zeit! Es schweifen die Gedanken
Zurück zu Tagen, reich an seltener Pracht,
Da glückverheißend, licht und ohne Schranken
Die weite Welt entgegen dir gelacht;
Da deines eignen Herzens reines Streben
Dir Bürge schien für jedes Herzens Wert;
Da du im unscheinbarsten Menschenleben
Den Wiederglanz der Göttlichkeit verehrt.

Was war dein Los? Du wurdest nicht verstanden,
Weil sie, die deine Ideale sahn,
Von ihrem eignen Wesen nichts drin fanden,
So deuchte sie dein Streben eitler Wahn.
Man stieß dich ab, man schalt dich einen Schwärmer,
Mit Füßen tretend, was dein Höchstes war,
Und jeden Tag um eine Hoffnung ärmer,
Warst du in kurzem aller Hoffnung bar.

Nur einmal — o! du kannst es nicht vergessen;
Aus deinen Augen stammt ein lichter Strahl,
Gedenkst du, wie ein Herz, das du besessen,
Dir das Entbehrte all ersetzt zumal.
Sie war ein Kind, berührt von keinem Wehe,
Von keinem bösen Hauch der Welt entweiht,
Voll Lust und Leben gleich dem jungen Rehe,
Das wild erwuchs in Waldeseinsamkeit.

Du kamst herzu, sie lauschte deinen Reden,
Ihr dunkles Auge sah zu dir empor-,
Du grubst ins Herz dir ihrer Züge jeden,
Dass nimmermehr ihr Bild sich draus verlor.
Du sangst ein Lied ihr vor von stillem Sehnen,
Und leise sang sie Ton um Ton dir nach,
Bis plötzlich sie ein Strom von heißen Tränen
Inmitten des Gesanges unterbrach.

Da war der Bann gelöst: die Herzen schlugen
Einander zu, von süßem Glück berauscht;
Wenn Aug’ in Auge wechselnd sich befrugen,
Wie ward beredte Zwiesprach‘ ausgetauscht!
Doch wolltest du dein Glühn in Worte fassen,
Bestürmtest sie um einen Liebesschwur,
Dann bangte sie, beschwor dich, abzulassen:
„Ich darf ja nicht!” Dies eine sprach sie nur.

Drauf eines Abends weiltet ihr beisammen,
Und rührend sang sie jenes alte Lied
Von zweien Herzen, deren Liebesflammen
Der Einspruch eines harten Vaters schied.
Dir ward es eng ums Herz, du bliebst beklommen,
Als längst verklungen waren Sang und Spiel;
Matt lächelnd sprach sie, als sie’s wahrgenommen:
„Wer fragt nach einem Liede denn so viel?”

Du aber brauchtest bald nicht mehr zu fragen.
Dem kalten Fremdling gab man ihre Hand,
Zwang sie, mit ihm, dem nie ihr Herz geschlagen,
Dahinzuwandern in ein fernes Land.
Still brannte deine Wunde wohl noch lange,
Bis endlich auch der Schmerz dir Abschied gab
Und über deine Stirn, auf deine Wange
Sich Ruhe senkte, eisig wie das Grab.

Nun scheinen all die goldenen Jugendträume
Dir hohl und nichtig wie das Maskenspiel,
Das prunkvoll zog durch feenhafte Räume
Und mit dem Hahnenschrei in nichts zerfiel;
Doch jeder Zug im bleichen Angesichte
Und jedes Zucken deiner Lippen fragt,
Warum mit seinem trostlos kalten Lichte
So früh des Lebens Aschermittwoch tagt.

 

Otto Baisch (4 mei 1840 – 18 oktober 1892)
Dresden, de geboorteplaats van Otto Baisch

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e februari ook mijn blog van 14 februari 2023 en ook mijn blog van 14 februari 2019 en ook mijn blog van 14 februari 2016 deel 2 en ook deel 3.

Maskerade (Toon Hermans), Richard Blanco

 

 

Pour le retour du Carnaval….door Philippe Walle, 2023

 

Maskerade

Dit is de tijd van het grote vermommen,
voor armen en rijken, voor wijzen en dommen,
we sieren het lijfje, de voetjes, de kop,
en zetten er prachtige mijtertjes op.

Omhangen de knoken met T-shirts en ‘swetters’
en schrijven de borst en de ruggen vol letters,
we klunzen en strikken, met helmen en hakken,
met bloezen en biezen, met kralen en jakken.

De een kiest de smoking, de ander de vodden,
drapeert zeer zorgvuldig de ‘modische’ todden,
de een in de jurk van het strikt progressieve,
de ander is listig vermomd in het lieve.

Er zijn er die lopen in ziekelijke slepen,
neurotische moppen en ruiten of strepen,
er zijn er die vaak tot in lengte van dagen
het kinderlijk kleed van de onschuld nog dragen.

Maar dat is de mens, zie hem gaan, sla hem gade.
Wie schuilt er achter deze unieke façade?
Zo was hij gisteren en zo is hij morgen,
het eigenste ik blijft angstvallig verborgen.

De mens is een kei in de kunst van ’t vermommen,
het hoort bij het spel van ‘wie hoog is of laag’,
een dier is een dier, en de blommen zijn blommen,
maar Jansen. ..Wie Jansen is …da’s nog een vraag.

 

Toon Hermans (17 december 1916 – 22 april 2000)
Carnaval in Sittard, de geboorteplaats van Toon Hermans

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Richard Blanco werd geboren op 15 februari 1968 in Madrid. Zie ook alle tags voor Richard Blanco op dit blog.

 

Sindsdien onvoltooid

Ik schrijf dit al sinds
de zomer waarin mijn grootvader
mij leerde hoe ik een grassprietje
tussen mijn duimen moest houden
en het moest laten fluiten, sinds
ik voor het eerst leerde groen
te maken van blauw en geel,
papier in sneeuwvlokken veranderde, geloofde
dat een zeeschelp de zee echode,
en dat er geen einde aan de zee kwam.

Ik schrijf dit al sinds
er een mus mijn klas binnen vloog
en tegen het raam te pletter sloeg,
op een bedje van tissues werd gelegd
in een schoenendoos bij de schommels, sinds
de ochtend dat ik voor het eerst
op de wastafel in de badkamer stond om te kijken
hoe mijn vader zich schoor, sinds onze ogen
elkaar ontmoetten in die mistige spiegel, sinds
mijn moeder de splinter
uit mijn duim trok, mijn bloed kuste.

Ik schrijf dit al sinds
de vrouw met wie ik sliep in die nacht
van mijn vaders wake, sinds
mijn grootmoeder mij voor het eerst
flikker noemde en ik zweeg, sinds
ik haar vergaf haar en mijn lichaam
hard tegen Michael drukte
op de dansvloer bij Twist, sinds
de jaren die ik doorbracht met een martini
en mannen waarvan ik wist dat ik er niet van kon houden.

Ik schrijf dit al sinds
de nacht dat ik stopte langs de weg
bij Big Sur en mijn ogen vielen op
de waanzin van de sterren, sinds
die maanden bij het keukenraam
kijkend naar de sneeuw die naar beneden kwam
als neerslag van een wanhoop waar ik
geen woord voor had, sinds ik gestopt ben
met zoeken naar een naam en ik
mezelf tiktak in een hangmat terugvond
niets vragend van de hemel.

Ik schrijf dit al sinds
de lente, dat ik de kleine blaadjes bestudeerde
op de eiken, trillend als motten,
in contrast met de eeuwenoude veldstenen
ontdaan van sneeuw, maar voor altijd
werk in uitvoering, sinds vanavond
met de bevochten maan achter
de takken die de wereld bespioneren –
hetzelfde als hij altijd al was – perfect
onvoltooid, mijn bril en pen
weer rustend op het nachtkastje.

Ik schrijf dit al sinds
mijn ogen minder begonnen te zien,
mijn knieën meer pijn deden, sinds
ik begon takjes, veren op te rapen,
en zonder reden mooie steentjes
te verzamelen op de veranda, waar
ik zit te lezen en naar de zonsondergang kijk,
zoals mijn grootvader elke dag deed,
me hem herinner en hoe ik
een grassprietje kan laten fluiten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Richard Blanco (Madrid, 15 februari 1968)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e februari ook mijn blog van 13 februari 2023 en ook mijn blog van 13 februari 2022 en ook mijn blog van 13 februari 2019 en eveneens mijn blog van 13 februari 2016 deel 2 en deel 3.

Prinz Karneval (Rudolf Karl von Gottschall), John Hennessy

 

 

Allez, un petit carnaval door Philippe Walle, 2020

 

Prinz Karneval

Die Fahne hoch in freiem Flug,
Und hinterdrein ein langer Zug
Von lustigen Gesellen!
Prinz Karneval ist eingekehrt,
Die Pritsche ist sein Heldenschwert,
Es klingeln seine Schellen.

Fort alles, was das Herz bedrängt,
Was uns in enge Fesseln zwängt,
Die Heuchelei und Lüge!
Das kühne Wort schlägt zündend ein
Und fegt die dumpfen Lüfte rein
Für freie Atemzüge.

Und des Champagners Glut erhellt
Mit rosigem Schimmer Herz und Welt,
Und Gram und Sorge schwinden,
Und schöne Tage, längst verträumt,
Erstehn zum Leben lichtumsäumt,
Uns neuen Kranz zu winden.

Die Maske vor in Spiel und Scherz,
Die Maske fort von Geist und Herz,
Die wir im Leben tragen!
Heut hat die Narrheit Feiertag
Und ohne jeden Schleier mag
Sie selig sich behagen.

Du Prinz und Herr im Narrenreich,
Du bist beschwingten Faltern gleich,
Die farbenprächtig funkeln –
Doch naht mit seinem Mottenflug
Der Aschermittwoch früh genug,
Dein Leuchten zu verdunkeln.

Bald löscht er aus der Lichter Glanz,
Hat wie gespenstigen Totentanz
Den Maskenscherz vertrieben;
Doch blieb ein Leuchten noch zurück,
Und Funken sind’s von Lust und Glück,
Die aus der Asche stieben.

 

Rudolf Karl von Gottschall (30 september 1823 – 21 maart 1909)
De katholieke St. Maria Magdalenakerk in Wrocław (vroeger Breslau), de geboorteplaats van Rudolf Karl von Gottschall

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichter John Hennessy werd geboren in 1965 in New Jersey. Zie ook alle tags voor John Hennessy op dit blog. Zie ook alle tags voor John Hennessy op dit blog.

 

Half juni

Het is zo donker als je op East Hill Road loopt
Dat we elkaar niet meer zien,

wat maakt het uit? Het silhouet
van bomen die de hemel vullen, mist die daalt,

onze lichamen gehaast, lastig, opnieuw uitgevonden.
Ooit zou ik getrouwd zijn,

Zeg je. Om ons heen dringt geen licht
binnen. Het dennenbos heeft zich

vast zich in zichzelf opgesloten, een water
lichaam wordt dieper. Hij klom net

van het dak af
toen hij viel,

zeg je. Drie verhalen.
Je hand maakt een rechte lijn

in de lucht, hij stopte gewoon met voelen.
Ik herinner me de verborgen weide,

dicht met zwenkgras en torenbloem.
Ik vraag me af of hij je herkende

daarna, als je daar stond en zei
wie ben ik

om je eraan te herinneren? Voel iets.
Waar de weg eindigt, keren we

terug, en voor een keer begrijp ik
het blinde hart dat rondtast, de manier waarop

taal ons gebruikt: vlierbes, vingerhoeds-
kruid, de roze trompetten van de ochtend

weerklinken op het vliegveld.
Er is geen pijn die je niet kunt ontdenken.

Om ons heen steekt een trage wind op.
Hij zal tenminste nooit verdriet voelen,

zeg je, en ik denk dat ik je zie,
je armen zwaaien

langs je lichaam, niet in staat om te kiezen
waar je zonder kunt leven.

 

John Hennessy (Philadelphia, 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e februari ook mijn blog van 12 februari 2023 en ook mijn twee blogs van 12 februari 2022 en ook mijn blog van 12 februari 2019 en ook mijn blog van 12 februari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

Elina Penner

De Duitse schrijfster Elina Penner werd geboren op 12 februari 1987 in Kamenka, Oblast Orenburg, toen USSR, in een doopsgezinde familie. Haar moedertaal is Plautdietsch. In 1991 verhuisde het gezin als emigranten naar Noord-Rijnland-Westfalen, waar Penner de school in Petershagen afrondde. Vanaf 2007 studeerde ze Amerikaanse studies en politieke wetenschappen in Regensburg, waar ze in 2011 haar bachelorsdiploma behaalde. Ze voltooide haar masterdiploma in American Studies aan de Humboldt Universiteit in Berlijn in 2015 na haar studie aan de Universiteit van Virginia. Penner schrijft voor Vogue, Spiegel en beheert het online magazine “Hauptstadtmutti”.

Uit: Nachtbeeren

„Ich sitze am Tisch bei Oma und blicke in die vollgestopften Münder meiner Brüder. Auf die Narben in ihren Gesichtern und auf ihre Hände, übersät von grünlich verblichenen Tätowierungen. Einzelne kyrillische Buchstaben, zusammengesetzt aus Nadelstichpunkten. Ein Punkt, ein Stich. Viele Sonnen. Wäre mein Mann jetzt hier, er wäre der Einzige ohne Tätowierungen und der Einzige, der das Fleisch nicht nur aufspießen, sondern Stücke davon ab-schneiden würde. Selbst neben seinen vier Schwagern, die Kornelius seit 15 Jahren kennt, würde er sich so verhalten, als wäre er bei einem geschäftlichen Mittagessen mit Hiesigen. Ich habe ihn schon anders essen sehen, er soll sich nicht so haben. Aber er ist ja gar nicht da. Es ist Sonntagnachmittag, und mein Kopf ist schwer.
Diese Woche ist rum, aber morgen geht es wieder los. Und dann wieder, immer wieder. Es hört nicht auf, immer wie-der kommt ein Montag mit einer neuen Woche. Nur sonn-tags steht die Zeit still, wenn ich hier sitze, zwischen all den Menschen, die ich ohnse nenne. Sie sind von uns. Ich höre nur das Wort Putin und stehe auf, um noch einmal aufs Klo zu gehen. Wenn ich gleich zurück bin, sind sie entweder bei Jelzin oder Hitler. Beide nennen sie scherzhaft, aber liebevoll Opa. Der Flur ist so dunkel, dass ich das Licht anmachen müsste, um den Lichtschalter fürs Bad zu finden. Ich lasse es. Der Schalter ist ja doch an der gleichen Stelle seit fast dreißig Jahren. Die paar Schritte bis zum Bad kann ich auch im Dunkeln gehen. Im Bad muss ich Licht anmachen. Tageslichtbad stand letztens im Mindener Tageblatt bei den Wohnungsanzeigen, wie etwas Besonderes und Wichtiges, das man betonen muss, als ob man bei Sonnenlicht besser kacken könnte. Ich sitze auf dem Klo in diesem kleinen Bad und beobachte die Spinne in der Badewanne. Sie versucht hochzuklettern und rutscht immer wieder ab. Die Badewanne ist so weiß und sauber, die Spinne so groß und dünn. Wie heißen die Tiere? Nachtjäger? Webermann? Weberknecht? Die mit den langen dünnen Beinen. Sind das überhaupt Spinnentiere? Schneider können fliegen. Ist das ein verletzter Schneider und gar keine Spinne? Stellt die sich deshalb so dämlich an? Ich blicke auf die Waschmaschine vor mir. Wenn ich den Arm ausstrecke, kann ich den Stoff des Schonüberzugs berühren. Links steht die zwanzig Jahre alte Kartonbox von Ariel, die immer neu aufgefüllt wird. Wahrscheinlich liegt ganz unten noch das Waschmittel vom ersten Einkauf in Deutschland. Ich kann die Perlen und den künstlichen Geruch von Sauberkeit riechen. Rechts daneben steht die gehäkelte Frau mit dem Klopapierrock geschleudert haben. Bis es keinen Mucks mehr gab. Was sollten sie mit all den Katzen? Sie waren überall. Jeder tötete den Katzennachwuchs, und gegen die Wand schmettern war vielleicht sogar noch die humanste Art, sie loszuwerden. Sie mussten weg. Ob das grausam war? Klar war das grausam. Als die Onkel noch Jungs waren, hatten sie sich nicht viel dabei gedacht, es einfach gemacht, wenn es gemacht werden musste. Manchmal gab es einen Jungen, bei dem sie wussten, dass er nicht ganz gleichgültig bei der Sache war. Wenn das ein Bruder oder ein Cousin war, dann hat man es ihm erspart. Wenn es einer aus dem Nachbardorf war, den man nicht mochte, und man wusste, dem wird übel, wenn er die Katzen schreien hört, dann war es manchmal schöner, ihm einen Sack Katzen zuzuwerfen, als ihm die Fresse zu polieren.“

 

Elina Penner (Kamenka, 12 februari 1987)

Vanavond hebben alle mannen (C. J. Kelk), Carnavalsavond (Linda Pastan)

 

 

The Carnaval door Philippe Walle, 2023

 

Vanavond hebben alle mannen

Vanavond hebben alle mannen
sterren op hun hoofd gespannen,
kruizen op hun rug gedaan
en zijn naar het bal-masqué gegaan.

Vanavond hebben alle vrouwen
jurken met versierde mouwen.
Zij dragen bloemen overal
en trippelen naar het carnaval.

Vanavond hebben alle kinders
vleugels als verheugde vlinders –
en ze fladderen komiek
op de maat van de muziek…

 

C. J. Kelk (28 augustus 1901 – 25 december 1981)
Carnaval in Amsterdam, de geboorteplaats van C. J. Kelk

 

Carnival Evening door Henri Rousseau, 1886

 

Carnavalsavond

Ondanks de enorme avondlucht,
uitgespreid over het grootste deel van het canvas,
de maan niet meer
dan een doffe munt, saai en plat,

in een gedevalueerde koers;
ondanks dat de bomen zelf zo donker zijn,
zich naar boven uitstrekkend als smekelingen,
volkomen bladloos; ondanks wat een gezicht
zou kunnen zijn, ontdaan van gevoel, gekeerd
in hun richting,

stralen de twee kleine figuren
onderaan dit schilderij
dapper in hun carnavalskleding,
alsof de hele donker wordende wereld
de lichten dimt voor een party

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)
Mardi Gras (Fat Tuesday) im New York, de geboorteplaats van Linda Pasta

 

Zie voor de schrijvers van de 11e februari ook mijn blog van 11 februari 2023 en ook mijn blog van 11 februari 2021 en ook mijn blog van 11 februari 2019 en eveneens mijn blog van 11 februari 2018 deel 2.

Zie ook alle tags voor carnaval op dit blog.

Johan Harstad, Bertolt Brecht

De Noorse schrijver Johan Harstad werd geboren op 10 februari 1979 in Stavanger. Zie ook alle tags voor Johan Harstad op dit blog.

Uit:  Hässelby. Het demonteren is begonnen (Vertaald door Paula Stevens)

“Ik zit in de stoel onder het linkerraam. Ik heb de rode sjaal die mijn vader heeft gebreid om mijn nek en draag één bruine wollen sok. De andere heeft hij niet meer af kunnen maken. Mijn vader is twee maanden geleden overleden. Dat is niets nieuws. Er gaan voortdurend vaders dood. Elke dag stort een groot aantal vaders over de rand van de afgrond. Zo hoort het ook. Ze lopen glimlachend binnen op de dag dat je voor het eerst je ogen opendoet, aaien je over je bol en houden je in hun armen. Ze brengen je een paar jaar lang naar de voetbaltraining, lenen je hamer en zaag zodat je een hut in het bos kunt bouwen en geven je op je kop als je ’s avonds te laat thuiskomt. Later vervagen ze, onmerkbaar. Tot ze doodgaan. Geen enkele vader is blijvend. Maar dat denken ze wel, allemaal. Mijn vader is in september gestorven. En om het maar eerlijk te zeggen, ik geloof bijna dat ik blij toe was. Ik schaamde me er toen voor, maar kon het niet helpen dat ik een soort opluchting voelde toen ik hoorde dat hij gestorven was, en een paar dagen later besloot ik het als iets goeds te beschouwen, een mogelijkheid om alles te veranderen. Mijn leven had te lang op pauze gestaan, het beeld had zich als het ware vastgebrand in het scherm, en ik was niet eens zelf vader geworden. Ik had al mijn tijd gebruikt om zoon te zijn. En die klus klaarde ik als de beste.
Mijn vader was negenenzeventig jaar toen het gebeurde. Hij zou zijn bridgevrienden ontmoeten, of bridgekennissen, kun je waarschijnlijk beter zeggen, maar daar kwam hij nooit aan. In plaats daarvan belandde hij op de afdeling Pathologie van het Karolinska Ziekenhuis, in de koelcel in de kelder, in een lade, bedekt met een laken en met een kaartje met zijn naam erop aan de brancard. Mijn vader werd geschept toen hij de straat wilde oversteken, door een vrachtwagen die te hard reed, midden op de Sveavg nota bene, een slappe steenworp van de plek waar Olof Palme twintig jaar eerder was doodgeschoten. Er is iets mis met die straat, dat heb ik altijd al gevonden. En de enige kennis die mijn vader zou ontmoeten was een vroegere buurman uit Göteborg genaamd Bo, die lijkschouwer in dat ziekenhuis bleek te zijn en toevallig die avond dienst had. Dat wil zeggen, ontmoeten is een groot woord. Ze kwamen elkaar in elk geval tegen, mijn vader kwam Bo Ohlsson tegen en hij merkte het niet, merkte niet dat hij werd herkend door een vroegere buurman van wiens bestaan hij niet op de hoogte was geweest, en dat deze man naar ons huis belde, naar onze telefoon, mijn en mijn vaders telefoon. Hij zei:
Hallo. Ongeveer zoals je andere Zweden begroet die je op Lanzarote tegenkomt. Hallo. Je vader is dood. Precies zo. Zonder verdere inleiding, opbouw. Het was een slecht verhaal, in het beste geval. Toen noemde hij zijn naam. En toen moest ik naar het ziekenhuis komen om te bevestigen dat ze de goeie vader hadden.”

 

Johan Harstad (Stavanger, 10 februari 1979)

 

De Duitse dichter en schrijver Bertolt Brecht werd op 10 februari 1898 in de Zuid-Duitse stad Augsburg geboren. Zie ook alle tags voor Bertolt Brecht op dit blog.

 

AAN DE NAGEBORENEN

III

Gij die uit de voed te voorschijn zult komen
waarin wij zijn verdronken. gedenk
wanneer je over onze zwakheden spreekt,
ook de duistere tijden waaraan gij zijt ontkomen.

Wij waren het toch die door de klassenstrijd gingen,
vaker van landen wisselend dan van schoenen,
vertwijfeld, omdat er alleen onrecht heerste
en geen uitkomst.

Daarbij weten we toch :
ook de haat tegen de miserie graaft de rimpels,
ook de woede om het onrecht
maakt de stemmen heser. Ach, wij
die de bodem wilden effenen voor vriendelijkheid
konden zelf niet vriendelijk zijn.

Gij echter – als het zo ver gekomen is
dat de mens zijn medemens zal helpen –
gedenk ons dan met mededogen.

 

Vertaald door Mark Braet

 

Bertolt Brecht (10 februari 1898 – 14 augustus 1956)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e februari ook mijn blog van 10 februari 2022 en ook mijn blog van 10 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Kees Verheul, Elizabeth Bishop

De Nederlandse schrijver, vertaler, slavist en essayist Kees Verheul werd geboren in Hengelo op 9 februari 1940. Zie ook alle tags voor Kees Verheul op dit blog.

Uit: Rusland begint bij de IJssel – Dagboekfragmenten mei-juni 1984

“20/V Prettig om niet te hoeven aansluiten bij wat ik gisteren heb opgeschreven, het niet eens te hoeven overlezen, als bij een verhaal of een stuk voor een krant. Elke dag en elke aantekening zijn eigen vorm en inhoud. Wat waren de sterkste indrukken? De jongen die ik vanmorgen besloop tijdens de orthodoxe mis, tot ik schuin achter hem kwam te staan en hem nu en dan voorzichtig aanraakte. De zoals altijd feilloos en diep werkende combinatie van het erotische en religieuze. Hij was een jaar of achttien, had iets teers en ingetogens, ging ernstig op in de dienst. De kleine moedervlek op zijn kin waar een haar uit groeide, ontroerde me. Natuurlijk durfde ik hem bij het uitgaan van de kerk niet aan te spreken. Troostte mezelf met de mooie gedachte dat het zo, in alle eenzijdigheid en onbepaaldheid, beter was. Twee kaarsen gekocht en aangestoken: een voor Cees die ik vanmorgen tot zijn vreugde weer opbelde, om hem een goede reis voor Rome te wensen. Gegrepen door de golven van collectieve emotie die tijdens het gezang door de kerk sloegen – vooral bij het ‘Christus is opgestaan’, waarvan ik niet wist dat het zo lang na Pasen nog klonk – het stond ook in kermisachtige lampjes boven de doorgang naar de middenruimte. Kon niet nalaten aan het eind van de dienst in de rij te gaan staan om, voor het eerst in mijn leven, het kruis te kussen, natuurlijk achter de in stilte aanbeden jongeman. Op het laatste moment schoof zich een dik oud vrouwtje tussen ons in, zodat niet zíjn lippen vlak voor de mijne het kruis beroerd hadden, maar haar aanraking er tussen lag. Moest inwendig lachen: je verdiende loon! het gevoel van opgenomen te zijn in iets essentieels en dierbaars verdween er niet door. Als ik ergens bij wil horen, al is het maar zo lang als het duurt, dan is het dit. Tijdens de dienst heerste er één groot levend gevoel, zowel bij de celebranten als bij het heen en weer schuifelende, kaarsen aanstekende en zich individueel, in opwellingen bekruisende ‘volk’. De gezichten van althans twee van de mannen in gewaad kwamen me sympathiek voor, vriendelijk, intelligent en doorleefd. Het viel me ook op dat veel van de oude vrouwen in de kerk met een stok liepen, net als ik in verband met mijn pijnlijke ingezwachtelde enkel.
Tussen de voorbijgangers op straat de gedachte: zijn dit mijn vijanden, moeten we hier raketten op richten? Dacht aan Pasternak die in een – niet al te goed – gedicht de anonieme landgenoten die hij in een trein ziet, ‘verafgoodt’. Dat zelfde gevoel heb ik hier ook. Is het sentimentaliteit en moet ik meer denken aan het lot van Misja? Dat kan niet, want ik denk er de hele dag aan.
Om vier uur afgesproken bij de D’s te komen eten. De balkondeur staat open en laat een zee van jong groen zien – ze wonen op de vijfde verdieping, op boomkruinhoogte. De lucht plotseling dreigend betrokken. Als er verweg een onweersflits te zien is mompelt Xenia Pasternaks titel ‘Ogenblikkelijk onweer voor eeuwig’. Het is ook een van mijn favoriete titels en herkenning – ik denk ook aan de ‘honderd verblindende foto’s’ die het onweer in dat gedicht neemt – geeft het samen naar de donderwolken kijken voor een paar zwijgende seconden een voelbare diepte.”

 

Kees Verheul (Hengelo, 9 februari 1940)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

Een zomerdroom

Naar de verzakte werf
konden maar weinig boten komen.
De bevolking telde twee reuzen,
een idioot, een dwerg,

een vriendelijke winkelier
dommelend achter zijn toonbank,
en onze aardige hospita –
de dwerg naaide haar kleren.

De idioot kon worden verleid
met geplukte bramen,
maar gooide die meteen weer weg.
De gekrompen naaister lachte gevleid.

Aan zee gelegen
blauw als een makreel
ons pension, streperig
alsof het had gehuild.

Buitensporige geraniums
dromden voor de ramen,
de vloeren, belegd met
losse stukken zeil, glommen.

Iedere nacht spitsten wij de oren
hopend op een ransuil.
In de spitse vlam van de lamp
glansde het behang.

De stotterende reus
was de zoon van de hospita
en zat op de trap te mompelen
boven een oude grammatica.

Hij was somber,
maar zij opgewekt.
De slaapkamer was koud
het veren bed benauwend.

We werden in het donker gewekt
door de slaapwandelende beek
onderweg naar zee,
hoorbaar dromend nog.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e februari ook mijn blog van 9 februari 2022 en ook mijn blog van 9 februari 2019 en mijn blog van 9 februari 2017 en ook alle drie blogs van 9 februari 2014.

Rachel Cusk, Elizabeth Bishop

De Canadese schrijfster Rachel Cusk werd geboren op 8 februari 1967 in Saskatoon. Zie ook alle tags voor Rachel Cusk op dit blog.

Uit: Second Place

“I once told you, Jeffers, about the time I met the devil on a train leaving Paris, and about how after that meeting the evil that usually lies undisturbed beneath the surface of things rose up and disgorged itself over every part of life. It was like a contamination, Jeffers: it got into everything and turned it bad. I don’t think I realised how many parts of life there were, until each one of them began to release its capacity for badness. I know you’ve always known about such things, and have written about them, even when others didn’t want to hear and found it tiresome to dwell on what was wicked and wrong. Nonetheless you carried on, building a shelter for people to use when things went wrong for them too. And go wrong they always do!
Fear is a habit like any other, and habits kill what is essential in ourselves. I was left with a kind of blankness, Jeffers, from those years of being afraid. I kept on expecting things to jump out at me – I kept expecting to hear the same laughter of that devil I heard the day he pursued me up and down the train. It was the middle of the afternoon and very hot, and the carriages were crowded enough that I thought I could get away from him merely by going and sitting somewhere else. But every time I moved my seat, a few minutes later there he’d be, sprawled across from me and laughing. What did he want with me, Jeffers? He was horrible in appearance, yellow and bloated with bloodshot bile-coloured eyes, and when he laughed he showed dirty teeth with one entirely black tooth right in the middle. He wore earrings and dandyish clothes that were soiled with the sweat that came pouring out of him. The more he sweated, the more he laughed! And he gabbled non-stop, in a language I couldn’t recognise – but it was loud, and full of what sounded like curses. You couldn’t exactly ignore it, and yet that was precisely what all the people in the carriages did. He had a girl with him, Jeffers, a shocking little creature, nothing more than a painted child who was barely clothed – she sat on his knee with parted lips and the soft gaze of a dumb animal while he fondled her, and nobody said or did a thing to stop him. Of all the people on that train, was it true that the one most likely to try was me? Perhaps he followed me up and down the carriages to tempt me into it. But it was not my own country: I was only passing through, going back to a home I thought of with secret dread, and it didn’t seem up to me to stop him. It’s so easy to think you don’t matter all that much at the very moment when your moral duty as a self is most exposed. If I’d stood up to him, perhaps all the things that happened afterwards wouldn’t have occurred. But for once I thought, let someone else do it! And that is how we lose control over our own destinies.”

 

Rachel Cusk (Saskatoon, 8 februari 1967)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

De baai

(Op mijn verjaardag)

Bij eb, zoals nu, hoe helder niet het water.
Brokkelende ribben mergel steken wit zinderend uit,
de boten liggen op het droge, de palen droog als luciferhoutjes.
Eerder opslorpend dan opgeslorpt te worden,
maakt het water in de baai niets nat,
de kleur van een gasvlam in zijn laagste stand gedraaid.
Je kunt ruiken hoe het in gas verandert; als je Baudelaire was
zou je waarschijnlijk horen hoe het in marimbamuziek verandert.
De okeren kleine baggermolen, aan het eind van het haventje in bedrijf,
ratelt reeds zijn droge perfect onbeklemtoonde claves.
De vogels zijn buitenmaats. Pelikanen storten zich,
onnodig hard dunkt mij, in dit bijzondere gas,
als pikhouwelen
en komen zelden met iets toonbaars boven,
vliegen dan weg met grappig ellebogenwerk.
Zwartwitte fregatvogels zeilen
op onmerkbare windstromen
en openen hun staarten als een gebogen reeks scharen
of spannen ze als vorkbenen tot zij in trilling raken.
De slonzige sponsboten lopen binnen
met het gedienstige air van jachthonden,
stijf staand van strooien speren en haken
en volgehangen met schommelende sponzen.
Er loopt een hek van kippengaas langs het haventje
waar, blinkend als kleine ploegijzers,
de blauwgrijze haaienstaarten voor de Chinese restaurants
te drogen worden gehangen.
Sommige witte bootjes liggen nog tegen elkaar gestapeld
of op hun zij, lekgeslagen
en nog niet geborgen, zo het ooit gebeurt, na de laatste hevige storm,
als opengescheurde, onbeantwoorde brieven.
De baai ligt bezaaid met oude correspondenties.
Klak. Klak. Zo maalt de baggermolen
en brengt een druipende kaak vol mergel boven.
Al deze slordige drukte houdt aan,
vreselijk maar vrolijk.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e februari ook mijn blog van 8 februari 2019 en ook mijn blog van 8 februari 2015.