Tatamkhulu Afrika, Johann Nestroy, Gabriel Marcel

De Zuid-Afrikaanse dichter en schrijver Tatamkhulu Afrika werd geboren op 7 december 1920 in Egypte. Zie ook alle tags voor Tatamkhulu Afrika op dit blog.

 

Uit: Mr Chameleon: An Authobiography

“Have I just written of Dennis C–as would a gay man? Did not only admiration but lust tire me as I was confronted with a wholeness and beauty of the flesh that | knew l could never achieve? What man can honestly say that he has felt no stirring of the genitals when faced with a virility he cannot rival–that challenges his Yin with its Yang? Today, we pretend that “male bonding” is asexual love–like hell it is! Where there is love of whatever kind, there is desire of a kind as variable, and that daunting sinuousness that is the arousal of the loins runs through them all.

(…)

Chameleon, reversing the process and wanting his surroundings now to conform to the colour and pattern he had chosen, exhorted the faithful fellows to follow him into the badlands of Shi’ism, but all they saw was that bloodyminded Whiteboy who could turna clever trick or two with his tongue, but what did a Whiteboy know about the Faith, particularly when it came to what their forefathers had followed for fourteen hundred years, and they left me in droves.”

(…)

So desperate was I to smash the Whiteboy image that was robbing my life of all fullness and light that, in the winter months when it incessantly rained and I could not get down to the beach to tan, I would colour my hands, arms, neck and face with Coppertone and try to persuade myself that I felt at home in my crude, wild simulation of a bastard’s skin … [I]f I was caught by an unseasonably hot day and the Coppertone with its vinegary smell began to run on my sweating skin, I would feel like a fool in paper clothes on a rainy day and would dart, silently crying, in pursuit of the least fragment of steadying shade.”

 

Tatamkhulu Afrika (7 december 1920 – 23 december 2002)

Lees verder “Tatamkhulu Afrika, Johann Nestroy, Gabriel Marcel”

Peter Handke, Rafał Wojaczek, Dirk Dobbrow, Henk van Woerden

De Oostenrijkse schrijver Peter Handke werd op 6 december 1942 in Griffen in Karinthië geboren. Zie ook alle tags voor Peter Handke op dit blog.

 

Uit: Die Morawische Nacht

“Da wir uns alle gerade in Porodin oder in den Nachbardörfern aufhielten, verstreut in den Gehöften, fanden wir, des früheren Autors Freunde, Gefährten, ferne Nachbarn, Mitspieler – und jeder einzelne, für jeweils eine Etappe, sein Reisebegleiter –, uns bald zu einer Art Kolonne zusammen, in Autos, auf Fahrrädern, auf Traktoren, und der eine und der andere zu Fuß, womit er querfeldein ebenso schnell vorankam wie die Fahrenden auf den holprigen, immer wieder vom Ziel weg in ein Nirgendwo führenden und dort endenden Wegen.

Freilich hatten auch die Fußgänger, obwohl es zur Leuchtschrift MORAWISCHE NACHT ein bloßer Katzensprung schien, da und dort vor einem unversehens tiefeingeschnittenen Kanal jäh abzubiegen und in der Folge, vor einer undurchdringlichen Wildhecke, gleich ein zweites Mal.

Warum hatte unser Bootsmann gerade die Gegend von Porodin zu seinem Wohnort gemacht? Wir konnten nur rätseln: Die einen meinten, das komme von der balkanweit verbreiteten Geschichte zwischen den Kriegen – es war da immer, wenn nicht Krieg, so »zwischen den Kriegen« gewesen –, wonach in dem Gemeindegebiet ein Hausierer von einem Einheimischen ermordet wurde, worauf das ganze Dorf dafür an jedem Jahrestag Sühne leistete. Andere glaubten, er sei umgesiedelt eher der Morawa wegen, um auf den Fluß zu schauen, vor allem auf dessen schimmernde Biegungen, die eine fl ußauf, die nächste gleich flußab. Und wieder andere mutmaßten, es seien vordringlich die vielen Scheidewege und Kreuzungen in dem großen Dorf gewesen, wo er auf der Terrasse einer der balkanischen Eckbars einfach so dasitzen wollte, in der Ferne die himmelan weidenden Schafe und vor sich den erztrüben Wein”.

 


Peter Handke (Griffen, 6 december 1942)

Lees verder “Peter Handke, Rafał Wojaczek, Dirk Dobbrow, Henk van Woerden”

Karl Ove Knausgård

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op6 december 1968. De literaire carrière van Knausgård begon in 1998 toen zijn eerste boek Ute av verden gepubliceerd werd. Dit boek werd meteen gelauwerd en Knausgård ontving de Noorse Kritikerprisen. Zes jaar later, in 2004 kwam zijn tweede boek uit, En tid for alt (in het Nederlands vertaald als “Engelen vallen langzaam”). Knausgård probeert in dit boek de verhouding tussen wetenschap en godsdienst te ontdekken aan de hand van bijbelfragmenten. Voor dit boek ontving Knausgård de Sørlandets litteraturpris. Zijn bekendste werk is echter de zesdelige romancyclus/autobiografie Min kamp (2009-2011). Hierin vertelt Knausgård over zijn leven en de relatie met zijn ouders en vrienden. De publicatie van het boek ging echter gepaard met heel wat controverse, enerzijds vanwege de verwijzing naar Mein Kampf van Adolf Hitler, anderzijds vanwege het feit dat Knausgård in zijn boek te pas en te onpas de levens van zijn vrienden en familie (met naam en toenaam) in detail beschrijft.

Uit: Vader (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Voor het hart is het leven simpel: het slaat zolang het kan. Dan stopt het. Vroeg of laat, zomaar op een dag, houdt die pompende beweging vanzelf op en stroomt het bloed naar het laagste punt van het lichaam, waar het zich in een kleine poel verzamelt, aan de buitenkant zichtbaar als een donkere, ietwat zachte plek op de steeds witter wordende huid terwijl de temperatuur daalt, de ledematen verstijven en de darmen zich legen. Deze veranderingen gedurende de eerste uren vinden zo langzaam plaats en voltrekken zich met zo’n onverbiddelijkheid dat ze bijna iets ritueels hebben, alsof het leven volgens bepaalde regels capituleert, een soort gentlemen’s agreement waar ook de representanten van het dode zich naar richten, aangezien ze altijd wachten tot het leven zich heeft teruggetrokken voor ze de invasie van het nieuwe landschap inzetten. Maar die is dan ook onherroepelijk. De enorme zwermen bacteriën die zich in het innerlijk van het lichaam verbreiden, kunnen door niets worden tegengehouden. Hadden ze het een paar uur eerder nog geprobeerd, dan zouden ze onmiddellijk op weerstand zijn gestuit, maar nu is alles stil om hen heen en dringen ze steeds dieper door in al dat vochtige en donkere. Ze bereiken de kanalen van Havers, de crypten van Lieberkühn, de eilandjes van Langerhans. Ze bereiken het kapsel van Bowman, de columna van Clarke, de zwarte substantie in het mesencefalon. En ze bereiken het hart. Het is nog steeds intact, maar verstoken van de beweging waar de hele constructie op is afgestemd, heeft het iets wonderlijk uitgestorvens, net een bouwplaats die in alle haast door de bouwvakkers is verlaten: de onbeweeglijke voertuigen die geel oplichten tegen het donkere bos, de barakken die er leeg bij liggen, de wagentjes van de kabelbaan die volgeladen op een rij langs de bergwand hangen.”


Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

5 December, Annie M.G. Schmidt, Hanif Kureishi, Joan Didion, Fjodor Tjoettsjev

 

“Daar zitten we weer,” zei Sint. ‘Zegt u dat wel,’ zei Piet. ‘Op de stoomboot naar Nederland. Net als ieder jaar. Voor de hoeveelste keer is dat nou, Sinterklaas?’ ‘Voor de vijfhonderdvierenzeventigste keer,’ zei de Sint. ‘Bah,’ zei Piet. ‘Wat nou “bah”…’ zei Sinterklaas verontwaardigd. ‘Waarom “bah”?’ ‘Ik heb er zo genoeg van,’ zei Piet. ‘Maar je houdt toch van de kinderen? En de kinderen houden toch van ons ?’ ‘Welnee,’ zei Piet. ‘Ze houden alleen van onze cadeautjes, ’t Gaat ze enkel om de pakjes. Verder nergens om. En ’t gaat nog stormen ook. Bah !’ ‘Hoor ’s Piet, dat mag je volstrekt niet zeggen,’ zei Sinterklaas boos. ‘Als je nog een keer “bah” zegt, ontsla ik je. De kinderen houden wél van ons. Ze zijn gek op ons.

 

Oude boekillustratie

Hoeii… voor Sinterklaas verder kon spreken kwam er een windvlaag die bijna z’n mijter meenam… de storm stak op… de lucht werd inktzwart… de golven werden hoger en hoger… ‘Daar heb je ’t nou…’ schreeuwde Piet. ‘We vergaan!’ ‘Onzin,’ riep Sinterklaas, “t Is al vierhonderddrieënzeventig keer goed gegaan met die boot, waarom zouden we dan nu ineens… haboeh…’ Sinterklaas kreeg een grote zilte golf naar binnen en hij moest met de ene hand z’n mijter en z’n staf vasthouden en met de andere de reling. De storm werd steeds erger en heviger en woester en wilder en vreselijker. Huizenhoge golven, torenhoge golven… de stoomboot leek wel een plastic speelgoedscheepje op de Westeinder Plas.
‘Ik ben zo bang…’ huilde Piet. ‘Onzin!’ riep Sinterklaas weer. En toen ineens… een ontzettende schok. Het schip was op een klip gevaren. ‘Help… help…’ schreeuwde Piet. ‘Help, de boot zinkt !’ ‘Wat zei je zo-even, Piet?’ vroeg Sinterklaas, terwijl hij probeerde te zwemmen met zijn mijter op en zijn staf in de hand. ‘Ik zei: De boot zinkt…’ kreunde Pieter, die naast hem zwom. ‘O,’ zei Sinterklaas. ‘Wel, je had gelijk. De boot is gezonken.’ ‘O, wat ben ik nat,’ zei Piet. ‘O, wat ben ik nat en koud en zielig. O, wat heb ik een medelijden met mij!’ ‘Denk liever aan die arme kindertjes in Nederland,’ zei Sinterklaas. ‘Als de Sint verdrinkt zullen ze nooit meer lekkers en speelgoed krijgen op 5 december. Daar ga ik, Piet. Ik ben te oud om in de Golf van Biskaje te liggen. Vaarwel dan, Piet.’ ‘Nee,’ riep Piet wanhopig, ‘niet zinken, Sinterklaas. Daar drijft een grote balk ! Misschien kunnen we erop klimmen.’
Hè hè, voorlopig waren ze gered.”

 

Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)

Lees verder “5 December, Annie M.G. Schmidt, Hanif Kureishi, Joan Didion, Fjodor Tjoettsjev”

Rainer Maria Rilke, Geert Mak, Nikoloz Baratashvili

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

 

Ich will ein Garten sein

Ich will ein Garten sein, an dessen Bronnen
die vielen Träume neue Blumen brächen,
die einen abgesondert und versonnen,
und die geeint in schweigsamen Gesprächen.

Und wo sie schreiten, über ihren Häupten
will ich mit Worten wie mit Wipfeln rauschen,
und wo sie ruhen, will ich den Betäubten
mit meinem Schweigen in den Schlummer lauschen.

 

Ich ließ meinen Engel lange nicht los

Ich ließ meinen Engel lange nicht los,
und er verarmte mir in den Armen
und wurde klein, und ich wurde groß:
und auf einmal war ich das Erbarmen,
und er eine zitternde Bitte bloß.

Da hab ich ihm seine Himmel gegeben, –
und er ließ mir das Nahe, daraus er entschwand;
er lernte das Schweben, ich lernte das Leben,
und wir haben langsam einander erkannt…

 

Aus dem Leben eines Heiligen

Er kannte Ängste, deren Eingang schon
wie Sterben war und nicht zu überstehen.
Sein Herz erlernte, langsam durchzugehen;
er zog es groß wie einen Sohn.

Und namenlose Nöte kannte er,
finster und ohne Morgen wie Verschläge;
und seine Seele gab er folgsam her,
da sie erwachsen war, auf daß sie läge

bei ihrem Bräutigam und Herrn; und blieb
allein zurück an einem solchen Orte,
wo das Alleinsein alles übertrieb,
und wohnte weit und wollte niemals Worte.

Aber dafür, nach Zeit und Zeit, erfuhr
er auch das Glück, sich in die eignen Hände,
damit er eine Zärtlichkeit empfände,
zu legen wie die ganze Kreatur.

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)

Standbeeld in Ronda

Lees verder “Rainer Maria Rilke, Geert Mak, Nikoloz Baratashvili”

200 Jaar Hendrik Conscience, Joseph Conrad, Herman Heijermans, Grace Andreacchi

De Vlaamse schrijver Henri (Hendrik) Conscience werd geboren in Antwerpen op 3 december 1812. Zie ook alle tags voor Hendrik Conscience op dit blog. Dat is vandaag precies 200 jaar geleden.

Uit: De Leeuw Van Vlaanderen Of De Slag Der Gulden Sporen

“Na de stoet alzo enige tijd was voortgereden, struikelde het paard van een der ridders tegen de stronk van een afgehakte boom en bukte onvoorziens tot bij de grond. Hierdoor viel de ridder met de borst op de nek van zijn draver en geraakte bijkans uit de zadel. “Bij de Maagd!” riep hij in de Franse spraak. “Zo helpe mij God! Mijn paard slaapt onder mij.”
“Mijnheer De Chatillon,” antwoordde zijn gezel, lachende, “dat er een van u beiden sliep–dit geloof ik voorzeker.”
“De tong moet u branden, spotter!” viel De Chatillon uit. “Ik sliep niet. Twee uren vestig ik mijn ogen op die betoverende torens, die zich hoe langer hoe meer verwijderen. Maar men zou zich eer aan de galg zien, dan een goed woord uit uw mond te krijgen.”
Terwijl de twee ridders, zich dus schertsend toespraken, lachten de anderen lustig om het ongeval en de ganse stoet ontwaakte opeens uit de stille sluimering.
De Chatillon, die nu zijn paard weder op de been gebracht had, ziende dat men niet ophield met lachen, werd door zulke innige gramschap vervoerd, dat hij het beest ijselijk met de scherpe spoor in de buik stampte. Hierdoor steigerde het verwoed in de hoogte, en vloog eindelijk als een javelijn tussen de bomen heen. Geen honderd treden van daar liep het tegen de stam van een zware eik, en stortte deerlijk gewond ter aarde.
Gelukkig was het voor De Chatillon dat hij bij de schok ter zijde uit de zadel gevallen of gesprongen was. Niettegenstaande moest hij zich genoeg in de lenden bezeerd hebben, want hij bleef een ogenblik als gevoelloos liggen.
“Bedaar toch, ik bid u,” hernam De St.-Pol, “Ho! Gij zijt gewond, mijn broeder, er komt bloed uit uw maliehemd.”
De Chatillon trok de mouw van zijn rechterarm wat omhoog, en bemerkte dat een tak hem de huid opengekrabd had.
“Daar, zie!” sprak hij half getroost. “Het is niets–een schram. Maar bij de Hemel! Ik geloof dat die Vlaming ons met inzicht in deze behekste wegen brengt. Dit wil ik weten,–en zo weinig krijge ik genade om mijn zonden, indien ik hem niet aan de vervloekte eik doe ophangen.”

 

Hendrik Conscience (3 december 1812 – 10 september 1883)
Gedenkpenning

Lees verder “200 Jaar Hendrik Conscience, Joseph Conrad, Herman Heijermans, Grace Andreacchi”

Advent, Frédéric Leroy, Botho Strauß, Ann Patchett, Hein Boeken, T. C. Boyle

 

Bij de Eerste Advent

 

De aartsengel Gabriël verkondigt aan Maria de komst van Jezus door Robert Campin, ca. 1427–32

 

Advent

Advent is wachten. Wachten met verlangen
totdat het eindelijk gebeuren gaat
wat werd voorspeld in de profetenzangen;
wachten, tot God het Woord vervult in daad.

Advent is luist’ren. Luist’ren en verlangen
totdat de hemel lichtend opengaat
en je omspoeld wordt door de eng’lenzangen;
luisteren, totdat je hart meezingen gaat.

Advent is komen. Komen met verlangen
naar Bethlehem, waar God vlak voor ons staat
en onze mond vervult met nieuwe zangen
en waar geloof verandert in de daad.

Advent is bidden. Bidden vol verlangen
opdat Gods rijk van vrede komen gaat;
en Hij ons op de nieuwe aarde zal ontvangen
waar ons verlangen in aanbidding overgaat.

 

Nel Benschop (16 januari 1918 – 31 januari 2005)

Lees verder “Advent, Frédéric Leroy, Botho Strauß, Ann Patchett, Hein Boeken, T. C. Boyle”

Tahar Ben Jelloun, Daniel Pennac, Billy Childish, Henry Williamson

De Marokkaanse romanschrijver, dichter en essayist Tahar Ben Jelloun werd geboren in Fez op 1 december 1944. Zie ook alle tags voor Tahar Ben Jelloun op dit blog.

 

Uit: Leaving Tangier (Vertaald door Linda Coverdale)

 

“Yes, she might appear, and reveal a few of her secrets. Conditions are favorable: a clear, almost white sky, reflected in a limpid sea transformed into a pool of light. Silence in the café; silence on all faces. Perhaps the precious moment has arrived . . . at last she will speak!

Occasionally the men do allude to her, especially when the sea has tossed up the bodies of a few drowned souls. She has acquired more riches, they say, and surely owes us a favor! They have nicknamed her Toutia, a word that means nothing, but to them she is a spider that can feast on human flesh yet will sometimes tell them, in the guise of a beneficent voice, that tonight is not the night, that they must put off their voyage for a while.

Like children, they believe in this story that comforts them and lulls them to sleep as they lean back against the rough wall. In the tall glasses of cold tea, the green mint has been tarnished black. The bees have all drowned at the bottom. The men no longer sip this tea now steeped into bitterness. With a spoon they fish the bees out one by one, laying them on the table and exclaiming, “Poor little drowned things, victims of their own greediness!”

As in an absurd and persistent dream, Azel sees his naked body among other naked bodies swollen by seawater, his face distorted by salt and longing, his skin burnt by the sun, split open across the chest as if there had been fighting before the boat went down. Azel sees his body more and more clearly, in a blue and white fishing boat heading ever so slowly to the center of the sea, for Azel has decided that this sea has a center and that this center is a green circle, a cemetery where the current catches hold of corpses, taking them to the bottom to place them on a bank of seaweed. He knows that there, in this specific circle, a fluid boundary exists, a kind of separation between the sea and the ocean, the calm, smooth waters of the Mediterranean and the fierce surge of the Atlantic.”

 

Tahar Ben Jelloun (Fez, 1 december 1944)

Lees verder “Tahar Ben Jelloun, Daniel Pennac, Billy Childish, Henry Williamson”

Mihály Vörösmarty, Valery Bryusov, Ernst Toller

De Hongaarse dichter Mihály Vörösmarty werd geboren op 1 december 1800 in Puszta-Nyék. Zie ook alle tags voor Mihály Vörösmarty op dit blog.

 

Schön Ilonka

I

Lauernd sitzt der Jäger und versonnen,
hofft für seinen Bogen schnelles Wild,
immer höher und in Gold versponnen
zeigt nach Süden schon der Sonne Bild.
Doch vergebens: an verborgner Stelle
ruht das Wild sich aus an kühler Quelle.

Lange sitzt der Jäger auf der Lauer;
in der Dämmrung kommt ein Zeichen oft,
harrt des ganzen Sonnenbogens Dauer.
Da erscheint das Glück, das er erhofft:
Ach, kein Wild, des Falters leichte Schwinge,
und ein Mädchen folgt dem Schmetterlinge.

“Bunter Falter, Schmetterling, so golden!
Komm und sitz auf meinen Händen still;
führ mich auch, wenn du es willst, zur holden
Sonne, die schon untergehen will.”
Sagt’s und eilt so, wie die Rehe ziehen,
leicht und zärtlich ist des Mädchens Fliehen.

“Gott!” Auf springt der Jäger wie besessen,
“Königlich ist dieses Wild!” Und er
eilt beflügelt gleich und selbstvergessen
diesem schönen Mädchen hinterher.
Jäger, Mädchen, Falter – um die Wette
schließen sie des reinen Scherzes Kette.

“Hab ich dich!” Das Mädchen ruft’s voll Freude,
und sie hascht den bunten Schmetterling.
“Hab ich dich!” Der Jäger fängt die Beute,
wie er niemals eine schönre fing.
Und das Mädchen läßt den Falter fliegen,
sich vom Strahl des schönen Augs besiegen.

Vertaald door Günther Deicke

 

Mihály Vörösmarty (1 december 1800 – 19 november 1855)

Standbeeld in Székesfehérvár

Lees verder “Mihály Vörösmarty, Valery Bryusov, Ernst Toller”

Herinnering aan Ramses Shaffy

Herinnering aan Ramses Shaffy

Nederlands grootste chansonnier Ramses Shaffy is vandaag precies drie jaar geleden op 76-jarige leeftijd overleden.

De Nederlandse chansonnier en acteur Ramses Shaffy werd op 29 augustus 1933 geboren in de Parijse voorstad Neuilly-sur-Seine als zoon van een Egyptische diplomaat en een Poolse gravin van Russische afkomst. Zie ook alle tags voor Ramses Shaffy op dit blog.

 

Zonder bagage

De wereld heeft mij failliet verklaard
Ik heb me nog nooit zo goed en licht gevoeld als nu
Ik heb me nog nooit zo schoon en bevrijd gevoeld als nu
Weg met de kroegen
Weg gezuip
Weg zijn de katers
Dronken flaters
Glazige morgens
En hun zorgen; niet te betalen

De wereld heeft mij failliet verklaard
Het is een verbazingwekkend lot, waar men mij mee stoorde
Een verbazingwekkend lot, van wat eens bij mij behoorde
Geen parasieten
Geen gevlij
Geen gestroop meer
Geen gevrij
Geen gelik meer
’t Is voorbij, niets meer te halen

De wereld heeft mij failliet verklaard
Het is een geschenk van God en niet van de maatschappij
Het is een geschenk van God en dit is wat hij zei:
Je moet weer werken
Je moet weer zingen
Je moet weer lachen
Je moet weer spelen
Je moet weer geven
En beleven
Je moet weer stralen
De weg is vrij
De weg is open
De weg is mateloos van mij
Zonder bagage
Kan ik weer lopen
Want ik ben nu vogelvrij

De wereld heeft mij failliet verklaard
Ik ben ontstegen aan het groot krakeel
Ik ben ontslagen aan het maffe oordeel
Ik heb niets meer te verliezen
Ik heb alleen
Te winnen
Te beminnen
Te beginnen
Ik ben niet meer
Te achterhalen


Ramses Shaffy (29 augustus 1933 – 1 december 2009)