„Lisabetta werd wakker en huilde naar aanleiding van deze droom bittere tranen, want zij geloofde heilig in de waarheid ervan. ’s Morgens stond zij op en zonder iets aan haar broers te durven vertellen besloot zij op de aangegeven plek te gaan kijken of dat wat zij in haar slaap had gezien waar was. Ze kreeg verlof voor een klein uitstapje buiten de stad, en in gezelschap van een vrouw, die wel eens vaker met Lorenzo en haar was meegegaan en die van heel hun doen en laten op de hoogte was, begaf zij zich zo spoedig rnogelijk naar de bewuste plaats. Ze haalde de dorre bladeren weg die daar lagen, en begon op een punt waar de grond haar minder hard leek te graven. En het duurde niet lang of zij stuitte daarbij op het lichaam van haar ongelukkige minnaar, dat nog volledig gaaf en ongeschonden was. En daaruit kon ze duidelijk afleiden dat het droomgezicht waar was geweest. Ofschoon zij bedroefder was dan wie ook, begreep zij dat het daar niet de juiste plaats was voor tranen. En hoewel ze, als dat mogelijk was geweest, graag heel het lichaam had meegenomen om het op een meer passende manier te begraven, zag ze wel in dat dat niet kon. Ze sneed daarom zo goed en zo kwaad als het ging met een mes het hoofd van de romp en wikkelde het in een doek, waarna zij het aan haar gedienstige overhandigde. Nadat zij de rest van het lichaam weer had begraven, ging zij vervolgens, zonder dat zij door iemand was opgemerkt, van die plaats weg en keerde naar huis terug.“
Giovanni Boccaccio ( juni of juli 1313 – 21 december 1375)
„Het woei daarboven altijd. De koeien van mevrouw van Kleyntjes werden in de heuvels geweid, en de wilde hertjes kwamen er stilletjes grazen. De drie kleine meisjes speelden daar wel, ’s middags in de zon, als er niemand was — de afgevallen rozenblaadjes hadden weer overal in het rond gelegen! — zei de koeherder, ‘laat ze maar’ zei mevrouw van Kleyntjes. En soms, niet dikwijls, zaten zij alle drie naast elkaar gehurkt op het strandje aan de binnenbaai onder de plataanbomen, een eind van het huis af, om te kijken wat voor horentjes er aangespoeld waren? Zij krabbelden het zand wat weg (dat was later duidelijk te zien) horentjes verstoppen zich wel — ssst.“
(…)
“Felicia kwam met de lege melkprauw mee terug uit de stad aan de buitenbaar. Er was post: een brief van Himpies. Hij schreef bijna nooit en dan ineens een ellenlang epistel over alles en nog wat: hij zette wel eens ten eerste, ten tweede voor aan een regel als om het voor zich zelf uit elkaar te houden.
Ten eerste was hier: nu geef ik u te raden! Mingoes teruggevonden na bijna twintig jaar (nou meneer Himpies, zo lang is het nog niet). Hij zegt wel eens toean Himpies in plaats van toean luitnant tot groot vermaak van de rest. Zonder toean gaat het blijkbaar niet; waarom eigenlijk niet?
Hij is nu onze door een ieder geëerbiedigde sergeant!”
‘Na drieënhalf uur lopen zagen we Mikalati liggen. Op de heuvelflank stonden honderden koeien met gewelfde hoorns; daartussen liepen mannen met hoeden en stokken heen en weer, keurend, prijzend. Uit het dal steeg een zacht gegons op, dat sterker werd naarmate we, laverend tussen de koeien, dichterbij kwamen. In de gekleurde vlek in de diepte tekenden zich strooien afdaken af. Daartussen krioelde het van pratende, lachende, gebarende marktgangers. Zodra ze ons in de gaten kregen, stootten ze elkaar aan en algauw draaide de menigte zich als één man onze kant op.’
(…)
‘We waren laat, marktgangers kwamen ons uit tegengestelde richting tegemoet. Eén man had een kip in zijn raffia rugzakje gestopt; ze stak haar hoofd boven zijn schouders uit en volgde nieuwsgierig de commotie op het pad. Vrouwen hielden hun hand voor de mond als ze me in het oog kregen en riepen: ‘Mana-wéééh’ Mijn God! Vier mannen droegen een zieke die op een laken tussen twee bamboestokken lag. Een voorbijganger ving mijn blik: ‘Muzungu, vous voyez la souffrance des Africains?”
„Sie kamen in einen Raum, der wie eine Schulklasse aussah und Robert setzte sich in die letzte Reihe. Er gab ihnen ihre neugierigen Blicke wütend zurück, und er ärgerte sich, dass er nicht wie sie eine Mappe mitgebracht hatte. Als ein alter Mann den Raum betrat, klopften die anderen mit den Knöcheln auf die Bänke und trampelten mit den Füßen. Robert wusste, dass Studenten so grüßten. Früher. Und er wunderte sich, dass es dies immer noch gab. Und außerdem waren sie vorerst doch noch Arbeiter und Bauern, die zu einer Eignungsprüfung gekommen waren, und keine Studenten.“
(…)
„‘Selten sah man einen‘, sagte der alte Mann und hielt Robert, der zur Tür wollte, am Ärmel fest, ‚den es so zu einer Prüfung zog wie diesen hier. Aber verweilen Sie doch noch einen Augenblick, lieber Arbeiter, oder sind Sie ein lieber Bauer? Sie sollten sich so fremd nicht fühlen unter uns; der Hirtenstand ist uns doch sehr nahe, und der Hasenjäger in der ersten Reihe da ist eines Häuslers Sohn, nicht wahr, Hasenjäger?‘ Ein untersetzter Bursche stand auf und sagte: ‚Jawohl, Herr Professor, aus Spandowerhagen!‘ ‚Sehen Sie‘, sagte der Professor, ‚von der Scholle einer wie Sie. Und unser aller Herr, dessen Lehre zu verbreiten wir uns hier präparieren, war eines Zimmermannes Kind. Am Ende sind Sie auch eines Zimmermannes Kind?‘ ‚Nein‘, sagte Robert, ‚mein Vater war Straßenfeger!‘.“
(…)
“O herrlicher sächsischer Lügenbold, gepriesen sei dein vielgeschmähter Name! Dank dir, du genialer Spinner aus Hohenstein-Ernstthal, dank dir für tausendundeine Nacht voller Pulverdampf und Hufedonnern. Heißen Dank für Äquatorsonne und Präriewind und Wüstensand und Steppengras, für Shatterhand und Hadschi, für Winnetou und Geierschnabel, ungeschmälerten Dank dafür, was immer sie dir auch nachsagen.“
(…)
“Hier ist niemand tot, und hier ist auch niemand zornig, und hier wird schon noch geredet werden.”
J’avais son bras d’eau fraîche autour de mon cou Et la brûlure de son ventre sous mon épaule Et ma tête était portée sur le spasme misérable de son corps Roulée sur cette suffocation misérable Sur cette respiration malade Et dans mes yeux qu’on ne peut fermer L’horreur d’un plafond bas et blanc Et cependant autour de mon cou Son bras incroyable restait d’eau fraîche
Les pommiers
On dirait que sa voix
On dirait que sa voix est fêlée Déjà? Il rejoint parfois l’éclat du rire Mais quand il est fatigué Le son n’emplit pas la forme C’est comme une voix dans une chaudière Cela s’arrête au milieu Comme s’il ravalait le bout déjà dehors Cela casse et ne s’étend pas dans l’air Cela s’arrête et c’est comme si ça n’aurait pas dû commencer C’est comme si rien n’était vrai
Moi qui croyais que tout est vrai à ce moment Déjà? Alors, qu’est-ce qui lui prend de vivre Et pourquoi ne s’être pas en allé?
Hector de Saint-Denys Garneau(13 juni 1912 – 24 oktober 1943)
“De meneer, die dezen Zaterdag namiddag even voor drie uur in de Antwerpsche tram zit – lijn 12, naar het Gerechtshof – is inderdaad de griffier Forebon. Of wilt ge hem Bonfore noemen? Hij leest, hij leest zelfs zeer aandachtig, wat inderdaad zeldzaam is bij een griffier, veeleer gewoon dossiers vluchtig door te nemen. De griffier is dus geheel in zijn lectuur verdiept. Hij merkt de halten niet op; klein zit hij, in schraalheid gedoken; dit zelf opgelegd bewuste, dit eigenhandig aangekweekte besef van zelfwaardigheid zijn totaal weg. Het is of de griffier op zijn beurt met iemand wordt geconfronteerd en deze confrontatie hem niet gunstig uitvalt. Met een zekere gejaagdheid, bijna drift te noemen, slaat hij de bladzijden van het boek om.
Achter, op het balcon houdt zich de onderzoeksrechter Ange op. Zoo aanstonds zullen zij als zijde aan zijde zitten, in éénzelfde kabinet, den zooveelsten dag van het zooveelste jaar. Ange zal zwijgend spreken en de griffier zwijgend luisteren. Beiden zullen verdwijnen in het duister van dit rommelige vertrek, zoo goed als opgelost in de vuile lucht daarvan en in het grijze stof, er zal niets anders wezen als de blik van Ange. Die blik: een bliksemend rapier. Wie hem ondergaat is getroffen vóór hij het zich bewust kan zijn. Even klein van gestalte als de griffier is de onderzoeksrechter. Gemeten is zijn stap, de handen houdt hij altijd ergens verdoken, opdat geen trilling zou verraden wat het brein doorwoelt en besluit. Even onaanzienlijk is het fletse gelaat, zoo goed als onopmerkelijk, vuns en bleek.“
DeFranse journalisteen schrijfster Tristane Banon werd geboren op 13juni 1979 inNeuilly-sur-Seine. Banonbehaaldeeendiploma van deEcoleSuperieure deJournalismede Paris, en had aanvankelijkgelegenheidsbanen alsjournaliste, als anchorwomanineentv-showover nieuweinformatie-en communicatietechnologieën, enals sportjournaliste.Ze waswerkzaam inde politiek-afdeling, en later decultureleafdelingvanhet Franse weekbladParis-Match, vervolgens werkzaam bijhet dagblad LeFigaro.Haar eersteboek,eenlangessay getiteld “Erreurs avouées… (au masculin)” over de grootste foutenin het leven vanpolitieke figuren, werd gepubliceerdin november 2003door AnneCarrière. Een korteroman “Noirdelire”, geïnspireerd door de tragische doodvan de FranseactriceMarieTrintignant, verscheenin hetzelfde jaarin het literairebladBordel. Haar eersteroman “J’aioubliéde latuer”werdin september 2004 gepubliceerddoor éditions Anne Carrière. Op 5 februari2007, tijdenseentelevisie-chat-show, beweerde Banon datDominiqueStrauss-Kahn haarin 2002tijdenseeninterview seksueel had lastig gevallen, terwijl zeonderzoek deed voor “Erreurs avouées…”.
Uit: “Erreurs avouées…”.
“Je n’ai rien vu venir, je l’ai harcelé, même; je le voulais, ce rendez-vous. Après quatre appels sur son portable en trois jours, il a cédé. La date est fixée – le 5 février, dans son bureau de l’Assemblée nationale. Dominique Strauss-Kahn est un multirécidiviste de la responsabilité publique: député du Val d’Oise, membre de la commission des Affaires étrangères des groupes d’amitié avec l’Allemagne, l’Arménie, la Chine, les Etats-Unis, Israël, le Maroc et le Viêt-nam, et professeur d’université.
Après avoir vu Séguéla, je voulais que mon entreprise de dissection de l’objet d’étude “Erreur” s’arrête sur un politique, je n’aurais peut-être pas dû.
L’animal politique est une bête traquée. La peur du mot de trop, de la parole en l’air que retiendra un canard à scandales (pour rester dans le registre animal), le pousse a des réactions étonnantes (j’y reviendrai).
Avez-vous déjà observé un agent immobilier? Terminé le discours pesant sur la bonne orientation et “cette merveilleuse hauteur sous plafond”, il se tait. On passe souvent du moulin à paroles au voeu de silence. L’homme est toujours rassuré par les sujets qu’il maîtrise. Dominique Strauss-Kahn, c’est un peu pareil. Sorti du discours politique galvaudé, la peur de la récupération médiatique le handicape.”