Frédéric Leroy, Botho Strauß, Ann Patchett

De Vlaamse dichter Frédéric Leroy werd geboren op 2 december 1974 in Blankenberge. Zie ook alle tags voor Frédéric Leroy op dit blog.

 

Heiden

De zon scheen vaker. Aan de dingen kleefden
nog de namen, uitnodigend, uitwisselbaar
als losse plaatjes, zodat ik rozenstruiken
krokodillen ging noemen, mezelf krijger.

Wreedheid was een deugd, rauw geweld
iets voor helden (dat wat heerste onder
de zomerzon, triomfeerde, regenwormen
in stukken hakte). Ik lachte vaker toen.

In een wereld van gras en pluizen was ik
heidens blond, wist van god noch gebod
maar hield van het witgekalkte kapelletje
verderop – plukte plechtig kruisspinnen.

Ik schiep een pantheon van gedrochten,
krioelend in glazen confituurpotten.

 

Dagelijks brood

zondag

1.
Sluit de heilige boeken en weet
liefste, dat voor een openbaring
deze homp op de keukentafel,
hier en nu, voor ons, eenzaam
addergebroed, genoeg kan zijn

want vergis je niet in eenvoud,

dit gebroken boerenbrood is
volmaakt als de middagzon.

 

Dodenmars

En draal niet en maal niet maar sta
nu smalend uit de doden op en klop
de nacht uit loden lakens. Gooi de luiken
open, stap de kamer uit en zet de pas erin,
maar kijk niet om, niet om, nooit om, en ga
niet na of kruimels door harpijen worden opgepikt,
vergeet hoe uit de verte een geliefde je naam roept,
tel je stappen maar herval niet in stilstand, word
geen zoutpilaar, treur niet om afgehakte vingerkootjes,
weggeworpen sieraden, kledingstukken bij elke hellepoort,
vergeet hoe lijken in zee werden gegooid, bijeengeraapt,
hoe klauwen werden geplant in de zwakste van de kudde,
in het weke deel, je weekste vlees, je hagedissenstaart,
je pars pro toto.

 

 

Frédéric Leroy (Blankenberge, 2 december 1974)

 

 

 

Lees verder “Frédéric Leroy, Botho Strauß, Ann Patchett”

T. C. Boyle, Iakovos Kampanellis, George Saunders, Jacques Lacarrière, Eric L. Harry

De Amerikaanse schrijver Thomas Coraghessan Boyle werd geboren op 2 december 1948 in Peekskill, New York. Zie ook alle tags voor T. C. Boyle op dit blog.

Uit: The Tortilla Curtain

„Afterward, he tried to reduce it to abstract terms, an accident in a world of accidents, the collision of opposing forces–the bumper of his car and the frail scrambling hunched-over form of a dark little man with a wild look in his eye–but he wasn’t very successful.  This wasn’t a statistic in an actuarial table tucked away in a drawer somewhere, this wasn’t random and impersonal.  It had happened to him, Delaney Mossbacher, of 32 Piñon Drive, Arroyo Blanco Estates, a liberal humanist with an unblemished driving record and a freshly waxed Japanese car with personalized plates, and it shook him to the core.  Everywhere he turned he saw those red-flecked eyes, the rictus of the mouth, the rotten teeth and incongruous shock of gray in the heavy black brush of the mustache–they infested his dreams, cut through his waking hours like a window on another reality.  He saw his victim in a book of stamps at the post office, reflected in the blameless glass panels of the gently closing twin doors at Jordan’s elementary school, staring up at him from his omelette aux fine herbes at Emilio’s in the shank of the evening.
The whole thing had happened so quickly.  One minute he was winding his way up the canyon with a backseat full of newspapers, mayonnaise jars and Diet Coke cans for the recycler, thinking nothing, absolutely nothing, and the next thing he knew the car was skewed across the shoulder in a dissipating fan of dust.  The man must have been crouching in the bushes like some feral thing, like a stray dog or bird-mauling cat, and at the last possible moment he’d flung himself across the road in a mad suicidal scramble.  There was the astonished look, a flash of mustache, the collapsing mouth flung open in a mute cry, and then the brake, the impact, the marimba rattle of the stones beneath the car, and finally, the dust.  The car had stalled, the air conditioner blowing full, the voice on the radio nattering on about import quotas and American jobs.  The man was gone.  Delaney opened his eyes and unclenched his teeth.  The accident was over, already a moment in history.
To his shame, Delaney’s first thought was for the car (was it marred, scratched, dented?), and then for his insurance rates (what was this going to do to his good-driver discount?), and finally, belatedly, for the victim.  Who was he?  Where had he gone?  Was he all right?  Was he hurt?  Bleeding?  Dying?  Delaney’s hands trembled on the wheel.“

 


T. C. Boyle (Peekskill, 2 december 1948)

 

 

Lees verder “T. C. Boyle, Iakovos Kampanellis, George Saunders, Jacques Lacarrière, Eric L. Harry”

Hein Boeken

De Nederlandse dichter en schrijver  Hein (Hendrik Jan) Boeken werd geboren in Amsterdam op 2 december 1861. Boeken studeerde klassieke talen te Amsterdam en promoveerde in 1899. Daarna ga hij les in oude talen en werd directeur van de Brinioschool te Hilversum. Boeken kwam al op jonge leeftijd in aanraking met De Nieuwe Gids, waarin hij in 1887 zijn eerste sonnetten publiceerde en waarvan hij vervolgens tot aan zijn dood redactielid bleef. Hij was een ‘leerling’ en levenslange vriend van Willem Kloos, die hij al kende uit zijn studietijd en voor wie hij in alle opzichten veel heeft gedaan. In 1916 stond Boeken terecht voor moord op zijn vrouw. Hij had haar geholpen uit het leven te stappen op het moment dat ze in een psychiatrische inrichting zou worden opgenomen. Hij werd echter vrijgesproken. Boeken was in zijn tijd vermaard als gelegenheidsdichter die bij elke feestelijkheid een sonnet voordroeg. Zijn literaire verzen zijn van belang omdat Boeken, evenals Albert Verwey, al vroeg experimenteerde met vrij ritme en polymetrie.

Late herfst

Geel is het blad, geel zijn de lichte bladeren,
Ver is de lucht, – ‘k durf haast niet dat ik ’t zeg –
Niet blauw, niet wit, wèl licht, – het snelle raderen
Van waagnen hoor ‘k op blad-bestrooide weg.

Maar angstig is mijn hart, want in mijn aderen
Voel ‘k ’t leven leven, wetend dat ik weg
Eens moet, en dat ik mee-weg-dorrend leg
Onder de grond, – weg, al die lichte bladeren.

O blaadren die zo schoon zijt in uw dunheid,
Schoonst nu gij dun zijt, schoner dan de zomer,
Al-licht, dóór-licht, gans ín-schijn van de zon,

Gij sterft, de zon blijft – durf ik zo, ik dromer?
Ik die niet weet dan licht-, dan fijn-, dan dun-heid,
En dat ik loop in ’t wondre licht der zon.

 

 

Een stad

Schoon is ’t geslacht der mensen, daar ze lopen,
Hoge gestalten door de straten voort,
En vrouwen dalen naar de brede boord
Van de rivier in ’t midden, dompel dopen

De kannen in het water, hel omdropen
Van ’t schitterende vocht, – een enkel woord
Wordt helper-vliegend door de lucht gehoord, –
En heel de stad ligt vol van zonlicht open.

En kindren leren ’t leve’ in spel en zangen,
Schoon opgebloeide menschen lieflijkheid,
En leren trouw de eerwaardige geboden.

En knapen voelen naar al ’t ver verlangen,
Meisjes der zuchten geheimzinnigheid,
En horen ’s nachts de aanwezigheid der goden.

 

 

Hein Boeken (2 december 1861 – 19 oktober 1933)
Portret door Jan Veth, rond 1890

Tahar Ben Jelloun, Daniel Pennac, Billy Childish, Henry Williamson

De Marokkaanse romanschrijver, dichter en essayist Tahar Ben Jelloun werd geboren in Fez op 1 december 1944. Zie ook alle tags voor Tahar Ben Jelloun op dit blog.

 

Je suis un enfant qui se moque

Je suis un enfant qui se moque de l’innocence

J’ai été nourri au lait du sphinx
et tôt porté l’araignée dans le foie à voix basse

J’ai engendré la ville des ténèbres humiliées
et tourné sur moi-même
serpent sans tête fidèle au soleil

J’ai provoqué l’astre obscène du maître et de l’imam
et l’ai entaché de sang dans la cour des miracles
l’astre des sables qui s’est éteint au matin
et me suis retrouvé avec le Livre à l’envers

J’ai pris le train pour fomenter des troubles dans l’eau stagnante
du sommeil ancestral
j’ai secoué des chênes
et j’ai vu rire la mort voilée devant le spectacle des têtes
qui tombaient

Ma voix rompue s’arrêtait en tracé désespéré de l’absence
nulle la parole
quand nos mères nous portaient sur le dos
dans les champs
et jusqu’au cimetière
nos mères résignées cherchaient en nous l’enfance

Nus dans notre solitude
nous faisions des trous dans l’asphalte
jusqu’au jour où le temps s’arrêta sur la pointe de notre réveil.

 

Femme

Femme
terre tendre
remuée par les vents
sur ton corps
la trace d’un visage
que l’oubli a ouvert
dans ta voix
le souvenir d’un lit saccagé
par l’exil d’un sommeil profond.

 


Tahar Ben Jelloun (Fez, 1 december 1944)

 

Lees verder “Tahar Ben Jelloun, Daniel Pennac, Billy Childish, Henry Williamson”

Mihály Vörösmarty, Valery Bryusov, Ernst Toller

De Hongaarse dichter Mihály Vörösmarty werd geboren op 1 december 1800 in Puszta-Nyék. Zie ook alle tags voor Mihály Vörösmarty op dit blog.

 

Die Menschen

 

Schweigt, der Gesang soll nicht erklingen,

die Welt ihr Wort beginnt,

und es erfrieren mit glühenden Schwingen

der Regen und der Wind:

Tränenguß, den der Gram auslöst,

Seufzer, den bang das Herz ausstößt.

Geist, Sünde, Tugend, nichts hat mehr Gewicht:

Hofft länger nicht!

 

Die Völker voreinst hatten Väter,

tat euch die Märe kund,

die Väter wurden Missetäter,

das Volk ging dran zugrund:

Was übrig blieb, schrie nach Gesetzen:

Nun sind sie’s, die das Recht verletzen.

Über das Gute hält der Mord Gericht.

Hofft länger nicht!

 

Heroen dann: Gewaltig traten

das Recht sie in den Staub.

Arbeit gabs viel da: Eisentaten!

Und Ruhm, und Lorbeerlaub.

Zerbrach dann so ein Alexander,

verbiß das Volk sich ineinander.

Und Ruhm? Ein Blitz die Elendsnacht durchbricht:

Hofft länger nicht!

 

Und langer Frieden, und erschreckend

wächst sich die Menschheit aus,

vielleicht den Tisch der Pest nur deckend

zu üppigerem Schmaus.

Der Mensch schmachtet den Himmel an,

da er die Erde nicht gewann.

Im Grabe noch erdrückt ihn ihr Gewicht.

Hofft länger nicht!

 

Wie ist die Erde reich, und Menschenhände

mehrn ihren Reichtum noch,

und dennoch martern Plagen ohne Ende,

lastet der Knechtschaft Joch.

Ists ein Gebot? Ists kein Gebot?

Wenn nicht, warum solch zähe Not?

Ob es an Tugend? obs an Kraft gebricht?

Hofft länger nicht!

 

Vernunft und Bosheit, sie gesellen

sich zum verruchten Bund,

machen die Wut der Dummheit schwellen,

der Kriege letzten Grund.

Tier, Teufel, Zorn, Vernunft, was siegt

von euch: Der Mensch ists, der erliegt.

Der Wahnsinnsschlamm mit Gottesangesicht!

Hofft länger nicht!

 

Nach so viel Kriegs- und Friedensmühen:

Des Bruderhasses Mal

bleibt auf der Stirn des Menschen blühen,

er ist der Erde Qual;

ihr glaubt er lernt, da er voll List

die schlimmste Missetat ermißt.

Aus Drachenzähnen trat der Mensch ans Licht.

Hofft länger nicht!

Hofft länger nicht!

 

 

Vertaald door Franz Fühmann

 

 

 

Mihály Vörösmarty (1 december 1800 – 19 november 1855)

Monument in Boedapest

 

Lees verder “Mihály Vörösmarty, Valery Bryusov, Ernst Toller”

Herinnering aan Ramses Shaffy

Herinnering aan Ramses Shaffy

 

Nederlands grootste chansonnier Ramses Shaffy is vandaag precies een jaar geleden op 76-jarige leeftijd overleden.

  

De Nederlandse chansonnier en acteur Ramses Shaffy werd op 29 augustus 1933 geboren in de Parijse voorstad Neuilly-sur-Seine als zoon van een Egyptische diplomaat en een Poolse gravin van Russische afkomst. Zie ook alle tags voor Ramses Shaffy op dit blog.

 

Laat me

 

Ik ben misschien te laat geboren,
Of in een land met ander licht.
Ik voel me altijd wat verloren,
Al toont de spiegel mijn gezicht.
Ik ken de kroegen en kathedralen,
Van Amsterdam tot aan Maastricht.
Toch zal ik elke dag verdwalen,
Dat houdt de zaak in evenwicht.

 

Laat me Laat me
Laat me m’n eigen gang maar gaan
Laat me Laat me
Ik heb ’t altijd zo gedaan

 

Ik zal m’n vrienden niet vergeten,
Want wie mij lief is blijf me lief.
En waar ze wonen moest ik weten,
Maar ik verloor hun laatste brief.
Ik zal ze heus wel weer ontmoeten,
Misschien vandaag of volgend jaar.
Ik zal ze kussen en begroeten,
Het komt vanzelf weer voor elkaar.
(refrein)

 

Ik ben gelukkig niet veranderd,
Soms woon ik hier, soms woon ik daar.
Ik heb mijn leven niet verkankerd,
‘k heb geen bezit en geen bezwaar.
Ik hou van water en van aarde,
Ik hou van schamel en van duur.
D’r is geen stuiver die ik spaarde,
Ik leef gewoon van uur tot uur.
(refrein)

 

Ik zal ook wel een keertje sterven,
Daar kom ik echt niet onderuit.
Ik laat mijn liedjes dan maar zwerven,
En verder zoek je het maar uit.
Voorlopig blijf ik nog je zanger,
Je zwarte schaap, je trouwe fan.
Ik blijf nog lang, en liefst nog langer,
En laat me blijven wie ik ben.
 



Ramses Shaffy (29 augustus 1933 – 1 december 2009)

 

 

 

 

David Nicholls, Lee Klein, Adeline Yen Mah, Reinier de Rooie

De Engelse schrijver David Nicholls werd geboren op 30 november 1966 in Eastleigh, Hampshire. Zie ook mijn blog van 30 november 2008 en ook mijn blog van 30 november 2009.

 

Uit: One Day

 

„Friday 15TH July 1988
Rankeillor Street, Edinburgh
‘I suppose the important thing is to make some sort of difference,’ she said. ‘You know, actually change something.’
‘What, like “change the world”, you mean?’
‘Not the whole entire world. Just the little bit around you.’
They lay in silence for a moment, bodies curled around each other in the single bed, then both began to laugh in low, pre-dawn voices. ‘Can’t believe I just said that,’ she groaned. ‘Sounds a bit corny, doesn’t it?’
A bit corny.’
‘I’m trying to be inspiring! I’m trying to lift your grubby soul for the great adventure that lies ahead of you.’ She turned to face him. ‘Not that you need it. I expect you’ve got your future nicely mapped out, ta very much. Probably got a little flow-chart somewhere or something.’
‘Hardly.’
‘So what’re you going to do then? What’s the great plan?’
‘Well, my parents are going to pick up my stuff, dump it at theirs, then I’ll spend a couple of days in their flat in London, see some friends. Then France-‘
Very nice-‘
‘Then China maybe, see what that’s all about, then maybe onto India, travel around there for a bit-‘
‘Traveling,’ she sighed. ‘So predictable.’
‘What’s wrong with travelling?’
‘Avoiding reality more like.’
‘I think reality is over-rated,’ he said in the hope that this might come across as dark and charismatic.
She sniffed. ‘S’alright, I suppose, for those who can afford it. Why not just say “I’m going on holiday for two years”? It’s the same thing.’
‘Because travel broadens the mind,’ he said, rising onto one elbow and kissing her.
‘Oh I think you’re probably a bit too broad-minded as it is,’ she said, turning her face away, for the moment at least. They settled again on the pillow. ‘Anyway, I didn’t mean what are you doing next month, I meant the future-future, when you’re, I don’t know…’ She paused, as if conjuring up some fantastical idea, like a fifth dimension. ‘…Forty or something. What do you want to be when you’re forty?’
‘Forty?’ He too seemed to be struggling with the concept. ‘Don’t know. Am I allowed to say “rich”?’
‘Just so, so shallow.’
‘Alright then, “famous”.’ He began to nuzzle at her neck. ‘Bit morbid, this, isn’t it?’
‘It’s not morbid, it’s…exciting.’

 

 

David Nicholls (Hampshire, 30 november 1966)

 

Lees verder “David Nicholls, Lee Klein, Adeline Yen Mah, Reinier de Rooie”

Jan G. Elburg, Mark Twain, Jonathan Swift

De Nederlandse dichter en schrijver Jan G. Elburg werd geboren op 30 november 1919 te Wemeldinge. Zie ook mijn blog van 30 november 2006 en ook mijn blog van 30 november 2007 en ook mijn blog van 30 november 2008 en ook mijn blog van 30 november 2009.

 

Niets van dat alles


Zoals matrozen zingen…
maar matrozen zingen niet:
zij spugen in de zee,
zij kennen de achterkanten van steden
en de voorkant van de koude wind;
matrozen zingen niet.

zoals de vogels vrolijk…
maar hun vrolijkheid is vluchten:
zij zijn beschoten,
hun jong is dood.
(zij kennen geen droefheid ook).

zoals de zon…
maar zie het rode stof rond boekarest.
wolken? zijn koude mist.
de klaproos? onkruid.
zand: zand.
water: water.

een mens weet nauwlijks wat de mens is.
de dichter weet alles van niets. 

 

Willen

Ik neem mijn buik op en wandel,
ik heb mijn ogen open,
ik heb mijn borst als kennisgeving aangeslagen,
ik zou die punboomhouten paal in mij
vertikaal willen treffen met licht:
een lang lemmet licht om de dagen te turven.
Ik zou een rood totem willen snijden
waarom mijn hartstocht zich als wingerd slingert,
een beeld voor alledag, waaraan de vingers leven.
Ik heb te nemen.

Ik zou een mens willen maken uit wrok
en afgeslagen splinters: een winterman
met een gezicht van louter ellebogen.
En bomen zouden stampen bij zijn langsgaan
en had hij één minuut te leven,
rood zou hij zijn en rood van kindertranen
en rood.

Ik pak mijzelf als altijd weer tezamen,
ik zie het water aan,
ik neem mijn hongerige maag en wandel,
ik zie een eetsalon voor twintig standen:
wanden zijn er genoeg; hij vloekt
van een doorvoeld gemis aan ramen.


Jan G. Elburg (30 november 1919 – 13 augustus 1992)

 

Lees verder “Jan G. Elburg, Mark Twain, Jonathan Swift”

Philip Sidney, John McCrae, Winston Churchill, Lucy Maud Montgomery, Rudolf Lavant, John Bunyan,Sergio Badilla Castillo, David Mamet, Wil Mara

De Engelse schrijver Sir Philip Sidney werd geboren op 30 november 1554 in het  kasteel van Penshurst in het graafschap Kent. Zie ook mijn blog van 30 november 2006 en ook mijn blog van 30 november 2008 en ook mijn blog van 30 november 2009.

 

The Bargain

 

My true love hath my heart, and I have his,

By just exchange one for another given:

I hold his dear, and mine he cannot miss,

There never was a better bargain driven:

My true love hath my heart, and I have his.

 

His heart in me keeps him and me in one,

My heart in him his thoughts and senses guides:

He loves my heart, for once it was his own,

I cherish his because in me it bides:

My true love hath my heart, and I have his.

 


Sir Philip Sidney (30 november 1554 – 17 oktober 1586)

Standbeeld in Shrewsbury

 

Lees verder “Philip Sidney, John McCrae, Winston Churchill, Lucy Maud Montgomery, Rudolf Lavant, John Bunyan,Sergio Badilla Castillo, David Mamet, Wil Mara”

Mario Petrucci, Carlo Levi, Jean-Philippe Toussaint, C.S. Lewis, Silvio Rodríguez

De Engelse dichter en schrijver Mario Petrucci werd geboren op 29 november 1958 in Londen. Zie ook mijn blog van 29 november 2008 en ook mijn blog van 29 november 2009.

 

Ambient

 

How easy for me, your son,

youthful lungs trawling in one sweep –

 

cigar smoke, omelette, the girl

next door. One day I told you

 

how in physics we’d calculated

each lungful held billions of atoms Galileo’d inhaled.

 

It took a full week

for you retort – as always

 

off the nail. Must be I’ve used it all then –

from Siberia to Antarctica,

 

slack-pit to spire.

That’s why each draw’s so bloody hard.

 

Left me speechless.

Till, catching you that night at the foot

 

of your Jacob’s Ladder, ascending

to the one bulb of the landing toilet,

 

I told you how I’d checked with sir:

You can’t use it all, I piped

 

not in a hundred million years.

You’ll get better dad, just wait and see.

 

Your mouth a slur, suspended

over your chest. Fist

 

white on the rail.

Don’t hold your breath son, you said.

 

 

Feeling For Eggs

 

You have given, and given, until giving has grown

into habit – so that you move to the stove

without thought, without word, the moment

the green of my jacket stipples your window:

ladle the soup that is always ready, rearrange

the condiments, or slop eggs for the beaten track

of an omelette. Sometimes, I can almost believe

you pass the day moving from stove to telly and back

again; or taking the one leather bag to the shops

for the loaf, the eggs you stow as though they might

ignite, two words with the butcher: was tender; was tough.

The odd hour spent in the husbandry of bills.

You hoard your knowledge of the man who died, left you

with sons: onion skin copies with their own

lives. You keep that knowledge safe, as though telling

might erase it. The pruning of decades takes your words

beyond the graft of mine. So, you listen, tolerate

the electric hotplate, the central heating;

were happier with the sooted cauldron twenty of you

could have your fill from, the firewood chopped

by your father, brought by donkey. You grew

maize from seed, knew how to feel

for an egg in the chicken. We sit in silence now,

with English tea to sip, some soup, until I have

to go. You follow as far as the empty drive, wave

as you stoop for a windfall branch,

add it to the wood pile you keep in the garage

that year by year inches towards the eaves.

 

 

Mario Petrucci (Londen, 29 november 1958)

 

 

Lees verder “Mario Petrucci, Carlo Levi, Jean-Philippe Toussaint, C.S. Lewis, Silvio Rodríguez”