Patricia Highsmith, Marie Koenen, Thomas Gsella, Paul-Eerik Rummo

De Amerikaanse schrijfster Patricia Highsmith werd geboren als Mary Patricia Plangman in Fort Worth (Texas) op 19 januari 1921. Zie ook alle tags voor Patricia Highsmith op dit blog.

 

Uit: The Talented Mr. Ripley

“Tom saw the man make a gesture of postponement to the barman, and come around the bar towards him. Here it was! Tom stared at him, paralysed. They couldn’t give you more than ten years, Tom thought. Maybe fifteen, but with good conduct–In the instant the man’s lips parted to speak, Tom had a pang of desperate, agonized regret.

‘Pardon me, are you Tom Ripley?’

‘Yes.’

‘My name is Herbert Greenleaf. Richard Greenleaf’s father.’ The expression on his face was more confusing to Tom than if he had focused a gun on him. The face was friendly, smiling and hopeful. ‘You’re a friend of Richard’s, aren’t you?’

 

Scene uit de gelijknamige film met Matt Damon, Jude Law en Gwyneth Paltrow, 1999

 

It made a faint connection in his brain. Dickie Greenleaf. A tall blond fellow. He had quite a bit of money, Tom remembered. ‘Oh, Dickie Greenleaf. Yes.’

‘At any rate, you know Charles and Marta Schriever. They’re the ones who told me about you, that you might–uh–Do you think we could sit down at a table?’

‘Yes,’ Tom said agreeably, and picked up his drink. He followed the man towards an empty table at the back of the little room. Reprieved, he thought. Free! Nobody was going to arrest him. This was about something else. No matter what it was, it wasn’t grand larceny or tampering with the mails or whatever they called it. Maybe Richard was in some kind of jam. Maybe Mr Greenleaf wanted help, or advice. Tom knew just what to say to a father like Mr Greenleaf.”

 

Patricia Highsmith (19 januari 1921 – 4 februari 1995)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marie Koenen werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 19 januari 1879. Zie ook alle tags voor Marie Koenen op dit blog.

 

Uit: De zusters

„HET avondrood gloorde door de boomgaardhagen en tusschen de kromme stammen der zomersche appelaars. Telkens als Anne-Marie weer een arm vol waschgoed van de lijnen tusschen boom en boom had bijeengegaard en er mee neerboog over den korf, scheen de gloed neer te vloeien van haar handen over het stralend blanke linnen. Maar ze verlustigde zich alleen in den geur van gras en zon, die haar droge wasch had doortrokken, en berekende, hoe er nog precies tijd genoeg zou zijn om ze vóór het avondeten op te rekken en in te sprenkelen… als Lucia tenminste eindelijk zou thuiskomen.

De gedachte aan haar zusters lang uitblijven ontstemde haar en gemelijk bezon ze, dat die boodschap naar den winkel eigenlijk heelemaal onnoodig was geweest, zooals gister en eergister en verleden week ook al. ‘Vier keer loopen in plaats van alles ineens? Er steekt wat achter!’

Met dat plotse inzicht sprong de bangheid, die sedert hun moeders dood, altijd onbestemd en steeds weer weggeduwd, in haar geleefd had, kwaadwillig op en beet zich grimmig vast in haar binnenste.

‘’t Eind is natuurlijk, dat ik hier voor alles alleen blijf zitten.’

Kwam het, omdat ze tegelijk die voetstappen hoorde op het heggepad, dat tusschen hun boomgaard en dien van Gosewijn Donkers, uit de korenvelden leidde naar den grintweg langs hun huisje en Donkers hoeve?

Stemmen ook, die van een man en een meisje… den lach van Lucia. Daar was ’t! Wie ging naast haar op het smalle wegje? Anne-Marie sloop achter den naasten boom en gluurde met half dichtgenepen oogen tegen den lichtwemel in. Maar meer dan de stappen en stemmen, het ritselen langs de hegbladertjes en de voorbijglijdende schaduwen kon ze niet onderscheiden.

‘Toch is ’t Gosewijn!’ beet de angst feller en dieper. En met een ruwen ruk nam ze de volgetaste mand tegen haar heup om naar voren te haasten. Maar toen ze haar last neerdofte op de ronde keien van den spronk, waar de avondschemer zich reeds duisterder samentrok onder het laag en zwaar overhangend stroodak, bedwong ze zich toch.”

 

Marie Koenen (19 januari 1879 – 11 juli 1959)

 

De Duitse dichter en satiricus Thomas Gsella werd geboren op 19 januari 1958 in Essen. Zie ook alle tags voor Thomas Gsella op dit blog.

 

Berlin

Sie sagen ick und mir statt mich

Und wichsen ihre Glatzen.

Sie flezen sich in Kiez und Strich

Auf siffigen Matratzen.

Sie können nichts und wissen nichts

Und sind zu dumm zum Siezen.

Sie hoffen nichts und missen nichts

und schimmeln in den Kiezen

Und sind, dem Herrgott sei’s

geklagt,

zu blöd zum Brötchenholen.

Wer Hauptstadt der Versager sagt,

der meint Berlin (bei Polen).

 

London

Ein dichter Nebel steigt und fällt

als Tropfen aus den Wolken.

Dann hängen Fäden auf die Welt:

Der Himmel wird gemolken.

Es regnet, später nieselt es,

Dann fällt es wie ein Schleier.

Dann nebelt es und kieselt es

Kirschgroße Hageleier.

Kurz steht ein Sonnenschein bevor,

Dann geht’s auf London nieder.

Ein neuer Nebel steigt empor.

Anschließend regnet’s wieder.

 

Thomas Gsella (Essen,19 januari 1958)

 

De Estlandse dichter, schrijver en politicus Paul-Eerik Rummo werd geboren op 19 januari 1942 in Tallinn. Zie ook alle tags voor Paul-Eerik Rummo op dit blog.

Uit: Windship with Oars of Light

Now grant me God the strength to run through the rains of chance,
and to recognise necessity among the many
who by force fake her face

suffering nests in the memory
not even a dog can chew through the chain of heredity
but it’s quite a different matter to run right here through the rains of chance
but it’s quite a different matter to run right here through the rains of chance
necessity, give me your hand

necessity, here is my hand
I gave you the other one already to be born
Necessity, give me your hand

 

POURQUOI JE NE M’ENFUIS PAS À L’ÉTRANGER

1.

Aimer (je veux dire par là : savoir
être faible et complètement complètement
indifférent, quoi qu’il arrive),
aimer, donc, et écrire des poèmes,
on peut en définitive le faire partout, et en définitive
on n’en vit nulle part.

2.

On ne peut pas toujours être faible
et se laisser traîner par l’animal poétique qui vit en nous
lui aussi parfois
se repose longuement, et l’amour souvent nous glisse entre les doigts
les circonstances où nous nous retrouvons exigent alors ruse, courage
et cruauté, ennuyeuse ruse, ennuyeux courage —
et c’est peut-être ainsi partout ailleurs, qui sait ?

 

Vertaald door Antoine Chalvin et Tõnu Õnnepalu


Paul-Eerik Rummo (Tallinn, 19 januari 1942)