Stefan Brijs, Vesna Lubina

De Vlaamse schrijver Stefan Brijs werd geboren op 29 december 1969 in Genk. Zie ook alle tags voor Stefan Brijs op dit blog.

Uit: Zonder liefde

“Ik zag haar voor het eerst op een woensdag in september of oktober. In de provincieplaats waar ik in die tijd woonde draaide eens per week een cinefiele film, die door een kenner werd ingeleid. De avond van de betere film, zo heette de reeks, het woord ‘cinefiele’ zou potentiële kijkers hebben afgeschrikt, ook mij. Niettemin kwam het me voor dat er in het zaaltje enkel cinefielen zaten. Ik zag bijna alleen mannen van middelbare leeftijd, die uit elkaar zaten, met telkens een of twee lege stoelen tussen hen in. Sommigen hadden hun jas nog aan, alsof ze elk moment wilden kunnen vertrekken als de film hun tegenstond. De inleider, een forse, vlezige man met een volle baard en een donkere bril, was al begonnen – op zoek naar een toilet, want er was vast geen pauze, was ik verdwaald in de catacomben van het gebouw – en om niemand te doen opstaan nam ik plaats op de dichtstbijzijnde vrije stoel aan het gangpad. Zo kwam ik naast haar terecht. Ik klapte de zitting neer en nam plaats zonder mijn jas uit te trekken. Zij haalde haar arm van de armleuning en vouwde haar handen samen op haar schoot.
Tijdens de inleiding, die een minuut of twintig duurde, probeerde ik zo onopvallend mogelijk een eerste beeld van haar te krijgen. Haar gezicht had een scherp afgetekend profiel, haar donkerblonde, licht golvende haar kwam tot halverwege haar nek en over haar oren, haar polsen waren dun, haar vingers lang en slank. Ze droeg een roomkleurige blouse en een donkerbruine pantalon. Haar aandacht was volledig gericht op de inleider, wiens voorkomen me deed denken aan Bud Spencer, de acteur die aan de zijde van Terence Hill in spaghettiwesterns altijd de wat lompe, zwaarlijvige bruut speelt. Het waren ook de eerste woorden die ik tegen haar zei en ik zou ze allang vergeten zijn als ik daarmee niet zo’n flater had geslagen.
‘Hij lijkt op Bud Spencer,’ zei ik toen de inleider klaar was en hij een teken aan de regie gaf dat het zaallicht gedoofd kon worden.
‘Hij is mijn vader,’ zei zij kortaf. Ze zette een bril op en de film begon.
Ik heb veel films met haar gezien, in datzelfde zaaltje, in de bioscoop, thuis op video en op televisie, we hadden dezelfde smaak. Aan het eind van de film bleef ze altijd zitten tot de hele aftiteling voorbij was. Soms kwam zij met een suggestie, soms ik, een enkele keer gingen we naar een toneelstuk of een dansvoorstelling.”

 

Stefan Brijs (Genk, 29 december 1969)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse dichteres Vesna Lubina werd geboren in 1981 als dochter van Bosnische immigranten in Witten. Zie ook alle tags voor Vesna Lubina op dit blog.

 

Duitse gevels

de namen van de spelers worden niet meer genoteerd:
de vertrapte
hertshooi
in het kreupelhout

reisdocumenten gevouwen de taal opnieuw
afgelegd, nog een laatste keer naar de jongens luisteren
bal tegen de huismuur nog eens nog eens

aan de boer van toen een groet
met de scheve tand, de lippen
kromgetrokken

vanaf de geboorteplaats
slechts één station:
mijn vogel mijn kussen zwijgen

in de storm komen geen mensen

terug naar het dijkpad

paardloos

sta je dan met je ogen in het
zand zacht

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Vesna Lubina (Witten, 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e december ook mijn blog van 29 december 2018.

Burkhard Spinnen, Alexander Gumz

De Duitse schrijver Burkhard Spinnen werd geboren op 28 december 1956 in Mönchengladbach. Zie ook alle tags voor Burkhard Spinnen op dit blog.

Uit: Rückwind

‘Trössner, was ist? Stellst du dir vor, du bist derjenige, dessen Namen wir tunlichst vermeiden? Selbst in diesen unbedachten Momenten, wenn man ihn ausspricht, ohne ihn zu meinen. Der, dessen Namen wir unterdrücken, weil wir von seiner Nichtexistenz so tief überzeugt sind. Und das auch, ja, gerade jetzt, da man von Leuten in deiner Situation gerne sagt, sie würden das Beten lernen. Jedenfalls sieht er so aus, Hartmut Trössner, wie er jetzt mit einem langen Finger auf die Bildschirmanzeige des Fahrkartenautomaten zieh. Recht ähnlich dem besagten weißbärtigen Herrn, wie er von seiner Wolke herab so energisch auf seinen Adam zeigt, an dem, wenn man etwas strenger hinschaut, alles ein bisschen schlaff ist, auch der Finger, den er dem Herrn entgegen streckt. Als scheute er die Berührung mit seinem Schöpfer. Du erinnerst dich, Trössner: in Rom, du musstest dir den Kopf verrenken, um das zu sehen, und der Vater las dazu der Mutter aus dem Reiseführer vor. Hätte es damals schon Mobiltelefone gegeben, hätte er daran erinnert, dass man sie an diesem Ort unbedingt ausschalten muss. Schon aus Respekt vor dem da oben. Aber ich schweife ab. Jetzt drückt et Ziemlich kräftig sogar. Warum kräftig, Trössner? Damit da Leben reinkommt? Oder denkst du vielleicht, deine Fingerkuppen könnten zu kalt sein, um den erwünschten Impuls auszulösen? Die Vorstellung passt zwar nicht zur Jahreszeit und dem wunderbaren Wetter, aber zur persönlichen Verfassung. Das hätte eine gewisse Poesie.
Wohin reisen?, fragt der Bildschirm. Nach Berlin. Und wann? Jetzt. Und warum? l)as frage ich. Mit Nachdruck. Zumal, soweit ich weiß, noch gestern überhaupt nicht von Aufbruch oder Reise die Rede war. Ich bekomme allerdings keine Antwort. Der Vorgang wird bearbeitet. Trössner soll seine Karte in den Schlitz stecken und seine Geheimnummer eingeben. Jetzt wird es ernst! Haben sie womöglich sein Privatkonto gesperrt? Dieses antiquarische, besser nostalgische Girokonto, das, wenn ich richtig unterrichtet bin, der Vater für ihn eingerichtet hatte, als ihm sein Taschengeld erstmals überwiesen wurde Und auf dem sich momentan ein Betrag befinden müsste, den Trössner mit fünfzehn ein Vermögen genannt hätte und ab dreißig wieder ein Taschengeld. Er tippt die Geheimzahl. 6369. Geboren auf dem Mond. Eine ausnehmend schöne Eselsbrücke. Umgehend kommt die Meldung, dass alles funktioniert. Bitte die Karte entnehmen. Fällt hier etwa jemandem ein Stein vom Herzen? Fs wird ein Fahrschein gedruckt. Sag mal, Tnössner, bei der Gelegenheit, wann bist du zum ersten Mal Bahn gefahren? Ist das vierzig Jahre her? Würde ich schätzen. Wer in deinen Kopf schauen kann, der sieht darin die Großraumwagen der ersten Intercity-Generation. Gelborange die Wände, die Gepäckablagen und die Sitze, rötlich braun die Stirnwände, und die Reservierungsschildchen neckten hinter verkratztem Plexiglas. Man konnte das grauenhaft finden.“

 

Burkhard Spinnen (Mönchengladbach, 28 december 1956)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Alexander Gumz werd geboren op 19 december 1974 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Alexander Gunz op dit blog.

 

god in korte broek

op de een of andere manier zijn de radio’s op een andere frequentie ingesteld.
specialisten brabbelen. kleine overlapping
met het kloppen van het heden in mijn maag.

ver uit de boeg van een boot leunend,
maakten we ons zorgen over halslijnen.

oordeel zelf: waarom kent de onderbouw ons,
is dat het prinsenpaar dat zich zou hebben opgehangen?
we moeten hoe dan ook niet op retoriek vertrouwen.
beter om over verjaardagskaarten heen te kleuren, schrijf:

lieverds, we hebben sinds vandaag een thuis. jullie kennen het,
achter bergen waar een bad voor ons wordt klaargemaakt,
zo transparant alsof we het verdienden.

we worden nog steeds niet genoeg veracht.

hoe zei god het gisteren op de radio:
iemand zal boeten, zal opstaan van de gedekte tafel,
twee stappen zetten naar de ondergang
en pats, dat was het.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Alexander Gumz (Berlijn, 19 december 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e december ook mijn blog van 28 december 2018 en ook mijn blog van 28 december 2015 en eveneens mijn blog van 28 december 2014 deel 2.

Burkhard Spinnen, Alexander Gumz

De Duitse schrijver Burkhard Spinnen werd geboren op 28 december 1956 in Mönchengladbach. Zie ook alle tags voor Burkhard Spinnen op dit blog.

Uit: Rückwind

‘Trössner, was ist? Stellst du dir vor, du bist derjenige, dessen Namen wir tunlichst vermeiden? Selbst in diesen unbedachten Momenten, wenn man ihn ausspricht, ohne ihn zu meinen. Der, dessen Namen wir unterdrücken, weil wir von seiner Nichtexistenz so tief überzeugt sind. Und das auch, ja, gerade jetzt, da man von Leuten in deiner Situation gerne sagt, sie würden das Beten lernen. Jedenfalls sieht er so aus, Hartmut Trössner, wie er jetzt mit einem langen Finger auf die Bildschirmanzeige des Fahrkartenautomaten zieh. Recht ähnlich dem besagten weißbärtigen Herrn, wie er von seiner Wolke herab so energisch auf seinen Adam zeigt, an dem, wenn man etwas strenger hinschaut, alles ein bisschen schlaff ist, auch der Finger, den er dem Herrn entgegen streckt. Als scheute er die Berührung mit seinem Schöpfer. Du erinnerst dich, Trössner: in Rom, du musstest dir den Kopf verrenken, um das zu sehen, und der Vater las dazu der Mutter aus dem Reiseführer vor. Hätte es damals schon Mobiltelefone gegeben, hätte er daran erinnert, dass man sie an diesem Ort unbedingt ausschalten muss. Schon aus Respekt vor dem da oben. Aber ich schweife ab. Jetzt drückt et Ziemlich kräftig sogar. Warum kräftig, Trössner? Damit da Leben reinkommt? Oder denkst du vielleicht, deine Fingerkuppen könnten zu kalt sein, um den erwünschten Impuls auszulösen? Die Vorstellung passt zwar nicht zur Jahreszeit und dem wunderbaren Wetter, aber zur persönlichen Verfassung. Das hätte eine gewisse Poesie.
Wohin reisen?, fragt der Bildschirm. Nach Berlin. Und wann? Jetzt. Und warum? l)as frage ich. Mit Nachdruck. Zumal, soweit ich weiß, noch gestern überhaupt nicht von Aufbruch oder Reise die Rede war. Ich bekomme allerdings keine Antwort. Der Vorgang wird bearbeitet. Trössner soll seine Karte in den Schlitz stecken und seine Geheimnummer eingeben. Jetzt wird es ernst! Haben sie womöglich sein Privatkonto gesperrt? Dieses antiquarische, besser nostalgische Girokonto, das, wenn ich richtig unterrichtet bin, der Vater für ihn eingerichtet hatte, als ihm sein Taschengeld erstmals überwiesen wurde Und auf dem sich momentan ein Betrag befinden müsste, den Trössner mit fünfzehn ein Vermögen genannt hätte und ab dreißig wieder ein Taschengeld. Er tippt die Geheimzahl. 6369. Geboren auf dem Mond. Eine ausnehmend schöne Eselsbrücke. Umgehend kommt die Meldung, dass alles funktioniert. Bitte die Karte entnehmen. Fällt hier etwa jemandem ein Stein vom Herzen? Fs wird ein Fahrschein gedruckt. Sag mal, Tnössner, bei der Gelegenheit, wann bist du zum ersten Mal Bahn gefahren? Ist das vierzig Jahre her? Würde ich schätzen. Wer in deinen Kopf schauen kann, der sieht darin die Großraumwagen der ersten Intercity-Generation. Gelborange die Wände, die Gepäckablagen und die Sitze, rötlich braun die Stirnwände, und die Reservierungsschildchen neckten hinter verkratztem Plexiglas. Man konnte das grauenhaft finden.“

 

Burkhard Spinnen (Mönchengladbach, 28 december 1956)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Alexander Gumz werd geboren op 19 december 1974 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Alexander Gunz op dit blog.

 

god in korte broek

op de een of andere manier zijn de radio’s op een andere frequentie ingesteld.
specialisten brabbelen. kleine overlapping
met het kloppen van het heden in mijn maag.

ver uit de boeg van een boot leunend,
maakten we ons zorgen over halslijnen.

oordeel zelf: waarom kent de onderbouw ons,
is dat het prinsenpaar dat zich zou hebben opgehangen?
we moeten hoe dan ook niet op retoriek vertrouwen.
beter om over verjaardagskaarten heen te kleuren, schrijf:

lieverds, we hebben sinds vandaag een thuis. jullie kennen het,
achter bergen waar een bad voor ons wordt klaargemaakt,
zo transparant alsof we het verdienden.

we worden nog steeds niet genoeg veracht.

hoe zei god het gisteren op de radio:
iemand zal boeten, zal opstaan van de gedekte tafel,
twee stappen zetten naar de ondergang
en pats, dat was het.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Alexander Gumz (Berlijn, 19 december 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e december ook mijn blog van 28 december 2018 en ook mijn blog van 28 december 2015 en eveneens mijn blog van 28 december 2014 deel 2.

Bernard Wesseling, Alexander Gumz

Rectificatie. De Nederlandse dichter en schrijver Bernard Wesseling werd geboren in Amsterdam op 7 december 1978. Zie ook alle tags voor Bernard Wesseling op dit blog.

Uit: Gezelschapsjongen

“Vijf minuten later kwam ze naar buiten met een gestrikte doos onder haar arm. Ze liep kalmer nu, alsof het leven nieuwe betekenis had gekregen met wat er in die doos zat. Ik dacht een veer in haar verderfelijke stap te zien. Het begin van een ladder in haar panty, boven haar hiel. En toen, bij een zebrapad, keek ze in mijn richting.
Ik dook weg, een portiek in, en riskeerde juist op te vallen door me zo plotseling uit haar gezichtsveld te bewegen.
Stom, stom.
Het volgende moment was ik haar kwijt. Ik bevond me op een drukke winkelstraat. Een broeierige Marokkaanse jongen met zachte ogen, boos om zijn eigen verlegenheid, stootte me aan – liep snel verder. De ruit van een bushok trilde licht in zijn sponningen. Een bus draaide in, de deuren sisten open. Niemand stapte uit of in. Tenzij ik, begreep ik even uit de vorsende blik van de buschauffeur. Deel van de stoep was opgebroken. Een geel gehelmde bouwvakker verdween in een tent in de grond.
De omgeving leek erop uit me oneindig af te leiden. Ik was dan ook bang dat een levend standbeeld waar ik vervolgens langsliep, een slordige Centurion van uitgeslagen koper, een schijnachtervolging zou inzetten – toch bleef hij staan.
Maar, en dit was mijn geluk, niemand kleedde zich op deze verhitte dag in het zwart. Een tweede keer verscheen ze, nu voor een winkel. Daar bekeek ze iets in de etalage: een niemendalletje, een negligé, de mannequin of de man die haar ontkleedde.
Toen pas schoot de term me te binnen die gebruikt wordt om vrouwen zoals zij te beschrijven: schaduwweduwe. En het was even alsof ik vat kreeg op haar wezen.
Bij een drukbezocht stoplicht kwam ik zo dichtbij dat ik, een heerlijk oneerbiedig moment lang, op haar door een muur geknakte slagschaduw stond.
Voor een statig gebouw, uiteindelijk, hief ze een knie waar ze haar schoudertas op rustte en viste haar sleutels te voorschijn, de gebakdoos hing aan het touwtje tussen haar tanden.
Dit was mijn kans.
Maar voordat ik mijn voet in haar deuropening kon steken, voordat ik haar huis binnen kon dringen, werd mij nog één keer de weg versperd door een leeglopende balletschool: balletdanseressen hadden ineens de stoep in beslag genomen, binnen enkele seconden stonden ze tot midden op straat. Overal knotjes en pezige schouders, overal ranke benen en benige armen. Ze hadden zich allemaal gewend tot de artiestenuitgang waar ze net uit kwamen; een zwart vierkant gat naast een opengezwaaide ijzeren deur. Geen van hen leek mij op te merken toen ik ze passeerde, met mijn handen omhoog (om me smal te maken, te laten zien dat ik niets ongepasts deed) terwijl ze toch weken voor mij, een voor een, als wuivend graan. Ik trok een sprint, stopte, wandelde in snel tempo verder en was op tijd – ze schouderde haar tasje, klaar met het bekijken van een behulpzame envelop – om me haar achternaam toe te eigenen.”

 

Bernard Wesseling (Amsterdam, 7 december 1978)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Alexander Gumz werd geboren op 19 december 1974 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Alexander Gunz op dit blog.

 

Op adem komen

zeg je in deze kokende maand
laat de kinderen maar schreeuwen op de binnenplaats

de apparaten uitzetten kaal voor elke blik elk
overvol metrocompartiment dat “s morgens door onze slaap

trekt een tijdje bodemloos zeg je maar dan
vier weken zijn ook maar wat we ‘doorgaan’ noemen

wanneer iemand zijn hand op onze schouder legt
in de overbevolkte omgeving blijft staan

voor jouw kamer tussen ongenode gasten
in mijn hoofd met steeds verder verwijderde zinnen

een nieuw uitgevonden accent in het oor twee tonen
die in jou net als stroom elke paar seconden wisselen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Alexander Gumz (Berlijn, 19 december 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e december ook mijn blog van 27 december 2018 en ook mijn blog van 27 december 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Weihnachten (Theodor Storm), Kerstgedicht (Joseph Brodsky)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!

 

Weihnachten in Niederbobritzsch/Sachsen mit Kirche und Pfarrhaus door Burkhard Foltz, 2015

 

Weihnachten

Mir ist das Herz so froh erschrocken,
das ist die liebe Weihnachtszeit!
Ich höre fern her Kirchenglocken
mich lieblich heimatlich verlocken
in märchenstille Herrlichkeit.

Ein frommer Zauber hält mich wieder,
anbetend, staunend muß ich stehn;
es sinkt auf meine Augenlider
ein goldner Kindertraum hernieder,
ich fühl’s, ein Wunder ist geschehn.

 

Theodor Storm (14 september 1817 – 4 juli 1888)
Husum, de geboorteplaats van Theodor Storm, in kerstsfeer

 

De Russisch-Amerikaanse dichter en schrijver Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 in Leningrad (het huidige St.Petersburg) geboren als Iosif Brodski. Zie ook alle tags voor Joseph Brodsky op dit blog.

 

Kerstgedicht

Stel je eens voor, die nacht een lucifer afstrijken
en door de kieren in de vloer de kou meekrijgen;
neem een leeg bord om daar een maaltijd op te missen
en voel vervolgens de woestijn – die overal is.

Stel je de stal voor: daar een lucifer afstrijken
en naar de beesten en de vuurkorf, het gereedschap kijken
en met een handdoek je gezicht afdrogen: zo misschien
het ingepakte kind en Jozef en Maria zien.

Stel je de wijzen voor, de trage karavanen
richting de stal, drie lijnen, overal vandaan,
richting de ster. De lading kraakt, een koebel klinkt,
het schemert donkerblauw boven het kind
dat zelf geen klokken hoort – die moet hij nog verdienen.

En stel je God voor in het verre donker
die voor het eerst zichzelf ziet in dit mensenkind –
een thuisloze die zich in deze thuisloze terugvindt.

 

Vertaald door Menno van der Beek

 

Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996)
Portret door Robert Morgan, 1986

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e december ook mijn blog van 26 december 2018 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Zur heiligen Weihnacht (Adolph Kolping)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!

 

De geboorte van Christus door Jean-Baptiste Marie Pierre,
2e helft 18e eeuw

 

Zur heiligen Weihnacht

Es strebte aus der Nacht des Lebens
Die Menschheit stets nach Glück und Licht,
Doch suchte sie den Weg vergebens
Jahrtausende und fand ihn nicht.

Da liess den Friedensgruss erschallen
Durch Engelsmund das Christuskind,
Es bot den wahren Frieden allen,
Die eines guten Willens sind.

Es nahm auf sich der Menschheit Bürde
Und gab des reinen Herzens Glück,
Es gab dem Weibe seine Würde,
Dem Sklaven gab es sie zurück.

O, lasst uns dieses Kindlein preisen,
Das uns versöhnte mit dem Grab,
Das uns das grosse Ziel der Weisen,
Den Frieden und die Wahrheit, gab.

Ihr Mütter, eilt im Geist zur Krippe,
In der das Kindlein Jesu lag,
Und betet nicht bloss mit der Lippe,
Nein, mit dem Herzen betet nach:

“O Jesu, segne mein Bestreben
Für meine Kinder, dass ich sie,
Die Du für Dich mir hast gegeben,
Für Deinen Himmel auch erzieh’!

Lass mich sie lehren, Dir zu dienen,
Steh Du mir auch, Maria, bei,
Damit ein jedes unter ihnen
Dem Kinde Jesu ähnlich sei!”

Heil euch, ihr Mütter, Heil am Tage
Der Rechenschaft, wenn jede dann
Auf ihres Richters ernste Frage
Mit frohem Herzen sagen kann:

“Die Kinder, Herr, die ich geboren,
Ich führte sie zum Heil, zum Glück,
Ich habe keines Dir verloren,
Ich geb’ sie Dir, mein Gott, zurück!”

 

Adolph Kolping (8 december 1813 – 4 december 1865)
Schloss Loersfeld in Kerpen. Adolph Kolping werd in Kerping geboren.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e december ook mijn blog van 25 december 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

De kerstboom (Martinus Nijhoff), Ingo Baumgartner

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!

 

De aanbidding door de herders door Guido Reni, 1642

 

De kerstboom

De kaarsen branden tusschen mandarijnen,
Sneeuwsterren, speelgoed en gekleurde noten.
De kind’ren zingen, en de dauw der groote
Oogen beweegt en blinkt in ’t trillend schijnen.

Hoor hoe ze zingen: ‘Nu zijt wellekome’ –
‘k Voel moeders hand weer die de mijne houdt,
En huiver bij den geur van ’t schroeiend hout
Als toen ik zong: ‘Gij zijt van ver gekomen -’

En daar staat weer de stal van Bethlehem,
Sneeuw op het dak en licht door roode ramen! –
– Moeder, wij waren veel te lang niet samen,
– Ik heb het lied vergeten met uw stem.

Zij strijkt weer door mijn haar en zegt: ‘Ach jongen,
Elk jaar dat jij er niet bent bij geweest,
Meende ik je stem te hooren, hier op ’t feest,
Vlak naast me en weenend als de kind’ren zongen.

 

Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
Kerstsfeer in Den Haag, de geboorteplaats van Martinus Nijhoff

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ingo Baumgartner werd op 24 december 1944 in Oberndorf an der Salzach geboren. Zie ook alle tags voor Ingo Baumgärtener op dit blog.

 

Kerstmarkt

Bomen dragen ronde vruchten,
sparren siert een lichtjeskrans.
Vlokken tuimelen in het dichte
takkenwerk der mooi verlichte
bomen, dansen er een rondedans.

Mensen haasten zich in lange rijen
Vakmanschap naast snuisterijen.
Feestlantaarns aan de wanden,
Glanzend suikerwerk en lekkernijen
stralen als door toverhanden.

Kerstmarkten alom ingericht,
mensenmassa’s zonder overzicht,
maar behorend tot die oorden,
waar de zware ernst van woorden
ten onder gaat in ‘t warme licht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ingo Baumgartner (24 december 1944 – 16 juli 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e december ook mijn blog van 24 december 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Robert Bly

De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Bly werd geboren op 23 december 1926 in Madison, Minnesota. Zie ook alle tags voor Robert Bly op dit blog.

 

BRAHMS

It must be that my early friendship with defeat
Has given me affection for the month of August.
The potato fields belong to early night.

So many times as a boy I sat in the dirt
Among dry cornstalks that gave assurances
Every hour that Francis had his ear to the night.

Columbus’s letters tell us that we will receive
The gifts that mariners all receive at the end—
Memories of gold and a grave in the sand.

The shadow of a friend’s hand gives us
Promises similar to those we received from
The light under the door as our mother came near.

I am the father who wept for Joseph.
I am the sparrow that flies through the warrior’s
Hall and back out into the falling snow.

I don’t know why these images should please me
So much; an angel said: “In the last moment before night
Brahms will show you how loyal the notes are.”

 

Ravens Hiding in a Shoe

There is something men and women living in houses
Don’t understand. The old alchemists standing
Near their stoves hinted at it a thousand times.

Ravens at night hide in an old woman’s shoe.
A four-year-old speaks some ancient language.
We have lived our own death a thousand times.

Each sentence we speak to friends means the opposite
As well. Each time we say, “I trust in God,” it means
God has already abandoned us a thousand times.

Mothers again and again have knelt in church
In wartime asking God to protect their sons,
And their prayers were refused a thousand times.

The baby loon follows the mother’s sleek
Body for months. By the end of summer, she
Has dipped her head into Rainy Lake a thousand times.

Robert, you’ve wasted so much of your life
Sitting indoors to write poems. Would you
Do that again? I would, a thousand times.

 

The Great Society

Dentists continue to water their lawns even in the rain:
Hands developed with terrible labor by apes
Hang from the sleeves of evangelists;
There are murdered kings in the light-bulbs outside movie theaters:
The coffins of the poor are hibernating in piles of new tires.

The janitor sits troubled by the boiler,
And the hotel keeper shuffles the cards of insanity.
The President dreams of invading Cuba.
Bushes are growing over the outdoor grills,
Vines over the yachts and the leather seats.

The city broods over ash cans and darkening mortar.
On the far shore, at Coney Island, dark children
Playing on the chilling beach: a sprig of black seaweed,
Shells, a skyful of birds,
While the mayor sits with his head in his hands.

 

De nacht dat Abraham naar de sterren riep

Herinner je je de avond dat Abraham voor het eerst
De sterren zag? Hij riep naar Saturnus: “U bent mijn Heer!”
Wat was hij blij! Toen hij de Morgenster zag,

Riep hij: “U bent mijn Heer!” Hoe gebroken was hij
Toen hij zag hoe ze onder gingen. Vrienden, hij is zoals wij:
Wij nemen als onze Heer de sterren die ondergaan.

We zijn trouwe metgezellen van de ontrouwe sterren.
Wij zijn gravers, net als dassen; we houden ervan om het vuil
Te voelen dat achter onze achterpoten vandaan vliegt.

En niemand kan ons ervan overtuigen dat modder niet
Mooi is. Het is onze dassenziel die dat denkt.
We zijn klaar om de rest van ons leven door te brengen

Met wandelen in modderschoenen door de natte velden.
We lijken op ballingen in het koninkrijk van de slang.
We staan in de uienvelden naar de nacht omhoog te kijken.

Mijn hart is overdag een kalme aardappel en een huilende
verlaten vrouw in de nacht. Vriend, vertel me wat ik doen moet,
Want ik ben een man die verliefd is op de ondergaande sterren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Bly (Madison, 23 december 1926)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e december ook mijn blog van 23 december 2018 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Astrid Lampe, Kenneth Rexroth

De Nederlandse dichteres en schrijfster Astrid Lampe werd geboren in Tilburg op 22 december 1955. Zie ook alle tags voor Astrid Lampe op dit blog.

 

banjerend over de slingerdijk

banjerend over de slingerdijk
kreeg ik eerst dansles
met geschuif van één strenge hak
werd ons juist afstand gewezen

kerk nog in de steigers
zerk van bord-
papier; de namen en –

hooglied jij
in

ruwe schets, een
zachtkool schriftuur in passen
– zo passend – opgetekend:
een datum bij het uur
het eerste en

hooggehield ben ik dan ook
tot de graven gegaan, heb
weifelend een naam gefluisterd – ge-
proefd tegen de wind in wie weet mijn rok
een ietsje opgelicht en
– nog geknield ook -:

de jouwe

in scherp grint toe dans lief,
een laatste maal de armen tot een
lint -; sling slang de
slingerdijk

dans ons juist dronken
dans ons…

banjerend over de dijk
heb ik een naam gezwegen
een horizon die wijkt

 

de strakke horizon

de strakke horizon
leunt zwaar op nieuwe beelddragers

hier telt het zuiden
in schokdempers
fijnstof
een haperend rolluik

hier telt het zuiden
iets te grof afgesteld
mijn hele cruiseschip
draait om je as

 

iets leuks aantippen

iets leuks aantippen in de catalogus van je moeder
pannen van zeildoek
ik woon hier
lijkt de centrale gedachte van dit werk

(met dikke vingers denkend aan de zwarte madonna
pelgrimage naar het lipstickenorgel, rap een kruis
zijn zelfportret gekerfd uit een aspirine)

knor knor
nooit met een lege maag door het museum gaan
van haar tasje een glimp
de lappen tekst maar overslaan. dus hup

van het verzekeringsgeld, een smak dollars
liet hij die bouwkeet
toch mooi vol isolatie pompen – pik van marshmallow – licht ving!
hoe één van haar sporen…
oortje oortje
knabbel knabbel
sexy slang

dit testosteronfeest
niet versjteren
in de lucht simuleer ik
the non-logical hunt for toverknal

( …mooi rond alles
tril me los lieve ridder
zoem ice cube ice cube en

blok me
blok me)

 

Astrid Lampe (Tilburg, 22 december 1955)

 

De Amerikaanse dichter Kenneth Rexroth werd geboren in South Bend (Indiana) op 22 december 1905. Zie ook alle tags voor Kenneth Rexroth op dit blog.

 

Discriminatie

Ik vind het menselijk ras niet erg.
Ik ben er behoorlijk aan gewend geraakt
In de afgelopen vijfentwintig jaar.
Ik vind het niet erg als ze naast me zitten
In trams, of eten
In dezelfde restaurants, zolang
Het niet aan dezelfde tafel is.
Ik ben het echter niet mee eens
Dat een vrouw die ik respecteer
Met een van hen danst. Ik heb
Geprobeerd ze bij mij thuis uit te nodigen,
Zonder succes. Het zou me niets moeten schelen
Mijn eigen zus te zien
Trouwen met een van hen. Zelfs als ze
Van hem hield, denk aan de kinderen.
Hun kunst is interessant,
Maar zonder twijfel barbaars.
Ik weet het zeker, als ze de kans kregen,
Zouden ze ons allemaal in ons bed vermoorden.
En je moet toegeven, ze stinken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kenneth Rexroth (22 december 1905 – 6 juni 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e december ook mijn blog van 22 december 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Ted van Lieshout, Ivan Blatný

De Nederlandse dichter en schrijver Ted van Lieshout werd geboren op 21 december 1955 in Eindhoven. Zie ook alle tags voor Ted van Lieshout op dit blog.

 

Afscheid

Maar ook zonder ons samen
draait de wereld wel door,
al weet ik niet waarom.

Voor vriendschap is verhuizen
als de dood. En ik blijf stom
omdat ik stoer en sterk moet zijn,

zoals wij waren. Maar stil
durf ik een onbeholpen woord:
enzovoort, enzovoort, enzovoort.

 

Moeder

Ik wil graag weten wanneer volwassenheid begint.
Ik vraag het maar – mijn moeder zegt:
hoe oud je ook bent, je blijft altijd mijn kind.
Ze heeft haar dood nog niet gepland, is zelfs niet ziek.
Ik heb wel alvast gezegd dat ik de kast wil hebben;
tegen de tijd dat ik hem erf is hij antiek.

Maar dat duurt nog vele jaren.
Ze wijst soms naar de rust van Avondrood –
daar wil ze later wonen (en of ik vast wil sparen).

Het is voor haar eigen bestwil dat ze eerder doodgaat
dan ik: een moeder zonder kind, daar bestaat
zelfs geen naam voor, zoals weduwe of wees.

Nou ja, voorlopig mag ze blijven leven.
Een moeder is altijd handig als er even
niemand anders is die van mij wil houden.

 

Een rivier dankt haar naam

Een rivier dankt haar naam

aan de oevers, want het water
stroomt anoniem voorbij.

Zoals ook ik beweeg binnen
de uiterwaarden van wetten,
aangeduid word en bepaald.

Als ik geen naam had kwam ik
in de Noordzee uit, maar
de regel houdt me bij elkaar.

En als ik overstroom staan dijken
mij terecht te wijzen. Toch laat
ik schepen door en soms vergaan.

 

Ted van Lieshout (Eindhoven, 21 december 1955)

 

De Tsjechische dichter Ivan Blatný werd geboren op 21 december 1919 in Brno. Zie ook alle tags voor Ivan Blatnýop dit blog. Zie ook alle tags voor Ivan Blatný op dit blog.

 

JANUA SAPIENTIAE

The Monx speak Monx
I speak czech and english
I have an instrument for getting traffic-wardens out of the drain-pipes
and changing them into an apple-rose

It all happens in time-space
when the traffic warden is already out
we can hear the noise.

 

SLAVHOST

Poetry is a panacea for all illnesses
The Marx Brothers pluck the egg yolk out

Der Dichter spricht in verschiedenen Sprachen
On the bottom of the lake where mermen spend the night

The open road was blocked
quite blocked by gaiety girls.

 

Vlak land

De bergen zijn de vragen van de bergbeklimmers
Maar ze geven geen antwoord
Het zijn tenslotte geen schoolkinderen
Maar St. Bernardhonden zullen aan komen kuieren
Het advies geven om te keren
En nooit meer te klimmen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ivan Blatný (21 december 1919 – 5 augustus 1990)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e december ook mijn blog van 21 september 2018 en ook mijn blog van 21 december 2014 deel 2 en eveneens deel 3.