Kader Abdolah, Helen Dunmore

De Iraans – Nederlandse schrijver Kader Abdolah (pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani) werd geboren in Arak op 12 december 1954. Zie ook alle tags voor Kader Abdolah op dit blog.

Uit: Farao van de Vliet

“Zayed Hawass was zijn geheugen kwijt. Hij was alles vergeten en wist niet meer wie hij was. Van zijn hele verleden had hij alleen deze naam en een geheim onthouden. Hij was eigenlijk de bekende Nederlandse egyptoloog professor Herman Raven. Zayed Hawass was een pseudoniem.
Herman Raven had een bloeiende carrière als archeoloog in Egypte achter de rug en hij had een reeks boeken en talloze artikelen over de Oudheid van het land geschreven. Hij woonde jarenlang in Egypte en was zo verbonden geraakt met dat land dat hij een Arabisch pseudoniem voor zichzelf bedacht had.
In zijn tijd was Zayed Hawass altijd betrokken geweest bij belangrijke opgravingen in de grafkelders van farao’s. Hij was meestal de eerste die de oude trap van een nieuw ontdekte grafkelder afdaalde, en de eerste die het deksel van de kist opzijschoof om een blik op de mummie te werpen. Daarnaast was hij lid geweest van een roboticateam dat voor het eerst met een kabelcamera onderzoek deed naar een mysterieuze schat in de grootste piramide.
Maar Zayed Hawass wist niets meer over die tijd, zelfs niets meer over de grote invloedrijke farao’s als Hatsjepsoet, Thoetmoses III, Amenhotep III, Achnaton en Ramses III. Van zijn interessante glorieuze carrière had hij alleen een naam van een koningin uit een vroege dynastie onthouden. Deze naam was in hiërogliefen geschreven en klonk als Mrjt Njt. Dit betekende iets als ‘Geliefde van de Nijl’.
Zayed Hawass had een dochter die Merie heette, naar diezelfde koningin. Zijn vrouw was jong gestorven, toen Merie nog een kind was. Om die reden had hij Egypte definitief verlaten en was hij als egyptoloog aan de Universiteit Leiden gaan werken.
Hij woonde nu in Den Haag, aan de Haagse Vliet. Het was een groot oud huis met twee verdiepingen en een grote achtertuin. De woonkamer had een breed raam waar grote vrachtschepen regelmatig langs voeren.
Er kwamen later andere vrouwen in het leven van Zayed Hawass, maar hij hertrouwde niet en bracht die vrouwen nooit thuis want zijn huis behoorde toe aan zijn vrouw en was het nest van zijn dochter.
Omdat Hawass’ geheugen niet meer werkte wilde zijn dochter hem in een bejaardentehuis onderbrengen, maar het was haar niet gelukt hem zover te krijgen. Zayed wilde onder geen enkel beding zijn huis verlaten. Hij was alles vergeten, maar niet dat hij in de kelder van zijn woning heimelijk iets kostbaars bewaarde. Daarom had Merie een verzorgster voor haar vader geregeld, een oude weduwe die doordeweeks in het huis verbleef en beneden in haar eigen kamer sliep. De vrouw, die Anneke heette, deed huishoudelijke taken voor hem en hield een oogje in het zeil. De weekenden waren Merie en haar gezin vaak bij Zayed en was Anneke vrij.”

 

Kader Abdolah (Arak, 12 december 1954)

 

De Britse dichteres en schrijfster Helen Dunmore werd geboren op 12 december 1952 in Beverley, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Helen Dunmore op dit blog.

 

Stad seringen

In desolate drugssteegjes, onder overkappingen,
in percelen vol zure aarde die doorgaan voor tuinen,
in de ruimte tussen muur en afvalbak,
waar mannen met mobiele telefoons een dringend gesprek voeren,

waar meisjes met blote benen huiveren in de aprilwind,
waar een jonge moeder voor haar deur staat en met haar ogen knippert
tegen de schittering van de ochtend, zo plotseling geboren –

op al deze plaatsen duwen de seringen van de stad
hun kegels van bloesem de lente in,
om te worden meegenomen door de warme wind.

Een sering maakt, net als liefde, geen onderscheid.
Hij gaat voor iedereen open.
Zelfs voordat liefde weet dat het liefde is
weet de sering dat hij moet bloeien.

In desolate drugssteegjes, onder overkappingen,
in iemands voortuin
prijsgegeven aan verkreukelde pakjes en blikjes,

op fraai aangelegde rotondes van snelwegen,
in de diepte van parken
waar mannen en vrouwen zich verliezen in transacties
van vlees en geld, waar mobiele telefoons rinkelen

en de deal gesloten wordt – hier geven de stad seringen
hun zoete, wilde parfum af,
buigen dan door, zwaar van de regen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Helen Dunmore (12 december 1952 – 5 juni 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e december ook mijn blog van 12 december 2018 en ook mijn blog van 12 december 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Marie Kessels, Christoph W. Bauer

De Nederlandse schrijfster Marie Kessels werd geboren in Nederweert op 11 december 1954. Zie ook alle tags voor Marie Kessels op dit blog.

Uit: Veldheer Banner

‘Lief roodhaartje, mag ik je morgenmiddag verwelkomen? Neem je paspoort of identiteitsbewijs mee,’ schreef hij me als hij zich iets te veel door zijn fantasieën over een gezamenlijk reisje naar een tentoonstelling in Essen of een theatervoorstelling in Darmstadt had laten meeslepen en even vergeten was dat hij de volgende dag allerlei verplichtingen had. Door zijn Parkinson kon hij zich heel moeilijk een accuraat beeld van de toekomst vormen. En in de uren voor onze ontmoeting was hij geneigd zijn krachten nogal te overschatten en zijn afhankelijkheid van zijn levodopa te bagatelliseren. Niets dan schaamte om me onder ogen te moeten komen als hij slecht praatte en slecht bewoog, en dat wist hij zelf het beste.
In de trein hoorde ik al in mijn oor wat hij me straks zou vragen met die zorgelijke vogelstem van hem: ‘Was het niet erg vies in de trein?’ En: ‘Kon je je goed van je werk losmaken? Ik betaal je je reisgeld terug, hoor.’
En dan zou ik hem, heel vriendelijk, in zijn gezicht uitlachen om dat woord vies en om de spijtige toon waarop hij het uitsprak, vol mededogen met mij, arme treinreiziger. ‘Ach jongen, het openbaar vervoer valt best mee.’
Ik had in de anderhalf uur van mijn treinreis naar hem toe wel altijd angstvisioenen van brand in mijn flat, of waterschade, die mijn kostbare papieren fotocollectie zou vernietigen. Maar dat zei ik liever niet te vaak tegen hem, want dan zou hij dat beeld van al die in de fik vliegende, smeulende, zwartgeblakerde foto’s moeilijk meer uit zijn hoofd kunnen zetten. Mijn neurotische angst voor verwoesting van mijn levenswerk sloeg gemakkelijk op hem over, en dan had ik spijt omdat ik mijn mond niet had gehouden.
Als ik nog in de voormiddag uit de trein stapte, kocht ik onderweg soms een paar broodjes haring voor onze lunch, een lekkernij die hij niet gauw voor zichzelf zou kopen. Hij proefde de zilte vissmaak toch niet. Maar ik kende zijn voorkeur voor alles wat glad en soepel was en niet te erg tegenstribbelde goed genoeg om af en toe zo’n heerlijk vers harinkje voor hem te kopen bij de viskar op de hoek van de Stationsstraat en de Zuidelijke Ringweg.
Op dagen met een schrale noordoostenwind kon ik het niet aanzien dat de visboer daar zo stond te blauwbekken in zijn kraam en deed ik een extra grote bestelling. Hij had dan van die dikke, rode handen, die hij voortdurend beademde om ze op te warmen onder het wachten op zijn klanten. Tegen twaalven kreeg hij het te druk om er nog op te letten hoe ontoonbaar zijn handen eruitzagen, met hun strakgetrokken, kapotte huid en hun stijve knoken die zijn bewegingen verlangzaamden. Hoe meer hij opging in het smeren van de broodjes en het strooien van de uitjes, des te minder kon het hem schelen of een klant naar de stroeve bewegingen van zijn gezwollen handen staarde of niet.”

 

Marie Kessels (Nederweert, 11 december 1954)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Christoph W. Bauer werd geboren in Kolbnitz op 11 december 1968 (niet 26 september). Zie ook mijn blog van 26 september 2010 en ook alle tags voor Christoph W. Bauer op dit blog.

 

maar sommige ogenblikken nestelen zich zonder datum

maar sommige ogenblikken nestelen zich zonder datum
in de stembanden waar alles in karakterisering
uiteenvalt het ene zowel als het andere belachelijk

kan zijn ondiepten nog langer te willen
beschrijven de kleuren de zee een land is mij
in grenzen woordwaarts getrokken maar mijn atlantische oceaan

heet hoofd en waar bohemens oevers zijn is elders
te lezen aan het gehemelte reizen wensen door de
misthoorn op de tong de schepen ahoy

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph W. Bauer (Kolbnitz, 11 december 1968)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e december ook mijn blog van 11 december 2018 en eveneens mijn blog van 11 december 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Karl Heinrich Waggerl, Emily Dickinson

De Oostenrijkse schrijver Karl Heinrich Waggerl werd geboren op 10 december 1897 in Bad Gastein. Zie ook alle tags voor Karl Heinrich Waggerl op dit blog.

Uit: Die stillste Zeit im Jahr

„Unsere Liebe Frau kniete im seidenen Mantel vor der Krippe, und auf der Strohschütte lag das rosige Himmelskind, leider auch nicht mehr ganz heil, seit ich versucht hatte, ihm mit der Brennschere neue Locken zu drehen. Hinten standen Ochs und Esel und bestaunten das Wunder. Der Ochs bekam sogar ein Büschel Heu ins Maul gesteckt, aber er fraß es ja nie. Und so ist es mit allen Ochsen, sie schauen nur und schauen und begreifen rein gar nichts.Weil der Vater selber Zimmermann war, hielt er viel darauf, daß auch sein Patron, der heilige Joseph, nicht nur so herumlehnte, er dachte sich in jedem Jahr ein anderes Geschäft für ihn aus. Joseph mußte Holz hacken oder die Suppe kochen oder mit der Laterne die Hirten einweisen, die von überallher gelaufen kamen und Käse mitbrachten oder Brot oder was sonst arme Leute zu schenken haben.Es hauste freilich ein recht ungleiches Volk in unserer Krippe, ein Jäger, der zwei Wilddiebe am Strick hinter sich herzog, aber auch etliche Zinnsoldaten und der Fürst Bismarck und überhaupt alle Bestraften aus der Spielzeugkiste.Ganz zuletzt kam der Augenblick, auf den ich schon tagelang lauerte. Der Vater klemmte plötzlich meine Schwester zwischen die Knie, und ich durfte ihr das längste Haar aus dem Zopf ziehen, ein ganzes Büschel mitunter, damit man genügend Auswahl hatte, wenn dann ein golden gefiederter Engel darangeknüpft und über der Krippe aufgehängt wurde, damit er sich unmerklich drehte und wachsam umherblickte.
Das Gloria sangen wir selber dazu. Es klang vielleicht ein bißchen grob in unserer breiten Mundart, aber Gott schaut seinen Kindern ja ins Herz und nicht in den Kopf oder aufs Maul. Und es ist auch gar nicht so, daß er etwa nur Latein verstünde.
Mitunter stimmten wir auch noch das Lieblingslied der Mutter an, das vom Tannenbaum. Sie beklagte es ja oft, daß wir so gar keine musikalische Familie waren. Nur sie selber konnte gut singen, hinreißend schön für meine Begriffe, sie war ja auch in ihrer Jugend Kellnerin gewesen. Wir freilich kamen nie über eine Strophe hinaus. Schon bei den ersten Tönen fing die Schwester aus übergroßer Ergriffenheit zu schluchzen an. Der Vater hielt ein paar Takte länger aus, bis er endlich merkte, daß seine Weise in ein ganz anderes Lied gehörte, etwa in das von dem Kanonier auf der Wacht. Ich selber aber konnte in meinem verbohrten Grübeln, wieso denn ein Tannenbaum zur Winterzeit grüne Blätter hatte, die zweite Stimme nicht halten. Daraufhin brachte die Mutter auch mich mit einem Kopfstück zum Schweigen und sang das Lied als Solo zu Ende, wie sie es gleich hätte tun sollen. Advent, sagt man, sei die stillste Zeit im Jahr. “

 

Karl Heinrich Waggerl (10 december 1897 – 4 november 1973)

 

De Amerikaanse dichteres Emily Dickinson werd geboren op 10 december 1830 in Amherst, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Emily Dickinson op dit blog.

 

Daar ik voor Dood …

Daar ik voor Dood niet stoppen kon –
Deed Hij ’t attent voor mij –
Wij pasten Samen in de Koets –
Onsterflijkheid ging mee.

We reden traag – Hij had geen haast
En ik liet achter mij
Mijn arbeid en mijn vrije tijd,
Zo Hoffelijk was Hij –

We gingen langs de School, gestoei
Van Kinderen, in de Kring –
Langs Velden Starend Graan – en langs
De Zon die Onderging –

Of nee – Die ging langs Ons –
Toen Dauw Kilte en huiver bracht –
Want enkel Tule – was mijn Sjaal –
Mijn Jurk, maar Spinnerag –

We stopten voor een Huis dat leek
Een Zwelling van de Grond –
Het Dak was nauwelijks te zien –
De Kroonlijst – in de Grond –

’t Is Eeuwen her – en toch voelt het
Veel korter dan de Dag
Dat ik voor ’t eerst die Paarden wist –
Naar Eeuwigheid op weg –

 

Vertaald door Peter Verstegen

 

Emily Dickinson (10 december 1830 – 15 mei 1886)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e december ook mijn blog van 10 december 2018 en ook mijn blog van 10 december 2017 deel 3.

Thomas Verbogt, Eileen Myles

De Nederlandse schrijver Thomas Verbogt werd op 9 december 1952 geboren in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Thomas Verbogt op dit blog.

Uit: Als je de stilte ziet

“Ingehouden, besmuikt hoesten hoor ik haar. En lachen tegelijk, heel kort. De lach van Marleen, even maar, verontrustend in de stilte van het huis, de lach waarmee ik niets te maken mag hebben, maar die ik toch horen moet. Er gaat me iets niet aan, dát moet ik begrijpen, maar ik weet niet hoe. Dat is mijn verontrusting. Haar lach moet me raken, ik weet het zeker, zij ook.
Ik heb haar niet horen thuiskomen, ik zat in de tuin met de Muziek Expres, dacht na over een foto van Bob Dylan achter een piano, in strakke donkere kleding met een zonnebril op, geconcentreerd, alsof hij niet bij onze wereld hoorde en, voor zover ik me een voorstelling kon maken van onze wereld, ook niet bij een andere, alleen maar bij zichzelf, wat ik ook wilde, alleen maar bij mezelf horen.
Ik wacht, misschien hoor ik haar nog een keer lachen, maar het blijft stil. Het is het soort stilte waarvan ik nerveus kan worden. Vader geeft college, moeder is naar een vriendin met wie ze om de twee weken over een nieuw boek praat, gesprekken waar ze het thuis niet over heeft.
Meestal roept Marleen schel en dwingend: ‘Ik ben er!’ Mijn vader liep laatst de gang op en zei: ‘Wij ook, poppie.’ Ze kan er niet tegen als hij haar poppie noemt. Daarom zeg ik het ook soms: ‘Wil je je alsjeblieft niet met me bemoeien, poppie! Alsjeblieft niet, poppie!’ Ze kan potsierlijk tieren met haar ogen.
Ze heeft niets geroepen, ze zal me gezien hebben, in de tuin.
Ze is nu al een paar maanden het huis uit, aan het begin van de zomer is ze vertrokken, naar Arnhem, waar ze aan de kunstacademie gaat studeren. Ze heeft een kamer gevonden in de buurt van het station, aan de Sonsbeekzijde. De kamer is niet groot, maar kijkt uit over het glooiende park, een van de fraaiste stadsparken van Nederland, met een groot en statig wit huis in de verte. Het uitzicht maakt haar kamer ruim. Die kamer is het grootste gedeelte van een lage zolder in een herenhuis, eigendom van de oude mevrouw Muskens, die om de maand in het zuiden van Engeland woont, bij Lyme Regis (foto in de hal: uitzicht op zee in ochtendmist), en graag wil dat het huis er dan levendig uitziet, alsof het bewoond is. Marleen mag in die periodes ook zitten in de koel geurende woonkamer van mevrouw Muskens vol herinneringen aan Nederlands- Indië waar ze op de eerste dag van de twintigste eeuw werd geboren, in een klein ziekenhuis ergens in een groen paradijs op West-Sumatra.”

 

Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Eileen Myles werd geboren in Boston, Massachusetts, op 9 december 1949. Zie ook alle tags voor Eileen Myles op dit blog.

 

Ons geluk

was het toen de
lichten uit
waren

de hele stad
in het donker

& we naar het noorden reden
naar het gele appartement
van onze vrienden
waar ze stroom
hadden & wij
konden werken

later bleven we
in het verduisterde
appartement jij ziek
in bed & ik
ambitieus schrijvend
bij kaarslicht
in dunne blauwe
boekjes

je buurman had
een generator &
na een tijdje
hadden we een klein
beetje licht

ik liet de
hond uit & jij
was nog
een klein beetje
ziek

we zaten op een stoepje
op een dag
laat in de middag
we hadden heel weinig
geld. genoeg voor
een sterke cappuccino
die we daar zittend
deelden &
plotseling was
de stad verlicht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Eileen Myles (Boston, 9 december 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e december ook mijn blog van 9 december 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Jamal Ouariachi, Delmore Schwartz

De Nederlandse schrijver Jamal Ouariachi werd geboren in Amsterdam op 8 december 1978. Zie ook alle tags voor Jamal Ouariachi op dit blog.

Uit: Een honger

“Ze laat zich voorzichtig zakken op de rand van het kinderbed, houdt een hand boven het meisje zonder het aan te raken. Warmtebron: de lucht boven de deken gloeit. Ze kijkt op haar telefoon. WhatsApp van Alice: ‘Staat woensdag nog, schatje?’ Sms’je van ouders: ‘Dag lieverd, alles goed met jullie?’ Facebook: vier nieuwe likes voor de foto van vanmiddag waarop Lydia appelmoes eet — achtergrond: de opkomende zon boven het water, liet uitzicht vanuit hun huiskamer. Hier nog even blijven genieten van haar geluk of iets nuttigs gaan doen? Achterstallige administratie? Ze staat op, verlaat de kinderkamer. De gang is donker. Ze tast langs de muur om het begin van de trapleuning te vinden en schrikt. Beweging in haar ooghoek. Haar vingers vinden de lichtschakelaar. Het spook ontmaskerd. Ze zucht beschaamd als ze ziet wat het is: een laken aan het wasrek, misschien wel door haarzelf in beweging gebracht, door de lucht die zij verplaatste. Dit huis is haar te groot. Twee verdiepingen zo vol kamers, dat zelfs wanneer ze alle drie thuis zijn, er ten minste vier ruimtes onbemand blijven. Papa stond erop, destijds. ‘Je blijft toch niet In zo’n studentenhok zitten zweten? Jullie verdienen allebei goed, neem het er dan van. Met kinderen in huis heb je ruimte nodig.’ Waar is Philip? Daar, op de bank nog steeds. Het journaal van acht uur inmiddels. Zou zij ook even voor moeten gaan zitten, in verband met werk. Ze ploft naast hem neer, hand op zijn been, hij omklemt met zijn vuist haar pink. ‘…kunnen de illegale asielzoekers,’ zegt de nieuwslezer, ‘niet langer opgevangen worden in de voormalige bunker onder het…’ Zin in morgen. Geen zin in morgen. Zin in morgen. Geen zin in morgen. Elke zondagavond hetzelfde. Heen en weer geslingerd tussen de hevige behoefte alleen maar titer te zijn, hier thuis, bij de twee mensen van wie ze het meest houdt, en aan de andere kant de drang om de wereld in te trekken, zich niet te laten ketenen door het gezinsleven. ‘…naast het slachtoffer,’ zegt de nieuwslezer, ‘een honkbalknuppel aangetroffen, waarmee het hoofdletsel vermoedelijk…’ Aan het eind van de werkweek, na de uitzending op vrijdagavond, weet ze niet hoe gauw ze de slotborrel moet verlaten om naar huis te gaan, en tegelijk valt het afscheid van haar collega’s haar altijd zwaar, al hoeft ze hen maar twee dagen te missen. Op zondagavond razen de onderwerpen voor de komende week alweer door haar hoofd, maakt ze plannen, heeft ze enorm veel zin—en tegelijkertijd wil ze niet, wil ze niet vroeg op hoeven staan, Lydia naar de crèche brengen, naar haar werk fietsen. Haar zo kwetsbare oase achterlaten. Ze streelt Philips bebaarde wangen. Keel, adamsappel. Zijn hals, laat haar nagels over de haartjes knisperen, hij zegt: ‘Auw’, en: ‘Niet tegen de haarrichting in’, en ze verplaatst haar vingers naar zijn hoofdhaar, dat vol is en zacht. Zo lang samen, nog altijd iets te leren. Het nieuws is afgelopen. Volume omlaag. Ze bespreken de aanstaande week. Vergaderen, je kunt het overal doen, ook thuis. ‘…haal ik Lydia dinsdag van de opvang, en als jij dan de bood-‘ ’terwijl ze praten glijdt haar wijsvinger over het scherm van haar iPhone. Ray op de Facebook-chat: ‘Kun jij morgen die dvd-box van The Hunters meenemen?’ ‘

 

Jamal Ouariachi (Amsterdam, 8 december 1978)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Delmore Schwartz werd geboren op 8 december 1913 in New York. Zie ook alle tags voor Delmore Schwarz op dit blog.

 

Narcissus

DE GEEST IS EEN OUDE EN BEROEMDE HOOFDSTAD

De geest is een stad als Londen,
Rokerig en dichtbevolkt: het is een hoofdstad
Net als Rome, verwoest en eeuwig,
Gemarkeerd door de monumenten die niemand
Zich nu herinnert. Want de geest bevat, net als Rome
Catacomben, aquaducten, amfitheaters, paleizen,
Kerken en ruiterstandbeelden, gevallen, gebroken of vervuild.
De geest bezit en wordt bezeten door alle ruïnes
Van de gedenktekens van elke spookachtige, opgejaagde generatie.

“Noem ons wat je wilt: we zijn zo gemaakt door liefde.”
We zijn zulke spetters waar dromen van gemaakt worden, en
Onze kleine levens worden geregeerd door de goden, door Pan,
Die fluit bij iedereen, die alle druiven probeert te grijpen
Of grijpt; en door de pijl en boog god,
Cupido, die het hart doorboort, plotseling en voor altijd.

Schemering zijn we, naar de schemering terugkerend, na het kabbelen,
Na de gouden val, de gevallen as, het brons,
Verspreid en verrot, na de witte miezerige standbeelden die
Zijn winter, slaap en wezenloosheid: wanneer
Zal de huisverlichting van het universum
Oplichten en gloeien?
………………………………..Want het is niet de zee
Die ruist in een schelp,
En het is niet alleen het hart, op het uur van de harp,
Het is de gevreesde terreur van de oncontroleerbare
Paarden van de Apocalyps, die draven in wilde angst
Op weg naar Arcturus – en net zo plotseling terugkeren…

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Delmore Schwartz (8 december 1913 – 11 juli 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e december ook mijn blog van 8 december 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Dirk Stermann, Tatamkhulu Afrika

De Duits-Oostenrijkse schrijver, presentator en cabaretier Dirk Stermann werd geboren op 7 december 1965 in Duisburg. Zie ook alle tags voor Dirk Stermann op dit blog.

Uit: Der Hammer

„In einer Zeit, als es noch Abenteuer gab und fremde Welten, als die eigene Welt noch klein war und deshalb groß, lag in Graz eine Frau im Bett und wartete unter Schmerzen auf die Wehmutter, die nicht kam. Es war der neunte Juni siebzehnhundertvierundsiebzig. Ihr Mann Josef war Gubernialrat und seit Tagen in der Krain und in Oberkärnten auf Jesuitengütern unterwegs, um Steuern ein-zutreiben. Ninette, wie man Anna Hammer rief, war keine zwanzig Jahre alt und wischte sich selbst den Schweiß von der Stirn. Im Bett war es feucht, als hätte sich etwas aus ihr heraus entleert. Sie erschrak. Ihr Unterleib krampfte. Noch war es dunkel. Sie hatte sich zur Tür der Nachbarn geschleppt, als die Schmerzen zu groß geworden waren. Margarete, die Frau des Gelbgießers Egger, hatte ihr versprochen, nach der Wehmutter zu suchen. Sie selbst war kinderlos und traute es sich nicht zu, ihrer Nachbarin eine Hilfe zu sein. Wieder schrie Ninette auf. Das Kind in ihr gebärdete sich wie toll. Wie lang war Margarete schon fort? Ninette versuchte sich abzulenken, indem sie in Gedanken dem Weg folgte, den Margarete auf der Suche nach der Wehmutter nehmen musste. Beim Perückenmacher Gränäthä vorbei, beim Haus des Schlossbergtürmers Weeß die Gasse nach links, dort wohnte der Schiffklampfelmacher Fallwein. Dann der Wachskezzler Honig, der Kartenmaler Fetscher der Landschaftssprachmeister Nikolaus Napee. Um die Ecke der Kotzenmacher Gissl, von dem sie die grobe, zottelige Wolldecke gekauft hatten, die ihr zu schwer geworden war. Sie hatte sie in ihrem Bett weggestoßen. Der Stockfischwässerer Eybl, der Schön- und Schwarzfärber Wallgram, der Geisterbrenner Schärfer, der Zischmenmacher, der nur Ungarisch sprach, der Kapaunhändler Paull und der Wachsbossierer Pauliel. Dann links die Brüder Germain, die Pfeifenkopferzeuger, die ihre eigenen Pfeifen nur zum Essen aus dem Mund nahmen und nur aßen, um danach wieder rauchen zu können. Dort wohnte der Wochennmelbler Fuchs mit seiner Frau, der Wehmutter. Vielleicht hatte sie ihn auf einen der Wochenmärkte begleiten müssen? Fuchs war als Weinhändler viel unterwegs. Oder war Margarete gar nicht losgegangen, die Wehmutter zu rufen? Margarete war schon bald vierzig und hatte dem Gelbgießer Egger noch immer keinen Sohn geschenkt. Oft hatte Ninette das Gefühl, dass die Eggerin ihr neidische Blicke zuwarf. Sie traute ihrer Nachbarin zu, dass sie sich wieder hingelegt hatte, missgünstig grinsend, eine böse Frau. Im Haus der Hammers lebten noch der Kleinuhrmacher Khopp und der Salpetersieder Geyer, beide Großkunden des Geisterbrenners Schäffer. Ihnen traute sie daher nicht über den Weg. Ständig stritten sie sich betrunken, ob es Graz oder Grätz heißen müsse. Khopp trank so viel, dass er stark zitterte. Er bekam seine Kleinuhren kaum mehr in den Griff, was dazu führte, dass er aus Verzweiflung noch mehr trank.“

 

Dirk Stermann (Duisburg, 7 december 1965)

 

De Zuid-Afrikaanse dichter en schrijver Tatamkhulu Afrika werd geboren op 7 december 1920 in Egypte. Zie ook alle tags voor Tatamkhulu Afrika op dit blog.

Veteraan

Achter de omgekeerde ruggen
van de heuvels hoor ik nog altijd
de hoest van motors die plots zwenken
en de blauwe
rook van de lucht is de blauwe
rook van geweren en de grauw-
blauwe rook van de jaren.
En er is daar een gezang dat ik mij rekkend wil bereiken,
een harmonie van razernij die mij lieflijker
toeklinkt dan om het even welke liefde.
Maar de heuvels zijn hoog,
hoger dan mijn begerig hart, en mijn voeten
zijn verstrikt in de wieren.
Soms lijkt het alsof ik
een phut-phut-phut hoor
als een kind dat knalt met een kinderlijk
speelgoedgeweer en ik weet
dat de verre kogels opnieuw zoeken naar
de levenden tussen de gebeenten.
Maar er zijn daar geen levenden meer,
alleen doden, en zij zijn dood
zoals ik dood ben, alhoewel ik ademhaal
en mijn gehuil is dat van een wolf
tussen de schedels en mijn stap
is die van een schaduw in een plek van uilen.

 

Vertaald door Hugo Claus

 

Tatamkhulu Afrika (7 december 1920 – 23 december 2002)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e december ook mijn blog van 7 december 2018 en eveneens mijn blog van 7 december 2014 deel 2.

Advent Calendar (Rowan Williams), Julia Kasdorf

Bij de 2e zondag van de Advent

 

De Annunciatie door Hendrick ter Brugghen, ca. 1624

 

Advent Calendar

He will come like last leaf’s fall.

One night when the November wind
has flayed the trees to bone, and earth
wakes choking on the mould,
the soft shroud’s folding.

He will come like frost.
One morning when the shrinking earth
opens on mist, to find itself
arrested in the net
of alien, sword-set beauty.

He will come like dark.
One evening when the bursting red
December sun draws up the sheet
and penny-masks its eye to yield
the star-snowed fields of sky.

He will come, will come,
will come like crying in the night,
like blood, like breaking,
as the earth writhes to toss him free.
He will come like child.

 

Rowan Williams (Swansea, 14 juni 1950)
Swansea in de kersttijd

 

De Amerikaanse dichteres Julia Mae Spicher Kasdorf werd geboren op 6 december 1962 in Lewistown, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Julia Kasdorf op dit blog.

 

Wat ik van mijn moeder heb geleerd

Ik heb van mijn moeder geleerd hoe ik de levenden
lief moet hebben, om voldoende vazen bij de hand te hebben
voor het geval je je naar het ziekenhuis moet haasten
met gesneden pioenrozen uit het perk, de zwarte mieren
nog plakkend aan de knoppen. Ik heb geleerd om potten te bewaren
groot genoeg om er fruitsalade in te conserveren voor een heel
rouwend huishouden, om ingemaakte peren en perziken
in blokjes te verdelen, om door donkerrode druivenschillen te snijden
en de kweekzaadjes met een mespunt eraf te schrapen.
Ik heb geleerd om een opgebaarde te bezoeken, ook al kende ik
de overledene niet, om de vochtige handen te drukken
van de levenden, om in hun ogen te kijken en medeleven
te betuigen, alsof ik toen al het verlies begreep.
Ik heb geleerd dat alles wat we ook maar zeggen niets betekent,
wat iemand zich zal herinneren, is dat we kwamen.
Ik leerde te geloven dat ik de kracht had om vreselijke pijnen
te verzachten, significant als een engel.
Als een dokter leerde ik uit andermans
lijden mijn eigen bruikbaarheid te maken, en als je eenmaal
weet hoe je dit doet, kun je nooit weigeren.
Aan elk huis dat je betreedt, moet je genezing
aanbieden: een chocoladetaart die je zelf hebt gebakken,
de zegen van je stem, je kuise aanraking.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Julia Kasdorf (Lewistown, 6 december 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e december ook mijn blog van 6 december 2018 en ook mijn blog van 6 december 2017

Wat heeft Sint voor jou gekocht? (Thomas Verbogt), Arthur Sze

Bij Sinterklaas

 

 

Uit: Wat heeft Sint voor jou gekocht? (Geraas)

“Terwijl de wind steeds harder door de bomen begon te waaien (hier in huis zelfs waaide de wind), moest ik alles nog regelen voor het heerlijk avondje. Ieder jaar neem ik me voor dat anders te gaan doen, zoals mijn moeder vroeger. Die had volgens mij in oktober alles al in huis. Nu vind ik dat wat vroeg, maar op de laatste dag is weer het andere uiterste. Over iets wat mijn eigen schuld is, klaag ik nooit. Waarom zou ik, ik vind het ook wel iets hebben. Laten we het alsjeblieft aangename nervositeit noemen. Altijd moet ik vlak voor pakjesavond nog iets kopen. Nu ook weer, in het warenhuis, een sieraad, althans een onderdeel van een sieraad, iets voor aan een ketting. Ik was danig winkelziek, maar had duidelijke instructies: die ingang, dan rechtdoor, tweede vitrine links Maar daarin zag ik het dringend gewenste geschenk niet, hoe heette het ook alweer? Het was benauwend druk en toen ik eindelijk een mevrouw van de sieradenafdeling te spreken kreeg en de gedeeltelijke naam van het sieraad noemde, zei ze dat ik waarschijnlijk ‘bij onze banketbakker’ moest zijn. Ik schudde mijn hoofd en keek om me heen. En ja, toen werd het stil in me, een milde vorm van acute levensmoeheid die naar binnen sloeg en me min of meer versteende. Alleen mijn ogen kon ik nog naar links en naar rechts draaien. Vanuit mijn linkerooghoek zag ik een verkoopster naar me toe komen, een Surinaamse. Ze glimlachte geruststellend, legde een hand op mijn onderarm en zei zacht: ‘IJ zoekt iets, maar weet niet wat.’ Ik kon me weer bewegen en knikte opgelucht, niet alleen omdat ze me begreep, maar ook omdat ze mijn leven trefzeker samenvatte. Ze stelde voor samen even te kijken. Dat deden we en binnen de kortste keren had ik wat ik zocht. Nadat ik had betaald, liep ze nog een stukje mee naar de uitgang. Ten afscheid legde ze weer even haar hand op mijn onderarm. Het heerlijk avondje was begonnen.”

 

Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

Het geschenk

De stukjes van deze legpuzzel vormen
straks het gouden gezicht van Toetanchamon,

maar momenteel zijn het vlekjes
kleur verspreid over de vloer.

Deze momenten van bewustzijn
hebben geen puzzelpasvorm – hartslag

van een vliegende zwaluw – sporen
van een rode lynx op het Windsorpad,

voorgevoel dat vreugde schuilgaat in
een lucifer, in zonnebloemstengels uitrukken,

een urn leegschudden vanaf een brug
zodat de asresten een wolk vormen.

De stukjes van een leven blijven uiteindelijk
stukjes. Niemand kan papyrus herstellen

als het eenmaal vlam heeft gevat;
maar voordat de agapanthus bloeit,

voordat het lichaam verschroeit, uitwist
het bewustzijn, heb je tijd

om te puzzelen, schommelen, slingeren, brassen
huppelen, doedelen, klagen, gloeien.

 

Vertaald door K. Michel

 

Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie ook alle tags voor Sinterklaas en voor 5 december en zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn blog van 5 december 2018.

Rainer Maria Rilke, Arthur Sze

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

Uit: Duineser Elegien

Die erste Elegie

Wer, wenn ich schriee, hörte mich denn aus der Engel
Ordnungen? und gesetzt selbst, es nähme
einer mich plötzlich ans Herz: ich verginge von seinem
stärkeren Dasein. Denn das Schöne ist nichts
als des Schrecklichen Anfang, den wir noch grade ertragen,
und wir bewundern es so, weil es gelassen verschmäht,
uns zu zerstören. Ein jeder Engel ist schrecklich.
      Und so verhalt ich mich denn und verschlucke den Lockruf
dunkelen Schluchzens. Ach, wen vermögen
wir denn zu brauchen? Engel nicht, Menschen nicht,
und die findigen Tiere merken es schon,
dass wir nicht sehr verlässlich zu Haus sind
in der gedeuteten Welt. Es bleibt uns vielleicht
irgend ein Baum an dem Abhang, dass wir ihn täglich
wiedersähen; es bleibt uns die Straße von gestern
und das verzogene Treusein einer Gewohnheit,
der es bei uns gefiel, und so blieb sie und ging nicht.
      O und die Nacht, die Nacht, wenn der Wind voller Weltraum
uns am Angesicht zehrt -, wem bliebe sie nicht, die ersehnte,
sanft enttäuschende, welche dem einzelnen Herzen
mühsam bevorsteht. Ist sie den Liebenden leichter?
Ach, sie verdecken sich nur mit einander ihr Los.
      Weißt du’s noch nicht? Wirf aus den Armen die Leere
zu den Räumen hinzu, die wir atmen; vielleicht da die Vögel
die erweiterte Luft fühlen mit innigerm Flug.

Ja, die Frühlinge brauchten dich wohl. Es muteten manche
Sterne dir zu, dass du sie spürtest. Es hob
sich eine Woge heran im Vergangenen, oder
da du vorüberkamst am geöffneten Fenster,
gab eine Geige sich hin. Das alles war Auftrag.
Aber bewältigtest du’s? Warst du nicht immer
noch von Erwartung zerstreut, als kündigte alles
eine Geliebte dir an? (Wo willst du sie bergen,
da doch die großen fremden Gedanken bei dir
aus und ein gehn und öfters bleiben bei Nacht.)
Sehnt es dich aber, so singe die Liebenden; lange
noch nicht unsterblich genug ist ihr berühmtes Gefühl.
Jene, du neidest sie fast, Verlassenen, die du
so viel liebender fandst als die Gestillten. Beginn
immer von neuem die nie zu erreichende Preisung;
denk: es erhält sich der Held, selbst der Untergang war ihm
nur ein Vorwand, zu sein: seine letzte Geburt.
Aber die Liebenden nimmt die erschöpfte Natur
in sich zurück, als wären nicht zweimal die Kräfte,
dieses zu leisten. Hast du der Gaspara Stampa
denn genügend gedacht, dass irgend ein Mädchen,
dem der Geliebte entging, am gesteigerten Beispiel
dieser Liebenden fühlt: dass ich würde wie sie?
Sollen nicht endlich uns diese ältesten Schmerzen
fruchtbarer werden? Ist es nicht Zeit, dass wir liebend
uns vom Geliebten befrein und es bebend bestehn:
wie der Pfeil die Sehne besteht, um gesammelt im Absprung
mehr zu sein als er selbst. Denn Bleiben ist nirgends.

Stimmen, Stimmen. Höre, mein Herz, wie sonst nur
Heilige hörten: dass sie der riesige Ruf
aufhob vom Boden; sie aber knieten,
Unmögliche, weiter und achtetens nicht:
So waren sie hörend. Nicht, dass du Gottes ertrügest
die Stimme, bei weitem. Aber das Wehende höre,
die ununterbrochene Nachricht, die aus Stille sich bildet.
Es rauscht jetzt von jenen jungen Toten zu dir.
Wo immer du eintratest, redete nicht in Kirchen
zu Rom und Neapel ruhig ihr Schicksal dich an?
Oder es trug eine Inschrift sich erhaben dir auf,
wie neulich die Tafel in Santa Maria Formosa.
Was sie mir wollen? leise soll ich des Unrechts
Anschein abtun, der ihrer Geister
reine Bewegung manchmal ein wenig behindert.

Freilich ist es seltsam, die Erde nicht mehr zu bewohnen,
kaum erlernte Gebräuche nicht mehr zu üben,
Rosen, und andern eigens versprechenden Dingen
nicht die Bedeutung menschlicher Zukunft zu geben;
das, was man war in unendlich ängstlichen Händen,
nicht mehr zu sein, und selbst den eigenen Namen
wegzulassen wie ein zerbrochenes Spielzeug.
Seltsam, die Wünsche nicht weiterzuwünschen. Seltsam,
alles, was sich bezog, so lose im Raume
flattern zu sehen. Und das Totsein ist mühsam
und voller Nachholn, dass man allmählich ein wenig
Ewigkeit spürt. – Aber Lebendige machen
alle den Fehler, dass sie zu stark unterscheiden.
Engel (sagt man) wüssten oft nicht, ob sie unter
Lebenden gehn oder Toten. Die ewige Strömung
reißt durch beide Bereiche alle Alter
immer mit sich und übertönt sie in beiden.

Schließlich brauchen sie uns nicht mehr, die Früheentrückten,
man entwöhnt sich des Irdischen sanft, wie man den Brüsten
milde der Mutter entwächst. Aber wir, die so große
Geheimnisse brauchen, denen aus Trauer so oft
seliger Fortschritt entspringt -: könnten wir sein ohne sie?
Ist die Sage umsonst, dass einst in der Klage um Linos
wagende erste Musik dürre Erstarrung durchdrang;
dass erst im erschrockenen Raum, dem ein beinah göttlicher Jüngling
plötzlich für immer enttrat, das Leere in jene
Schwingung geriet, die uns jetzt hinreißt und tröstet und hilft.

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Portret door Leonid Pasternak, 1928

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

Slapers

Een kolibrie met een zwarte kin landt
op een metalen draad en rust gedurende vijf seconden;
vijf seconden lang laat een pianist zijn hoofd zakken
en zijn handen rusten op de sleutels;

een man baadt waar irrigatiewater
een poel vormt voordat het in de rivier uitmondt;
een monteur draait een plug los en motorolie
loopt weg in een emmer; gedurende vijf seconden,

ruik ik pepermunt door een open raam,
herinner me waar een wild blad van je huid afgleed,
hier komt aanraking voor het zien; dat ik je vasthield,
herinner ik me, aan de overkant van een kanaal, het geluid van mannen

die inktvissen op ijs leggen bij het eerste licht;
voor het eerste licht, fysiek contact,
onze kloppende harten , geklets van vrouwelijke regen
op het dak; terwijl de kolibrie

uit het zicht snort, grijpen de tandwieltjes van een klok
in elkaar met verschillende snelheden; we horen
een reeks ostinato-noten en zijn niet gebonden
aan het gewicht van ons lichaam op aarde.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e december ook mijn blog van 4 december 2018 en eveneens mijn blog van 4 december 2017 en ook mijn blog van 4 december 2016 deel 3.

Kristina Sandberg, Arthur Sze

De Zweedse schrijfster Kristina Sandberg werd geboren op 3 december 1971 in Sundsvall. Zie ook alle tags voor Kristina Sandberg op dit blog.

Uit: De komst van een kind (Vertaald door Wendy Prins)

“Maj neemt de laatste tafel af, spoelt de vaatdoek uit en ziet dat Ingrid haar schort uitklopt voor ze haar koffiekopje pakt en zegt tuurlijk ga je mee, Maj. Olof is knap en blij en glimlacht naar Maj, laat Ingrid niet merken hoe hij naar haar kijkt. met zijn bruine ogen. dik, donker haar en een lok die over zijn voorhoofd valt, onwillekeurig of bewust. dat weet ze niet, maar die ogen – en Maj pakt de porseleinen kan met koffie. Blieft meneer nog een kopje koffie, vraagt ze, voor de grap, theatraal, heel graag, lieve juffrouw, antwoordt hij en hij houdt zijn kopje bij. Zweetvoeten, ze kan niet met hen meegaan met deze stinkende voeten die de hele dag in hakschoenen bekneld hebben gezeten. Nee, gaan Jullie maat zegt ze en zet de kan op de toonbank. Ah, doe niet zo saai, zucht Ingrid. nu met donker gestifte lippen wanneer heeft ze dat gedaan? – toen Okt kwam waren ze nog bleek, als ze de lunchroom sluiten hebben ze beiden meestal een bloos op hun wangen en ruikt hun haar naar vet en kardemom van de bakkerij in de ruimte ernaast – heeft Ingrid nooit stinkvoeten? En dan zegt Ingrid dat Tomas aardig is en er goed uitziet en hij heeft een auto. We gaan alleen maar een eindje rijden, naar Gullvik of Skeppsmaln, het is zo’n heerlijke avond, bovendien is het zaterdag.
Een krap bemeten toilet, een kleine wastafel. maar met koud en warm water. Moeizaam brengt ze haar ene voet omhoog, om hem in te zepen, schoon te spoelen, af te drogen, ook tussen de tenen. Wat doe je daar, roept Ingrid, de andere voet, onder haar oksels, haar onderbroek, nee, ze kan niet in vieze zijden kousen en stinkend ondergoed meegaan. Lippenstift, rouge, haar wenkbrauwen worden veel te donker met die met-zwarte mascara, ze veegt het uit en ziet opeens bont en blauw rond haar ogen, maakt de handdoek nat, doet er zeep op, boent stevig langs haar wenkbrauwen. Zo is het in elk geval beter. Zonder kousen. Nee, dat ts nog erger, dat gaat niet, ze moet de oude kousen maar aan en net doen of het Ingrid is die stinkt Hij zou ook rijk zijn. Tomas, dat heeft Ingrid tussen neus en lippen door genoemd, en als ze de achterdeur op slot doen, zegt Olof dat niets zo verrukkelijk is als mooie meisjes in een zomerjurk, niet bloedserieus, maar toch. Zie je mij nu, Erik, dal ik een eigen kamer heb en vrienden en werk? Olof geeft ook haar een arm, met tikkende hakken lopen ze naar de Viktoriaesplanaden. De auto staat op de binnenplaats en Olof zegt dat het geen probleem zal zijn om hem over te halen, maar ze wil niet mee naar binnen, haar benen trillen zo. en dan zegt Ingrid dat ze mee moet. anders zegt Tomas misschien wel nee en wil hl) in de stad blijven. Hij heeft vast wel wat in huts, zegt Olof en dan lopen ze de trap op, naar de derde verdieping, ze is bulten adem als ze bij de deur zijn. Olof belt aan, trekt haar naar zich toe, ze moet goed te zien zijn als Tomas opendoet. maar het blijft stil daarbinnen, Olof drukt nogmaals op de bel, harder, en langer nu. Lag je te slapen, vraagt Olof en Tomas haalt een hand door zijn lichtgrijze haar, ze blijft stokstijf staan, ze hadden niet gezegd dat hij oud is, zeker al dertig. veertig? Kom binnen, zegt hij, de geur van rook en Iets anders, iets onbestemd.”

 

Kristina Sandberg (Sundsvall, 3 december 1971)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

De kans

De blauwzwarte bergen zijn geëtst
met ijs. Ik rijd naar het zuiden in vervagend licht.
De lichten van mijn auto gingen voor me
uit, en verdwijnen voor mijn ogen.
En als ik de dertig nader, zijn de afstanden
korter dan ik denk? De geest
reist met de snelheid van het licht. Maar voor
hoeveel mensen zijn de passies
ijzerhout, ijzerhout dat verhardt en verhardt?
Neem de ex-muzikant, verzekeringsagent,
die zichzelf een polis over zijn eigen leven verkoopt;
of de goochelaar die zichzelf heeft opgesloten
in een kist en in zee geworpen,
om dan te ontdekken dat hij gevangen zit in zijn eigen ketenen.
Ik wil een passie die groeit en groeit.
Voelen, denken, handelen en gedefinieerd worden
door jouw acties, gedachten, gevoelens.
Zoals in de botten van een hand op een röntgenfoto,
wil ik dat het heldere witte licht werkt
tegen de vage wazige randen van de duisternis:
zelfs als de duisternis voorafgaat en ons
volgt hebben we de kans om korte tijd te schitteren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e september ook mijn blog van 3 december 2018 en eveneens mijn blog van 3 december 2017 deel 3.