Het woord was water geworden een woest kolkende zee zocht de diepten van de polders vulde de putten en wellen en trassen in de slapende huizen en hoeven steeg in de dorpen en gehuchten drong in de stallen waar het vrezende vee aan halsters en touwen rukte muren stortten in, zolders en balken raakten los van hun ankers, dreven met mannen, vrouwen en kinderen als wankele platbodems naar grijpbare strohalmen en takken die als bedrieglijk reddende handen omhoogstaken uit de ontzaglijk ziedende vloed die de aarde overspoelde.
Zomerhuis
Stil zijn en je laten horen zoals de specht de kasten van het bos laat kraken.
Of een raam openzetten als een geheime lade vol donkergroene bladeren.
Schuift de schaduw steeds vroeger voor de ramen, we zullen dit huis verlaten,
voedsel geven aan de aarde, een boom worden, een kast maken, de specht verdragen.
Geef hier, een vloeitje, tabak, het filter de naoorlogse periode eindigt nooit. De dauw, de kou in de ochtend, zo begint september, de september van de citaten.
Je begrijpt … of ben je te jong? Dan kun je kijken hoe de geschiedenis verder gaat bij het zelf draaien, precies de oude techniek
Overrijp zijn de peren. Landrover, een man. De peren kletteren gewoon op de kap wanneer hij de ladder plaatst en omhoog, steeds hoger klimt.
In geuren stond Assisi onder de regenboog in geuren stond ik boven de stad Assisi
Ik was donker als glas ik woonde bij de tempel van de stad Assisi ik was stof van de stad
Ik proefde stof en beelden ik verfde mijn kleren ik sliep onder de toonbank van mijn vader en moeder
Ik plakte boeken dicht ik voelde hoornvlies en maag ik verzamelde stenen ik opende en sloot mijn anus
Ik waste de stenen van de lange bruggen ik richtte vitrines in ik speelde beelden na
O, ik sliep en scheet onder de bruggen van Assisi de zon was mijn zon de maan was mijn maan
Ik wist: in stenen van Assisi schijnt de zon groeien de stenen de tegels mijn stenen mijn tegels
Ik leefde als jongen in de straten van Assisi ik was gemaakt voor de wolken van Assisi
Ik noemde: mijn regen mijn krekels mijn zon ik vertelde: dit is mijn stem, mijn vuurvlieg
Mijn voeten kletterden door de stegen van Assisi ik verfde mijn bruggen mijn muren mijn uitstalkasten
Ik noemde stof en poeder bij de namen van Assisi ik zwierf langs de ramen en vitrines van Assisi
Ik riep: Assisi jij bent mijn toonbank mijn vitrine van wereld mijn stof en bloemen, mijn zon
Stof, speeksel, toonbeeld, wolk, ezel, doos en stof, goud en stem, en beeld: ik was een stoffen beeld
Mijn moeder waste de stenen van Assisi mijn vader telde de stenen van Assisi
Zeg niet: het waren de stenen van Assisi zeg: het waren mijn stenen van mijn Assisi
Ik nam kersen mee uit de heuvels van Assisi vuurvliegjes en kamperfoelie emmers en verfkwasten
Ik zag: vader en moeder slapen onder de toonbank ik wist: de zon is mijn eigen minnezanger
Ik oefende mijn stem ik sloeg mijn borst ik toverde vissen op mijn schorre huid
Zout naast hout, zand, krekels, termieten ik was warm als een geit onbruikbaar als een lam
Ik was minnezanger van alle zangers van de lucht ik sloeg bekkens pamfletten en gelijmde boeken
Ik zag mijn vader op de heuvels van Assisi ik warmde mijn ledematen in vuur van mijn gele aarde
Ik schreeuwde op het aambeeld van Assisi ik vliegerde ik rangschikte het stof ik danste op de pleinen
Ik riep: gun mij de verf gun mij het zout gun mij mijn oren mijn toonbank en vitrines
Ik werd een kleine donkerbruine jongen ik ontwierp geluiden ik was zo geil als stof
Ik waste steen in zand ik lijmde hout aan boeken ik vergruizelde beelden van Assisi mijn Assisi
Ik vergruizelde scherven achter de tempel van Assisi ik borstelde mijn kleren mijn beitels en ballades
Ik verwierp mijn netvlies mijn stem mijn beelden ik verfde de vitrines onder de kleuren van Assisi
Assisi was mijn hok van licht en tafels en van stof waren de vitrines van mijn voorwerpen
Ik was jongen van glas ik schilderde mijn kleren ik maakte stof uit zand in de straten van Assisi.
Kees ’t Hart (Den Haag, 12 juli 1944)
De Chileense dichter Pablo Neruda (eig. Ricardo Eliecer Neftalí Reyes Basoalto) werd geboren in Parral op 12 juli 1904. Zie ook alle tags voor Pablo Neruda op dit blog.
O wijdte van pijnbomen
O wijdte van pijnbomen, rumoer van brekende golven, langzaam spel van lichten, eenzame kerkklok, schemering, die in je ogen valt, o mijn liefste, schelp van de aarde, in jou zingt de aarde, zingt!
In jou zingen de rivieren en mijn ziel vlucht in ze zoals jij het verlangt en naar waar jij dat wilt. O leg mijn weg aan op jouw boog van hoop en uitbundig zal ik mijn pijlenzwermen afvuren.
Om mij heen zie ik je middel van nevels en je stilte achtervolgt mijn achtervolgde uren, daar ben jij met je armen van transparant gesteente waar mijn kussen ankeren, mijn verlangen zich nestelt.
O je geheimzinnige stem, die de liefde kleurt en buigt in de luide stervende avond! Zo heb ik in de late uren op de velden de korenaren zien buigen in de mond van de wind.
Vertaald door Riekus Waskowsky
Pablo Neruda (12 juli 1904 – 23 september 1973) Portret door Richard Day, 2015
“It didn’t help that some of my classmates, finding my clothes somewhat strange, used to tease me. They would say: What an ugly outfit. Those two things clash, didn’t you know? No one wears bell-bottoms anymore, they’re out of style. They laughed. That is why, for many years, while I waited for the school bus, my day began in a state of humiliation. My classmates derided me and, implicitly, also my parents. Being foreigners, they bought my clothes with an eye toward savings and not toward fashion or norms. They bought my clothes at end-of-season sales or at used clothing stores, knowing that I would outgrow the items in less than a year. My mother, moreover, did not share the taste of American moms. She did not shop in the same stores or dress me like the other girls. This is why I thought that a uniform would have been the solution. Clothing has always carried additional layers of meaning for me. My mother, even today, fifty years after leaving India, wears only the traditional clothing of her country. She barely tolerated my American clothes. She did not find my jeans or T-shirts cute. When I became an adolescent, she disapproved of short skirts, high heels. The older I grew, the more it mattered to her that I, too, wear Indian or, at the very least, concealing clothing. She held out for my becoming a Bengali woman like her. Every time we went to a party held by another Bengali family, to an important event or celebration, she would ask, implore, in the end force me to wear Indian clothing. If I protested, she would get angry. To placate her I gave in, but I would get irritated and sulk. As soon as I put on those clothes I felt like a different person, a foreigner like her. I felt the weight of an imposed identity. Those clothes, which had their own separate space in my closet, had a discordant, showy quality: colors that seemed too bright, material rooted in another land. They were, actually, more elegant than my everyday clothes, but they discomfited me. They tasted of a faraway place. They weighed almost nothing, and yet they weighed on me. Throughout this bitter struggle between my mother and myself, of long standing and with no clear resolution, I learned the hard way that how we dress, like the language we speak and the food we eat, expresses our identity, our culture, our sense of belonging. From childhood I understood that the clothes I wore, wherever I was, rendered me an “other.” Even in Calcutta, whenever I went out with my cousins, whom I physically resemble, I was perceived as a foreigner, often addressed in English. When I would ask them why, the answer was, with a shrug of the shoulders, It must be your clothes. As an adult, I dress the way I want; I decide how I present myself. But the shadow of that old anxiety remains: the fear of being badly dressed, of choosing wrongly and being judged. Every so often, overwhelmed by my wardrobe, by the pressure of having to choose the right outfit, I still wonder if it would be simpler to adopt a sort of uniform. When my books were first published, when I was thirty-two years old, I discovered that another part of me had to be dressed and presented to the world. But what is wrapped around my words—my book covers—is not of my choosing. I am forced, at times, to accept book jackets that I dislike, that I find problematic, disappointing. I tend to give in. I say to myself, Let it go, it’s not worth the battle. But I end up feeling afflicted, resentful. What in Italian is called a sovraccoperta (literally, “overcover”) is also called, in English, a jacket. A jacket made to measure, conceived and created specifically to cover and package a hardcover book. It should fit like a glove. And yet, in my opinion, most of my book jackets don’t fit me, which is why I sometimes think, as a writer too, that a uniform would be the answer.”
Kettingzagen; Atlantische depressie. Al vroeg de sirene voor de vrijwillige brandweer. Twee vrouwen liepen in de gang op en neer en ik vond niet de weg uit de badkamer naar buiten.
Een reeks scènes zonder herkenbaar begin, of ik had het begin gemist. De ademhaling was rustig, het land voor de ramen steeg langzaam op naar de bergen van sneeuw. Een van de vrouwen bleef staan toen ze hoorde, dat er op de deur werd geklopt.
Het was geen weer om tot ‘s middags op de dakdekker te wachten. De andere vrouw waste zich het haar, om precies te zijn, was zij ermee doorgegaan en stond nu op de wei in de regen.
Daar lag ook de kersenboom. De pomp in de kelder hield niet op, het sneeuwde alweer; in de teamauto zat alleen de chauffeur en telefoneerde. De schade kan men niet zien, en de post komt de laatste tijd zo laat.
ik ben een volleerd paaldanser dat dank ik aan de cursusleidster rouwverwerken voor gevorderden alles was sex haar overheadprojector haar whiteboard haar markers haar kutgekopieerde readers te dik voor het nietje uitwaaierend als pamfletten uit een helicopter over de hoofden van een bevrijde bevolking
als iemand op zijn gezicht valt voel ik niets ik wil best mijn armen om ‘m heen slaan ik wil best vragen hoe het staat ik begrijp alleen niet waarom juist dán en niet als bijv de klok slaat of de telefoon niet opgenomen na een blik op de nummermelder overgaat en overgaat
verder hou ik van saté en een la die dicht gaat en weer open ik excelleer in hangmatten kan goed mijn lachen inhouden en een plank op mijn hoofd raakt me niet
tony taalt niet naar de tumor in zijn nek want zo is tony
als ik op iemands gezicht zit zegt-ie au het bevreemdt me dan dat het niet uitmaakt of je op een chinees of op een creool of op een fin gaat zitten het is linksom au en rechtsom alsof de dingen buiten ze om gebeuren en in de verste verte geen vat
je bek ging van dittum en dattum terwijl je feitelijk geen panharing te melden had
dit is mijn credo edo als ik paaldans vergeet ik alles behalve de paal en mijn passen een zakjapanner en de e op het display ik dit niet uitrekenen gaan dat de maan er is verder los van die maan en hij ernaar wijst als een kok zijn klanten op de kaart als een uitsmijter zijn poffers op de klok
uitgeteld en blootgewoeld de wereld is licht en hoempa
marktkooplui willen me niet achter hun kraam en vice versa
Schuttebreek
dit is mijn huis hier woon ik alles is goed een haan bloeit op de barbecue als een texaan waakt erik jan h over zijn lap groot als een deken mijn buren zie ik niet soms hoor ik iets dan sterft het
als de maan zich uit de voeten maakt weewhen close harmony sony dreammachines we starten de motor ruften en rijen een tunnel in en uit
we hebben een krant die wordt bezorgd
het is alsof een niet zichtbare hand ons leidt van woon naar werk we zijn geen trein maar volgen toch steeds dezelfde route we zijn geen trein maar vertrekken iedere dag op dezelfde tijd
hier ben ik gelukkig en ik wil niet weten hoe het daar is dat merk ik vanzelf als het klaar is
in mijn onderhoudsarme tuin word ik herinnerd als een beest
Zomerregen. Zwarte avond. Langs de rand van een overlijdensbericht gekrabbeld de beschikbare gegevens, die het interview in gang zetten, de herinnering aan lang voorbije ontmoetingen, waarvan we ons meer toekomst hadden voorgesteld.
De nieuwe New Yorker blijft open liggen. Wat betekent toekomst als het laatste gesprek per magneetband eindeloos kan worden herhaald en een in memoriam tien jaar ligt in het archief. Droge zomer. De avond is helder.
Een reis moet men voorbereiden. Men moet door een mistig front waarvan het wit zo wit als Chinees verdriet is. Liever geen citaten. Onderwerp van tafel. De gerstvelden zijn leeg, en men leest, de steden zijn ingewikkeld.
“Zij zou zijn naam moeten uitschreeuwen, zingen, zoet uitspreken, uitsnikken, zoo brandt hij in haar. De muziek ’s zondags in de kerk zou moeten zingen Houtekiet. Bij het werk is plots zijn hand op haar lichaam, nu hier, dan daar. Het snijdt haar den adem af, ze moet stilstaan tot het over is. Simon, de oudste van haren boer, zweert dat hij haar niet aangrijpt om zoo maar eens, maar om te trouwen, trouwen al gaan ze hier allemaal op hunnen kop staan. Met een ruk en een stoot werpt ze hem tegen den muur. Het is of ze nagelt er hem aan vast met den trotschen hoon dat ze hem nog niet ziet staan. Schor kan hij eindelijk vragen of ze dan iemand beters ziet staan, zij een meid, gotvernonde. Heilige naam van Jan Houtekiet, als een hostie moet zij u telkens inslikken want wie draagt u? Niet eens een stalknecht, niet eens een mensch: een everzwijn waarop de boschwachter jaagt. Na de eerste ontmoeting heeft zij den naam genoemd, den man beschreven. Een na een grinnikten de mannen, eerst Mandus, dan Docus den paardenknecht, dan de twee zonen Simon en Leo. Naar die twee pinkoogde Liza, de boerin vroeg of Lien zich niet schaamde en de boer zelf, Busschops: Is ’t nu genoeg? Maar de naam blijft groeien, zwellen. In verrukking ligt haar hoofd aan de flank van de dwarsche koe, die zij nu liefheeft. Met trage, trillende hand doet ze een straal melk op haar bloote scheen spuiten en kreunt zacht. Aan Liza’s bed gaat ze eindelijk den naam altijd maar uitspreken. Deze denkt eerst dat zij gek geworden is, dan dat het in geen geval Houtekiet kan geweest zijn, ten slotte dat het de duivel was. Bedriegt die niet de jonge meisjes met baard en haren zooals die van Christus? En wekken gewone mannen zulk vrouwenvuur? Nemen zij niet het plezier en laten de vrouw de schande als het uitkomt, na den trouw de kinderen? Daarom, Lien, was het soms de duivel niet? Het baat Lien niet zich opnieuw op te hitsen met de herinnering, hem opnieuw te beschrijven, hard en zoet, krachtig, nog te herhalen dat daarna zijn mond is als die van een klein kindje. Helpt niet, onmogelijk, ze heeft zich aan den duivel gegeven. Wild gebiecht trekt ze haar nachtkleed op, laat zich zwijmelend op het bed neer en fluistert dat als het de duivel geweest is en hij wil hier komen, zij hem nog wil, kom. Het pleit voor Houtekiet dat de duivel er nog niet is, als Liza eindelijk uit de dekens durft te voorschijn komen, rood en bezweet. Ze neemt aan, mee over de plank te gaan om Houtekiet te zien.”
Gerard Walschap (9 juli 1898 – 25 oktober 1989) Portret door zijn dochter Lieven Walschap, jaren 1980
Westfaalse heuvels, de Breisgau dan Dresden … geen week voor ansichtkaarten en uitgeruste residenties; Vallend blad, diep hangende lucht tussen Elbe en Rijn.
Schuiven met datums, geen afscheid voor lang; wat zoek je in het zuiden? Ik dacht in de restauratiewagen aan mijn vader en hoe hij reisde in de jaren dertig … Excelsior, Majestic De jongen bij het raam begrijpt niet wat de volwassenen zeggen: Marienborn, destijds de zone –
Leeg terrein tussen restanten hek; twee kraaien fladderen rond een toren die bleef staan. De hand in de hartstreek, reiken naar het paspoort; er zijn gewoonten die de trein met zich meevoert. Zorgeloze reizigers laten de kranten liggen.
Kijk naar buiten. De nabijheid van het landschap dat je kunt herwinnen. Een kans die zich elk uur herhaalt. Hongkong gaat langzaam verloren.
Sloop die flatgebouwen en je ziet de horizon. De echte horizon echter is geen lijn maar een ring. (Kijk maar om je heen.)
Voor lange mensen ligt de horizon verder weg dan voor korte. (Leven zij dus in een grotere wereld misschien?)
Als je met een raket de aarde verlaat wordt de ring steeds wijder totdat hij gelijk wordt aan de omtrek van de aarde.
Als je oneindig klein bent, heeft de hoepel zich samengesnoerd tot een stip en bevindt de horizon zich theoretisch gesproken
onder je voeten. Maar dat kan natuurlijk niet. Kan het ook anders? Kan ik op de horizon lopen? Jazeker. Want dit is geen gedicht maar een handleiding.
Straaljagerpiloten hebben er last van. Als je hard gaat, trekt je blikveld samen. Stel, je rent over een weg waar aan beide kanten een boom staat. Ga je harder, dan wordt de weg smaller. De horizonnen links en rechts komen dichterbij. Het lijkt alsof je maar nét tusen de bomen door kunt. Dat heeft te maken met hoeveelheid informatie je hersenen kunnen verwerken (überhaupt het probleem, eigenlijk). Kortom, als je maar hard genoeg rent, loop je op een streep
die misschien de weg is die je zocht.
O maskergezicht
ooit was je van jezelf en ineens loop je verloren door deze plexiglazen stad deze door tentspoed geteisterde mensenhoop waar uit solidariteit de vlijtige samenschool sluit en de vochtige wolkhoest de straattest tart
o huilmaskergezicht
buk plechtig onder bittere hulpnood sinds wij de minzestigste nulpatient bejammerden de persoon waaraan blijkbaar te veel ondeugdelijk was
o lachmaskergezicht
nu scharniert opgelucht jouw haafhand aan de groetelleboog wuivend richting visiteraam teder harp spelend op de tinkelspijlen van het zonovergoten bingobalkon
o angstmaskergezicht
in jouw kweekhaard duim je voor een levensreddend serum voor jouw faalorgaan
o hongerhuid
denk niet aan het naamloze partnerbed aan de hand die je pakken kon
Ik heb hier gelukkig gezeten in de tuinen, Kijkend naar de stille plas en het riet En de donkere wolken Die de wind van de bovenlucht Scheurde als de groene bladerrijke takken Van de divers getinte bomen van de late zomer; Maar hoewel ik enorm geniet Hiervan en van de waterlelies, Dat wat mij het dichtst bij huilen brengt Is de roze en witte kleur van de gladde stapstenen, En de lichtgele grassen Ertussen
De Vlaamse schrijver Ivo Victoria (pseudoniem van Hans van Rompaey) werd op 7 juli 1971 geboren in Edegem (Antwerpen). Zie ook alle tags voor Ivo Victoria op dit blog.
Uit: Billie & Seb
“Hoewel ze zich niets van haar prille jeugd in Azië kon herinneren, had ze altijd het idee gehad dat ze in een onbreekbare cocon rondliep dat haar verhinderde echt tot de wereld te behoren. Ook Seb leek altijd elders te vertoeven. Sprak in korte, wankele zinnetjes, woorden die op handen en voeten naar buiten kwamen gekropen en hun ogen dichtknepen tegen het zonlicht. Behalve wanneer hij iets hoorde waaraan anderen een betekenis gaven die verschilde van de exacte waarde die de woorden zelf bezaten. Bijvoorbeeld. Wanneer iemand zei dat hij niet bij de pakken neer moest blijven zitten. Terwijl hij gewoon stond en er geen pak in de wijde omgeving te zien was. Op zulke momenten konden die stille wankele zinnetjes ontploffen als splinterbommen en schreeuwde hij zijn broze stembanden aan flarden in korte, explosieve uithalen waarna zijn woorden zich snel terug naar binnen haastten. Ook die woede herkende Billie. Maar samen waren ze onkwetsbaar. Iedereen vond er wat van: raar, lief, voor elkaar bestemd. Ze gingen met elkaar om alsof ze een geheim deelden. Vroeger, wanneer Seb alleen over de speelplaats slenterde, in zichzelf gekeerd, was hij vreemd en onheilspellend geweest, en zelfs zijn beste vrienden wisten niet wat ze moesten doen wanneer hij in zo’n bui verkeerde. Zodra Billie met hem mee liep, viel het iedereen op hoe zorgvuldig en traag hij de ene voet voor de andere zette, alsof hij over een strakgespannen kabel liep die boven een honderd meter diepe kloof gespannen was. Op die momenten had hij de ongenaakbare houding van iemand die iets ongelofelijks ten uitvoer bracht met een verbijsterende vanzelfsprekendheid terwijl er een glimlach op zijn lippen speelde als een kind, en het was voor iedereen zonneklaar dat het Billie was die iets in hem naar boven bracht wat hem in de werkelijkheid verankerde. ‘Is Seb gek?’ vroegen andere leerlingen. ‘Dat weet alleen Seb,’ zei Billie, en ze giechelde. En zo, tijdens die hemelse dagen en weken, bevonden ze zich samen in een bel van zuivere lucht en ideeën en elke vorm van achterdocht kwam hun belachelijk voor. Het mooiste van die twee was dat ze nooit de kans hadden gekregen om aan elkaar te wennen – zo lang hebben ze elkaar niet gekend. Misschien daarom dat ze elkaar zo misten, omdat ze precies wisten hoe de ander was. Immers, het enige moment waarop de mensen elkaar echt konden kennen was het moment waarop ze elkaar voor het eerst zagen. Al de rest was gewenning, en zodra die was ingezet konden ze van alle duizenden mogelijkheden die het leven in zich droeg, slechts één iemand zijn en dat was wie de anderen dachten dat ze waren.”
Ivo Victoria (Edegem, 7 juli 1971)
De Afro-Amerikaanse schrijfster, dichteres en politiek activiste June Jordan werd geboren op 9 juli 1936 in New York. Zie ook alle tags voor June Jordan op dit blog.
Deze gedichten
Deze gedichten het zijn dingen die ik doe in het donker reikend naar jou wie je ook bent en ben je klaar?
Deze woorden het zijn stenen in het water die wegrollen
Deze graatmagere regels het zijn wanhopige armen voor mijn verlangen en liefde.
Ik ben een vreemde die de vreemden leert aanbidden om mij heen
“De bar op het dakterras van het Bukowski Hotel. Hier op de vierentwintigste verdieping heb je uitzicht over de hele stad: van het Olympisch Park tot het nieuwe winkelcentrum, van de zelfmoord-torens tot de Sint-Joriskathedraal. Glazen schotten voorkomen dat je wordt weggeblazen door de harde zeewind en dat malloten de snelle route naar beneden kiezen. Het is een al te bekend limbo waarin Xavi nu verkeert; de propofol is uitgewerkt en de alcohol nog niet ingewerkt. Zijn gebrek aan diepteperceptie nu hij slechts één lens in heeft geeft het echter een nieuwe, surrealistische dimensie. Als hij de blik te lang op een persoon of voorwerp fixeert, ontspringt er een kloppende hoofdpijn achter zijn ogen. Hij houdt zijn gin-tonic omhoog, als ware hij Hamlet en de cocktail de schedel van Yorick de nar. Het glas fluoresceert in het blacklight van de bar. De anesthesist voelt een vlaag van melancholie opkomen. Is het nobeler de slingerkogels en pijlen van het noodlot te ondergaan, of om de wapenen op te nemen tegen de oceaan van zorgen, ze te beëindigen? Te sterven, te slapen, en niets meer dan dat…‘Wat zit je stom in je glas te turen,’ onderbreekt Eduard Xavi’s mijmeringen. ‘Wil je dat niet doen waar ik bij ben? Je lijkt wel een autist.’ Eduard is waarschijnlijk Xavi’s beste vriend. Toen Xavi en Alexandra voor het eerst uit elkaar gingen, nam Eduard hem twee maanden in huis. En hij hielp hem met zijn investeringsportefeuille, die helaas niets meer waard is. Net zo belangrijk, hij is een van de weinige personen met wie Xavi het niet erg vindt in het openbaar te worden gezien. Beiden zijn ze vastbesloten hun mislukkingen volledig te ontkennen en te leven in hun fantasie. Eduard tracht al bijna een uur het telefoonnummer te bemachtigen van de serveerster, een geblondeerd kind met een push-up-bh die zichzelf heel bijzonder vindt omdat alle oude of minder oude, rijke of minder rijke, dronken, eenzame mannen met haar trachten te flirten. Alles aan de serveerster is fout, alles waarschuwt je uit haar buurt te blijven, en juist dat maakt haar zo woest aantrekkelijk. Ze draagt een zwart t-shirt en een witte cowboyhoed. De cowboyhoed is een alarmsignaal. Iemand die in het Europa van de eenentwintigste eeuw met een hoed op rondloopt, heeft zo’n vijftig procent kans op een theatrale, narcistische of borderline persoonlijkheidsstoornis.”
op mijn knokige rug speel je de tekst uit, en ik sta smal voor mijn raam: glinsterend licht onder miljoenen kleine sterren en rondom jij mooi zwart dat over alles heen rolt, verandert wat overdag somber rommelt, de wiegende hoofden (bedwelmd en verdoofd) in flikkerende lichten. wat in de zon zachtjes in zenuwkanalen dommelt, dat sla je uit het donker het licht in (geheimzinnig) en je hebt niets weg te geven. voorbij de stoere idealistische eigendunk over het feit van slaap, het onweer barst los, de lucht roert zich niet, geen donker worstelen van wolken, geen enkele bedreiging, het firmament is heroïsch, een stabiel pact van voorheen oorlogszuchtige elementen, hoe ze elkaar inspireren in verraderlijke helderheid, allemaal één grote deal, geen subjectorgaan, hierbinnen rust de geest op dit gladde oppervlak, net voor het hyperventileren neemt hij de bocht naar het bed van het vergeten. en terwijl de mussen de stilte verjagen, al snel de uitademing van de tijd doen vergeten, schemeren de talrijke hoofden op de grond, in een ander heelal. “
De sterren bloeiden in den zomernacht; De zuidewind suisde in de boomen zacht. Op de oude huizen trilde manelicht, Hunne oogen loken stil de zwanen dicht, Die straks nog dreven op den donkren gracht. De sterren bloeiden in hun flonkerpracht.
Wij togen droomend door de straten heen. – De erinnring troost me als ik, verlaten, ween. – In kalmen sluimer lag de stille stad. De maan dreef langzaam langs haar zilvren pad En langzaam togen we over de oude brug. – Die oude erinnring komt zoo trouw terug! –
– ‘En zoekt ge een rots waarop gij leunen moogt? O neem mijn arm, die u te steunen poogt! En zoekt ge een warme, vaak doorgriefde borst? O neem de mijne en stil uw liefdedorst! En zoekt ge een ziel, die zegge: – “Doode, ontwaak!” O neem de mijne voor die godetaak!’
En jaren vloden na dien zomernacht. Weer ruischt een koeltje door de boomen zacht. Ik zie die oogen, blauw in ’t sterrenlicht, Die stille stad, als in een vergezicht. En ’t woord dat mij zijn liefde gaf, dien nacht, Dat zal ik hooren in mijn graf… heel zacht.
Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941) De Grimburgwal in Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth
een korte wandeling door het park een vrouw filmt de familie van haar zoon en zwenkt nadat alles is vastgelegd richting kinderwagen archivering heet dat een verleden produceren een dat tastbaar is zichtbaar & hoorbaar voor lange tijd de behoefte aan herinneringen stilt aan de kindertijd & om ze onsterfelijk te maken de uren van de eerste stapjes hoe schattig moet op een dag iemand zeggen die ervoor zit voor de een of andere toekomstige kijkbuis met een de moeder trots makende overweldigde gezichtsuitdrukking
sprechen verlangt heute die eigene Stimme zu meiden die findigen Transaktionen zwischen Innen und Außen setzen voraus dass der Grund sich offenbart und die Oberfläche tief ist wie die Geschichte Wucht die Zentrifugales zeigt öffentlicher Körper den ich als Bühne ausstelle Frucht der Furcht des Absenders Inneres in der Ferne der Haut wie Emily Dickinson die einen Brief voller Einzelheiten beendet mit “forgive me the personality”
Vertaald door Odile Kennel
Ricardo Domeneck (São Paulo, 4 juli 1977)
De Oostenrijkse dichteres, schrijfster en kunstenares Christine Lavant werd geboren op 4 juli 1915 in Groß-Edling als Christine Thonhauser. Zie ook alle tags voor Christine Lavant op dit blog.
Vertel me een woord en ik vertrap het cement … Vertel me een woord en ik vertrap het cement, zodat er een bloem voor je uitkomt, want ik ben sterk geworden van zwakheid en van zinloos wachten, magneten in alle zintuigen. Zeker zul je moeten verschijnen! Boven het station trilt de lucht, en de zwerm duiven wacht op het begin van de grote vreugde. Het licht is zachtjes op de rails gaan liggen, weg van het haar van de meisjes en uit de ogen der mannen. Ik ben gestopt met huilen, gestopt ook met wachten op het wonder, want één ding gebeurt er altijd in de groei van mijn zwakheid, die stijgt en stijgt boven de duiven en naar beneden in zwarte fonteinen, waar ook overdag nog zichtbaar zijn de verborgen sterren. Daar beneden wisselen dag en nacht niet, daar beneden begeer je nog ononderbroken de zachte bloem van mijn wil.
Vertaald door Frans Roumen
Christine Lavant (4 juli 1915 – 7 juni 1973) Standbeeld in Bad Gams