Then hear now the silence He comes in the silence in silence he enters the womb of the bearer in silence he goes to the realm of the shadows redeeming and shriving in silence he moves from the grave cloths, the dark tomb in silence he rises ascends to the glory leaving his promise leaving his comfort leaving his silence
So come now, Lord Jesus Come in your silence breaking our noising laughter of panic breaking this earth’s time breaking us breaking us quickly Lord Jesus make no long tarrying
When will you come and how will you come and will we be ready for silence your silence
Madeleine L’Engle (29 november 1918 – 6 september 2007) Kerstmarkt in New York, de geboorteplaats van Madeleine L’Engle
“Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck. Alhoewel het daglicht reeds vermindere is er alles nog in de volle, drukke werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten onder de zwoeging der mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste doet leven. Het is vooreerst de Duivel, dat machtig tuig, waarin het katoen wordt geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft verloren; dan de koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende potten, die altezamen de boomwol in vlokkig sneeuw veranderen, ze mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de spintuigen tot haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne ontelbare spillen en bobijnen. Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige snelheid; het is eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende wielen, van knarsende radertanden, van vluchtende riemen, van wandelende spinmolens, van draaiende spillen. Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden andere geruchten vermengt tot een donderend gebruis, tot een zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en zoo vol, dat het de denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem duizelig maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee. Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne stem vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig wezen tusschen de reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft geschapen. Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang der raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen katoen of bobijnen aan, en geven onophoudend voedsel aan het duizendledig, monster, dat de stof met onverzaadbaren honger schijnt te verslinden. Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de raderwerken heen- en wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens doorkruipen! En nochtans, dat een riem, een tand, één van al die draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed of slechts hunne mouw aangrijpe….. en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden afrukken of hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, vóórdat het, ginder verre, als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoevele onvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden door de barsche, zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent tusschen katoen en menschenvleesch!”
Hendrik Conscience (3 december 1812 – 10 september 1883) Antwerpen in de Adventstijd
They come from where no man can sunshine find – Not from those regions by your glance caressed, Where all the cares of this world are at rest, And sweet oblivion follows close behind;
Where joy reigns with a fullness scarce divined, And vanished are the conflicts that distressed; Where song springs from an overflowing breast With sweetest harmonies of every kind;
Where nursed by pure love, grow the fairest flowers, Luxuriant in beauty and in grace, As though kissed by the breath of vernal hours.
My songs that praise you come from no such place; They grew untouched by any friendly powers, Unblest by soothing winds of warmer days.
A Wreath of Sonnets (6/14)
Unblest by soothing winds of warmer days, My songs remain, since from you, haughty maid, They never won the word that might be said – The word that neither saddens nor dismays.
As you were bred upon the German phrase, Like many a Slovene girl, they were afraid That from such flowers on our Parnassus laid With cold disdain you would avert your gaze.
Our Muses were not loved in our own land: They were but spinsters doomed to lonely ways, While foreign beauties won both heart and hand.
Like flowers that bud within the glacier’s maze, Our songs are sparse, as though by nature banned, Above them savage peaks the mountains raise.
France Prešeren (3 december 1800 – 8 februari 1849) Portret door Bozidar Jakac, 1948
De Zweedse schrijfster Kristina Sandberg werd geboren op 3 december 1971 in Sundsvall en groeide op in het noorden van Zweden. Tegenwoordig woont zij in Stockholm. Ze is psychologe en debuteerde in 1997 als schrijfster met “I vattnet flyter man”. Ze won o.a. de Augustprijs en de Svenska Dagbladet literatuurprijs voor de lijvige trilogie over het leven van Majs. In 2017 verscheen de roman “Zorgen voor het gezin.” Deze roman is het tweede deel van de Maj-trilogie, de grote doorbraak van Sandberg. Eerder dat jaar werd het eerste deel gepubliceerd: “De komst van een kind”. Sandbergs romans draaien om de kleine details van het dagelijks leven, over generaties van vrouwen en het gezinsleven in de verzorgingsstaat vanaf de late jaren 1930 tot de jaren 1970.
Uit: Leven tot elke prijs (Vertaald door Jasper Popma en Webdy Prins)
“Stockholm, 1953 Als iemand verdwenen is, wanneer neem je dan contact op met de politie? Maj weet het niet Ze staat in de nette, anonieme hotelkamer met de dubbele gordijnen – de zware gesteven beige van gebloemd cretonne plus de dichtgetrokken witte vitrages – zijn ze wat gelig van de nicotine?Nubenje weduwe. Nee! Tenue komt zo. Zacht geruis van de waterleiding – een nachtbraker is nog wakker. Even voor enen. Ga naar bed, Maj. Rust een poosje. Ze kan nu toch niet slapen. Kan zich er zelfs niet toe zetten tegen het hoofdeinde te gaan zitten. Hoort ze haar hart bonken? Het plakkerige gesmak van haar tong tegen het gehemelte. Haar tanden. Drink een glas water. Dat zal ze doen. Een koud glas water halen bij de kraan in de badkamer. Maar dan klinkt er geklop op de deur. Een ritmisch roffeltje. Ze haast zich ernaartoe, doet open. Lasse en Anita. Als kleine kinderen in pyjama en nachtjapon – ze lijken zoveel jonger dan hun elfen net veertien jaar – is papa al terug? We kunnen niet slapen… Maj schudt haar hoofd. Zegt dat ze wel bij haar mogen komen. Dat zij ook wakker is. Ze haalt de sprei van het tweepersoonsbed, slaat beide dekbedden open, waarop Lasse meteen op het matras begint te springen zodat de veren doorbuigen – ze had Anita en Lasse zich toch maar gereed laten maken voor de nacht – misschien was het dom van haar om ze naar hun eigen kamer te sturen om daar te gaan slapen. Ze wilde alles graag normaal laten lijken. Hun het vertrouwen geven dat papa gauw terug zou zijn. Als hij al komt. Hou op, Lasse – en hij stopt met springen zodra Anita er iets van zegt Maj gaat in de leunstoel zit-ten – moet ze de lamp op het bureau echt aan laten – ga nu slapen, maant ze hen, ze pakt een sigaret, strijkt een lucifer af. Wees zuinig met de sigaretten, wat doe je als ze op zijn? Ze heeft niet eens genoeg contanten voor een pakje rookwaar. Snel drukt ze hem uit in de as-bak, stopt de amper gerookte sigaret terug. Tomas is in elkaar gesla-gen. geroofd van zijn portefeuille. Ligt ergens gewond zonder dat ze zijn identiteit kunnen achterhalen. Misschien lopen mensen hier wel ge-woon langs iemand die mishandeld is. Of ?Wat zou anders de reden zijn dat hij haar en de kinderen alleen op een hotelkamer in de hoofdstad achterlaat? Pas als ze gaat verzitten in de leunstoel, merkt Maj hoe hard ze haar dijen tegen elkaar drukt. Adem. Ontspan. Lacht zeeven? Ze slaat opnieuw haar ene been over het andere, haakt haar voet achter haar enkel.”
Bij stilte. Bij regen en zon, het luiden van klokken. Wanneer in duisternis een kaars wordt aangestoken en jij een kruis slaat. Bij sterfte en geboorte. Bij overdaad.
Bij god en bij duivel, zo ontsluit jij de dagen: met vingervlugge kruistekens. Regenspatjes op een vijver. Alsof je uit je lichaam draadjes plukt waarmee je aan de hemel werd geregen.
Laat ons over het lijden zwijgen (het lijden is link en reusachtig en heeft een eigen stem). Dit mag genoeg zijn: de kinderlijke verbazing en het kruis op je lippen, je borsten, je lippen.
Terug naar Eden
Een gifgroene tuin, de mieren, de maden, een leistenen cirkel en het spietsen van de grond met afgerukte takken, de van kippenbloed dronken, daverende bodem en de grote, grijze man met de bijl.
Ik dank je, grote, grijze man: het was een wonderlijke, groene tuin, onze tuin, een paradijs met bloedfonteinen. Ik doopte twijgjes in rode plassen en was een lachende kleuter.
En hier, waar het gras wat geler is: hier stookte ik de eerste vuurtjes, verbrandde droge, krakende bladeren, later alles wat ik vinden kon. Hier was niets dat bloemen droeg.
Ontbijtintimiteiten (ochtendfruit)
Met een frambozenmondje nip je van een kopje groene thee, tevreden wip je zachtjes op het topje van je stoel, had je niet liever wat gebleven, ik bedoel, wij tweeën in het beddengoed?
Jij likt de honing, ik de ochtendgloed die de zondagmorgenzon lachend in je haren spelen laat – mijn hand strijkt doorheen de restjes slaap die daar nog stiekem kleven: clandestiene sterren.
Maar zoveel aandacht doet je blozen, dus gooi ik maar wat vrolijk ochtendfruit: een fraaie donkerrode kersenregen, een appel en een drietal abrikozen.
De wind is een ding en de bladeren zijn een ander. Ze ruisen onderling al lang samen met elkander. Ik sta daarbij en luister mij niet moe. Soms schijnt me alles vaag, soms alles klaar. En als ik even mijn hoed af doe, is muziek een beweging door het haar.
Zingende daad
De kinderen zingen naar een daad. Zij gaan op de zon af vanuit hun straat en stormen langs de ladders van het licht naar boven! Midden in mijn klein gedicht hoor ik dit aan en vraag het groen: of ook ík een zingende daad zal doen? Zeker, wuiven de bomen met hun vlag: kinderen en dichters zijn eenzelfde slag, dat alles kan en alles mag. Daar valt de wind uit zijn goedgeluimde lach in de bladeren en heel de wereld staat eerst nu vol zingende overdaad!
Eenzaamheid
De lucht is zo lila en lauw om de rose bloemen bij de molen. Het water ernaast stapt grauw geruist in de schoepen met vloeiende zolen. Het is er om in ’t grijs gereed te staan en maar in en uit de kamers te gaan.
Pierre Kemp (1 december 1886 – 21 juli 1967) Fourrures door Pierre Kemp, 1929
Nederlands grootste chansonnier Ramses Shaffy is vandaag precies acht jaar geleden op 76-jarige leeftijd overleden. Ramses Shaffy werd op 29 augustus 1933 geboren in de Parijse voorstad Neuilly-sur-Seine als zoon van een Egyptische diplomaat en een Poolse gravin van Russische afkomst. Zie ook alle tags voor Ramses Shaffy op dit blog.
Ramses Shaffy (29 augustus 1933 – 1 december 2009)
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
Voor degene in een schuilhoek achter glas
Voor degene met de dichtbeslagen ramen
Voor degene die dacht dat-ie alleen was
Moet nu weten, we zijn allemaal samen
Voor degene met `t dichtgeslagen boek Voor degene met de snelvergeten namen Voor degene die `t vruchteloze zoeken Moet nu weten, we zijn allemaal samen
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder Niet zonder ons
Voor degene met de slapeloze nacht Voor degene die `t geluk niet kan beamen Voor degene die niets doet, die alleen maar wacht Moet nu weten, we zijn allemaal samen
Voor degene met z`n mateloze trots In z`n risicoloze hoge toren Op z`n risicoloze hoge rots Moet nu weten, zo zijn we niet geboren
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder Niet zonder ons
Voor degene met `t open gezicht Voor degene met `t naakte lichaam Voor degene in `t witte licht Voor degene die weet, we komen samen
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder Niet zonder ons
De Amerikaanse schrijverRex Stoutwerd geboren op 1 december 1886 in Noblesville, Indiana, maar groeide op met zijn acht broers en zussen in Kansas in een Quaker-gezin. Na universitaire studies aan de Universiteit van Kansas, diende hij twee jaar bij de marine, op het jacht van president Roosevelt. In de jaren 1910 verdiende hij de kost door een reeks kleine klusjes uit te voeren: meer dan dertig in slechts vier jaar tijd. Hij begon onder meer met zijn literaire carrière, artikelen schrijven, liefdesverhalen en zelfs een reeks soap-romans voor populaire tijdschriften. Zijn uitvinding van een ingenieus schoolspaarsysteem leverde hem snel genoeg geld op om naar Europa te reizen. Het was tijdens een verblijf in Parijs dat hij zijn eerste roman schreef: “How Like a God” (1929). Deze kreeg een goede pers. Drie andere romans zouden volgen, waarvan er een, “Forest Fire”, als “gay novel’ gekarakteriseerd wordt. De literaire carrière van Rex Stout was op de goede weg, maar de Grote Depressie raakte hem hard: zijn spaarsysteem stortte in elkaar en hij verloor al zijn fortuin. Terug in Amerika hield Stout zich bezig met de bewegingen van links en extreem links. Hij was ook een sterke voorstander van de New Deal. Tegelijkertijd lanceerde hij de politieliteratuur. In zijn eerste roman, “Fer-de-lance”, introduceerde hij voor de eerste keer detective Nero Wolfe, een zwaarlijvig intellectueel en liefhebber van orchideeën, en Archie Goodwin, een jonge veld onderzoeker. Vanaf 1938 bleef hij één boek per jaar over Nero Wolfe schrijven, tot aan zijn dood in 1975, behalve tijdens WO II. Stout was een van de vele Amerikaanse schrijvers die nauwlettend in de gaten werd gehouden door de FBI van J. Edgar Hoover. Hoover beschouwde hem als een vijand van het bureau en als een communist of als een instrument van communistisch gedomineerde groepen. In latere jaren vervreemde Stout enkele lezers met zijn agressieve houding ten opzichte van de Vietnamoorlog en met zijn minachting voor het communisme uitgedrukt in sommige van zijn boeken.
Uit: Forest Fire
“His mind would not work; his head hurt. There was nothing to give. He was Stan Durham, that was all, Stan Durham acting like a goddam fool, trying to get ideas in his head where they did not belong. Where was there anything in him to feed a friend on? What was there about him for a friend to know or care about: He was a man who knew how to work and make other men work; and not only was that all he knew, it was all he was. And all he cared to be. A man, like a horse, must be true to his breed whether he wants to or not. He had said to Harry, a man lives lonely, but that was not true of all men. Harry would never live lonely, he was not born for it. The laugh in his blue eyes, the life in his smooth skin, the way he put his hand on your arm or your knee, the free careless words that flowed from his tongue—all those were for others, for men and women, for friendships and close feelings. Only an hour ago, walking across the meadow toward the box-car where the train would stop, Stan had seen him cup his hand under Elsie’s elbow to steer her around a gopher hole, and had felt a sudden sharp constriction in his breast and an idiotic impulse to ask his wife if she had forgotten how to walk. But she had not invited the gesture; it had been Harry’s. He would put his hand that way on anyone; had, doubtless, on hundreds, girls, boys, men, women; would, on hundreds more. If he took a friend, if ever he reserved any look of his eyes or touch of his hands for just one, not to be shared, he was not likely to pick on Stan Durham for it. Stan Durham had nothing to offer…”
Rex Stout (1 december 1886 – 27 oktober 1975) In 1931
De dresscode: kleren die kapot kunnen, stevige schoenen, vieze handen en een riem waaraan een hamer hangt. We halen hout (massaal en in alle maten), klimmen in ladders en leggen verlengkabels van de radio’s naar de aggregaten. Gesprekken staken we tot ’s avonds – met je mond vol spijkers is het lastig praten.
Die drie maanden vallen we samen met de splinters in onze vingers, de schaafwonden op onze schenen, de blaren op onze handen en een handvol gebroken benen – met alles op onze namen na.
Dit ding gaat groot worden.
Wat het ook wordt – als het af is, klimmen we erin, trekken kratten bier omhoog met touwen, kijken omlaag en zullen zien dat het goed is.
Als wij het niet doen, doet niemand het.
bezet gebied
onze benen over de rand van het perron geklemd kijken we langs het spoor dat van elke bestemming een verdwijnpunt langs een vluchtlijn maakt
kijken in de trein naar een dwarsdoorsnede van steden die als kralen aan het spoor worden geregen totdat de knoop compleet is
komen overal langs iets ander glas in hetzelfde beton spiegels voor wolkenkrabbers en kranen een enkele helikopter en een blauwdruk voor later
leven in steden gegijzeld door morgen elke bouwgrond bezet gebied prikkeldraad de rode lijn
lopen over ruitjespapier en rijden over steeds nog niet gesleten asfalt eeuwig onslijtbaar asfalt
en wij met onze benen geklemd om de rand van het perron zoeken ons verdwijnpunt langs een vluchtlijn en praten van bestemming