Maria Dermoût, Christian Bauman, Silke Scheuermann, Ramon Lopez Velarde, Roland Dorgelès, François-Xavier Garneau, Hannah van Wieringen

De Nederlands-Indische schrijfster Maria Dermoût (eigenlijk Helena Anthonia Maria Elisabeth Dermoût-Ingerman) werd geboren in Pekalongan, Java, op 15 juni 1888. Zie ook alle tags voor Maria Dermoût op dit blog.

Uit: Nog pas gisteren

“Mama keek eerst rond of er onder de passagiers niet iemand was die zij kende, dan praatte en lachte zij wel; anders zat zij rechtop, keek naar buiten door de hor en wees telkens iets aan: ‘Kijk eens Riek!’ alsof Riek het niet zelf zag, en fluisterde: ‘Je moet niet naar vreemde mensen kijken, Riek.’ Na een paar uur stapten zij uit, daar moesten zij overstappen, en ’s middags laat kwamen zij in een grote plaats en sliepen een nacht in een hotel. De volgende morgen stond er een postwagen te wachten.
Een echte postwagen!
Het leek op een tentvvagen, maar er waren vier paarden voor, wel kleine magere, maar toch vier. Een gewone koetsier op de bok en dan nog twee lopers, die stonden achter op een plank als palfreniers. Maar zodra de weg steil werd, sprongen zij eraf en liepen naast de paarden, lieten de korte zwepen knallen, klakten met de tongen, riepen ‘rrrt’, als een roffel op een trom, en schreeuwden. Soms grepen zij de voorste paarden bij de toom en sjorden en trokken mee. Als er een vlak stuk kwam, bleven zij even staan en sprongen weer op de plank om uit te rusten, maar hun adem bleef nog lang zo zwaar gaan, met horten en stoten. Onderweg stonden zij stil om te verspannen. Riek en mama bleven in de postwagen zitten en aten wat uit hun mandje. Opzij van de weg onder de hoge tamarindebomen was een klein winkeltje; de koetsier en de lopers, ook de mannen die de verse paarden gebracht hadden, en Oerip op haar sloffen stonden ervoor en dronken koffie en aten een koekje. Daarna hurkten de mannen neer om te praten en strootjes te roken, maar Oerip klom weer in de wagen, zij zat tegenover Riek en mama op de kleine bank; als zij ging zitten, zei zij: ‘Vergeving mevrouw.’
Dat hoorde zo.
Bij het winkeltje stond het ineens vol met Javaanse kinderen die naar hen keken; één stak een hand uit en vroeg om snoepgeld, dat maakte Oerip boos.
‘Hinder de grote mevrouw en de grote juffrouw niet,’ maar mama zei: ‘Ach kassian Oerip,’ en gaf hun toch wat. En zij reden weer verder.
Het was een lange weg en steil. Het werd ook veel kouder. De nieuwe paarden liepen langzamer, zij werden moe, er stond schuim op hun flanken. In de korte pozen rust ging de adem van de lopers knarsend als een zaag.”

 

 
Maria Dermoût (15 juni 1888 – 27 juni 1962)
Lees verder “Maria Dermoût, Christian Bauman, Silke Scheuermann, Ramon Lopez Velarde, Roland Dorgelès, François-Xavier Garneau, Hannah van Wieringen”

Emma Cline

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse schrijfster Emma Cline werd geboren in 1989 in Sonoma in Californië, waar zij met met vijf broers en zussen opgroeide. Haar BA behaalde zij aan het Middlebury College in Vermont en twee jaar later kreeg zij een studiebeurs voor de prestigieuze Bread Loaf Writers ‘ Conference. Zij voltooide haar studie met de graad Master of Fine Arts aan de Columbia University in Manhattan, New York. Daarna verhuisde Cline naar Brooklyn, waar ze nog steeds woont en werkt. Ze schrijft voor het blad `O` van Oprah Winfrey en The New Yorker. Haar eerste publicatie `Marion` werd in 2014 bekroond. In 2016 publiceerde zij haar eerste roman `The Girls` in het Engels en Duits. Het manuscript van “The Girls” zou, terwijl zij er nog aan werkte, uitgroeien tot een fel begeerd item en leverde haar, zo gaan de geruchten, 2 miljoen dollar op bij Random House.

Uit: The Girls

I looked up because of the laughter, and kept looking because of the girls.
I noticed their hair first, long and uncombed. Then their jewelry catching the sun. The three of them were far enough away that I saw only the periphery of their features, but it didn’t matter—I knew they were different from everyone else in the park. Families milling in a vague line, waiting for sausages and burgers from the open grill. Women in checked blouses scooting into their boyfriends’ sides, kids tossing eucalyptus buttons at the feral-looking chickens that overran the strip. These long-haired girls seemed to glide above all that was happening around them, tragic and separate. Like royalty in exile.
I studied the girls with a shameless, blatant gape: it didn’t seem possible that they might look over and notice me. My hamburger was forgotten in my lap, the breeze blowing in minnow stink from the river. It was an age when I’d immediately scan and rank other girls, keeping up a constant tally of how I fell short, and I saw right away that the black-haired one was the prettiest. I had expected this, even before I’d been able to make out their faces. There was a suggestion of otherworldliness hovering around her, a dirty smock dress barely covering her ass. She was flanked by a skinny redhead and an older girl, dressed with the same shabby afterthought. As if dredged from a lake. All their cheap rings like a second set of knuckles. They were messing with an uneasy threshold, prettiness and ugliness at the same time, and a ripple of awareness followed them through the park. Mothers glancing around for their children, moved by some feeling they couldn’t name. Women reaching for their boyfriends’ hands. The sun spiked through the trees, like always—the drowsy willows, the hot wind gusting over the picnic blankets—but the familiarity of the day was disturbed by the path the girls cut across the regular world. Sleek and thoughtless as sharks breaching the water.
It was the end of the sixties, or the summer before the end, and that’s what it seemed like, an endless, formless summer. The Haight populated with white-garbed Process members handing out their oat-colored pamphlets, the jasmine along the roads that year blooming particularly heady and full. Everyone was healthy, tan, and heavy with decoration, and if you weren’t, that was a thing, too—you could be some moon creature, chiffon over the lamp shades, on a kitchari cleanse that stained all your dishes with turmeric.“

Emma Cline (Sonoma, 1989)

 

Hugo Borst

De Nederlandse schrijver, redacteur en radio- en televisiepresentator Hugo Borst werd geboren in Rotterdam op 15 juni 1962. Borst rondde de mavo af en trad per 1 januari 1985 in dienst bij Voetbal International. Na ruim zes jaar vertrok hij samen met Leo Verheul naar Panorama, maar bleef actief in de voetbalwereld. Borst is (voetbal)columnist en stadschroniqueur van het Algemeen Dagblad. Hij heeft ook een wekelijkse rubriek op de website Unibet.com, waar hij tips geeft aan gokkers over wedstrijden in de eredivisie. Voor Esquire schrijft hij columns over seks, liefde en de misverstanden tussen mannen en vrouwen. Ook was hij vaste gast in het NOS-voetbalpraatprogramma Studio Voetbal en hij was in 2004 jurylid van het BNN-programma Komt dat schot. In 2006, 2007 en 2008 was hij ook tafelheer bij het televisieprogramma “De Wereld Draait Door” en presenteerde hij zijn eigen televisieprogramma “Over vaders en zonen”. Vanaf 1994 is Borst verbonden aan het voetbaltijdschrift Hard gras. Sinds 2005 is Borst tevens een van de hoofdredacteuren van het tijdschrift. In 2007 maakte hij, vergezeld door Matthijs van Nieuwkerk en Henk Spaan, voor dit tijdschrift een theatertour door Nederland. Samen met Sander de Kramer richtte Hugo Borst de Sunday Foundation op, die onder andere opkomt voor de rechten van kinderen in Sierra Leone. Per augustus 2013 is Borst de nieuwe stem van de zondagse uitzending van NOS Langs de Lijn, samen met Henry Schut. Schut en Borst zijn de opvolgers van Toine van Peperstraten en Tom van ’t Hek, die de NOS verlieten voor respectievelijk FOX Sports en BNR Nieuwsradio. In 2015 verscheen Borsts boek “Ma” over zijn dementerende moeder. Een jaar later, in 2016, schreef hij samen met Carin Gaemers een brief naar staatssecretaris Martin van Rijn over de ondermaatse ouderenzorg in Nederland. Deze brief werd in oktober 2016 gevolgd door een manifest ‘Scherp op ouderenzorg’ met tien punten om de ouderenzorg te verbeteren. Voor hun inzet kregen ze de Machiavelliprijs 2016 en de Issue Award 2017.

Uit: Ma

“Al een paar maanden gaat de telefoon ’s avonds rond een uur of zeven: ma krijgt de tv niet aan.
‘Zit de stekker erin?’
‘Eh, ik geloof het niet.’
‘Die hoef je er niet uit te trekken, ma.’
‘Jawel. Dat moet toch altijd?’
‘Doe de stekker er maar in.’
‘Maar als het gaat onweren?’
‘Dan haal je ‘m eruit. Maar het gaat vannacht niet onweren.
Echt. Ik heb net de weersverwachting gehoord.’
Ze legt de telefoon neer. Gestommel. Ze zegt wat, waarschijnlijk tegen zichzelf, ik kan het niet verstaan.
‘Ma?’
‘…’
‘Ma-ha! Joehoe!’
‘Zo, hier ben ik weer.’
‘Heb je de afstandsbediening?’
Ik hoor dat ze de telefoon weer neerlegt, maar ze is sneller terug dan verwacht. Dat valt mee.
‘Druk eens op de groene knop, ma.’
‘…’
‘Ma?’
‘Er gebeurt niks.’
Ik hoor een piepje. Onhoorbaar voor haar slaak ik een zucht. Ongelofelijk. Ze krijgt het weer voor elkaar.
‘Ma, je drukt op het groene knopje van de telefoon. Je moet…’
‘Ach ja.’
‘Druk maar op dat groene knopje van de afstandsbediening.’
‘Er gebeurt niks,’ zegt ma en ik hoor het begin van wanhoop.
Het zou niet de eerste keer zijn dat een poging om de televisie aan te zetten haar aan het huilen maakt.”

Hugo Borst (Rotterdam, 15 juni 1962)

 

Alex Boogers, Lieve Joris, Allard Schröder, John van Ierland, Peter O. Chotjewitz, Harriet Beecher Stowe, Hermann Kant, Jerzy Kosiński

De Nederlandse schrijver Alex Boogers werd geboren op 14 juni 1970 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Alex Boogers op dit blog.

Uit: Alleen met de goden

‘Zeik niet! Wat niet weet, wat niet deert,’ zei mijn moeder. Als een van hen vroeg wat het was, zei ze: ‘Paardenrookvlees.’ Mijn Turkse vrienden hielden van het paardenrookvlees van mijn moeder.
‘Te veel buitenlanders,’ zei mijn vader op een avond aan tafel. ‘Hij heeft niet één normaal vriendje. We donderen op hier.’ Toen verhuisden we naar de flat in West. We woonden in een vierkamerappartement op twee hoog met een groot grasveld aan de achterkant en ik raakte bevriend met Gerald, een Surinaamse jongen die op vier hoog woonde. Hij had een strenge moeder, mevrouw Lafayette, en drie slanke zusjes die heel soepel konden dansen op de muziek van James Brown, Marvin Gaye, The Jackson Five, en nog een heleboel andere zwarte artiesten die ik niet kende. Ik kon uren naar ze kijken, die glimmende donkere benen, die soepele heupen die heen en weer gingen, die ronde, wippende kontjes, de glimlach en het glanzende kroeshaar.
‘Godverdomme, je doet het erom,’ zei mijn vader toen Gerald bij ons thuiskwam. ‘Zie je dat, Jo, een zwarte!’ Gerald behoorde dus niet tot de normale mensen over wie mijn vader steeds sprak.
In de flat kreeg ik last van slapeloosheid. Mijn moeder zei dat ik als baby ook al nooit goed sliep.
‘Janken wel, slapen niet. We namen je mee naar de kroeg, en daar viel je onder de tafel in slaap.’
Ik had een terugkerende droom waarin ik werd achternagezeten door een onheilspellend, voortrollend gevaarte. Het stonk, het zag er smerig uit, het wilde in mijn hoofd kruipen en me verzwelgen. Ik kon niet goed zien wat het was, maar ik wist dat ik het voor moest zien te blijven. Ik vroeg papa Leeuw of hij wist wat het kon zijn. ‘Je geweten,’ zei hij. ‘Zuipen helpt, maar daar ben je nog te jong voor.’

 

 
Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970)

Lees verder “Alex Boogers, Lieve Joris, Allard Schröder, John van Ierland, Peter O. Chotjewitz, Harriet Beecher Stowe, Hermann Kant, Jerzy Kosiński”

Fernando Pessoa , Willem Brakman, William Butler Yeats, Thomas Heerma van Voss, Tristane Banon, Marcel Theroux, Lode Zielens

De Portugese dichter en schrijver Fernando António Nogueira Pessoa werd geboren in Lissabon op 13 juni 1888. Zie ook alle tags voor Fernando Pessoa op dit blog.

 

Heb niets in je handen, noch…

Heb niets in je handen, noch
Een herinnering in de ziel,

Dan zal, wanneer de laatste obool
Men je in de handen legt,

En men je handen openvouwt
Niets je ontvallen.

Welke troon wil men je geven
Die Atropos je niet ontneemt?

Welke lauweren die niet welken
Onder Minos’ oordeel?

Welke uren die ook jou niet
Maken tot de schaduw

Die je zijn zult als je gaat
De nacht in en naar ’t einde van de weg.

Pluk de bloemen maar laat ze
Los eer je ze hebt bezien.

Ga zitten in de zon. Doe afstand
En wees koning van jezelf.

 

Vertaald door August Willemsen

 

The Herdsman

I’m herdsman of a flock.
The sheep are my thoughts
And my thoughts are all sensations.
I think with my eyes and my ears
And my hands and feet
And nostrils and mouth.

To think a flower is to see and smell it.
To eat a fruit is to sense its savor.

And that is why, when I feel sad,
In a day of heat, because of so much joy
And lay me down in the grass to rest
And close my sun-warmed eyes,
I feel my whole body relaxed in reality
And know the whole truth and am happy.

 
Vertaald door Edouard Roditi

 

Sonnet I

Whether we write or speak or do but look
We are ever unapparent. What we are
Cannot be transfused into word or book.
Our soul from us is infinitely far.

However much we give our thoughts the will
To be our soul and gesture it abroad,
Our hearts are incommunicable still.
In what we show ourselves we are ignored.

The abyss from soul to soul cannot be bridged
By any skill of thought or trick of seeming.
Unto our very selves we are abridged
When we would utter to our thought our being.

We are our dreams of ourselves, souls by gleams,
And each to each other dreams of others’ dreams.

 

 
Fernando Pessoa (13 juni 1888 – 30 november 1935)
Muurschildering in Bedminster, Bristol

Lees verder “Fernando Pessoa , Willem Brakman, William Butler Yeats, Thomas Heerma van Voss, Tristane Banon, Marcel Theroux, Lode Zielens”

Franz Alfred Muth

De Duitse dichter, schrijver en priester Franz Alfred Muth werd geboren op 13 juni 1839 in Hadamar. Na de middelbare school in Hadamar studeerde hij theologie in Mainz. Toen hij twijfelde of hij priester zou worden, studeerde hij filosofie in Würzburg, waar hij promoveerde tot dr. Phil. Onder invloed van de religieuze filosoof en dichter Georg Friedrich Daumer koos Muth toch voor het priesterschap en vervolgde zijn studie in Mainz en aan het seminarie in Limburg. Hij werd priester gewijd op 12 maart 1863 in de Hohe Dom in Limburg. Hij werd toen kapelaan in Kestert, in 1870 Domkapelaan in Frankfurt en daarna parochiebeheerder in Rhauenthal. Vanaf 1871 werkte Muth eerst als parochie beheerder en in 1873 als predikant in Dombach en Schwickershausen in Bad Camberg. Muth publiceerde tal van artikelen over verschillende onderwerpen in kranten, tijdschriften en tijdschriften. In een aantal publicaties en verschillende boeken publiceerde Muth meer dan 250 gedichten natuurlyriek wandelenliedjes en kluchten die talrijke herdrukken beleefden. Meer dan 180 componisten, onder andere Josef Rheinberger, Franz Abt, Albert Becker, Aloys Edenkofer, Engelbert Humperdinck, Eduard Köllner, Victor E. Nessler, Joachim Raff, Max Reger, Franz Ries, Robert Schwalm hebben gedichten van Muth op muziek gezet. Als dichter publiceerde hij ook onder het pseudoniem Franz uit Rheine en Franz Hilary.

Frühveilchen

Arme Veilchen, so früh`, o so frühe erwacht,
Was blicket ihr aus dem Schnee gar sacht?
Arme Blauveilchen in süßem Duft,
Es ist ja so kalt und rauh noch die Luft.

Und wie ich hauche, es kann nicht sein,
Ihr neiget still die Köpfelein
Und duftet noch einmal und schau`t umher,
Doch die Luft ist kalt und das Köpfchen schwer.

Arme Veilchen, daß ihr geblüht im März!
Müßt nun verhauchen in Ach und Schmerz;
Doch neigt ihr`s Köpfchen fromm und lind —
Ja sterben läßt sich`s leicht als Kind.

 

Herbstabend

Auf der Erde Nacht und Dunkel,
Oed` die Flur und kahl der Hag,
Droben sternig Lichtgefunkel
Wie ein sel`ger Himmelstag.

Klagst du, daß die Blätter fliegen?
Laß das Laub dem Sturm der Nacht!
Dunkel mag die Erde liegen,
Droben ist ja Licht entfacht!

Schau`nur zu den Sternenauen:
Immer neuer Sterne Schaar
Wird dein staunend Auge schauen,
Goldenlicht und wunderbar.

Staunend stehst du lichte Sterne
Auch in deiner Seele klar,
In der Nähe, in der Ferne
Wirst du freudig sie gewahr.

Trauerst du, daß Blätter fliegen?
Laß das Laub dem Sturm der Nacht!
Dunkel mag die Erde liegen;
Ist ja Licht genug entfacht!

Franz Alfred Muth (13 juni 1839 – 3 november 1890)

 

Christoph Meckel, Wolfgang Herrndorf, Anne Frank, Renan Demirkan, Djuna Barnes, Johanna Spyri

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

Dieser Tag

Alle Guten Geister für diesen Tag!

Der Wind strömt stark und warm.
                       Das Grosse Licht baut den Tag auf.
Bienen und Kraniche über der Brandung.

Als hätte die Schöpfung nocheinmal begonnen.
Kein vorletzter Tag, kein letzter
und das Meer bewegt lebendige Finsternis.

Das Haus, im Schwirren der Vogelflüge
                       fliegt auf in die Pinien.

Freude, das Wort aufersteht
                       nicht geraubt, nicht gesäubert.

Wir hängen die Schuhe hinaus in den Wind
und er füllt sie mit Schmetterling
                       und Samen der Steine.

Ein paar Sätze, die ich dir zurufen wollte
für heute, für morgen,
                       für sieben Leben, kein Ende —

 

Die Märchen, die Wunder sind alt…

–  Gott  hat dem Menschen wahrlich
sehr wenige Märchen gegeben –
                                                       (Mihály Babits)

Die Märchen, die Wunder sind alt
Und ausgeweidet wie Schlachtvieh.
Neue sind nicht erschienen. Der Gott ist fort,
ihm gehört das Wunder, Nichts zu sein
in den Räumen draussen.
Die Glocke ist ein Gefäss für Laut und Klang
Und dem Wunder am nächsten, und ist kein Wunder.
Die Kerze hält Licht und Feuer fest,
dem Wunder am nächsten, und ist kein Wunder.
Der Vogel ist von allem das Gegenteil
und dem Märchen am nächsten, und ist kein Märchen.

Am Morgen schrie der Sperber im Sprühnebel draussen.

 

meckel
Christoph Meckel (Berlijn, 12 juni 1935)

 

Lees verder “Christoph Meckel, Wolfgang Herrndorf, Anne Frank, Renan Demirkan, Djuna Barnes, Johanna Spyri”

Brigid Brophy, H. C. Artmann, Günter Nehm, Rona Jaffe, André Suarès, Charles Kingsley

De Engelse schrijfster, essayiste, critica en biografe Brigid Antonia Brophy werd geboren op 12 juni 1929 in Londen. Zie ook alle tags voor Brigid Brophy op dit blog.

Uit: In Transit

“I had not succeeded in leaving the interlocution behind, trapped like drained nectar in the valley of the chair slope. Caught without an answer at the ready, I merely repeated: Ce qui m’étonnait …
Hearing this for the second time round, the interlocutor demanded why it was already in the past tense.
I explained. I cruise, my jaws wide to snow-plough in the present tense, the plankton of experience. This I then excrete rehashed into a continuous narrative in the past tense.
Naturally the process is imaged according to bodily functions. That is an old habit of fant’s (fant, the feu infant), so much of whose childtime is preoccupied with them. Even adult fant, book-learned enough to know about metabolism, doesn’t feel it happening. You eat; you excrete; but you never catch your cells in the act of creating themselves out of your food and never hear the pop of sugar-energy released into your service from your laden corpuscles.
No more can you detect your personality and its decisions in the course of being created your experience. You know only that you ingest the present tense and excrete it as a narrative in the past.
History is in the shit tense. You have left it behind you. Fiction is piss: a stream of past events but not behind you, because they never really happened.
Hence the hold fictional narrative exerts on modern literate man. And hence the slightly shameful quality of its hold.
I knew as I statelily rose from the tweed and rubber launching pad that my stroll, ostensibly towards the glass wall, would soon conduct me to the bookstall.
Go daily to stall. Or do you want, inquires nanny interlocutor, to spend a punny?
And hence the disesteem in which authors of fictional narrative are held – and hold themselves. Don’t, says nanny, hold; don’t touch. That’s where fantasy and fiction begin. How authors squirm, how they sidle from foot to foot, to avoid that compulsion to narrative. They poise their shears over the wire, threatening to cut the connection. They say they are seeking to alienate you. They take aim to fling you an open-ended fiction: the-book lands legs akimbo, pages open at the splits, less a book than a box of trick tools, its title DO IT YOURSELF KID.”

 

 
Brigid Brophy (12 juni 1929 – 7 augustus 1995)

Lees verder “Brigid Brophy, H. C. Artmann, Günter Nehm, Rona Jaffe, André Suarès, Charles Kingsley”

William Styron, Sophie van der Stap, N. P. van Wyk Louw, Renée Vivien, Jean-Pierre Chabrol, Ben Jonson, Yasunari Kawabata

De Amerikaanse schrijver William Styron werd op 11 juni 1925 in Newport News in de staat Virginia geboren. Zie ook alle tags voor William Styron op dit blog.

Uit: The Confessions of Nat Turner

“I suppose the truth is simply that it was possible for benefits like these to accrue only to a Negro lucky enough to remain in the poor but relatively benign atmosphere of Virginia. For here in this worn-out country with its decrepit little farms there was still an ebb and flow of human sympathy—no matter how strained and imperfect—between slave and master, even an understanding (if sometimes prickly) intimacy; and in this climate a black man had not yet become the cipher he would become in the steaming fastnesses of the far South but could get off in the woods by himself or with a friend, scratch his balls and relax and roast a stolen chicken over an open fire and brood upon women and the joys of the belly or the possibility of getting hold of a jug of brandy, or pleasure himself with thoughts of any of the countless tolerable features of human existence.”
(…)

“I reckon even you didn’t know the actual statistics, hiding out until now like you done. But in the three days and nights that your campaign lasted you managed to hasten fifty-five white people into early graves, not counting a score or so more fearfully wounded or disabled—hors de combat, as the Frenchies say, for the rest of their natural lives. And only God knows how many poor souls will be scarred in their minds by grief and by terrible memories until the day they part this life. No,” he went on, breaking off a black wad from a plug of chewing tobacco, “no, I’ll have to hand it to you, in many respects you was pretty thorough. By sword and ax and gun you run a swath through this county that will be long remembered. You did, as you say, come damn near to taking your army into this town. And in addition, as I think I told you before, you scared the entire South into a condition that may be described as well-nigh shitless. No niggers ever done anything like this.”

 

 
William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006)
In 1967

Lees verder “William Styron, Sophie van der Stap, N. P. van Wyk Louw, Renée Vivien, Jean-Pierre Chabrol, Ben Jonson, Yasunari Kawabata”

Athol Fugard, Nnimmo Bassey, Jules Vallès, George Wither, Barnabe Googe

De Zuidafrikaanse schrijver Harold Athol Lannigan Fugard werd geboren op 11 juni 1932 in Middelburg, Kaapprovincie. Zie ook alle tags voor Athol Fugard op dit blog.

Uit: Hello And Goodbye

““OHNNIE. What did you want to do?
HESTER. Nothing. [Loo/ting a! the certificate in her hand.] Johannes Cornelius Smit-Anna Van Rooyen. Biggest mistake she ever made!
JOHNNIE. You don’t know what you’re saying.
HESTrER. Yes, I do! I’m saying this was the biggest mistake she ever made. Marriage! One man’s slave all your life, slog away until you’re in your grave. For what? Happiness in Heaven? I seen them- Ma and the others like her, with more kids than they can count, and no money; bruises every pay-
day because he comes home drunk or anOIher one in the belly because he was so drunk he didn’t know it was his old wife and got into bed!
JOHNNIE. Daddy never beat Mommie. He was never drunk.
HESTER. Because he couldn’t. He was a crock. But he did it other ways. She fell into her grave the way they all do- tired, maeg. Frightened! I saw her.
JOHNNIE. This is terrible, Hester.
HESTER. You’re damned right it is. It’s hell. They live in hell, but they’re too frightened to do anything about it because there’s always somebody around shouting God and Judgement. Mommie should have taken what she wanted and then
kicked him out.
JOHNNlE. And the children.
HESTER. So what! If you get them you get them and if you don’t want them there’s ways.
JOHNNlE. Hester! Hester!
HESTER. Hester, Hester what? Hester who? Hester Smit! That‘s me. I’ve done it. And I don‘t care a damn. Two months old and I got rid of it.”

 

 
Athol Fugard (Middelburg (ZA), 11 juni 1932)
Scene uit een opvoering in het Abbey Theatre, St Albans, 2011

Lees verder “Athol Fugard, Nnimmo Bassey, Jules Vallès, George Wither, Barnabe Googe”