Een duif die tussen bomen een kleine plek uitkiest tolt dralend om zijn as en komt spiralend neer.
De charme van zijn dalen stijgt als hij gebrek aan ruimte heeft.
Lentekou
Er is niets dan de wind. De tuinen zijn doorzichtig, men ziet hun achterkanten leven. Geen mist, geen regen, alleen de wind, een dunne strakke wind aanhoudend over door jong gras omhooggetilde, omvergegroeide dorre bladeren. De bomen zijn nog zonder glinstering, oud, zonder knop. Herinneringen weggestreken, een voorhoofd onder pas gewassen en in een doek gewonden haar. Zij weigeren te wiegen in een zo dunne wind bedrieglijk als in een tijdperk van de rede doen zij zich gelden in het volle licht en afgewend.
Het regent ’s middags druppels warmte, reddende scherpe stukken warmte in hard licht verstrooid.
Weidevogels
Afzonderlijk en los en in een nieuw verband – een donker dienblad is het land waarin de scherven zijn verborgen.
Hun roep, niet uit het veld te slaan, klinkt uit het nachtelijke gras dat nog niet toe aan groeien is, hoog en verfijnd.
Het vriest, het vriest bijna, de grond is nat, alleen die ene stem is over, overal gehoord, de variant van treffen, vallen en van breken, gefascineerd herhaald.
De maan hangt laag zich te bewijzen, komt zin en zoet gehoor, hun ene noot in zwijgen tegemoet.
“Tegen het eind van deze lezing zullen er naar schatting zes á zeven soorten zijn uitgestorven. Een tropische salamander, een glimmende kever, een onopvallend korstmos, een vogel, een varen, een vis — het kan van alles zijn. Na duizenden of zelfs miljoenen jaren te hebben bestaan zullen ze het komende uur niet overleven en onherroepelijk van de aardbodem verdwijnen. Tegen middernacht kunnen het er al 70 zijn. Morgen rond deze tijd zullen we ongeveer op 150 soorten zitten. En wanneer volgend jaar de siste Huizinga-lezing wordt uitgesproken, kan de teller op ss.000 uitgestorven soorten staan. Nee, niet staan, maar voortrazen, onophoudelijk, want we zitten midden in de zesde grote uitstervings-golf die onze planeet ooit gekend heeft, de eerste echter die door menselijk handelen werd veroorzaakt. De vorige vond 65 miljoen jaar geleden plaats, toen de dinosauriërs door een meteorietinslag massaal het loodje legden. Tot 55.000 soorten per jaar: dit getal is geen apocalyptisch visioen van enkele ecologische fundi’s, maar een schatting afkomstig van de internationale Convention on Biological Diversity, een multilateraal verdrag tussen 196 landen.’ Volgens de recentste wetenschappelijke berekeningen van het IBPES, het VN-panel voor de biodiversiteit, dreigt van de acht miljoen levende soorten er één miljoen uit te sterven binnen één of enkele generaties. Het gaat om een voorzichtige schatting’ Op Mauna Loa, een wetenschappelijk onderzoeksstation op 3400 meter hoogte op Hawaii, werd dit jaar in april een co:-concentratie van 420 parts per million (ppm) gemeten. Het cijfer zegt de meeste mensen niks, maar het gaat wellicht om het belangrijkste nieuwsfeit van dit jaar. Stek u zich onze atmosfeer voor als een zwembad met daarin één miljoen donker- en lichtblauwe ballen: dat zijn de moleculen zuurstof en stikstof. In dat blauwe ballenbad zie je hier en daar ook een knalrode bal. Ze zijn niet talrijk, slechts enkele honderden, maar ze zijn verschrikkelijk heet, ze blijven heel lang heet en warmen daardoor heel het zwembad op. Dat zijn de co2-moleculen. Welnu, 420 rode ballen op een miljoen blauwe is alarmerend hoog. Manna Loa is een onherbergzame vulkaan, een hellend maanlandschap van steen dat uitkijkt over de Stille Oceaan. Het is ook de plek waar al sinds maart 1958 dagelijks waarnemingen van de atmosfeer worden gedaan, de langste reeks op aarde. Drieënzestig jaar geleden, bij het begin van de waarnemingen, bedroeg het co2-gehalte nog maar 315 ppm. Vandaag 420. Het is ongelooflijk snel gegaan: van 315 naar 420 rode ballen in minder dan een mensenleven, dat is gigantisch als je beseft dat we de voorbije achthonderdduizend jaar, met al zijn barre ijstijden en warme tussenijstijden, hooguit tussen de 170 en 300 ppm schonunelden. Het grote wee-rapport dat afgelopen augustus verscheen, gebaseerd op meer dan veertienduizend wetenschappelijke publicaties, liet er geen twijfel meer over bestaan. De aarde warmt snel op en dat komt door de mens. Gletsjers en poolkappen zijn kleiner dan ze de voorbije duizenden jaren waren, het zeeniveau is in drieduizend jaar niet zo snel gestegen en de co2-concentratie is de hoogste van de voorbije twee miljoen jaar.”
Heb jij hem ook gezien, de hele nacht ronddrijvend op de zwarte rivier? Heb je hem ’s ochtends gezien, opstijgend in de zilverachtige lucht – Een armvol witte bloesems, Een perfecte beweging van zijde en linnen terwijl hij leunde in de gebondenheid van zijn vleugels; een sneeuwbank, een veld van lelies, Met zijn zwarte snavel in de lucht bijtend? Heb je hem gehoord, zoemend en fluitend? Een schelle donkere muziek – zoals de regen die tegen de bomen klettert – als een waterval Die de zwarte richels afsnijdt? En heb je hem, tenslotte, gezien, net onder de wolken – Een wit kruis dat door de lucht stroomt, zijn voeten Als zwarte bladeren, zijn vleugels als het uitgestrekte licht van de rivier? En voelde je in je hart hoe het met alles te maken had? En heb jij ook eindelijk door waar schoonheid voor dient? En heb je je leven veranderd?
De Turkse schrijfster Tezer Özlü werd geboren op 10 september 1943 in Simav. Daar bracht zij haar jeugd daar door en in Ödemiş en Gerede, waar haar ouders werkten. Ze verhuisde naar Istanbul toen ze 10 jaar oud was en ging naar de Oostenrijkse meisjesschool (Avusturya Lisesi) zonder haar diploma te halen. In 1961 ging ze naar het buitenland en liftte vervolgens in 1962-1963 door Europa. Ze trouwde in 1964 met acteur en schrijver Güner Sümer, die ze in Parijs ontmoette. Samen vestigden ze zich in Ankara. In deze periode, toen Sümer werkte bij het Ankara Arts Theatre (AST), werkte Özlü als vertaler Duits. In het seizoen 1963-64 bij AST speelde ze in Brendan Behan’s Gizli Ordu (Secret Army), geregisseerd door Sümer. Later verliet ze Sümer en vestigde zich in Istanbul, waar ze tussen 1967 en 1972 af en toe werd behandeld in de psychiatrische klinieken van verschillende ziekenhuizen. Ze schreef over haar jeugdervaringen en haar ervaring met de behandeling in Çocukluğun Soğuk Geceleri (gepubliceerd in een Engelse vertaling door Maureen Freely in 2023 als Cold Nights of Childhood). In 1968 trouwde ze met de regisseur Erden Kıral en in 1973 werd hun dochter Deniz geboren. Nadat ze Kıral had verlaten, ging ze in 1981 met een beurs naar Berlijn. Ze ontmoette Hans Peter Marti, een in Zwitserland geboren kunstenaar die in Canada woonde, en trouwde met hem in 1984, waarna ze zich in Zürich vestigde. Ze stierf daar op 18 februari 1986 aan borstkanker en werd begraven in Aşiyan Mezarlığı in Istanbul. Özlü werd gespeeld door Yelda Reynaud in de film “Yolda” van haar ex-man Erden Kıral, waarin ze gebeurtenissen beschrijft tijdens de opnames van de film Yol.
Uit: De kille nachten van de jeugd (Vertaald door Hanneke van der Heijden)
“Mijn vader heeft ooit als gymleraar gewerkt, zijn fluitje heeft hij nog. Voordat hij ’s ochtends zijn wijde streepjespyjama uitdoet blaast hij op dat fluitje. ‘Als je zo treuzelt, wat heb je dan in het leger te zoeken? Vooruit, opstaan. Opstaan!’ Hij schalt en commandeert. Ik word wakker, het begint net licht te worden, ik lig in Süms armen. Ik vraag me af wat het huis voor mijn vader met het leger te maken heeft. Hij wil in het leven thuis een militaire discipline. Dat is duidelijk. Als hij het geld had, dan huurde hij misschien nog wel soldaten in die bij de deur op een bazuin konden blazen… Die liefde van mijn vader, van Turkse mannen van zijn generatie, voor het leger en de militaire dienst… We zijn nu niet meer in de provincie. Grote houten huizen met daartussen boomgaarden, dat is iets van de stille stadjes daar. En die stille stadjes zijn iets van de jaren vijftig. Esentepe, de bloeiende krokussen die we er plukten, geel en paars onder de smeltende sneeuw, de hoge dennenbomen, het is allemaal een abstracte kinderdroom. Op heldere zomerdagen ren ik met mijn spillebenen de helling op… De koele bries van de golven tegemoet… De boulevard die in Saraçhane begint loopt door tot aan Edirnekapı, met in het midden een breed voetgangersgedeelte met hoge platanen. Aan weerskanten van het voetgangersdeel rijden de trams met hun rode en groene wagons. In sommige gebouwen aan de boulevard zit een winkel, er zijn een paar bankfilialen. Ongeveer halverwege is er een brede zijstraat met kinderkopjes, die uitkomt in Çarşamba. De tweede straat links heeft een doodlopende steeg, een straatje met een bocht naar rechts, daar staat ons huis. Dat we ons in deze wijken van Istanbul vestigen, waar branden vroeger de huizen in de as hebben gelegd, een plek waar mijn vader als kleine jongen nog heeft gespeeld, vervult hem met een geluk dat wij niet kunnen bevatten. Wanneer ik ’s avonds tegen mijn moeder aan kruip, bescherm ik me tegen de kou en tegen de eenzaamheid. Op winterochtenden lopen we naar onze school buiten het provinciestadje, met gebogen hoofd tegen de sneeuwstorm in. Mijn handen zitten vol kloven van de kou, ze bloeden. De hellingen waar ’s zomers de koeienmest te drogen wordt gelegd zien spierwit.”
Zondagochtend, voorjaarswind langs mijn balkon met uitzicht op de oude linde en het massieve pand van Petrus en Paulus.
In de kerk gepland gezang. Vanuit de boom spontaan een lied.
Verwondering blijft
Als in een lichtflits bijna elke dag opnieuw zomaar weer even dat moment, komend als vanzelf. Hier te kunnen zijn, te mogen zijn op deze planeet tussen al die sterren in de ruimte. Wel bijzonder en zover begrepen niets meer of minder dan gewoon een wonder.
Met ergens in het achterhoofd de dood als blindganger het leven vierend, waarin van dag tot dag boven in het brein, onmetelijk magazijn, zelfs de kleinste dingen zich verzamelen, Duurzaam en houdbaar tot onzekere datum, die niet kan worden overschreden en mooi dat ik dat weet.
Het hele landje
Het hele landje met vijver en al geborgen tussen strippenkaart munten en papier waar ik ook ben achter dof plastic blijft ze rennen oren plat staart zwierend zand stuift op zonder terugval
Op een dag wist je eindelijk wat jij had te doen, en begon,
hoewel de stemmen rond je hun slechte advies bleven schreeuwen,
hoewel het hele huis begon te schudden
en hoewel je de oude trek aan je enkels voelde.
“Heel mijn leven” riep elke stem. Maar je stopte niet Jij wist wat jij had te doen
Ondanks dat de wind met haar stijve vingers Peuterde aan de fundamenten en Die anderen verschrikkelijk zwaarmoedigheid klonken.
Het was al laat genoeg, een wilde nacht En de weg vol met gevallen takken en stenen.
Maar beetje bij beetje Met hun stemmen achter je Begonnen de sterren te branden door het wolkendek en er was een nieuwe stem Die je langzaam begon te herkennen als de jouwe Die je gezelschap hield terwijl je dieper en dieper de wereld in trok.
Vastbesloten Het ene ding te doen dat je kon doen, vastbesloten het enige leven te redden dat je kan redden
Toen zij samen sliepen de eerste nacht werd de wereld dieper het lachte zacht
hun lichamen aarde en hemelboog die de warmte bewaarden van ’t daglichtoog
maar woorden ontstonden toen de wereld verging hun lippen vonden verwildering.
Dat zij samen lagen de tweede nacht zo klein en verslagen tezamen gebracht
door de angst der dingen de nacht en de kou of het gaan zingen en mooi worden zou
zij voelden verlegen het vreemde geluid van hun zielen bewegen achter hun huid.
Dat toen zij verlangden een derde nacht zij lagen bang en op hun rug op wacht
of één zou beginnen gefluisterde naam strak trok het linnen om hun lichaam
dat toen zij hoorde dat hij al sliep god is geboren het jong verdriet.
Liefde
handen heb ik niet om er mee te leven woorden op papier hebben zichzelf geschreven
liefde is: een stoep deur die wordt gesloten luisteren naar de voet – stappen op de loper
dan de stoep afdalen als een ooievaar snuivend ademhalen nachtwind komt van waar
bij de zevende lantaren al mijn veren tot een kuif en met sprekende gebaren dans ik dan mijn liefde uit
statig al mijn Glück und Wonne voor het nachtelijk publiek van een zwerfkat en twee nonnen God wat is de wereld ziek
Jagers
Een wee gevoel van moed, gesneld, geteld, gehangen de lijken en hun naam is haas.
Gedwee, gewijd, een moederloos geslacht; gewei verwijst voorouderlijk naar glas in gouden lijst.
Honger somber hurkt in vensternissen, schaduw van stilte schoort de balken, spert de echo van een schot sprengt die Dämmerung das Echo eines Schusses, klaffend kalte Sterne.
Aan tafel zitten. Kandelabers. Handen verzilveren. Handen schillen bevroren fruit.
C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003) Portret door Paul Boswijk, 1996
Als ik tussen de bomen ben, vooral de wilgen en de valse christusdoorn evenals de beuk, de eiken en de dennen, ze geven zulke blijk van blijdschap. Ik zou bijna zeggen dat ze mij redden, en dat dagelijks.
Ik ben zo ver verwijderd van de hoop op mezelf, waarin ik goedheid en onderscheidingsvermogen heb, en me nooit door de wereld haast maar langzaam loop en vaak vooroverbuig.
Om mij heen roeren de bomen hun bladeren en roepen: ‘Blijf nog even.’ Het licht stroomt uit hun takken.
En ze roepen opnieuw: “Het is eenvoudig”, zeggen ze, “en ook jij kwam ter wereld om dit te doen, om kalm aan te doen, om vervuld te worden met licht en om te schijnen.”
BY the purple haze that lies On the distant rocky height, By the deep blue of the skies, By the smoky amber light Through the forest arches streaming, Where Nature on her throne sits dreaming, And the sun is scarcely gleaming Through the cloudlets, snowy white, Winter’s lovely herald greets us Ere the ice-crowned tyrant meets us.
A mellow softness fills the air, No breeze on wanton wing steals by To break the holy quiet there, Or make the waters fret and sigh, Or the golden alders shiver That bend to kiss the placid river, Flowing on and on for ever. But the little waves are sleeping, O’er the pebbles slowly creeping, That last night were flashing, leaping,
Driven by the restless breeze, In lines of foam beneath yon trees. Dressed in robes of gorgeous hue, Brown and gold with crimson blent; The forest to the waters blue Its own enchanting tints has lent; In their dark depths, life-like glowing, We see a second forest growing, Each pictured leaf and branch bestowing A fairy grace to that twin wood,
Mirror’d within the crystal flood. ’Tis pleasant now in forest shades; The Indian hunter strings his bow To track through dark, entangling glades The antler’d deer and bounding doe, Or launch at night the birch canoe, To spear the finny tribes that dwell On sandy bank, in weedy cell, Or pool the fisher knows right well— Seen by the red and vivid glow
Of pine-torch at his vessel’s bow. This dreamy Indian-summer day Attunes the soul to tender sadness; We love—but joy not in the ray: It is not summer’s fervid gladness, But a melancholy glory Hovering softly round decay, Like swan that sings her own sad story Ere she floats in death away The day declines; what splendid dyes,
In flickered waves of crimson driven, Float o’er the saffron sea that lies Glowing within the western heaven! Oh, it is a peerless even! See, the broad red sun is set, But his rays are quivering yet Through nature’s veil of violet, Streaming bright o’er lake and hill; But earth and forest lie so still, It sendeth to the heart a chill;
We start to check the rising tear— ’Tis Beauty sleeping on her bier.
Susanna Moodie (6 December 1803 – 8 April 1885) Oxford, de geboorteplaats van Susanna Moodie
De Nederlandse dichteres, vertaalster, recensente en popcritica Elly de Waard werd geboren in Bergen (NH) op 8 september 1940. Zie ook alle tags voor Elly de Waard op dit blog.
Soms Voor Andreas om te lachen
Soms – wachtte ze ook op mij
liggend in bed, gereed mij te ontvangen. Onder haar
dunne hemd alleen in de slip gekleed, die ik uit Parijs
voor haar had meegebracht: een vlek van kant en zij
en over de hele bilnaad slechts een smalle band.
Haar te bezitten gaf mij het gevoel dat ik haar schiep
dat ik haar lijf onder mijn handen zijn volmaaktheid
gaf, ik die tevens een diep ontzag voor de schier eindeloze
stroom van haar orgasmes had die ik als een natuurverschijnsel
zag, waar ik een even nietig als onmisbaar onderdeel
van was. – Een wijfjesdier dat ben je en altijd
geweest! En wat ben jij dan? – Ik? Ik ben gewoon alleen
een beest
Existentiële vraag
Wat is er in de lichtheid van mijn leven overdag dat het betaald moet worden met de zwaarte van de nacht?
Dat uit het hijgen van mijn borst, uit dat moeras, uit van mijn dromen de benarde damp de kracht getrokken moet
voor lachen? Leef ik mijn tijd te snel, waardoor de donkere materie van de aarde zelf als zij haar kans krijgt, mij terneer drukt en haar tol eist?
En in de schemering
En in de schemering zong de uil zijn blues; veel
van ook zijn verdriet was al geweest, zijn droevig
lied kwam immers uit zijn hele lichaampje en niets
gekunstelds was er aan het werd door niets
gestuit – zo hoort muziek te zijn: voluit, een druppel
Ik dacht dat de aarde me nog kende, ze nam me zo liefdevol terug, haar donkere rokken schikkend, haar zakken vol korstmossen en zaden. Ik sliep als nooit eerder, een steen op de rivierbedding, niets tussen mij en het witte vuur van de sterren behalve mijn gedachten, en ze fladderden licht als motten tussen de takken van de perfecte bomen. De hele nacht hoorde ik de kleine koninkrijken om me heen ademen, de insecten, en de vogels die hun werk in het donker doen. De hele nacht ging ik op en neer, alsof ik in water dreef, worstelend met een schitterend noodlot. Tegen de ochtend was ik minstens tien keer verdwenen in iets beters.
“Zaterdag 26 maart 2011 Vanochtend bladerde ik door De Groene Amsterdammer en las de volgende advertentie:
Gratis last minute op vakantie? Maak een avontuurlijke en literaire reis door het binnenland van Suriname in het kielzog van Albert Heiman. Meer informatie: helmanreis@paradijsvogels.n1 of 0572-301406.
lk heb meteen gebeld. Erg aardige man aan de lijn. Het blijkt te gaan om een door de Stichting Vrienden van Lou Lichtveld betaalde reis van drie weken door het oerwoud. Overdag varen in een uitgeholde boomstam en ’s nachts slapen in een hangmat langs de rivier. Het lijkt me wel wat. De reis is bedoeld om meer bekendheid te creëren voor het leven en werk van Albert Helman. De man, Maurits Blomhert heet hij en hij werkt aan de biografie van Helman, vroeg of ik weleens van de schrijver had gehoord. Toen ik zei van wel, en vertelde dat ik tijdens mijn studie “De stille plantage” heb gelezen, was hij enorm verrast. Hij wilde meer van me weten en ik vertelde dat in september mijn debuut Nestvlieders uitkomt en dat ik als redacteur voor uitgeverij Van Oorschot werk. lk vertelde ook dat ik altijd al geïnteresseerd ben geweest in Suriname omdat mijn vader er is geboren. Blomhert vond dit allemaal interessant om te horen. Hij kan zelf niet mee met de reis vanwege allerlei gezondheidsklachten en familieperikelen waarover hij nogal uitvoerig uitweidde. Hij suggereerde dat ik misschien een reisverslag kan schrijven. ‘Het zou echt heel mooi zijn als je dat wilt doen,’ zei hij. Hij heeft, als secretaris van de Stichting Vrienden van Lou Lichtveld, de reis georganiseerd en vindt het duidelijk ais je dat wilt doen; zei hij. Hij heeft, ais secretaris van de stichting Vrienden van Lou Lichtveld, de reis georganiseerd en vindt het duidelijk erg jammer dat hij thuis moet blijven. Toen begon hij voor een tweede keer uitgebreid over die gezondheidsklachten, met details over urinewegen die ik niet per se had hoeven horen trouwens (al snap ik nu wel waarom hij niet mee kan). Het zou een troost voor hem zijn als hij een reportage van de reis kan lezen. Een van de andere reizigers heeft hij al gestrikt om onderweg foto’s te maken. Die kunnen dan, samen met mijn verslag, te zijner tijd bij de stichting worden ingeleverd. Misschien wilde iker zelfs wel een boek van maken, suggereerde hij. Waarom niet? Ja, waarom niet, dacht ik. Het klonk me allemaal uitermate aangenaam in de oren. Ik zei dus op alles ja, met als gevolg dat ik geloof ik aanstaande dinsdag al naar Suriname vlieg. Ik moet het nog wel met Van Oorschot bespreken.“
Wat gebeurt er met de bladeren als ze rood kleuren of goud, als ze afvallen? Wat gebeurt er
met de zangvogels als ze niet langer kunnen zingen? Wat gebeurt er met hun snelle vleugeltjes?
Denk je dat er een persoonlijke hemel is voor ieder van ons? Denk je dat er iemand,
gene zijde van die duisternis, ons zal roepen, daarmee ons zal bedoelen? Achter de bomen blijven de vossen hun welpen leren
hoe je leeft in de duinpan; het lijkt wel of ze nooit verdwijnen, ze zijn er altijd in het bloeiende licht dat elke ochtend weer oprijst
in de donkere lucht. En nog weer een duinenrij verder, vlak langs de zee, beginnen de laatste rozen hun productie van lieflijkheid,
en schenken ze deze terug aan de wereld. Als ik een ander leven zou krijgen, zou ik het willen geven aan een onbekend tomeloos geluk.
Het zou een vos kunnen zijn, of een boom vol met wuivende takken. Ik zou het niet erg vinden een roos te zijn in een veld vol met rozen.
Angst is nooit tot hen doorgedrongen; ambitie evenmin. Verstand valt buiten hun besef. Ook vragen ze nooit hoe lang ze rozen moeten zijn, en wat dan? Of welke idiote vraag dan ook.
“They had been on the island less than five hours and al-ready the whole thing was falling apart. There was a bite to the breeze as Jen stood outside the house, a reminder that though the calendar said late June, it was still night-time on a remote Scottish island on the edge of the Atlantic. She saw no sign of Samira. She had said she was going to grab some air, but from the state of her there was a greater chance she was actually off to be sick. It turned out Jen’s future sister-in-law was a mouthy rage-monster who couldn’t handle her drink, and she was the least of Jen’s problems. She glanced back at the house, where she could see the others through the drawing room’s huge windows. None of them was speaking. This whole shebang had been a stupid idea, and she was an eejit to have let herself get talked into it. It hadn’t helped that Zaki, her fiancé, had been thoroughly encouraging of the notion. She’d wondered if that was because he had big plans for a stag weekend. If so, they hadn’t materialised. She pictured him back at home, popping open a can and getting comfy in front of the TV. She wished she was there instead. Suddenly she just wanted to be with Zaki, and Zaki alone. That was a good sign, right? Then she remembered how they had left things. She had as good as told him she didn’t trust him. It hadn’t come out of nowhere; it had been a background hum to their relationship from the off. But that she had put it out there in the open on the morning she departed for her hen weekend was a hell of a red flag. He had been acting secretive of late, shifty and evasive. A couple of weeks ago, she had suspected that he had gone through her bedside drawer. Nothing was missing, but she got this instinctive feeling that the things in it weren’t quite how they had been before. Then last week, in the documents folder of his laptop, she found a scan of her passport. Zaki didn’t have a private log-in for the laptop, something he had presented as a sign of openness, but it struck her that it also ensured she believed she was seeing everything. Then last night he had shut the lid just as she walked into the kitchen, trying to be nonchalant about it but merely having the opposite effect. She had caught a glimpse of what was on-screen. He was replying to an email from an account identified only as grim-pox02@vapourmail.com. Jen had looked up the domain and found that it specialised in disposable email ad-dresses. But more troublingly, she had accessed the laptop while he was in the shower this morning, and couldn’t find the incoming email or the reply he was composing. She checked the inbox, archive and sent folders. There was nothing. He had deleted all trace. That was why, when he emerged from the bathroom, she had asked him directly. ‘Who were you emailing last night?’ she asked. Who is grimpox02?’ ‘It’s nothing you need to concern yourself with.’ He tried to sound casual, though he surely knew it was point-less. ‘If it’s nothing, why did you delete it? Yes, I looked. You emptied the trash too. That’s a lot of steps for nothing.”
“Hij liet zijn hoofd iets zakken en keek mij vanonder zijn wenkbrauwen aan. Toen begon hij in zijn colbertzakken te frommelen. Hij haalde er zijn sigaretten uit, stak er een op en inhaleerde alsof hij aan de zuurstof lag. “Dat huis…” zei hij na een tijdje. Hij ontweek mijn blik, maar wilde blijkbaar ook niet naar het huis kijken. Het resultaat was dat hij uiteindelijk nogal visionair vanuit zijn rookwolken in het niets staarde. Ik trok een wenkbrauw op en wachtte op zijn uitweiding, maar die kwam niet. Ik vroeg me af hoe zo’n weinig spraakzame man zulke goede zaken kon doen dat hij er een Jaguar aan over had gehouden. “Wat is er met dat huis?” Hij schokschouderde in zijn blazer. “Ik krijg er de rillingen van.” “Waarom?” “Wat?” “Waarom krijg je de kriebels van dit…” Hij schudde zijn hoofd. “De afgelegen plek… Midden in het bos. Hier op de heuvel. Ik weet het niet… Er is iets met dat huis.” “Berg,” zei ik. “Vergeet niet dat wij Hollanders dit een berg noemen. Ik kende ooit een Engelsman die vroeg, toen ik hem had uitgelegd dat wij onze heuvels bergen noemen, of een heuvel bij ons dan soms een gat in de grond was.” Hij kon er niet om lachen. “Zorg dat je morgen bereikbaar bent,” zei ik. Hij opende zijn mond, maar ik besloot hem te negeren. “Wij kijken hier nog even rond,” zei ik. Hij knipperde met zijn ogen en aarzelde even. Toen stapte hij in zijn auto en reed knerpend het grindpad af. Ik zag hem in zijn achteruitkijkspiegel kijken terwijl de wagen in de bosrand verdween. “En, schatje? Wat denk je ervan?” Becky, de vingers van haar handje om mijn wijsvinger geklemd, keek naar het huis. “Zijn er spoken?” “In het huis? Nee, dat denk ik niet. Denk jij dat er spoken wonen?” Ze knikte. Ik nam haar op en liep het grasveld over. Daar, voor dat kolossale pand, stonden we naar de dode ogen van de ramen en de gesloten mond van de dubbele voordeur te kijken. “En wat doen we daar dan aan?” Becky wurmde in mijn armen en ik zette haar op de grond. Ze rende in haar fladderende jurkje naar de rand van het gazon, hield daar stil, zette haar handen aan haar mond en riep zo hard ze kon “Boe!” “Ik denk dat dat wel heeft geholpen,” zei ik, toen ik naast haar stond. “Geen spook durft te blijven als Rebecca Kolpa “Boe!” roept. Denk je dat ik ook nog moet roepen?” Ze keek omhoog en dacht even na. Toen schudde ze haar hoofd. “Nee,” zei ik. “Ik denk ook niet dat spoken van mij schrikken.” “Ik jaag ze weg,” zei Becky. Ik knikte. “Altijd,” zei ze. Ik tilde haar op en liep met haar naar de auto. “Becky jaagt de spoken weg,” zei ik. “Daar reken ik op.” Een halfjaar later verhuisden we. In die zes maanden hadden een zwijgzame aannemer en een even zwijgzame ploeg mannen het dak gedicht, verwarmingsbuizen onder de vloeren gelegd, elektriciteitskabels ingefreesd en een heleboel andere dingen gedaan die voor mij onzichtbaar bleven maar volgens de aannemer “absoluut nootzakelijk” waren, zoals hij niet ophield te herhalen als hij met een meerwerknota kwam. Het was oktober.”
Voordat ik een schoon vel papier tevoorschijn haal, hou ik voor het blauw van het raam een pas geslepen potlood dat naar de hemel wijst en blaas voordat ik aan de slag ga het onmerkbare stof weg van de punt. Want op de lange reis van het leven zijn er maar weinig dingen die meer voldoening schenken dan het draaien van de krukas en het aandrijven van de cilindrische bramen van een mechanisme dat de afgestompte geest van een geel potlood nummer 2 scherpt. In de zilveren puntenslijper ben ik getuige van het huwelijk tussen nut en schoonheid – een model voor kunst en een doel voor het leven, elke ochtend gevierd voor dit kleine altaar.
“Verlaine wilde geen romans schrijven, omdat hij geen zin had zich te wijden aan mededelingen die behelsden dat een personage de deur opendeed alvorens naar buiten te gaan, om vervolgens deze deur weer zachtjes dan wel met een klap achter zich te sluiten. Volgens Verlaine werd het volume van een roman voornamelijk door de hoeveelheid van dit soort vermeldingen bepaald. De korteverhalenschrijver kan het hier van harte mee eens zijn. De gemiddelde lezer echter niet. Want de meeste lezers willen liever een roman lezen dan een kort verhaal. Als je deze lezers vraagt waarom dit zo is, dan komen hun antwoorden neer op het feit dat ze te weinig waar krijgen voor hun geld. Bovendien moeten ze voor dit weinige dan ook nog zoveel moeite doen! Waar de schrijver van een roman de lezer bij de hand neemt en hem meevoert door het bouwwerk van zijn eigen verbeelding en hem van alles hierover uitlegt, kortom de ene deur na de andere voor hem opent en vervolgens ook beleefd deze deuren weer achter hem sluit, ondertussen niets anders van zijn lezer verlangend dan dat deze zich laat meeslepen als een braaf kind dat zich zonder tegenstribbelen laat aansmoezen wie hier aan het woord zijn en wat er aan de hand is, daar verlangt de korteverhalenschrijver, nee, daar eist de korteverhalenschrijver zonder pardon dat zijn lezer zich gaat inspannen! De romanschrijver is een welbespraakte gids die zijn lezers in een autobus door zijn wondere wereld leidt, ‘links,’ vertelt hij en wat klinkt zijn stem veelbelovend, ‘bevinden zich oude grijze duinen die op hun flanken de korstige dennenbomen dragen die zijn kromgetrokken door de ruwe wind uit zee, rechts in de luwte daar ziet U de lege bollenvelden waar de tulpenkoppen zojuist door mensenhanden koelbloedig zijn afgeslagen… allemaal!’
Helga Ruebsamen(4 september 1934 – 8 november 2016)
Op sommige dagen denk ik dat ik niets meer nodig heb in het leven dan een lepel. Met een lepel kan ik havermout eten, of de medicijnen innemen die artsen voorschrijven. Ik kan een vlieg meppen die op de vensterbank slaapt of op de tafel beuken om aandacht te trekken. Ik kan beschuldigend naar God wijzen of herhaaldelijk de lege lucht steken. Kijkend in de spiegel van de lepel, kan ik mijn kleine gezicht bestuderen in zijn glimmende kom, of één oog bedekken om de halve wereld te laten verdwijnen. Met een lepel kan ik een tunnel graven naar de vrijheid, lepel voor lepel vol vuil, of leven verspillen door maanlicht te vangen en het de zwartste nacht in te gooien.