Amin Maalouf, Stephen Spender

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit: De ontregeling van de wereld (Vertaald door Eef Gratama)

“Na de val van de Berlijnse Muur waaide er een wind van hoop over de wereld. Doordat er een einde was gekomen aan de confrontatie tussen het Westen en de Sovjet-Unie, werden we niet langer bedreigd door de kernramp die ons al veertig jaar lang boven het hoofd hing; vanaf dat moment zou de democratie zich geleidelijk aan over de hele wereld gaan verspreiden, dachten we; de barrières tussen de verschillende regio’s op aarde zouden worden opgeheven en het vrije verkeer van mensen, goederen, beelden en ideeën zou ongehinderd op gang komen en een tijdperk van vooruitgang en welvaart inluiden. Op elk van deze fronten werden aanvankelijk enkele opmerkelijke stappen vooruit gezet. Maar hoe verder we kwamen, hoe meer we het spoor bijster raakten.
De Europese Unie is in dit opzicht een schoolvoorbeeld. Voor de Unie was het uiteenvallen van het Sovjetblok een triomf. Van de twee wegen die voor de volken op het Europese continent waren opengesteld, bleek er een afgesloten te zijn, terwijl de andere zich uitstrekte zo ver het oog reikte. De voormalige Oostbloklanden kwamen allemaal bij de Europese Unie aankloppen; de landen die nog niet zijn toegelaten, hopen hier nog steeds op.
Maar juist op het moment dat Europa zijn triomfen beleefde en zo veel volken er gefascineerd en verbluft op afkwamen alsof dit het paradijs op aarde was, is het zijn bakens kwijtgeraakt. Wie moest het nog onder zijn hoede nemen, en met welk doel? Wie moest het buitensluiten, en om welke reden? Meer nog dan in het verleden stelt Europa zich vandaag de dag vragen over zijn eigen identiteit, zijn grenzen, zijn toekomstige instellingen, zijn plaats in de wereld, zonder te weten wat het daarop moet antwoorden.
Ook al weet Europa precies waar het vandaan komt, welke tragische gebeurtenissen de volken van dit continent hebben overtuigd van de noodzaak om zich te verenigen, het weet niet meer zo goed welke kant het op moet gaan. Moet het de vorm aannemen van een bondsstaat, vergelijkbaar met die van de Verenigde Staten van Amerika, bezield door een ‘continentaal patriottisme’ dat het patriottisme van de naties waaruit het bestaat zou overstijgen en zou opnemen, en dat behept zou zijn met de status van een wereldmacht, niet alleen in economisch en diplomatiek, maar ook in politiek en militair opzicht? Zou het bereid zijn om zo’n rol op zich te nemen, en de daarmee gepaard gaande offers en verantwoordelijkheden te aanvaarden? Of zou het zich eerder moeten beperken tot een soepel partnerschap tussen naties die angstvallig hun soevereiniteit bewaken, en op het overkoepelende vlak een ondersteunende kracht moeten blijven?
Zolang het continent nog in twee vijandige kampen was verdeeld, waren deze dilemma’s niet aan de orde. Sindsdien doen ze zich op een hardnekkige manier voor. Nee, natuurlijk zullen we niet terugkeren naar de tijd van de grote oorlogen, noch naar die van het IJzeren Gordijn. Maar wie gelooft dat dit slechts gaat om geruzie tussen politici of tussen politicologen, vergist zich. De toekomst van het continent is in het geding.”

 

Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

 

De Engelse dichter, essayist en schrijver Stephen Spender werd geboren op 28 februari 1909 in Londen. Zie ook alle tags voor Stephen Spender op dit blog.

 

GEESTELIJKE OEFENINGEN

We vliegen door een nacht vol sterren
Wiens afgelegen, bevroren tongen
Een spiegeltaal spreken, mineraal Grieks
Schitterend door de ruimte, de een tegen de ander –
O Venus en Mars, jullie droom
In een holle koepel van uitgestorven leven, ver ver ver
Weg van onze oorlogen.

1
Onder hun naaktheid zijn ze nog steeds naakt.
In de geest ontbloten mythen en sterren
De kwetsbaarheid van hun schedels. Een nieuwe dageraad waait
hutten en papyri van hun wil weg.
Het heelal vult in centimeters, minuten
Hun tongen en ogen, waar naam en afspiegeling zichtbaar zijn,
Met woorden en beelden. Ster en berg weten
Dat ze bestaan, in deze levens die het leven doodt.
Draaiend met de rand van de aarde door de nacht,
Verpakt in hun afzonderlijke huiden, met pulserende adem,
Verdeeld in hun lot, maar toch verenigen ze zich allemaal
Op die ene reis naar geen plaats of datum
Waar, naakt onder naaktheid, onder
Het leven, in één mensheid, zij wachten op
De veelsoortige eenzaamheid van de dood.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Stephen Spender (28 februari 1909 – 16 juli 1995)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e februari ook mijn blog van 25 februari 2019 en ook mijn blog van 25 februari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Amin Maalouf, Stephen Spender

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit:  Schipbreuk der beschavingen (Vertaald door Hans E. Van Riemsdijk)

“Ik kom nog uitgebreid terug op die gemiste afspraak, maar om mijn ideeën daarover meteen scherp te stellen wil ik daar toch al het volgende over kwijt: als de inwoners van de diverse naties en de volgelingen van de monotheïstische godsdiensten in deze contreien waren blijven samenleven en erin waren geslaagd hun perspectieven op de toekomst onderling af te stemmen, dan zou de hele mensheid hebben beschikt over een welsprekend voorbeeld van eendrachtige co-existentie en welvaart – als bron van inspiratie en als baken op haar pad. Helaas is het omgekeerde gebeurd: weerzin en afschuw hebben de overhand gekregen en juist de ónmogelijkheid om samen te leven is de regel geworden.
Het licht van de Levant is gedoofd. Vervolgens heeft de duisternis zich verbreid over de hele wereld. En vanuit mijn standpunt bezien is daarbij geen sprake van puur toeval.
Het Levantijnse ideaal zoals de mijnen dat hebben meegemaakt en zoals ik het altijd heb willen meemaken verlangt van alle mensen dat ze zich verantwoordelijk voelen voor de groepen en gemeenschappen waartoe ze behoren en óók een beetje voor die van de anderen. Zoals bij elk ideaal gaat het om een streven dat je nooit helemaal bereikt, maar dat streven is op zích al heilzaam, omdat het de te volgen weg aanduidt, de weg van de rede, de weg van de toekomst. Ik zou zelfs durven zeggen dat dat streven voor een samenleving de grensovergang van barbarij naar beschaving markeert.
In mijn kinderjaren zag ik hoe blij en trots mijn ouders waren als ze het hadden over dierbare vrienden die een ander geloof aanhingen of afkomstig waren uit een ander land. Veel meer dan een lichte stembuiging was het niet. Maar daar klonk wel een boodschap in door, een ‘handleiding’ zou ik vandaag zeggen.

In die tijd leek het me de gewoonste zaak van de wereld; ik stond er niet eens bij stil en was ervan overtuigd dat het er overal ter wereld zo aan toeging. Pas veel later ben ik gaan begrijpen hoe zeldzaam de harmonie tussen de diverse gemeenschappen in de wereld van mijn kinderjaren was. En hoe broos. Heel vroeg in mijn leven zou ik zien hoe die eendracht haar glans verloor, beschadigd raakte en vervolgens in rook opging, om slechts heimwee en schaduwen achter zich te laten.
Klopt het wel als ik zeg dat de duisternis zich heeft verbreid over de wereld toen het licht van de Levant doofde? Past het wel om over duisternis te spreken terwijl wij, mijn tijdgenoten en ik, getuige zijn van de spectaculairste technologische doorbraken aller tijden; terwijl wij vlotter dan ooit via internet toegang hebben tot alle beschikbare kennis; terwijl wij steeds langer en in veel betere gezondheid dan vroeger leven; terwijl zo veel landen van de vroegere ‘derde wereld’, om te beginnen China en India, zich energiek ontworstelen aan hun onderontwikkelde status?
Maar daar ligt precies de treurige paradox van deze eeuw: voor het eerst in de geschiedenis beschikken we over de middelen om de mensheid te bevrijden van alle plagen die haar altijd hebben bestookt om haar naar een tijdperk van vrijheid, vlekkeloze vooruitgang, wereldwijde solidariteit en gedeelde rijkdom te voeren, en toch rennen we holderdebolder in de tegenovergestelde richting.”

 

Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

 

De Engelse dichter, essayist en schrijver Stephen Spender werd geboren op 28 februari 1909 in Londen. Zie ook alle tags voor Stephen Spender op dit blog.

 

Lokaal van een lagere school in een achterbuurt

Ver ver van ruige golven deze kindergezichten.
Als onkruid zonder wortels, hun haar wild om hun bleekheid.
Het lange meisje met haar hangend hoofd. De papier-
Bleke jongen met ratteogen. De onvolgroeide, misdeelde erfgenaam
Van kromme botten, die de knoestige ziekte van een voorvader
Opleest, zijn les, van zijn bank. Achterin de schemerige klas
Eén kind onopgemerkt, lief en jong. Zijn ogen leven in een droom
Van eekhoornspel in een boomruimte, een andere dan deze.

Aan de zuremelk-wanden gekregen dingen, Shakespeares hoofd,
Wolkenloos in de ochtendschemer, beschaafde koepel boven alle steden.
Met klokken, bloemrijk, een Tirools dal. Kaart met open handen
Die de wereld beloont met zijn wereld. En toch zijn voor deze
Kinderen deze ramen, niet deze wereld, de wereld,
Waar heel hun toekomst is geschilderd met een mist,
Een nauwe straat dicht onder een loden lucht,
Ver ver van rivieren, kapen en sterren van woorden.

Shakespeare is toch zeker slecht, de kaart een verkeerd voorbeeld
Met schepen en zon en liefde die hen verleidt tot diefstal –
Voor levens die sluw ronddraaien in hun benauwde holen
Van mist tot eindeloze nacht? Op hun sintelhoop dragen
Deze kinderen vel waar botten doorsteken en stalen brillen
Met geplakt glas, als flesscherven op stenen.
Al hun ruimte en tijd is mistige achterbuurt.
Dus wis uit hun kaarten met achterbuurten groot als een vloek

Tenzij, bestuurder, meester, inspecteur, bezoeker,
Die kaart hun raam kan worden en deze ramen
Die hun bestaan afsluiten als catacomben
Breken O openbreken tot ze de stad wegbreken
En deze kinderen zicht geven op groene akkers en hun wereld
Hemelsblauw laten stromen op gouden stranden, en hun tong
Naakt boeken in laten lopen, de wit en groene bladen open
Geschiedenis aan hen wier taal de zon is.

 

Vertaald door Willem van Toorn

 

Stephen Spender (28 februari 1909 – 16 juli 1995)
Portret door Robert Buhler, 1939

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e februari ook mijn blog van 25 februari 2019 en ook mijn blog van 25 februari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Amin Maalouf, Stephen Spender

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit:  Schipbreuk der beschavingen (Vertaald door Hans E. Van Riemsdijk)

“Ik ben in goede gezondheid geboren in de armen van een stervende beschaving en gedurende mijn hele bestaan heb ik het gevoel gehad te overleven — zonder eigen verdienste noch schuld — terwijl tal van dingen om mij heen instortten; zoals die filmpersonages die door straten hollen waar alle muren naar beneden komen en die er toch ongehavend uit komen, waarna ze het stof van hun kleren kloppen terwijl ervan de stad achter hen niet meer rest dan een rokende puinhoop. Zo zag vanaf mijn eerste ademteug mijn droevige voorrecht eruit. Maar misschien is het ook typerend voor onze huidige tijd vergeleken bij de voorafgaande periodes. Vroeger hadden de mensen het gevoel een vergankelijk bestaan in een onveranderlijke wereld te leiden; ze leefden op de grond waar hun ouders hadden geleefd, werkten zoals zij hadden gewerkt, zorgden voor zichzelf zoals zij dat hadden gedaan, kregen het onderwijs dat zij hadden gehad, baden op dezelfde manier, gebruikten dezelfde vervoermiddelen. Mijn vier grootouders en al hun voorouders sinds maar liefst twaalfgeneraties zijn geboren onder dezelfde Ottomaanse dynastie. Geen wonder dat ze geloofden dat die heerschappij eeuwig en onveranderlijk was. “De roos kan zich niet heugen ooit een tuinman te hebben zien sterven”, verzuchtten de Franse filosofen van de Verlichting terwijl ze nadachten over de maatschappelijke orde en de monarchie in hun land. Vandaag leven wij als denkende rozen almaar langer en sterven de hoveniers. In het tijdsbestek van een mensenleven kun je hele landen, wereldrijken, volken, talen en beschavingen zien verdwijnen. Onder onze ogen verandert de mensheid van gedaante. Nooit eerder is haar avontuur zo beloftevol en tegelijkertijd zo hachelijk geweest. Voor historici biedt de wereld een fascinerende aanblik. Al moeten ze daarbij wel leren leven met de tegenspoed van hun dierbaren en de eigen angsten.
Ik ben geboren in de wereld van de Levant. Maar die wereld is vandaag zo vergeten dat het merendeel van mijn tijdgenoten vast niet meer weet waar ik het over heb. Het klopt dat er nooit een land is geweest dat zo heette. Wanneer de Levant in boeken ter sprake komt, is er van een duidelijke geschiedenis geen sprake en ook geografisch is het verre van een begrensd geheel. Onder `dc Levant’ verstaat men hooguit een archipel van handelssteden die vaak, maar niet altijd, aan dc kust liggen; een groep eilandjes die zich uitstrekt van Alexandrië tot Beiroet, Tripoli, Aleppo en Smyrna, en van Bagdad tot Mosoel, Constantinopel, Thessaloniki, Odessa en Sarajevo. In mijn eigen taalgebruik verwijst dc verouderde term naar al die plaatsen waar dc oude culturen van het oostelijke Middellandse Zeegebied het prima konden vinden met dc jongere culturen van het Westen. Op een haar na was uit die intieme omgang een andere toekomst voor het hele mensdom geboren.”

 

Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

 

De Engelse dichter, essayist en schrijver Stephen Spender werd geboren op 28 februari 1909 in Londen. Zie ook alle tags voor Stephen Spender op dit blog.

 

Een wereld door mensen gemaakt

Welk angstaanjagend uur
betreden wij als ’t duister
van vensterloze nacht
ons wegvoert uit het licht

naar een behekste kast.
Een stille sleutel sluit
ons in volslagen zwart,
waar elke zenuw luistert

tot ’t speelgoed van het kwaad
aanvangt met zijn geluid.
Na aarzelend gefluister
rijzen er bezemstelen,

dan bersten uurwerkveren;
de schelle brandklok luidt;
onder en boven dondert
nu het geweld der trommen.

Naaldscherpe degens scheren
voorbij het wolkplafond.
Rood schijnsel wappert over
smarts woelige tonelen.

Wij horen hoe in ’t duister
verlaten door de sterren –
de wereld die wij maakten
teruggeeft wat wij betaalden:

geld, staal en vuur en stenen
spottend met ons gebeente,
als scherpe tongen strijkend
langs net- en trommelvliezen;

kloppend aan lichaams wanden,
de donkere mens daarbinnen
groetend, vóór geest en zinnen
aan eigen schepping stranden.

 

Vertaald door Bert Voeten

 

Stephen Spender (28 februari 1909 – 16 juli 1995

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e februari ook mijn blog van 25 februari 2019 en ook mijn blog van 25 februari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Amin Maalouf, Stephen Spender

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit: Origins: A Memoir (Vertaald door Catherine Temerson)

“My research began with a false start: an experience I had at age thirty, an experience I should never have had. In fact, none of the protagonists should have had it. In the past, whenever I wanted to bring it up, I managed to persuade myself it was still too soon. Of course it is not too soon now It is almost too late.
It was a Sunday, a Sunday in the summer, in a village in the Mountains. My father had died shortly before dawn, and I had been given the most painful task imaginable—to go to my grandmother’s and hold her hand when she was told she had just lost a son. My father was her second child, and we had agreed that my uncle, her eldest son, would phone her to give her the news. Told this way, things have a semblance of normality. But in my family, normality is always an illusion. For instance, before that summer I had seen this uncle, who had just turned sixty-seven, only once before in my life. So I had come in the morning, and my grandmother had clasped me in her arms for a long time, as she always did. Then, inevitably, she asked the question I dreaded most: “How is your father doing this morning?” I had prepared an answer, coaching myself on my way over. “I’ve come directly from the house. I didn’t stop by the hospital …” This was both the absolute truth and the most horrid lie.
A few minutes later the telephone rang. Normally I would have hurried to answer it so my grandmother would be spared the effort of getting up. On that day, I just asked if she wanted me to answer for her. “If you could just bring the phone closer to me …” I moved it closer, picked up the receiver, and handed it to her. I couldn’t hear what was being said on the other end, but I’ll never forget my grandmother’s response. “Yes, I’m sitting down.” My uncle was afraid that she might be standing and might fall to the ground after hearing what he was going to tell her. I also remember the look in her eyes as she said, “Yes, I’m sit-ting down.” It was the look of someone condemned to death who has just seen the gallows looming in the distance. Later, when I thought about it, I realized it was probably she who had advised her children to make sure a person is sitting down before announcing devastating news. As soon as her son asked the question, she knew to expect the worst. We cried, she and I, sitting side by side, holding hands, for a long time. Then she said to me, “I still expected to hear that your father had regained consciousness.” “No. From the minute he collapsed, it was over.”

 

Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

 

De Engelse dichter, essayist en schrijver Stephen Spender werd geboren op 28 februari 1909 in Londen. Zie ook alle tags voor Stephen Spender op dit blog.

 

Mijn ouders hielden me weg bij kinderen die ruw waren

Mijn ouders hielden me weg bij kinderen die ruw waren
en die met woorden als stenen gooiden en gescheurde kleren droegen.
Hun dijen waren zichtbaar door lompen. Ze renden op straat
En klommen over rotsen en kleedden zich uit bij akkerbeekjes.

Ik was banger voor hun ijzeren spieren dan voor tijgers
En hun rukkende handen en hun knieën strak om mijn armen.
Ik was bang voor de bittere grofheid van die jongens
Die mijn gelispel imiteerden op de weg achter me.

Ze waren lenig, ze sprongen achter heggen tevoorschijn
Zoals honden die naar onze wereld blaffen. Ze gooiden modder
En ik keek een andere kant op, deed alsof ik glimlachte,
Ik wilde ze graag vergeven, maar ze glimlachten nooit.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Stephen Spender (28 februari 1909 – 16 juli 1995)
Portret door Wyndham Lewis, 1969

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e februari ook mijn blog van 25 februari 2019 en ook mijn blog van 25 februari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Amin Maalouf, Gerald Murnane, Gabriël Smit, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka, Aldo Busi, Karel Toman

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit: De rots van Tanios (Vertaald door Eef Gratama)

“Het was heel lang geleden, ik was nog niet eens geboren, en mijn eigen vader ook nog niet. In die tijd voerde de pasja van Egypte oorlog tegen de Osmanen, onze voorouders hebben het niet makkelijk gehad. Vooral niet na de moord op de patriarch. Hij is precies daar, aan het begin van het dorp gedood, met het geweer van de consul van Engeland …’ Zo sprak mijn grootvader wanneer hij me geen antwoord wilde geven, hij uitte flarden van zinnen alsof hij een weg aanwees, dan weer een andere, vervolgens een derde, zonder ooit een ervan te volgen. Ik heb jaren moeten wachten voordat ik de ware toedracht ontdekte. Toch zat ik dicht bij de bron want ik kende de naam Lamia. Iedereen in de streek kende die naam, dankzij een gezegde dat ons bij toeval na een reis van twee eeuwen ter ore kwam: `Lamia, Lamia, hoe zou je je schoonheid kunnen verhullen?’ Nu nog, wanneer de jongelui die op het dorpsplein bij elkaar komen, een vrouw gehuld in een omslagdoek voorbij zien komen, is er altijd wel één die mompelt: `Lamia, Lamia …’ Wat vaak een welgemeend compliment is, maar soms ook het toppunt van wrede spot. De meesten van deze jongens weten niet veel van Lamia, noch van het drama dat dankzij dit gezegde niet in de vergetelheid is geraakt. Ze volstaan met te herhalen wat ze uit de mond van hun ouders en grootouders hebben gehoord, en soms maken ze daarbij, net als zij, een handgebaar in de richting van het hoger gelegen deel van het dorp, waar nu niemand meer woont en waar je de nog altijd de imposante ruïne van een kasteel kunt zien. Vanwege dat gebaar, dat ik zo vaak heb gezien, heb ik lange tijd gedacht dat Lamia een soort prinses was die haar schoonheid achter die hoge muren voor de blikken van de dorpelingen verhulde. Arme Lamia, als ik haar in de keukens in de weer had gezien, of blootsvoets lopend van het ene voorportaal naar het andere met een kruik in haar handen en een sjaal om haar hoofd, zou ik haar moeilijk voor de kasteelvrouwe hebben kunnen aanzien. Maar ze was evenmin een dienstmeisje. Nu weet ik iets meer over haar. In de eerste plaats dankzij de oude dorpelingen, zowel mannen als vrouwen die ik alsmaar met vragen heb bestookt. Dat was meer dan twintig jaar geleden, nu zijn ze allemaal dood, op één na. Zijn naam is Gebrayel, hij is een neef van mijn grootvader en is nu zesennegentig jaar oud. Dat ik hem ter sprake breng, komt niet alleen omdat hij het voorrecht heeft gehad de anderen te overleven, maar vooral omdat de getuigenis van deze voormalige onderwijzer met een hartstochtelijke belangstelling voor de plaatselijke geschiedenis het meest waardevol is geweest; in feite onvervangbaar. Ik kon uren naar hem blijven kijken, hij had grote neusgaten, dikke lippen en een klein, gerimpeld kaal hoofd —trekken die met het klimmen der jaren sterk de nadruk hebben gekregen. Ik heb hem de laatste tijd niet meer gezien, maar men verzekert mij dat hij nog altijd op dezelfde vertrouwelijke toon spreekt, met dezelfde waterval van woorden en een ijzeren geheugen. Tussen de woorden door die ik hierna op papier ga zetten, zal de lezer vaak de echo van zijn stem horen.”

 


Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

 

De Australische schrijver Gerald Murnane werd geboren op 25 februari 1939 in Coburg, Victoria. Zie ook alle tags voor Gerald Murnane op dit blog.

Uit: Border Districts

“Two months ago, when I first arrived in this township just short of the border, I resolved to guard my eyes, and I could not think of going on with this piece of writing unless I were to explain how I came by that odd expression.
I got some of my schooling from a certain order of religious brothers, a band of men who dressed each in a black soutane with a bib of white celluloid at his throat. I learned by chance last year, and fifty years since I last saw anyone wearing such a thing, that the white bib was called a rabat and was a symbol of chastity. Among the few books that I brought here from the capital city is a large dictionary, but the word rabat is not listed in it. The word may well be French, given that the order of brothers was founded in France. In this remote district, I am even less inclined than I was in the suburbs of the capital city to seek out some or another obscure fact; here, near the border, I am even more inclined than of old to accept as well-founded any supposition likely to complete a pattern in my mind and then to go on writing until I learn the meaning for me of such an image as that of the white patch which appeared just now against a black ground at the edge of my mind and will not be easily dislodged.
The school where the brothers taught was built in the grounds of what had been a two-storey mansion of yellow sandstone in a street lined with plane-trees in an inner eastern suburb of the capital city. The mansion itself had been converted into the brothers’ residence. On the ground floor of the former mansion, one of the rooms overlooking the return veranda was the chapel, which was used by the brothers for their daily mass and prayers but was available also to us, their students.
In the language of that place and time, a student who called at the chapel for a few minutes was said to be paying a visit. The object of his visitation was said to be Jesus in the Blessed Sacrament or, more commonly, the Blessed Sacrament. We boys were urged by teachers and priests to pay frequent visits to the Blessed Sacrament. It was implied that the personage denoted by that phrase would feel aggrieved or lonely if visitors were lacking. My class once heard from a religious brother one of a sort of story that was often told in order to promote our religious zeal. A non-Catholic of good will had asked a priest to explain the teachings of the Church in the matter of the Blessed Sacrament. The priest then explained how every disc of consecrated bread in every tabernacle in every Catholic church or chapel, even though it appeared to be mere bread, was in substance the body of Jesus Christ, the Second Person of the Blessed Trinity. The inquirer of good will then declared that if only he were able to believe this, he would spend every free moment in some or another Catholic church or chapel, in the presence of the divine manifestation.”

 


Gerald Murnane (Coburg, 25 februari 1939)

 

De Nederlandse dichter, essayist, toneelschrijver, vertaler, kunstcriticus, journalist, redacteur en politicus Gabriël Wijnand Smit werd geboren in Utrecht op 25 februari 1910. Zie ook alle tags voor Gabriël Smit op dit blog.

 

Oud familieportret

Tussen de grote mensen – van de grond
gescheiden door een berg van brede plooien,
als op een onbereikbaar wereldrond –
zit zich het kind geduldig te verstrooien.

Het kijkt bevreemd de leegte in het rond:
het dikke kleed, de glinstering van het strooien
boeket, het grijze tuindoek, – al die mooie
dingen bekijkt het als een kleine hond.

Leeg is zijn hoofd achter de koele ogen,
zijn netvlies spiegelt alles onbewogen,
maar toch begint al in zijn rond gezicht

vermoeden van verwondering te trillen:
de mond bewoog, bevende om de stille
rimpeling van een wazig binnenlicht.

 

Tien sonnetten

V
En meer: Gij hebt ze om mij heen gezet,
uw hand even tevoren weggenomen
en warm van liefde, schuw in huiverend schromen,
vervullen zij hun opdracht: van uw wet

hier, voor mijn oog, de vaste stem te zijn,
mij dringend en vermanend niet te blijven
waar trots en zelfzucht mij willen inlijven
bij het verraad van hun devoten schijn.

Want alleen hier, in dit aandachtig spreken
met al wat Gij mij laat als troost en teeken,
ken ik de liefde, die de dag mij rooft.

Wat deed ik toch? Waar ben ik toch gebleven?
Bang keer ik terug naar wat mij heeft verdreven…
‘Caïn’, roept Gij, – en ik buig mijn hoofd.

 


Gabriël Smit (25 februari 1910 – 23 mei 1981)

 

De Britse dichter en schrijver Anthony Burgess werd geboren op 25 februari 1917 in Manchester, Engeland. Zie ook alle tags voor Anthony Burgess op dit blog.

Uit: Machten der duisternis (Vertaald door Paul Syrier)

“Ik bleef nog even liggen, naakt, vlekkerig, vaalbleek, uitgemergeld, een sigaret rokend die postcoïtaal had moeten zijn maar het niet was. Geoffrey trok puffend zijn sandalen aan, waarbij zijn buik zich in drie rollen vet plooide, en daarna zijn gebloemde overhemd. Ten slotte verborg hij zich achter zijn zonnebril, zo een van het onbeschofte soort waarvan de bolle oppervlakken de wereld een duo metalen spiegels voorhouden. Ik kon mijn eenentachtig jaar oude gezicht en hals er heel duidelijk in zien: de bekende afgeleefde grimmigheid van iemand die het leven intens heeft ervaren, de ontvleesde pezen als kabels, de anatomie van de kaken, de Fribourg & Treyersigaret in zijn Dunhillpijpje, die mijn herkomst verried uit een tijd waarin roken een handeling was die men met elegantie verrichtte. Ik bezag het dubbelbeeld zonder rancune, terwijl Geoffrey zei: ‘Ik vraag me af wat Zijne Aartsbisschap in de zin heeft. Misschien komt hij een excommunicatiebul afleveren. In kakelbonte cadeauverpakking, natuurlijk.’
‘Zestig jaar te laat,’ zei ik. Ik reikte Geoffrey de halfopgerookte sigaret aan om uit te drukken in een van de onyx asbakken en merkte op hoe ongaarne hij me zelfs die kleine dienst bewees. Ik stapte uit het bed, naakt, vlekkerig, vaal, uitgemergeld. Mijn zomerbroek zat, conform het fatsoensminimum, verre van strak. Het overhemd met begonia’s en orchideeën stond een man van mijn leeftijd belachelijk, maar ik had al lang geleden de angel uit Geoffreys rotopmerkingen getrokken met de woorden: ‘Lieve jongen, ik zal toch ééns moeten wennen aan het vooruitzicht van een laatste bloemenhulde.’ Deze zinsnede dateerde uit 1915. Ik had hem gehoord in Lamb House te Rye, maar hij was minder echt Henry James dan Henry James die de spot dreef met de echte Meredith. Hij had herinneringen opgehaald aan 1909 en het moment dat een of andere dame Meredith te veel bloemen had gestuurd. ‘Een laatste bloemenhulde, ha, ha, ha,’ had James gespot, schokschouderend van geveinsde vrolijkheid.
‘De gelukwensen van de tróúwe gelovigen, dan.’
Ik kon de overdreven stembuiging waarmee Geoffrey dit woord uitsprak geenszins waarderen. Het ademde seks en zijn eigen infame trouweloosheden; het was een woord dat ik ooit in tranen tegen hem had gebezigd; het was voor mij geladen met een ouderwetse morele ernst die voor Geoffreys generatie niet meer dan een nichtengrap was.”

 


Anthony Burgess (25 februari 1917 – 22 november 1993)

 

De Franse dichter Robert Rius werd geboren op 25 februari 1914 in Château-Roussillon. Zie ook alle tags voor Robert Rius op dit blog

Uit: Votre vie vaut cinquante francs (mede ondertekend door André Breton, Henry Espinouze, Maurice Henry, Georges Hugnet, Jean, Benjamin Péret en Yves Tanguy)

« Deux cents francs pour quatre cadavres, on ne peut pas dire que ce soit cher. Soyons précis : Soixante-six francs soixante-six centimes, si l’on compte à sa juste valeur, c’est-à-dire rien, la carcasse de l’adjudant Untel, qui a trouvé une fin hono-rable dans l’exercice de ses sordides fonctions. Qu’on ne vienne pas nous dire que ce n’était pas sa faute. On ne devient pas adjudant comme on devient plombier; il faut la vocation. Après tout, Dreyfus n’avait qu’à ne pas être capitaine. Ça lui aurait évité des difficultés avec l’armée. Les paysans dont le sort nous touche aujourd’hui ont été assiégés dans leur ferme parce qu’ils devaient deux cents francs au fisc. On voit ici l’effet des direc-tions données par les responsables du Front Populaire aux percepteurs : accorder des facilités, ne pas instrumenter contre les gens trop visiblement désargentés. Il est très probable que les Cornuel auraient préféré payer deux cent francs que mourir grillés et mitraillés. 11 est entendu que le pauvre serrurier qu’ils ont descendu n’y était pour rien ; d’autant plus que si on l’avait laissé chez lui, il ne serait pas refroidi maintenant. Mais on a lancé des bombes lacrymogènes sur la vache des Cornuel. Erreur politique, d’ailleurs, il n’y avait rien d’autre à saisir dans leur lamentable ferme. On a mis le feu à la ferme (en sorte que l’enterrement des martyrs retombera finalement aux frais de la commune). Ne l’oubliez pas. Nous avons tous lu Sade avec un certain plaisir. N’oubliez pas la vieille paysanne qui fuyait la fournaise, les cheveux enflammés, canardée à loisir par des gendarmes épouvantés. »

 


Robert Rius (25 februari 1914 – 21 juli 1944)
Divisibilité indéfinie door Yves Tanguy, 1942

 

De Duitse schrijver Karl May werd geboren op 25 februari 1842 in Hohenstein-Ernstthal. Zie ook alle tags voor Karl May op dit blog.

Uit: Old Surehand

„Ich hatte dies natürlich in unsere Zeitrechnung zu übersetzen, und war zur bestimmten Zeit dort. Es war weder Winnetou noch eine Spur von ihm zu sehen, obgleich die Schattenlänge der Eiche genau fünfmal die meinige betrug. Ich wartete mehrere Stunden lang; er stellte sich nicht ein. Ich wußte, daß ihn nur ein Unfall hindern konnte, ein einmal gegebenes Wort zu halten, und wollte darum schon besorgt um ihn werden; da kam mir der Gedanke, daß er schon hier gewesen sein und einen triftigen Grund gehabt haben könne, nicht auf mich zu warten. In diesem Falle hatte er mir ganz gewiß ein Zeichen hinterlassen. Ich untersuchte also den Stamm der Eiche, und richtig! es steckte in demselben in Manneshöhe ein kleiner, verdorrter Fichtenzweig. Da eine Eiche keine Fichtenzweige hat, so mußte er mit Absicht angebracht worden sein, und zwar schon vor längerer Zeit, weil er vollständig vertrocknet war. Ich zog ihn heraus und mit ihm ein Papier, welches um sein zugespitztes, unteres Ende festgewickelt war. Als ich es aufgerollt hatte, las ich die Worte:
»Mein Bruder komme schnell zu Bloody-Fox, den die Comantschen überfallen wollen. Winnetou eilt, ihn noch rechtzeitig zu warnen.«
Diejenigen meiner Leser, welche Winnetou kennen, wissen, daß er sehr wohl lesen und auch schreiben konnte. Er führte fast stets Papier bei sich. Die Nachricht, welche ich hiermit von ihm erhielt, war keine gute; sie machte mich um ihn besorgt, obgleich ich wußte, daß er jeder, auch der größten Gefahr gewachsen sei. Auch um Bloody-Fox wurde mir bange, denn er war sehr wahrscheinlich verloren, wenn es Winnetou nicht gelang, ihn noch vor der Ankunft der Comantschen zu erreichen. Und was mich selbst betrifft, so war auch meine Lage nichts weniger als unbedenklich. Bloody-Fox hauste auf einer, ja wohl der einzigen Oase des öden Llano estakado, und der Weg dorthin führte durch das Gebiet der Comantschen, mit denen wir oft feindlich zusammengeraten waren.“

 


Karl May (25 februari 1842 – 30 maart 1912)
Pierre Brice als Winnetou en Stewart Granger als Old Surehand.in de gelijknamige film uit 1965

 

De Oekraïense dichteres, schrijfster en vertaalster Lesja Oekrajinka werd geboren op 25 februari 1871 in Novograd-Volynsky. Zie ook alle tags voor Lesja Oekrajinka op dit blog.

Uit: The Forest Song (Vertaald door Percival Cundy) 

The Lost Babes
Please, oh, please! be not so savage,
Or our home you’ll surely ravage.
One small cave – for there’s none other
Than the one found by our mother.
Humble is the place we own –
Father’s love we’ve never known…
(They seize him by the hand, beseeching him.)
We’ll dive down to depths profound
Where no light or warmth is found;
There Rusalka watch is keeping
Where a fisher drowned is sleeping.
“He Who Rends the Dikes”
Let her leave him lying there!
Straightway let her come up here!
(The Lost Babes dive down into the lake.)
Come up, love, I say!
Rusalka comes up out of the water, smiling alluringly, joyfully clapping her hands. She is wearing two chaplets: the larger one, green; the other, small, like a crown of pearls, from which there hangs a veil.
Rusalka
Ah! ‘tis you, my sweetheart gay.
“He Who Rends the Dikes”
(Angrily)
Why all this delay?
Rusalka
(She starts to swim as though to meet him, but veers aside, avoiding him.)
All the night, dear, I’ve been yearning,
Dreaming that you were returning!
All the many tears I wept
In a silver cup I’ve kept.
Without you, the tears, my lover,
Filled the cup till it brimmed over.
(She claps her hands, darts forward as though to meet his embrace, but again swerves aside and avoids him.)
Some gold to the bottom fling,
And baptize the wedding ring!
(She laughs in bell-like tones.) “

 


Lesja Oekrajinka (25 februari 1871 – 1 augustus 1913)
Scene uit een opvoering op Bainbridge Island, 2017

 

De Italiaanse schrijver en vertaler Aldo Busi werd geboren op 25 februari 1948 in Montichiari, Brescia. Zie ook alle tags voor Aldo Busi op dit blog.

Uit: Standard Life of a Temporary Pantyhose Salesman (Vertaald door Ercole Guidi)

“In the compartment Angelo had felt uneasy toward Jürgen Ölberg, his friend always so avid of new diseases; the venereal warts Jürgen had yet to collect, and he, who had been so close to getting them, had ran away, like any other mortal still contaminated by the categories of disease and cure.
But Angelo was fed up to the back teeth with clinical testing and rubber gloves. He might as well get used to dying of health, and not speak a word to Jürgen.
No sooner was he back home than he couldn’t wait a minute longer for the imminent inhalation.
The man by the white or red shorts was having a snack, light, together with that man and that woman likewise disdainful, without a reason, as they both were freckled and freckles are the demise of all regality on lakes that be not Scandinavian. Angelo felt as if three minutes and not three days had passed since the affront suffered. He must think of something else.
At Portese an old fisherman-innkeeper had complained of the increasingly meager catch because «the lake is inclined of the discharges. He saw a shim beneath Riva, as beneath the leg of a table, and the water overflowing in all the directions of the imaginary geographical vulva. But the first to be swept away and sucked into that «inclination» were always those three, placid and manducating, with their backs turned.
It was at that moment that he saw the yacht, which surely had been there for hours, pop out of nowhere and approach with precaution the emerging rocks.
Angelo was heedful of the signs of social opulence and genetic paucity which contemporarily intercross within the same family. One of the things which he found most horrifying (splendidly subversive: nothing like nature could intervene with a more candidly vindictive and revolutionary hand), was an economical empire founded upon a couple of dynamic and capable and with attitude to leading persons who had generated a seriously handicapped or mentally challenged as their sole heir.”

 


Aldo Busi (Montichiari, 25 februari 1948)
Cover Italiaanse uitgave

 

De Tsjechische dichter, journalist en vertaler Karel Toman werd geboren 25 februari 1877 in Kokovice. Zie ook alle tags voor Karel Toman op dit blog.

 

The Sundial

A house in ruins. On holed-out walls the moss
is creeping ravenous
and lichen hordes of infestation bask.

In the yard bindweed hustles
and nettles stand a-jungled. The poisoned well
is for the rats to drink.

A cankered apple tree, half lightning-felled,
strains, of past blooms to think.

On clear days come the whistles
as linnets rummage. On sun-glowing days
the gable-end sundial arc revives,
and on it carefree jolly flits and jives
time’s shadow
reciting skyward in stern righteous gloom:
Sine sole nihil sum.

For all is but a mask.

 

Vertaald door Václav ZJ Pinkava

 

 
Karel Toman (25 februari 1877 – 12 juni 1946)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e februari ook mijn 3 blogs van 25 februari 2018.

Amin Maalouf, Aldo Busi, Gabriël Smit, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka, Karel Toman, Vittoria Colonna

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit: De rots van Tanios (Vertaald door Eef Gratama)

“In het dorp waar ik ben geboren hebben de rotsen een naam. Je hebt er het Schip, de Berekop, de Hinderlaag, de Muur en de Tweelingen, ook wel de Boezem van de Vampier genoemd. En vooral niet te vergeten de Soldatensteen; daar stond men vroeger op de uitkijk wanneer de achtervolging op rebellen werd ingezet; geen enkele plek wordt meer geëerd, is zwaarder beladen met legenden. Maar toch, als het landschap van mijn jeugd in mijn dromen opnieuw aan mij voorbijtrekt, zie ik een andere rots voor me. Hij ziet eruit als een vorstelijke zetel, uitgehold en als het ware ingesleten op het zitvlak, met een hoge, rechte rugleuning, die aan weerszijden als het ware met armsteunen afloopt — het is, geloof ik, de enige rots die de naam van een mens draagt, de Rots van Tanios. Ik heb deze stenen troon lange tijd aanschouwd zonder erop te durven klimmen. Het was niet uit angst voor gevaar; de rotsen bij het dorp waren ons geliefde speelterrein en reeds als kind had ik de gewoonte om grotere jongens tot de gevaarlijkste beklimmingen uit te dagen; onze blote handen en voeten vormden onze enige uitrusting, maar onze huid wist zich aan de huid van de steen vast te hechten en geen kolos kon ons weerstaan. Nee, het was niet de angst om te vallen die mij tegenhield. Het was een geloof, en het was een eed. Afgedwongen door mijn grootvader, enkele maanden voor zijn dood. ‘Alle rotsen, maar nooit die!’ De andere jongens bleven net als ik op afstand, uit dezelfde bijgelovige vrees. Ook zij hadden dat moeten beloven, met hun hand op het donzige haar van hun snor. En ook zij hadden dezelfde uitleg gekregen: ‘Zijn bijnaam was Tanios-kichk. Hij was op die rots gaan zitten. Daarna is hij nooit meer teruggezien.’
Men had mij vaak verteld over deze figuur, held van talloze plaatselijke verzinsels, en telkens weer had zijn naam mij geïntrigeerd. Tanios, dat begreep ik goed, was een van de vele plaatselijke varianten van Anton, net als Antoun, Antonios, Mtanios, Tanos of Tannous … Maar waarom die spottende bijnaam lichk’? Dat had mijn grootvader me niet willen vertellen. Hij heeft alleen maar gezegd wat hij tegen een kind meende te kunnen zeggen: Tanios was de zoon van Lamia. Je hebt vast en zeker van haar gehoord. Het was heel lang geleden,”

 

 
Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

Lees verder “Amin Maalouf, Aldo Busi, Gabriël Smit, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka, Karel Toman, Vittoria Colonna”

Amin Maalouf, Aldo Busi, Gabriël Smit, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka, Vittoria Colonna

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit: De ontheemden (Vertaald door Marianne Gossije)

“Vaak dachten zijn gesprekspartners dat hij ‘een oude vriend’ bedoelde. Maar Adam koos zijn woorden niet lichtvaardig. Mourad en hij waren vrienden geweest en daarna waren ze geen vrienden meer. In zijn ogen was ‘vroegere vriend’ dus de enige juiste woordkeus.
Wanneer hij die benaming gebruikte in haar bijzijn volstond Dolores met een meewarige glimlach. Maar die ochtend glimlachte ze niet.
‘Als ik morgen ruzie krijg met mijn zus, wordt ze dan ineens mijn vroegere zus? En mijn broer mijn vroegere broer?’
‘Met familie is het anders, dan heb je geen keus …’
‘In dit geval heb je ook geen keus. Een jeugdvriend, dat is een aangenomen broer. Je kunt er spijt van hebben dat je hem hebt aangenomen, maar je kunt hem niet ontaannemen.’
Adam had haar omstandig kunnen uitleggen dat bloedbanden van een heel andere orde waren, maar dan had hij zich op glibberig terrein begeven. Per slot van rekening was er tussen hem en zijn vriendin ook geen bloedverwantschap. Hield dat dan in dat zij op een dag ook van elkaar konden vervreemden, al stonden zij elkaar nu nog zo na? En dat als de een de ander aan zijn sterfbed riep, hij een weigering kon krijgen? Alleen al het ter sprake brengen van die mogelijkheid zou onterend geweest zijn. Hij verkoos te zwijgen.
Het had trouwens geen enkele zin om in discussie te gaan. Vroeg of laat zou hij toch moeten toegeven. Hij had redenen genoeg om Mourad van alles en nog wat kwalijk te nemen, om zijn vriendschap met hem op te zeggen en zelfs om hem te ‘ontaannemen’, ongeacht wat zijn vriendin daarvan vond, maar al die redenen stelden niets meer voor zodra de dood nabij was. Als hij niet naar het ziekbed van zijn vroegere vriend ging, zou hij daar tot zijn laatste snik spijt van hebben.
En dus had hij het reisbureau gebeld om een plaats te reserveren op de eerstvolgende rechtstreekse vlucht – diezelfde dag, ’s middags om half zes, met aankomst om elf uur ’s avonds. Sneller kon bijna niet.”

 

 
Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

Lees verder “Amin Maalouf, Aldo Busi, Gabriël Smit, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka, Vittoria Colonna”

Amin Maalouf, Aldo Busi, Gabriël Smit, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka, Vittoria Colonna

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit: De ontheemden (Vertaald door Marianne Gossije)

“Mijn voornaam verwijst naar het begin van de mensheid, maar ik hoor tot een groep mensen die uitsterft, zal Adam twee dagen voor de dramatische gebeurtenis in zijn dagboek noteren.
Ik heb nooit geweten waarom mijn ouders mij zo genoemd hebben. In mijn geboorteland kwam die voornaam nauwelijks voor, en vóór mij was er niemand in de familie met die naam. Ik vroeg het een keer aan mijn vader en hij antwoordde simpelweg: ‘Hij is de voorvader van ons allemaal!’, alsof ik dat niet wist. Ik was tien en ik stelde me tevreden met die uitleg. Misschien had ik hem, toen hij nog leefde, moeten vragen of die keuze een bepaalde bedoeling had, ingegeven was door een ideaal.
Het lijkt me wel. Volgens hem hoorde ik bij de grondleggers. Nu, op mijn zevenenveertigste, moet ik erkennen dat mijn missie niet voltooid zal worden. Ik zal niet de eerste van een geslacht zijn, ik zal de laatste zijn, de allerlaatste van mijn familie, de hoeder van al hun treurnis, hun desillusies en ook alles waarvoor ze zich schaamden. Op mij rust de afschuwelijke taak de gezichten te identificeren van degenen van wie ik hield, en dan te knikken zodat het laken er weer overheen getrokken kan worden. […]
Ik ben degene die het licht moet uitdoen. En wanneer het mijn beurt is, zal ik vallen als een gevelde boom, zonder te hebben gebogen, en tegen ieder die het horen wil zal ik zeggen: ‘Ik heb gelijk, de Geschiedenis heeft het bij het verkeerde eind!’
Die hoogmoedige, absurde kreet klinkt voortdurend in mijn hoofd. Het zou trouwens het motto kunnen zijn voor de zinloze pelgrimstocht waar ik al tien dagen aan bezig ben.
Door terug te keren naar mijn overspoelde land dacht ik nog wat sporen van mijn verleden en van mijn familie te kunnen redden. Maar daar verwacht ik niet veel meer van. Wanneer je probeert de overstroming tegen te houden, loop je het gevaar deze juist te versnellen … Toch heb ik geen spijt dat ik aan deze reis begonnen ben.”

 

 
Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

Lees verder “Amin Maalouf, Aldo Busi, Gabriël Smit, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka, Vittoria Colonna”

Aldo Busi, Amin Maalouf, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka

De Italiaanse schrijver en vertaler Aldo Busi werd geboren op 25 februari 1948 in Montichiari, Brescia. Zie ook alle tags voor Aldo Busi op dit blog.

Uit: Standard Life of a Temporary Pantyhose Salesman (Vertaald door Ercole Guidi)

He had called him and now he was telling him he didn’t wish to speak with him or know him because it wasn’t him. He had returned to his rock; he didn’t feel like swimming anymore. He’d have only done it to drown himself.
He felt smothered by that humiliation mixed with the attraction which now, confused, acquired from the refusal an uncontainable acumen that shook his lungs. It was stimulating to be turned down, to be mistaken for another, it had to be admitted. One was forced out of the rite, the brain skidding off the usual tracks of costless renunciations. The sudden hatred, mingled with desire and by now shattered into petty self-justifications, dazed in an unusual way; it called to life.
That afternoon he had been fiddling about what to do, without ever again turning his head toward the place of the offense or turning it elsewhere. The colors plunged into a self-pitying languor, of uncommitted punishments to be given in his mind. He beheld under his fastened eyelids – of himself who had the air of one who’s basking in the sun – the death’s head: it stripped the flesh from his scalp with his own teeth, stripped the flesh off his skull, spit the gray matter to the frogs.
To be able to tear him to pieces! He put on his trousers very slowly; someone asked him mundane explanations as to his leaving so early, and, as he was out of everyone’s view, he started running on the other side of the fence.
He thought he had always been kind and brotherly when he said «no». He knew he wasn’t being sincere.
In the evening he received a phone call from Galeazzo, a cop from Naples, an invitation. He had yet to finish the baths; but he thought that after the inhalations he’d have gone back to the Grotte, see him again, perhaps consume himself in that inconclusive hatred for another week.”

 

 
Aldo Busi (Montichiari, 25 februari 1948)
Hier links bij de opname van de film “Mutande pazze” , 1992

Lees verder “Aldo Busi, Amin Maalouf, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka”

Aldo Busi, Amin Maalouf, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May

De Italiaanse schrijver en vertaler Aldo Busi werd geboren op 25 februari 1948 in Montichiari, Brescia. Zie ook alle tags voor Aldo Busi op dit blog.

Uit: Standard Life of a Temporary Pantyhose Salesman (Vertaald door Ercole Guidi)

“Swallowing and by now lost, he had said:
“Why, you too remind me of a childhood   friend of mine. Now he’s in the slammer, in Hong Kong, or Bangkok, I’m not sure which. I knew you couldn’t be him.”
“Cut it out, will you? It happens.” And that is all he says. To him the conference is over and it has lasted all too long.
Angelo is standing there, awkward, half-stooped over those jagged implants of osseous death and lineaments dug out of a schoolbag, reduced into a little heap of suppressed yearnings, which from clear and easy now deafen one another into a slush of fury and humiliation wherein he again becomes confused, murky and fetid to himself. Angelo says without drawing breath:
“Well, if I’m not that friend of yours so much the better. A pretext to get to know each other now.”
It is incredible this unfortunate capacity of formulating perfect phrases, without the smears of an exhausted or excessive irony, when perhaps something muttered, indistinct, which may elicit sympathy or compassion or a releasing laughter, might prove a better bet.
The other cuts him short:
“But I don’t care to know you. You never happened to take somebody for someone else? So beat it, you hear me?”
“It was you who disturbed me, not I.”
“Hey, I don’t feel like talking anymore, all right?” and he turns the other way, toward a man and a woman to whom he smiles annoyed, as if to say «they always come my way».
Angelo had remained there, gazing at the water, not knowing what fish to catch in it.
Not knowing whether he should say good-bye or leave or just stand there, distended with convoluted breath. To have quicker reflexes, and more spunk: to fling himself onto him and rough him up.”

 

 
Aldo Busi (Montichiari, 25 februari 1948)

Lees verder “Aldo Busi, Amin Maalouf, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May”