In Memoriam Esther Jansma

In Memoriam Esther Jansma

De Nederlandse dichteres, schrijfster en archeologe Esther Jansma is gisteren op 66-jarige leeftijd overleden. Esther Jansma werd op 24 december 1958 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Esther Jansma op dit blog.

 

Archeologie

Als we ons dan toch moeten kleden,
tegen kou bijvoorbeeld, of in naam van iets,
in resten van dit of dat verleden,
verhalen en geheugensteuntjes die niets

vertellen dan dat we er al waren
in de tijd die bestond voor dit heden –
als wij onszelf alleen in het nu kunnen bewaren
door onszelf voortduren uit te vinden in het nu

dan liefst eenvoudig, aan de hand van kleding.
Je zit aan tafel. Opeens zie je hoe iemand
ijs overstak, hoe hem de kou beving

of een ander einde en je zegt: kijk,
hier heb je zijn schoenen, leren mantel, wanten.
‘Waar is de tijd? Hier is de tijd.’

 

Dit hier

Je loopt op het strand: de zee, de einder,
het geluid dat de kom van de wereld
tot de rand toe vult – nee, kleiner.

Je zet je schoenen in het zand: koeienhuid,
geërodeerde bergen, het een laat
een afdruk na in het ander – nee, anders.

Je bent ergens, het doet er niet toe
waar, altijd aan een rand, dit keer tussen
land en water, het gaat over nu – nee

je ligt op je buik. Zand zingt zich voort
zoals water, geribd. Je kiest de kleinste rib.
Berg. Je kiest de kleinste korrel. Aarde.

 

Schaduw

We hebben geen doden, we zijn alleen
denkende weefsels in het heden die zich denkende
weefsels herinneren, vertalingen maken zoals
u bent nu tien jaar dood – tien jaar

dood zijn bestaat niet. Wie herdacht wordt verdween
vanuit het eigen perspectief dat er niets is
tegelijk een miljard jaar en een seconde geleden.
Verdween totaal. Er is dus geen u die iets is.

Wij bestaan in de schaduw, het geraas van
een golf die voor altijd zojuist begon aan zijn
val – al dat schuim, als dat verdwijnen
in onze hoofden van wie er niet zijn.

 


Esther Jansma (24 december 1958 – 23 januari 2025)

Esther Jansma

De Nederlandse dichteres, prozaschrijfster en archeologe Esther Jansma werd op 24 december 1958 geboren te Amsterdam. De eerste jaren van haar leven groeide ze op met haar tweelingzus en nog twee jongere zusjes in een kunstenaarsgezin; haar beide ouders waren beeldhouwer. Toen zij zes jaar was, scheidden haar ouders; kort daarna kwam haar vader om door een ongeval. Na het vwo studeerde Jansma van 1978 tot 1985 aan de Universiteit van Amsterdam, eerst filosofie tot na haar kandidaatsexamen en later archeologie. Vanaf 1984 verschenen gedichten van Jansma in de literaire tijdschriften Maatstaf, De Tweede Ronde en Bzzlletin. In 1988 debuteerde zij als dichteres met Stem onder mijn bed. Met deze bundel en haar volgende, Bloem, steen, werd zij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 1990. In 1993 nam Jansma het initiatief tot oprichting van het Nederlands Centrum voor Dendrochronologie, waarvan zij wetenschappelijk hoofd is. In 1996 promoveerde zij cum laude op een proefschrift getiteld RemembeRINGs, waarvoor zij de W.A. van Esprijs voor Archeologie verwierf. In 2007 werd zij benoemd tot bijzonder hoogleraar Dendrochronologie en paleo-ecologie van het Kwartair aan de Universiteit Utrecht. Haar eerste prozawerk, “Picknick op de wenteltrap”, werd genomineerd voor de Debutantenprijs 1998. Haar dichtbundel “Hier is de tijd” werd in 1999 genomineerd voor de Gouden Uil en bekroond met de VSB Poëzieprijs. In hetzelfde jaar ontving Jansma voor haar hele werk de Halewijn-prijs van de stad Roermond. Voor “Dakruiters” werd haar in 2001 de Hugues C. Pernathprijs toegekend. “Alles is nieuw” werd in 2006 genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en in datzelfde jaar bekroond met de Jan Campertprijs.

 

Zoontje

Hij sluit de ogen en de wereld
opent zich. Hij valt
terwijl geen ding op diepte duidt

begeven wanden het, verzakt
de vloer, stormt lucht naar binnen.
Stort hij er in, maatloos.

Elk slaapliedje is een proloog,
een hoge stem die gaten
in zijn hoofd zingt. Slaap

bolt de rokken van het huis.
Het nest zwalkt als een schip.
Hij beeft, hij hangt aan aarde

die zijn handen, grijpmachientjes,
vogelklauwtjes, kneden
uit de takken van de lakens.

 

Raam in de lucht

Vandaag kreeg ik je brief.
Ik heb hem niet geopend.
Ik heb hem op mijn bed gelegd.

Stilte, achter mijn raam
in de lucht een vliegtuigje, hier
in de kamer steeds meer

schaduw – ik wil deze dag terug,
mijzelf bewaren: meisje met brief.
Daarom open ik je brief niet.

 

Te lezen bij sneeuw

Een paar hoeken om en je staat in de stilte
op een bodem, tussen oude muren, lagen metselwerk
in zomaar een winter. Uit de tijd gestapt.

Het vriest. Kinderen – theemutsjes op lompe beentjes –
rapen takken en sneeuw van de grond net zoals zij
eeuwen geleden deden tussen de stenen

het gemetselde lapwerk in het zwijgen van het hof
waar als je goed luistert ijle stemmen misschien
de flarden van iets mateloos naar het heden zingen.

Dat is nu, vandaag. Het schemert al. De kinderen
spelen zoals ze spelen, omringd door tijd
waar jij niet bent. Jij kijkt naar hun herinneringen.

 

 
Esther Jansma (Amsterdam, 24 december 1958)

Leonard Nolens, Mark Strand

De Belgische dichter en schrijver Leonard Nolens werd geboren in Bree op 11 april 1947. Zie ook alle tags voor Leonard Nolens op dit blog.

 

Harmonie der sferen

Door het traliewerk der jaloezieën kotst de volle maan
Mijn kamer onder, braaksel gutst tot op het bed.
Ik lig er brandend als een oog dat nooit meer dicht kan,
Een kleine plas vlees, een wees ter grootte van een oor.

Beneden knallen jongelui door de garageboxen, stallen
Gillend hun vernikkelde geslachtsdelen in een schoot
Van baksteen, smijten ruiten in en ratelen met luiken
Om de nacht te pesten en de buurt, de godganse wereld.

Nadien het treiterend gedruppel van seconden
In de zinken goten. Dippedie. Dippedie. Dap. En diep
Daarginder in de zwartgeblakerde en uitgestorven tuinen
De jankende onzichtbaarheid van krolse katten.

Sinds ik hier woon verzend ik lange brieven
Naar mijn vorig huis. Ik kon er slapen, waken, stil
En donker was het daar, als in de ritmisch en redderig
Lokkende leegte van ongeschreven gedichten.

 

Ik ben geen zoon, geen ziener meer…

Ik ben geen zoon, geen ziener meer.
Mijn ouders ken ik nog
als een toevallig opgeslagen semanteem.
De plaatsen waar zij samenliggen
uit de wind, noordoostwaarts van mijn hand,
heb ik op deze kaart gemerkt met rood
zoals een dromer doet die nooit vertrekt.

Ik ben geen man, geen minnaar meer.
De metastase van het eerste woord
heeft alles aangetast, het week geslacht
ligt ergens opgerold in de bestofte vouwen
van mijn stem, de tranen kwamen
zelden, welden op als een natuurlijke behoefte
waar geen plaats voor is.

Ik ben geen dichter, geen verdichtsel meer
van wat ons ooit gescheiden hield.
De metaforen die ik om ons heb gebouwd
begeven het als een uitgewoond vertrek
waarin mijn ogen en mijn vuisten openvallen
in de klaarte van de laatste dag.

 

Atavisme

We blijven alleen met ons binnenste oor,
Het nooit ontbloot horloge van ons bloed.
Zijn generaties droomgetallen slapen door
Wanneer we wakker worden, zijn horende vloed
Beklopt de nieuwe dag en overspoelt hem
Met zijn stromende blik, het enig juiste oog.
We zijn thuis in het eenzaam heelal van zijn stem.

 

Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.

 

Snelle Weilanden

Ik kan nu zeggen dat niets mogelijk was
dan het huis uitlopen en ervoor staan en zolang
als ik kon het dal in staren. Ik wist dat een trein
die een sjerp rook meetrok, aan zou komen, dat het spoedig
zou regenen.
Een fries wolken liet een schaduw zakken over de stad
en een stuwende wind blies de graslanden vlak die zich strekten
langs olijfbomen en bedden met stokroos en brem.
De lucht rook zoet en een meisje zwaaide een stok
naar wat kraaien zo ver weg dat ze vliegen leken.
Haar moeder, die een cape droeg en een sjaal, hield haar hand
boven haar ogen.
Ik vroeg me af waarom, zon was er niet. Toen verscheen
iemand en zei: ‘Kijk naar die wolken die een muur vormen,
die kraaien
die uit de lucht vallen, die velden, bleekgroen, groengeel,
die weggolven, en dat meisje en haar moeder die wuiven ten
afscheid.’
Opeens was de hemel bevlekt met een roodachtig waas
en was degene naast me bezig weg te rennen. Schemering.
Lichten in de stad gingen aan en ik zag, onscherp eerst,
bij het kerkhof omgrensd door rijen buigende cypressen
het meisje en haar moeder naast elkaar
roken, hun hakken de grond in draaien.

 

Vertaald door Esther Jansma

 

Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e april ook mijn blog van 11 april 2020 en eveneens mijn blog van 11 april 2019 en mijn blog van 11 april 2017 en ook mijn blog van 11 april 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en deel 3.

Leonard Nolens, Mark Strand

De Belgische dichter en schrijver Leonard Nolens werd geboren in Bree op 11 april 1947. Zie ook alle tags voor Leonard Nolens op dit blog.

 

De infinitief

Jezelf zijn.
Jezelf zijn om het even wie.
Maar jezelf zijn.

Je rechterhand verkwanselen
Aan vreemden, je geboorterecht vertalen
In een ander, tot huilens toe trainen
In scheelzien naar doelen, je kop
Verliezen in muizenissen van vrienden,
Maar jezelf zijn.
Jezelf zijn om het even wie.
Maar jezelf zijn.

Je eigenliefde kopen
Van straatventers, met je zelfhaat
Honden dresseren, met je hartaandoening
Honderden klokken gelijkzetten daar
In een land overzee, in het holst
Van de nacht elektronisch bankieren
Als snotaap van zeven, verdwaald
In zijn verdwenen ouderhuis.

Maar jezelf zijn.
Hoe prachtig, hoe vermoeiend,
Jezelf zijn om het even wie.

 

God

Ik kwam aan het licht in het gat van je afwezige natuur.
Ik lag er blind in de armen van moeder en las je boek.
Ik was doof in de pot van de wereld en hoorde je naam.

In dat donker werd ik groot van je natuurlijke afwezigheid.
Ik hield er al mijn kracht verzameld rond je leegte.
Zo werd me vroeg geleerd te geloven in het onbestaande,
In de droom die als een aftelvers door alle generaties gaat.

 

Schemering

Ik ben de zoon van hem die morgen wordt geboren
En de vader van de jōngen die mijn ouders verwekt.
Ik ben de dochter van het inzicht dat moet komen
En de moeder van de hoop die mij nu schept.
Ik ben de oudste minnares van de knaap die ik was
En de trouwste weduwnaar van ieder lief in zak en as.

Ik leef niet en ik ben niet dood, ik waak noch slaap,
En in die derde wereld moet ik altijd wonen.
Ik ben er als een vreemde kind aan huis, begaap
De penningmeester van mijn voddenbak met dromen,
De beheerder met mijn broodzak in zijn hoofd.
Ik ben hun luis, hun muis, en leef niet, kan niet dood.

 

Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.

 

Die laatste ogenblikken

We waren in een ander land, spraken over de oorlog
Waar wel geen eind aan zou komen en over onze leiders
Die niets ondernamen, toen we het uur naderbij
Voelden kruipen en bedachten hoe mensen overal
Langs de kust langzaam de slaap in versuften.
De wind wakkerde aan, regen striemde het leien dak
En het uitzicht op zee, plette distels en gras.
Opeens stopte de regen en even was alleen
Het doffe gebeuk van golven tegen de kust te horen.
Ik zat aan tafel, leegde mijn glas, draaide me om
En zag je staan in de gang voor de spiegel alsof
Je op zoek was naar iemand die hier ooit was geweest.
De katoenen paarsblauwe jurk gleed schouder na schouder
Van je af op de grond. Ik keek hoe de nachtschaduw
Je bleke vleesplooien rondde. Het restant
Van de dag – een dunne streep licht in het westen –
Gleed stil in de zee en de wereld waarover we hadden
Gesproken was nog altijd gevaarlijk, leek buiten bereik.

 

Vertaald door Wiljan van den Akker en Esther Jansma

 

Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e april ook mijn blog van 11 april 2020 en eveneens mijn blog van 11 april 2019 en mijn blog van 11 april 2017 en ook mijn blog van 11 april 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en deel 3.