Fernando Pessoa, Thomas Heerma van Voss, Gerwin van der Werf, Willem Brakman, Virginie Despentes, William Butler Yeats, Tristane Banon, Marcel Theroux, Steven Membrecht

De Portugese dichter en schrijver Fernando António Nogueira Pessoa werd geboren in Lissabon op 13 juni 1888. Zie ook alle tags voor Fernando Pessoa op dit blog.

 

Sonnet VIII

How many masks wear we, and undermasks,
Upon our countenance of soul, and when,
If for self-sport the soul itself unmasks,
Knows it the last mask off and the face plain?
The true mask feels no inside to the mask
But looks out of the mask by co-masked eyes.
Whatever consciousness begins the task
The task’s accepted use to sleepness ties.
Like a child frighted by its mirrored faces,
Our souls, that children are, being thought-losing,
Foist otherness upon their seen grimaces
And get a whole world on their forgot causing;
⁠And, when a thought would unmask our soul’s masking,
⁠Itself goes not unmasked to the unmasking.

 

Sonnet IX

Oh to be idle loving idleness!
But I am idle all in hate of me;
Ever in action’s dream, in the false stress
Of purposed action never act to be.
Like a fierce beast self-penned in a bait-lair,
My will to act binds with excess my action,
Not-acting coils the thought with raged despair,
And acting rage doth paint despair distraction.
Like someone sinking in a treacherous sand,
Each gesture to deliver sinks the more;
The struggle avails not, and to raise no hand,
Though but more slowly useless, we’ve no power.
⁠Hence live I the dead life each day doth bring,
⁠Repurposed for next day’s repurposing.

 

Sonnet X

As to a child, I talked my heart asleep
With empty promise of the coming day,
And it slept rather for my words made sleep
Than from a thought of what their sense did say.
For did it care for sense, would it not wake
And question closer to the morrow’s pleasure?
Would it not edge nearer my words, to take
The promise in the meting of its measure?
So, if it slept, ’twas that it cared but for
The present sleepy use of promised joy,
Thanking the fruit but for the forecome flower
Which the less active senses best enjoy.
Thus with deceit do I detain the heart
Of which deceit’s self knows itself a part.

Fernando Pessoa (13 juni 1888 – 30 november 1935)
Portret door Antonio Guimaraes, 2009

 

De Nederlandse schrijver Thomas Heerma van Voss werd geboren in Amsterdam op 13 juni 1990. Zie ook alle tags voor Thomas Heerma van Voss op dit blog.

Uit: De derde persoon (Het weerzien)

“Als ik thuiskom van mijn werk, anderhalf uur later dan gebruikelijk, heeft Claire de tafel al gedekt. Ze zet twee koekenpannen neer en serveert spaghetti bolognese, en pas nadat ik mijn eerste hap heb genomen, zegt ze: ‘Ik moet je iets vertellen.’
Ik zag de bezorgdheid al in haar ogen toen ik binnenkwam, maar ik dacht: eerst eten, haar onrust verdwijnt vanzelf wel.
‘Natalja komt hierheen,’ zegt Claire. Aan de toonloze, helder gearticuleerde manier waarop ze spreekt hoor ik dat ze de woorden heeft ingestudeerd. ‘Ze belde net. Gisterochtend vroeg is ze gaan liften uit Moskou en iets na tienen wordt ze afgezet bij de Warschauer Straße. Ze wil het land in, naar een paar oude vriendinnen, maar vanavond komt ze niet verder dan Berlijn. Ik heb haar gezegd dat ze vannacht hier kan logeren.’
‘Hier?’ vraag ik. ‘In ons appartement, bedoel je? Ik ken haar helemaal niet.’
‘Je kent haar best.’
‘Welnee, ik heb die vrouw nog nooit gezien. Kan ze geen hotel boeken?’
‘Ze heeft nauwelijks geld, dat weet je toch?’
‘Kennelijk wel genoeg om op vakantie te gaan.’
‘Toe, ik heb je laatst toch gezegd dat ze huwelijksproblemen heeft? Ze wil Moskou even uit en kent verder niemand hier. Als jij mij zou vragen of een vriend hier kon blijven slapen, zou ik daar altijd mee instemmen.’
‘Maar ik heb geen Russische vrienden. En ik ken niemand van boven de veertig die nog lift.’
Natalja. Kom nou, zo’n naam wens je niemand toe. Wat heeft ze hier te zoeken, in mijn woonplaats, mijn straat, mijn huis? Zij was degene die Claire, toen die als verlegen meisje uit de provincie begon met studeren, zomaar aansprak in een café. Een aangeschoten, zesentwintigjarige vrouw met Russische ouders en een vlotte babbel. Wil je wat drinken; hoe heet je; wat doe je hier in Berlijn? Ze bouwden een vriendschap op, intiemer dan veel relaties of familiebanden. Bijna elke dag waren ze samen. Natalja had geld vanwege een erfenis, en ze trakteerde Claire op diners, buitenlandse reizen en met alcohol doordrenkte nachten. Officieel werkte ze voor een Russisch telecombedrijf, in de praktijk hing ze voornamelijk aangeschoten rond in cafés. Ze schonk Claire cadeaus: bloemen en horloges, boeken en kettingen. Tijdens een van hun laatste gemeenschappelijke vakanties schreef ze Claire zelfs een uitvoerige brief – echt waar, een brief aan degene die naast haar zat, hoe verzin je het?”

Thomas Heerma van Voss (Amsterdam, 13 juni 1990)


De Nederlandse dichter, schrijver, columnist en muziekdocent Gerwin Friso van der Werf werd geboren in De Meern op 13 juni 1969. Zie ook alle tags voor Gerwin van der Werf op dit blog.

Uit: Luchtvissers

“Ik ga het redden, verdomd, ik ga het redden, ik durf het niet alleen te denken maar nu ook te fluisteren. Nog een uur, hooguit, en dan ben ik alleen. Hoe lang ik hier al sta – verscholen achter het muffe gordijntje – ik heb er geen benul meer van, maar het kan me niet schelen, want het wachten zal niet tevergeefs zijn. Soms doe ik mijn ogen dicht, duw mijn wang tegen het kozijn, dan voel ik de hoofdpijn kloppen tegen mijn linkeroog. Ik probeer al een tijdje onverschilligheid bij mijzelf op te roepen, als een kind dat verstoppertje speelt -‘rat maakt het uit, als ze je vinden, dan ben je erbij, nou en?’ – maar ik slaag er niet meer in. Ik ben ten prooi gevallen aan dit heilig willen. Het moet lukken. Het moet. Twee stalen bedden en een tafeltje, dat is al het meubilair in deze kamer. Als ik het vaalrode gordijn opzij duw kan ik de westelijke zijde van het eiland overzien, tot de vuurtoren, die zo’n twee kilometer verderop staat. Bij het transformatorhuisje zijn werklui bezig, weldra zal er geen stroom meer zijn. Daarachter zie ik het begin van de lange betonnen trap die omlaag naar de pier leidt. Vanochtend heb ik die beklommen, traag, opzichtig om mij heen speurend, in een poging zo veel mogelijk te lijken op de andere vier of vijf toeristen die lucht hadden gekregen van deze laatste trip naar Lundines. Straks, als de veerboot uit zicht is, dan ga ik het eiland verkennen. Mijn eiland.
Eerst heb ik een poos op bed gelegen, uitgeput maar niet in staat te slapen. liet is die eeuwige hoofdpijn die mij in staat stelt te geloven dat alles echt gebeurd is. ‘Je bent er,’ zegt de hoofdpijn, le bent er nog steeds.’ Maar niet geklaagd, de pijn is draaglijk, zij wordt gewiegd in de armen van Ibuprofen, mijn lief, die zo goed voor mij zorgt. De hele tijd hoorde ik voetstappen langs het huis gaan, het piepen van karretjes en steekwagens. De geluiden maakten me zo nerveus dat het me beter leek gewoon toe te kijken, verscholen achter het gordijn, als een uitgerangeerde acteur die stiekem in de coulissen wacht tot het toneel leeg is en het publiek naar huis. Iets wat ik werkelijk niet verwacht had: ik heb een bed met een schoon laken. Wat is dat voor gerommel achter het huis? Gebonk op de muren, het hele huis trilt mee en versterkt het geluid, zodat ik niet kan bepalen waar het vandaan komt. Een klap, alsof er een deur dichtgesmeten wordt. Een scheut hoofdpijn jaagt door mijn kop, mijn ogen lopen vol met traanvocht, niet braken, diep ademen. De pijn zakt terug. Net als ik onder het bed wil kruipen is alles alweer voorbij. Niets aan de hand, niemand is binnengekomen. Rustig wacht ik tot de misselijkheid is weggezakt. Acht pakken Sultana’s heb ik in mijn rugzak zitten, één daarvan maak ik open. Twee koeltjes, tegen het lege, misselijke gevoel. De kruimels klop ik van het bed, met de neus van mijn schoen duw ik ze tussen de kieren in de plankenvloer.”

Gerwin van der Werf (De Meern, 13 juni 1969)


De Nederlandse schrijver Willem Brakman werd geboren op 13 juni 1922 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Willem Brakman op dit blog.

Uit: Vestdijk en pantoufles

“Eenmaal ben ik op zijn werkkamer geweest waar ik nog geen briefkaart had kunnen schrijven. Het was er donker, op zijn tafel lag alles netjes geordend, een klein raampje met breed kozijn was haast volgestapeld met stenen die hij had gevonden in zijn leven. In een kast verwonderlijk weinig boeken, veel Simenons. De trap, de leuningen en de deur naar deze kamer waren in een afschuwelijk geel geschilderd. Hij was zonder meer een slecht causeur, luisterde liever en als het kon naar roddel. Eenmaal heb ik hem gevraagd of hij beschikkend over afluisterapparatuur die verbinding gaf met alle slaapkamers van Doorn deze ook zou gebruiken, waarop hij antwoordde: “Wat wil je, ik ben schrijver.” Nee, ik heb dat geel van de overloop naar zijn kamer nooit meer ergens aangetroffen, het was de idee geel in al haar verschrikkingen. Hij was een slecht causeur; wat hem ook werd aangedragen als mogelijke structuur of thema van zijn werk, zijn antwoord was steevast: “Neu zeg”, en dat terecht: vraag geen schrijver naar zijn bedoelingen, dat is een zonde tegen de heilige geest der literatuur, tenminste toen.
Toen ik tijdens mijn diensttijd in het militair hospitaal was opgenomen en om verschillende redenen op rantsoen moest wat het lezen betreft, kwam zijn boek De verminkte Apollo uit. Ik las in de ochtend twee bladzijden, ’s middags dezelfde twee en’s avonds idem. Dat was pas lezen en hij was me in die tijd een ware troost.
Later, als arts, heb ik stad en land voor hem afgelopen en aan alle psychiaters gevraagd naar de laatste ontwikkelingen op het gebied van de endogene depressie. Zeer vele artsenmonsters zond ik zijn kant uit en dat heeft hem dankbaar gestemd. Een keer vroeg ik hem of een middel had geholpen. “Nee,” zei hij, “maar ik heb er nu minder last van.” Nog een echt Vestdijk-antwoord.
Op Schiermonnikoog denk ik altijd aan Roland Holst en Vestdijk. Deze twee schimmen vergezellen mij daar overal. De laatste omdat ik er een huis ken dat precies het huis is van zijn geboorte. Soms, heel alleen ergens in de duinen en al fietsend, want dan kan er veel, vraag ik aan die hemel boven mij: “Simon, ben je daar?” en zijn antwoord is dan altijd: “Neu zeg.”

Willem Brakman (13 juni 1922 – 8 mei 2008)
V.l.n.r de schrijvers Henk Barnard, Hugo Claus, Willem Brakman en de dichter Roland Jooris

 

De Franse schrijfster en filmmaakster Virginie Despentes werd geboren in Nancy, Meurthe-et-Moselle, op 13 juni 1969. Zie ook alle tags voor Virginie Despentes op dit blog.

Uit: Bye Bye Blondie (Vertaald door Sian Reynolds)

“He’d announced, with that confidence possessed only by kids under twenty, that “it’s the most beautiful name in the world.” He was wearing   a white Perfecto leather jacket. A dark-haired boy with broad shoulders, fleshy lips, and a piercing gaze. Possibly it wasn’t piercing at all, perhaps he was just nearsighted, but she had thought this was someone who could fathom the depths of your soul and caress its vice. Whatever, he’d blown her mind, and starting the next day she had told every new person she met: “Hi, I’m Gloria.” And the name had stuck. Because twenty years later, that’s still what peo- ple are calling her.
Jérémy sweeps by grandly, carries off her glass and brings it back full. He’s humming, walking with shoulders a little bent, his low-slung, hyperbaggy jeans exposing a band of belly: smooth golden skin, young man’s skin. With one hand, Gloria hoicks up his trousers, scolding: “Hey kid, get your ass back inside your pants.”
Jérémy wanders off, delighted that someone in this place has protested yet again about his trousers.
Two men have just arrived, and now they’re hardwired to the counter. Difficult to put an age on the older one, he’s so destroyed by drink. A caricature of the wine-bibbing Frenchman: strawberry nose, puffy face, sepulchral voice, rotten yellow teeth. With him is a hulking, ruddy-faced youngster, head sunk into his shoulders, probably his son.
The old man is yelling, he’s already plastered, and now he’s furious: “I don’t believe it! You got a brain or what? God should’ve given you another asshole, you’re so full of shit.”
Gloria exchanges a quick glance with Jérémy. They both roll their eyes and turn away to hide a smile.
Every day, these two come into the Royal, just to shout at each other all afternoon. Around aperitif time, off they go to the betting shop, the old one still yelling at the young one. Gloria predicts, as she watches them stagger away every night at about seven, that one day they won’t be back: the young one will have chucked the old one out the window.
The young one blows his nose, making a hell of a noise. Gray-and-red tracksuit, picked up on sale, no doubt, and he has these enormous feet. Gloria can’t get used to how big young boys’ feet are, she wonders if there’s some plan up there in the cosmos for the human race. Should it be planning to go and live underwater, growing long flippers? The kid’s jaw drops when he sees her, he looks truly impressed.”

Virginie Despentes (Nancy, 13 juni 1969)


De Ierse dichter, toneelschrijver en mysticus William Butler Yeats werd geboren in Sandymount bij Dublin op 13 juni 1865. Zie ook alle tags voor William Butler Yeats op dit blog.

Three Songs To The Same Tune

I
GRANDFATHER sang it under the gallows:
‘ Hear, gentlemen, ladies, and all mankind:
Money is good and a girl might be better.
But good strong blows are delights to the mind.’
There, standing on the catt,
He sang it from his heart.
Those fanatics all that we do would undo;
Down the fanatic, down the clown;
Down, down, hammer them down,
Down to the tune of O’Donnell Abu.
‘A girl I had, but she followed another,
Money I had, and it went in the night,
Strong drink I had, and it brought me to sorrow,
But a good strong cause and blows are delight.’
All there caught up the tune:
‘On, on, my darling man’.
Those fanatics all that we do would undo;
Down the fanatic, down the clown;
Down, down, hammer them down,
Down to the tune of O’Donnell Abu.
‘Money is good and a girl might be better,
No matter what happens and who takes the fall,
But a good strong cause’ — the rope gave a jerk there,
No more sang he, for his throat was too small;
But he kicked before he died,
He did it out of pride.
Those fanatics all that we do would undo;
Down the fanatic, down the clown;
Down, down, hammer them down,
Down to the tune of O’Donnell Abu.

Veronica’s Napkin

THE Heavenly Circuit; Berenice’s Hair;
Tent-pole of Eden; the tent’s drapery;
Symbolical glory of thc earth and air!
The Father and His angelic hierarchy
That made the magnitude and glory there
Stood in the circuit of a needle’s eye.
Some found a different pole, and where it stood
A pattern on a napkin dipped in blood.

William Butler Yeats (13 juni 1865 – 28 januari 1939)
Portret door Augustus John, 1907


De Franse journaliste en schrijfster Tristane Banon werd geboren op 13 juni 1979 in Neuilly-sur-Seine. Zie ook alle tags voor Tristane Banon op dit blog.

Uit:Daddy frénésie

« Vingt-cinq ans qu’elle a cessé de le chercher à la maison. Vingt ans à croire que c’était peut-être sa faute, dix ans à le poursuivre, le transposer, le déceler chez tous les hommes de sa vie, dix ans à espérer qu’il soit chercheur d’or et pas juste lâche… Vingt-sept ans sans père, sur vingt-sept, ça suggère beaucoup de désordre mental.
Et pourtant, cinq ans peut-être, ou bien sept, pas plus, qu’elle devine que sa mort lui serait égal.
Cinq ans qu’elle entend : «Tu dis ça, mais au fond…» Mais au fond, même très au fond, au sous-sol d’elle-même, elle en est persuadée. Qu’en savent-ils, du fond, les gens ? Sont-ils allés fouiller derrière ses entrailles, dans ses tripes, pour parler en son nom ? Qu’en coassent-ils de ce qu’elle a au fond, eux qui ont des pères a appeler quand ça ne va pas ? Elle balance «ça», comme ils disent, et elle le pense. Elle choque parfois, et elle assume Elle a toujours su que parler de la mort était quelque chose de tabou, elle découvre que s’y montrer indifférente est une preuve d’inhumanité difficile a défendre. Pire, ne pas souffrir par avance du décès, pourtant certain, à court ou moyen terme, de son géniteur serait proche du parricide mental. Pourtant, réalisatrice de ce finale programmé pour chacun d’entre nous elle voit bien la scène. Alors ne la forcez pas le jour venu, a participer aux au revoir. Elle sait sa réaction. Elle entre dans l’église parce qu’on l’y a obligée, elle s’avance jusqu’au corps parce qu’on la pousse, elle regarde son visage paisible et elle se dit : «Pour un lâche il a le sommeil profond.» Elle sort et on ne veut plus la voir. Ça ne la dérange pas, on ne l’a jamais vraiment vue jusqu’alors, et elle n’a véritablement manqué à personne. Elle ne sera pas là pour rappeler le souvenir de celui qu’elle ne connaît pas. »

Tristane Banon (Neuilly-sur-Seine,13juni 1979)


De Britse schrijver en presentator Marcel Theroux werd geboren op 13 juni 1968 in Kampala, Oeganda. Zie ook alle tags voor Marcel Theroux op dit blog.

Uit:Strange Bodies

“Nicky stepped out of the shadows. He looked much worse than when I’d last seen him: unshaven, tired, and badly dressed, but also more like his old self; he’d lost weight and his face had some of its shape back.
He told me he needed a place to stay. I explained about the book group and warned him that Babette was waking a lot in the night, but he didn’t look like he had many other options. He sagged into the passenger seat like an old man.
From Ludlow to Barbrook is a twenty-minute drive, assuming you don’t get stuck behind a tractor or a tourist. Nicky ignored my questions and didn’t seem in any mood to talk. I found myself filling the silence by chattering on about my day, but by the time we got to Cleehill I couldn’t pretend anymore. I pulled over just beyond the pub. The locals call it the Kremlin because they claim it’s the highest point between there and the Urals, and in the old days the jukebox used to pick up Radio Moscow. The rain had stopped. The moon was out and beyond the hills we could make out the vague orange glow of Birmingham. I turned to Nicky and asked him what was going on.
“It’s a long story,” he said. “I was in the Maudsley for a while.”
“Studying?” For some reason, I assumed it was a college.
“Sectioned,” he said. And then by way of explanation: “It’s a loony bin outside Croydon.”
Hailstones pounded on the roof of the car. We’d have to drive home the long way round, because the ford would be too dangerous to cross.
“Does Leonora know you’re alive?”
“The Nicky she knew is dead.” He said it matter-of-factly, with no real venom, but the hopelessness of it shocked me. And in the yellow rays of the Kremlin’s outside light, his teeth looked crooked and broken. Suddenly, it struck me that he was, after all, really a stranger, and I was seized by a panicky feeling.”

Marcel Theroux (Kampala, 13 juni 1968)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Steven Membrecht (pseudoniem van Jochem van Beek) werd geboren in Amersfoort op 13 juni 1937. Zie ook alle tags voor Steven Membrecht op dit blog.

Uit: De ruime gevangenis (een brief)

“De reden dat ik je schrijf, Abel, is dat ik gisteravond een opzienbarende ontdekking heb gedaan, die zo ingrijpend voor ons beiden is, dat ik je haar niet wilde onthouden.
Het hele proces dat tegen jou gevoerd is en waartegen ik niet het minste kon inbrengen, krijgt er een heel andere betekenis door. Wat dat betreft kan ik kort zijn: het is onwaar, vol afschuwelijke misverstanden. Maar ook is het van het allergrootste belang voor ons. Gisteravond drong dat onmiddellijk na wat ik gezien had tot mij door. Hoewel ik je nog in deze brief zal verklaren wat ik heb ontdekt moeten mij eerst enkele opwellende gevoelens van het hart.
Ik kreeg geen kans je nog te spreken nadat het levenslang over je was uitgesproken. Ik denk dat die malle rechters dat niet toestonden omdat ze maar al te goed gemerkt hebben dat wij tweelingen zijn, zelfs eeneiïge tweelingen en in hun domme kortzichtigheid verwisseling van veroordeelde wilden voorkomen.
Hoewel het proces door mij even afschrikwekkend beleefd werd als door jou, gaf onze gelijkenis er in zekere zin een vrolijke noot aan. Het zal jou namelijk ook vast wel opgevallen zijn hoe de rechters, de officier van justitie en zelfs jouw advokaat vaak in de grootste verwarring hun blikken lieten afdwalen naar de publieke tribune, waar ik zat. Het was dan alsof zij dezelfde overtuiging toegedaan waren als ik: die beklaagde, die daar zojuist nog zat, kunnen wij nauwelijks naar eer en geweten ondervragen of beschuldigen, want hij is niet volledig. Er ontbreekt veel van hem waardoor wij tijdens het proces slagen in de lucht doen; een hagedis zonder staart trachten te vangen. (Dat ik juist dit beeld gebruik zal je spoedig duidelijk zijn).
Hoe prijs ik mijzelf sinds gisteravond dat die overtuiging volkomen gerechtvaardigd was en geenszins alleen op grond van onze fabuleuse gelijkenis. Toch veracht ik mezelf ook dat ik hun de juistheid van hun weifelende gedachte niet al tijdens het proces heb kunnen toeschreeuwen, waardoor grote verwarring zou zijn ontstaan en jij wellicht heel anders beoordeeld zou zijn. Het was dan zelfs niet onmogelijk geweest dat ze je hadden vrijgesproken. Was dat een feit geworden, dan moet ik je echter teleurstellen door te zeggen dat ik toch nooit meer met jou onder één dak had kunnen leven.”

Steven Membrecht (13 juni 1937 – 17 december 2016)
Cover achterkant

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juni ook mijn blog van 13 juni 2018 en ook mijn blog van 13 juni 2017 en mijn blog van 13 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Gerwin van der Werf

De Nederlandse dichter, schrijver, columnist en muziekdocent Gerwin Friso van der Werf werd geboren in De Meern op 13 juni 1969. Van der Werf is schrijver en columnist/publicist bij het Dagblad Trouw. Hij publiceerde vier romans bij uitgeverij Atlas Contact, “Gewapende Man” (2010), “Wild” (2011, longlist Libris Literatuurprijs), “Luchtvissers” (2013) en “Een Onbarmhartig Pad” (2018). Ook verschenen er van hem twee bundels met columns en verhalen over het onderwijs: “Schooldagen” (2014) en “Stampen en Zingen” (2018). Van der Werf won de eerste editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd in 2010 voor het gedicht “Misbruik”.

Uit: Wild

“Stel je voor dat je de Wolden van bovenaf kunt bekijken. Het is zo’n dag waarop je eindelijk de zon voelt prikken op je gezicht, waarop het jonge groen je blik gevangen houdt en je van geen tragedie wilt weten. Het loof is nog niet helemaal uitgelopen. Door het kronendak heen kun je de bodem zien, de plek waar het broeit, waar alles zich naar boven probeert te werken.

==

Je ziet iets bewegen. Een mens. Hij rent zuidwaarts. Er is voor hem geen andere keuze dan zuidwaarts. Het naaldbos aan de noordzijde geeft geen kans op ontsnapping, de grove dennen en fijnsparren bieden geen beschutting, en het is onmogelijk om er hard te lopen. De bodem ligt bezaaid met gortdroge takken die aan je blijven haken. In het oosten loopt het naaldbos dood op de snelweg, een diep uitgegraven corridor in de wildernis, omzoomd door een metershoog hekwerk dat de wilde dieren tegenhoudt, en de mensen evengoed. Richt je blik nogmaals op het noorden, waar de naaldbomen plaatsmaken voor de grote heidevlakte en de zandverstuiving. Even verderop staat een kilometerslange prikkeldraadversperring met om de zoveel meter een manshoog bord: SCHIETTERREIN LEVENSGEVAARLIJK. Je ogen zoeken verder, westwaarts. Het bos lijkt eindeloos, maar er zit een groot gat in – daar, die groene vlakte. Er grazen een paar honderd koeien van een tiental boeren. Het dorp Spijck is nauwelijks zichtbaar, de bebouwing is verspreid. Hoge beuken steken uit boven het stokoude kerkje. De stompe toren heeft meer weg van een verdedigingswerk. Hij is dik en vierkant, en heeft smalle ramen die op schietgaten lijken. Van bovenaf gezien lijken de huizen op oranje kevers die alle kanten op kruipen. Een dorp zonder rijtjeshuizen, een verborgen paradijs. Twee deftige herenhuizen staan tegen de bosrand aan. Het huis aan de noordkant steekt fraai af tegen de oude lindebomen. Het is van burgemeester Goderie. Het andere huis heeft roomwitte raamlijsten en een entree met Dorische zuilen, die je bijna niet ziet omdat het huis in het bos staat. Hier woont meneer Vloo, die eigenlijk Vloo le Tombe heet, maar zo noemt niemand hem. Er loopt een provinciale weg naar de stad. Langs die weg staat de melkfabriek van Vloo. Volg de weg zuidwaarts en je bent al snel bij de rivier. Dit is wat je allemaal overziet: heide en zand, de meent, de snelweg, de rivier. En daartussen het uitgestrekte bos, de Wolden. Je wilt er niet meer weg. Dit dorp omarmt je dromen, voegt zich naar je fantasie.”


Gerwin van der Werf (De Meern, 13 juni 1969)

Gedichtendag 2010, Turing Nationale Gedichtenwedstrijd

Gedichtendag 2010

De eerste prijs in de Turing Nationale Gedichten Wedstrijd ging gisteren naar het gedicht Misbruik van Gerwin van der Werf. Dat werd in Amsterdam bekendgemaakt.

De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter, componist en arrangeur Gerwin van der Werf werd geboren in De Meern op 13 juni 1969.  Van der Werf studeerde van 1989 tot 1994 muziekwetenschap in Utrecht en kreeg een aanstelling als muziekdocent aan de internationale school in Oegstgeest. Hij schreef liedteksten, verhalen en een roman die begin 2010 uitgegeven wordt bij Uitgeverij Contact. Met vijf korte verhalen won hij prijzen bij Trouw, Volkskrant, 1000 woorden en Schrijven Magazine. Van der Werf woont in Leiden.

Misbruik

Met de pen roer ik mijn koffie
met de schaar krab ik mijn kop
met een mouw veeg ik mijn snot weg
dweil met mijn sok een melkvlek op

Mijn nagel drukt in ’t tafelblad
een diepe kloof groeit daar gestaag
woorden weeg ik met het vreten
dat retour komt uit mijn maag

Met mijn tanden bijt ik splinters
uit de poten van mijn stoel
uit mijn tenen vloek ik psalmen
tot ik er niets meer bij voel

Zelfhaat weeg ik bij het opstaan
in jouw levenloze blik
woede meet ik met mijn knokkels
en mijn schaamte met mijn pik

Licht verpulver ik met vuurwerk
herrie met een spijkerboor
waanzin smoor ik in mijn verzen
waar zijn die dingen anders voor?

 

Hieronder een fragment uit een van Van der Werfs verhalen.

Uit: De verdwijning van Jonathan Prins

“Motregen danst op de wind, ragfijne druppels die niet vallen maar zweven, ze strelen het mos, dringen in de poriën van het gesteente. Er is geen hemel, alleen aarde, zij heeft zich gehuld in grijze sluiers waar de wind mee speelt.
De eenzame loper draagt zwartleren motorkleding en legerkisten, zijn bagage bestaat uit een kleine rugzak en een slaapzak in een hoes ter grootte van een rol beschuit. Hij heeft zelfs een opvouwbare damesparaplu van oranje nylon opgestoken, er schuilen plukjes muggen onder. De paar hikers die hij tegenkomt op het wandelspoor dragen balen van groteske omvang op hun rug, gore-tex jassen, bergschoenen en hoedjes met gaas tegen de muggen. Hij leest verbazing in hun ogen, verontwaardiging zelfs, omdat hij met zijn verschijning lijkt te zeggen: kijk, zo kan het ook, jullie zijn enorme aanstellers met je dure uitrusting. Misschien houden ze hem voor krankzinnig. Want niets wijst er op dat de voetganger in het zwart alles tot in de puntjes heeft voorbereid. Alles is volgens plan verlopen, op een paar kleine rimpelingen na. Hij heeft ze eenvoudig kunnen gladstrijken. Ze zijn hem niet komen zoeken. Ze hebben het begrepen. Hij moet niet teveel aan ze denken, hij heeft zijn twee vrienden achtergelaten, net als zijn motor en zijn twijfel.
Voordat hij aan de laatste klim begint raadpleegt hij zijn horloge. Half acht. Het is zondagmorgen, de derde dag sinds hij alleen is. Een bewolkte zomerdag boven de poolcirkel is een dag zonder begin of einde, een dag, even contourloos als de zompige bodem in het dal. Een reiziger zonder uurwerk is in deze wildernis een drenkeling in een zee van tijd.”

VanDerWerf

Gerwin van der Werf (De Meern, 13 juni 1969) 

 

 De dichters Arjen Duinker, Hester Knibbe en Nachoem M. Wijnberg zijn de winnaars van de Gedichtendagprijzen 2010, de prijs die jaarlijks op Gedichtendag wordt uitgereikt aan de beste drie gedichten van het voorgaande jaar. Arjen Duinker krijgt de prijs voor zijn gedicht ‘Leve de camouflage!’ uit de bundel Buurtkinderen, Hester Knibbe voor het gedicht ‘Oogsteen’ uit haar gelijknamige bundel en Nachoem M. Wijnberg voor ‘En wat gaan we dan doen? Zou ik dat op de muur kunnen schrijven?’ uit de bundel Divan van Ghalib. Hier het gedicht van Nachoem M. Wijnberg

 

En wat gaan we dan doen? Zou ik dat op de muur kunnen
schrijven?

 

Ik leer schrijven door met mijn vinger de vorm van de letters na te
voelen,
_____
ik ken die letters al, maar wil zo nog wel een keer leren
schrijven.

 

Ik sta op een bed en schrijf op de muur,
_____
spring op het bed op en neer om de woorden waarmee ik wil
beginnen zo hoog mogelijk op de muur te schrijven.

 

De maan in de lucht als een letter uit een doos letters,
_____ als ik misschien geen tijd meer heb om te leren schrijven.

 

Als het te donker is om het papier te zien en ik geen licht wil maken
_____ schrijf ik steeds grotere letters, ver uit elkaar

 

Print_Nachoen_Wijnberg

Nachoem M. Wijnberg  (Amsterdam, 13 april 1961)