Blaise Cendrars, W. F. Hermans, Hubert Lampo, Peter Adolphsen, Edgar Rice Burroughs

De Franstalige, Zwitserse dichter en schrijver Blaise Cendrars werd geboren op 1 september 1887 in La Chaux-de-Fonds. Zie ook mijn blog van 1 september 2007.

 

Lettre

Tu m’as dit : si tu m’écris,
Ne tape pas tout à la machine.
Ajoute une ligne de ta main,
Un mot, un rien, oh ! pas grand-chose.
Oui, oui, oui, oui, oui, ou, oui, oui.
Ma Remington est belle, pourtant.
Je l’aime beaucoup et travaille bien.
Mon écriture est nette, est claire,
On voit très bien que c’est moi qui l’ai tapée,
Il y a des blancs que je suis seul à savoir faire.
Vois donc l’oeil qu’a ma page.
Pourtant, pour te faire plaisir, j’ajoute à l’encre
Deux trois mots
Et une grosse tache d’encre,
Pour que tu ne puisses pas les lire.

 

 

Nupur

Nous sommes suspendus entre le ciel et la mer dans le chant des rossignols

Raymone et moi

Et évoquons Paris

Et parlons des gens que nous avons connus

Et pour ne pas rire ou pleurer

Et ne pas gâcher les mystères de l’existence

Nous nous balançons sans plus rien dire

La grande ville – Saint-Segond

Nous nous laissons aller

Aller et venir

Nous nous balançons en silence

Portés par le baume des orangers en fleurs

 

Hamacs aux mouvements contraires dont pend

une main

une gourmette

une cigarette

 

Trou d’air

Trou dans la mémoire

Trou

On plane

On monte

On tombe

Trou dans la nuit

Trou de serrure

Une étoile sur la mer

Une touffe de lavande au sol

Une parole en l’air

Les mailles du filet

 

Trou

Trous

La robe se déchire

On se pâme

Et se pâmait aussi le vieux saint homme qui s’était retiré dans

la solitude du Pamir

Dans la dernière ville

Avant de s’engager sur le sentier qui devait le mener dans les

hautes solitudes des montagnes de la frontière

Et, traversant la dernière ville, il avait levé les yeux sur une

bayadère qui lui souriait

Et voici que maintenant il

 

Cendrars

Blaise Cendrars (1 september 1887 – 21 januari 1961)

 

 

De Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans werd geboren op 1 september 1921 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 1 september 2006 en ook mijn blog van 1 september 2007.

 

Uit: Eindelijk alles over Menno

 

Neem een land waar tien of twintig baarddragende filosofen ernstig zwoegen, alles gelezen hebben, op hun studeerkamers enorme kaartsystemen onophoudelijk raadplegen. Door indrukwekkende stoeten sidderende leerlingen omgeven, betreden zij hun katheders, vijf minuten na het vastgestelde uur, om te orakelen in kantiaanse, hegeliaanse of heideggeriaanse geheimtaal.

Een land vol universiteiten waar hele horden commentatoren de gebedsmolens van de terminologieën eeuwenlang draaiende houden…

In zo’n land zou iemand als Menno ter Braak die komt vertellen dat alles en nog wat christendom of nihilisme is en de hele bliksemse boel als ressentiment ontmaskert, een verkwikkende figuur wezen!

Maar omdat de getabberde en gebaarde filosofen in Ter Braak’s vaderland óók maar grappenmakers waren, zij het dan grappenmakers waar niemand ooit om zou lachen: gepensioneerde sergeants, opgeblazen soutanes, mummelende napraters in vergelijking met de meestal Duitse denkkolossen waar zij tegenaan leunden…

En omdat de officiële litteraire kritiek er zelden deskundig is geweest, of informatief en goed gedocumenteerd, zelfs meestal niet eens in schijn objectief, eerder: opzettelijk en parmantig ‘verzuild’, spreekt het misschien vanzelf dat Ter Braak als een groot licht wordt beschouwd. Maar het is niet eens meer belachelijk wanneer zijn bewonderaars menen nu maar te hebben afgerekend met Hegel, Kant en Freud, het existentialisme en het neo-positivisme en alle Franse en Engelse filosofen waar ze nooit over gehoord hebben, omdat Ter Braak van hun bestaan niet op de hoogte was.

Dat doet alleen maar denken aan de theorie volgens welke iedere pijp waar rook uit komt een locomotief zou wezen.”

 

hermans

W. F. Hermans (1 september 1921 – 27 april 1995)

 

 

De Belgische schrijver Hubert Lampo werd geboren op 1 september 1920 geboren in Het Kiel, Antwerpen. Zie ook mijn blog van 1 september 2006 en ook mijn blog van 1 september 2007.

 

Uit: Beroepsgeheim 5 (Interview met Willem M. Roggeman)

 

– Ik heb steeds de indruk gehad dat er altijd magisch realisme is geweest. Het magisch element speelt in de hele wereldliteratuur een enorme rol. Het is pas vanaf ‘La Princesse de Clèves’ van Madame de la Fayette uit de 17de eeuw dat eigenlijk het realisme de voorrang is gaan krijgen voor de roman. En wanneer wij een nieuwe roman in een uitstalling zien liggen, dan kunnen wij meestal met zekerheid zeggen dat het een realistische roman is. Wanneer je mij nu vraagt of er momenteel een stroming is in de wereldliteratuur, die wij magisch realisme kunnen noemen, dan weet ik niet wat ik daar moet op antwoorden. Ik zou eerder zeggen: er zijn magisch realisten. Maar deze volgen elkaar ook niet na. Zij kunnen soms een grote groep vormen zoals bijv. de huidige Zuidamerikanen. Ik denk dan vooral aan Gabriel Garcia Marquez. Daar zou je misschien van een magisch realistische school kunnen spreken. Maar hier in West-Europa voel ik het aan als een verschijnsel dat door individuen apart wordt beoefend. Johan Daisne was een apart staande figuur. Ikzelf ben een vrij apart staande figuur. Wij vormen geen groep. Wij hebben geen afspraken. Wij hebben geen theorie. Wij zetten niet een bepaalde magisch realistische dialectiek voorop. Ieder gaat zijn eigen gang. En als ik dan ‘wij’ zeg, dan zou ik het al heel moeilijk hebben om momenteel anderen te noemen. In Frankrijk denk ik aan Julien Gracq bijv., maar het gaat dus werkelijk om aparte individuen, dunkt mij. Ook de Argentijn Jorge Luis Borges is een totaal apart staande figuur, geloof ik.

Maar het magisch realisme behoort in ieder geval tot de eigenlijke literatuur. Het zou fout zijn, dunkt mij, het apart te zetten, zoals men de science-fiction apart zet. Alhoewel er verbanden zijn. Ook in de science-fiction gaan grote dromen der mensheid, archetypische dromen, in vervulling. Het kenmerk van het magisch realisme voor mijn gevoel is trouwens het archetypische element.”

 

lampo

Hubert Lampo (1 september 1920 – 12 juli 2006)

 

De Deense schrijver Peter Adolphsen werd geboren op 1 september 1972 in Århus. Zie ook mijn blog van 1 september 2007.

 

Uit: The Slow Giant (Vertaald door George Blecher)

 

”Because all the waves coursing through the atmosphere penetrate him without resistance, in effect rendering him invisible, a giant as tall as 11 Eiffel Towers stands at this very moment with his foot raised over a little village in Northern Sweden. He’s not standing still but is in mid-stride, a stride that has lasted centuries and will last for several more. As old as the earth itself, the giant’s respiration and sense of time are of geological slowness. He has watched glaciers glide sedately along, and trees shoot up like small fountains; the passing of the seasons he experiences as an imperceptible shudder. It is only in the last few centuries that the giant has noticed the erect ape suddenly to be found all over the globe.”

 

ADOLPHSEN
Peter Adolphsen (Århus, 1 september 1972)

 

 

De Amerikaanse schrijver Edgar Rice Burroughs werd geboren in Chicago op 1 september 1875 als de zoon van een zakenman. Hij ging naar de Michigan Military Academy in Andover, en slaagde daar in 1895. Hij haalde vervolgens het toegangsexamen voor West Point niet, en werd soldaat. Na zijn tijd in het leger had hij een aantal tijdelijke banen en ging hij uiteindelijk in 1899 voor zijn vader’s bedrijf werken. Tegen 1911 begon hij met het schrijven van verhalen. Zijn verhalen waren bedoeld in de zg. pulp bladen die in die tijd populair waren, en zijn eerste verhaal, Under the Moons of Mars werd in 1912 in een feuilleton formaat uitgegeven in het All Story magazine. Vanaf dat moment begon hij full-time te schrijven, en tegen de tijd dat het laatste deel van Under the Moons of Mars werd gepubliceerd had hij twee boeken af, waaronder Tarzan of the Apes die in oktober 1912 voor het eerst werd gepubliceerd.

Tarzan was een sensatie, en Burroughs wilde van deze populariteit profiteren, en exploiteerde Tarzan op iedere manier die hij kon bedenken, van een stripverhaal tot een film en koopwaar en het publiek kon er geen genoeg van krijgen, tot op de dag van vandaag.

 

Uit: Tarzan of the Apes

 

Early in his boyhood he had learned to form ropes by twisting and tying long grasses together, and with these he was forever tripping Tublat or attempting to hang him from some overhanging branch.

 

By constant playing and experimenting with these he learned to tie rude knots, and make sliding nooses; and with these he and the younger apes amused themselves.  What Tarzan did they

tried to do also, but he alone originated and became proficient.

 

One day while playing thus Tarzan had thrown his rope at one of his fleeing companions, retaining the other end in his grasp.  By accident the noose fell squarely about the running

ape’s neck, bringing him to a sudden and surprising halt.

 

Ah, here was a new game, a fine game, thought Tarzan, and

immediately he attempted to repeat the trick.  And thus, by

painstaking and continued practice, he learned the art of roping.

 

Now, indeed, was the life of Tublat a living nightmare.  In sleep, upon the march, night or day, he never knew when that quiet noose would slip about his neck and nearly choke

the life out of him.

 

Kala punished, Tublat swore dire vengeance, and old Kerchak took notice and warned and threatened; but all to no avail.

 

Tarzan defied them all, and the thin, strong noose continued to settle about Tublat’s neck whenever he least expected it.

 

The other apes derived unlimited amusement from Tublat’s discomfiture, for Broken Nose was a disagreeable old fellow, whom no one liked, anyway.

 

In Tarzan’s clever little mind many thoughts revolved, and back of these was his divine power of reason.

 

If he could catch his fellow apes with his long arm of many grasses, why not Sabor, the lioness?

 

It was the germ of a thought, which, however, was destined to mull around in his conscious and subconscious mind until it resulted in magnificent achievement.

 

But that came in later years.”

 

Rice

Edgar Rice Burroughs (1 september 1875 – 19 maart 1950)

Blaise Cendrars, W. F. Hermans, Hubert Lampo, Peter Adolphsen

De Franstalige, Zwitserse dichter en schrijver Blaise Cendrars werd geboren op 1 september 1887 in La Chaux-de-Fonds, Neuchâtel. Hij maakte vele reizen, de hele wereld over en bezocht o.a. Rusland en China. Hij leidde het leven van een avonturier totdat hij in Bern medicijnen en filosofie ging studeren. In 1910 ging hij voor het eerst naar Parijs waar hij kennis maakte met mensen als met Guillaume Apollinaire, Marc Chagall, Robert en Sonia Delaunay, Fernand Léger, Amedeo Modigliani. Vanaf 1950 woonde Cendrars permanent in Parijs. Zijn gehele werk omvat zo’n veertig delen.

Trouées

 

Echappées sur la mer
Chutes d’eau
Arbres chevelus moussus
Lourdes feuilles caoutchoutées luisantes
Un vernis de soleil
Une chaleur bien astiquée
Reluisance
Je n’écoute plus la conversation animée de mes amis qui se partagent les nouvelles que j’ai apportées de Paris
Des deux côtés du train toute proche ou alors de l’autre côté de la vallée lointaine
La forêt est là et me regarde et m’inquiète et m’attire comme le masque d’une momie
Je regarde
Pas l’ombre d’un œil

 

 

 

Couchers de soleil

Tout le monde parle des couchers de soleil
Tous les voyageurs sont d’accord pour parler des cou-
chers de soleil dans les parages
Il y a plein de bouquins où l’on ne décrit que les couchers
de soleil
Les couchers de soleil des tropiques
Oui c’est vrai c’est splendide
Mais je préfère de beaucoup les levers de soleil
L’aube
Je n’en rate pas une
Je suis toujours sur le pont
A poils
Et je suis toujours le seul à les admirer
Mais je ne vais pas décrire les aubes
Je vais les garder pour moi seul

 

cendrars

Blaise Cendrars (1 september 1887 – 21 januari 1961)

 

De Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans werd geboren op 1 september 1921 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 1 september 2006.

 

Uit: Nooit meer slapen

 

“Een van de oorzaken waardoor de meeste leesboeken altijd over dezelfde dingen handelen, is de bezorgdheid van de auteurs dat iedereen zal kunnen begrijpen waar het over gaat. Vaktermen zijn uit den boze. Hele categorieën van bezigheden en beroepen zijn nooit in een roman beschreven, omdat het zonder vaktermen onmogelijk zou zijn de werkelijkheid te benaderen. Van andere beroepen: politie, dokters, cowboys, zeelui, spionnen, bestaan alleen de karikaturen die corresponderen met de waanvoorstellingen van de leken voor wie de lectuur is bestemd.”

 

(…)

 

“Al vind ik dan geen meteoorkrater, ik kan niet beweren dat ik helemaal niets vind, al heeft wat ik vind met geologie niets te maken, al is het helemaal niet onder te brengen in de wetenschappen van aarde of kosmos. In geen enkele wetenschap voorlopig. Hier is sprake van een geval door Wittgenstein beschreven, waarin de manier waarop iemand ertoe gekomen is iets te begrijpen, verdwijnt in datgene dat hij begrepen heeft. Alsof je zou zeggen: dat heb ik begrepen nadat ik sterke koffie had gedronken. Maar de koffie heeft niets te maken met wat ik begrepen heb.”

 

wf_hermans

W. F. Hermans (1 september 1921 – 27 april 1995)

 

De Belgische schrijver Hubert Lampo werd geboren op 1 september 1920 geboren in Het Kiel, Antwerpen. Zie ook mijn blog van 1 september 2006.

 

 

Uit: De verdwaalde carnavalsvierder

 

‘Ik dacht aan het jodenmopje met de langste baard dat ik ken… Schrik maar niet, het wordt geen parabel… Het mopje over Mozes die er zijn vrouw van verdenkt hem met Sam te bedriegen. Let op de originele keuze van de namen. Zijn buurman, een slimme goj, geeft hem de raad ongemerkt de twee te volgen. Nee, zoals beloofd maak ik er geen verhaaltje van, het is te stom… Enfin, het komt hierop neer dat hij zijn mooie Rachel in een stil laantje van het Stadspark in Samuels armen ziet vallen, hen volgt tot bij hun geheime pied à terre, op zijn tenen in het donker mee de trap op sluipt, hen door het sleutelgat beloert terwijl zij zich uitkleden…’

‘De arme stakker,’ zei Miranda, ‘en verder…?’

‘Inderdaad, de arme stakker! Hij is zijn ganse leven met zijn twijfel blijven zitten. Op dat moment deed Sam het licht uit.’

hubert lampo

Hubert Lampo (1 september 1920 – 12 juli 2006)

 

De Deense schrijver Peter Adolphsen werd geboren op 1 september 1972 in Århus en groeide op in Aalborg, Wenen en Greenbay, Wisconsin. In Århus bezocht ij de toneelschool en in Kopenhagen de schrijversschool. Hij woonde enkele jaren in Spanje en studeerde daar filologie. Adolphsen debuteerde in 1991 als dichter in een door Poul Borum uitgegeven bloemlezing. Bekend werd hij door twee bundels verhalen (Små Historier), die in 1996 en 2000 verschenen. Van invloed op zijn werk zijn Kafka en de filmer Lars von Trier.

 

 Uit: Brummstein (Vertaald door Hanns Grössel)

 

“Josef ließ sich mit einem dumpfen Geräusch auf den schlammigen Boden fallen, das er nur spürte, nicht hörte. Während seine mit den Gehörorganen verbundenen Neuronen in ihren Ausgangszustand zurückfanden, versuchte er, sich die Töne einzuprägen, die sich in seinem Kopf im Kreise drehten. Er versuchte mitzusingen, obwohl er nicht hören konnte, dass er es tat. Als die Heultöne allmählich verebbten und sein Gehör zurückkehrte, beschloss er, niemand von dem wummernden Felsen zu erzählen. Vorläufig. Mit dem Geologenhammer schlug er ein Stück von dem Felsen ab. Ein Echo rikoschettierte ins Dunkel hinaus. Vorsichtig hielt er das Felsstück ans Ohr; es brummte nicht, zitterte aber ganz leicht, wie er im gleichen Moment bemerkte. Er steckte das rätselhafte Ding in die Tasche.”

“Das wurde aber Zeit”, war Betscharts einziger Kommentar, als Josef kurz darauf zurückkehrte. “Ich habe gesehen, was ich wollte”, sagte Josef, und ohne noch groß miteinander zu sprechen, legten sie den langen Weg aus dem Hölloch hinaus zurück, rechneten die vereinbarten acht Schweizerfranken ab und gingen jeder seines Weges. Zurück im Hôtel des Grottes, legte Josef das walnussgroße grauschwarze Felsstück auf den Nachttisch und schlief ein. Etwas später kam Andrea von einem Spaziergang im Bödmerenwald zurück, sank auf den Bettrand nieder, bemerkte den Stein auf dem Nachttisch, nahm ihn in die Hand und spürte ein seltsames Kitzeln in den Fingerspitzen.”

 

peter_adolphsen

Peter Adolphsen (Århus, 1 september 1972)

Hermans, Lampo en de vader van Tarzan

Willem Frederik Hermans werd geboren op 1 september 1921 in Amsterdam. In 1971 werd aan Hermans de P.C. Hooftprijs toegekend, die hij weigerde. Toenmalig minister van het ministerie van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk, P.J. Engels, zou in zijn eerste brief (22 december 1972) aan Hermans een tikfout hebben laten staan: in plaats van Fl 8000,- zou Hermans Fl 18.000 tegemoet mogen zien. In een excuusbrief werd dit hersteld. Hermans schreef terug: ‘Men kan nauwelijks verwachten dat een schrijver zich bijzonder vereerd zal voelen wanneer hij bekroond wordt door een minister wiens handtekening van de ene dag op de andere 10.000 gulden in waarde daalt.’ Het zou niet het laatste rumoer zijn rondom de schrijver. Nadat hij zijn werk  als lector in de fysische geografie aan de universiteit van Groningen vaarwel had gezegd vestigde hij zich in 1973 als fulltime schrijver in Parijs. In Onder professoren, een ternauwernood verhulde sleutelroman, nam hij wraak op zijn oude tegenstanders en het universitaire milieu dat hem had uitgestoten. In 1977 werd hem in Brussel uit handen van de Belgische koning Boudewijn de Prijs der Nederlandse Letteren uitgereikt. Hermans zag dit als de belangrijkste en meest eervolle bekroning van zijn werk. Vooral omdat dit ook een blijk van waardering was in zijn geliefde België. Als kenner en liefhebber van de Franse taal en cultuur voelde hij zich in het bourgondische België altijd erg thuis.

Uit: De tranen der acadia’s

“Hij bukte zich, sloeg het dek van het bed op en ging liggen, alsof hij in zijn eigen bed stapte en Andrea er niet was. Zij moest er toch zijn, al begreep hij niet dat hij niet tegen haar aanstootte, toen hij ging liggen. Maar opeens kroop haar hand over zijn borst. Hij strekte zijn linker arm uit en Andrea lichtte vanzelf haar hoofd op. Zij wentelden zich tegelijkertijd naar elkaar toe. Zij wisten niet waar zij elkaar het innigst konden omklemmen. Hij streelde haar lichaam, zijn vingers zich verwarrend in de zachte zijde van haar nachthemd. Andrea kuste hem met de weke binnenkant van haar lippen die zo warm waren als zijn eigen mond en zo zacht dat hij ze nauwelijks voelde, dat hij niet kon uitmaken waar zij begon en hijzelf eindigde. Zijn hand gleed bijna angstig over haar huid, of Andrea tot hun straf plotseling in een afzichtelijk cadaver kon veranderen, of zijn vingers konden blijven haken in een open gezwel. Maar onmiddeliijk daarop sloegen zijn gedachten weer om. Zij trok de knopen van zijn ondergoed los, hij voelde haar hele lichaam techen zich aan, warm als zijn eigen bloed.” 

 

Uit: De raadselachtige Multatuli 

“De Franse tijd heeft heel wat sporen achtergelaten: een nieuwe staatsvorm, nieuwe ideeën, nieuwe wetten en de militaire dienstplicht. Maar ook slachtoffers.

Nog tientallen jaren zal de discussie over de vraag of Napoleon een monster geweest is, dan wel een kracht van de vooruitgang en de grondvester van een nieuwe tijd met nieuwe mensenrechten, niet verstommen. Ondertussen heeft de Corsicaanse heilbrenger ons vaderland straatarm achtergelaten.

Het door hem opgelegde Continentaal Stelsel, dat de handel met Engeland verbood en daardoor tot Engeland’s ondergang zou moeten voeren, had minder in het Engelse dan in het eigen vlees gesneden. Maar, als alle verbodsbepalingen, gaf ook deze, aan wie durfde, de kans zich te verrijken door het verbod te overtreden.

Een van hen schijnt de Amelandse zeekapitein Engel Douwes(zoon) Dekker te zijn geweest. Echt rijk werd hij daarvan niet.

Te Amsterdam worden de grachten bewoond door de rijken, patriciërs met dubbele namen en soms adellijke titels. In de straten en stegen die dwarsverbindingen tussen de grachten vormen, wonen de minder rijken. In een huis aan een van deze stegen, de Korsjespoortsteeg, komt op 2 maart 1820 het vierde, of eigenlijk het vijfde kind van Engel Dekker en zijn vrouw Sytske Eeltjes Klein ter wereld: Eduard.”

 

W. F. Hermans (1 september 1921 – 27 april 1995)
Zelfportret, zomer 1940


Hubert Léon Lampo
werd geboren op 1 september 1920 geboren in Het Kiel, Antwerpen. Hij is vooral bekend geworden door zijn roman De komst van Joachim Stiller (1960), die in 1976 werd verfilmd en waarvan tijdens zijn leven 44 nederlandstalige drukken en talrijke vertalingen verschenen. Lampo is in het Nederlandse taalgebied niet alleen een belangrijke grondlegger, maar tevens de met afstand bekendste exponent van het
magisch realisme, een stroming die zich kenmerkt door de realistische weergave van ‘bovennatuurlijke’ verschijnselen, eigenschappen en gebeurtenissen Het feit dat hij vrijwel de enige echt uitgesproken vertegenwoordiger van het magisch realisme in ons taalgebied was, verschafte hem bovendien een plaats in de Nederlandse en Belgische school- en geschiedenisboeken en tientallen jaren prijkte zijn werk op vrijwel alle lijsten van verplichte lectuur in het voortgezet onderwijs.

Terwijl hij met name in de jaren ’60 en ’70 van de twintigste eeuw met eer, roem en lof was overladen, zag hij zijn lezersschare nadien weer in een onthutsend tempo ineenschrompelen. Meest illustratief hiervoor is wel het feit dat hij op de lijst van de gedurende het jaar 2004 door Vlaamse bibliotheken meest uitgeleende auteurs al tot de 430e plaats was gedaald. Lampo maakte er overigens ook zelf bepaald geen geheim van dat hij zich door de allengs aanzwellende kritiek ten zeerste miskend en gekrenkt voelde.

Citaten:

“Maar een man die er naar streeft eerlijk te zijn of het langzamerhand te worden, draagt zijn rechter in het eigen hart.”

“Men kan gemakkelijker een vijandig mitrailleursnest het zwijgen opleggen, dan een herinnering, die als een luchtbel na jaren plots opnieuw naar het bewustzijn stijgt.”

“De dood: dat is maar wat snelwerkend gif in een beker wijn, een koude prik op de juiste plaats of een behoedzaam doorgesneden slagader.”

 

Hubert Lampo (1 september 1920 – 12 juli 2006)

 

Edgar Rice Burroughs werd geboren op 1 september 1875 in Chicago. Hij is vooral bekend geworden door zijn boeken over de held van de jungle: Tarzan. Zijn boek Tarzan of the Apes werd in oktober 1912 voor het eerst gepubliceerd.

 

Johnny Weissmuller in Tarzan The Apeman (1932)

 

Edgar Rice Burroughs (1 september 1875 – 19 maart 1950)

In memoriam Hubert Lampo

In Memoriam

De Belgische schrijver Hubert Lampo is op 85-jarige leeftijd overleden. Hubert Lampo werd op 1 september 1920 geboren in Het Kiel, Antwerpen. Zie ook alle tags voor Hubert Lampo op dit blog.

Uit: De man die onderdook

“Toen, voor de eerste maal tijdens dit hele avontuur, heb ik me angstig gevoeld, – een korte wijl althans. De lamp had ik gedoofd; het gevoel van haar lichaam onder mijn vervoerde handen had me reeds te veel geschenen en ook enige schroom had me er trouwens toe gedreven. Hoewel er aanvankelijk een diepe loomheid over me kwam, huiverde er plots een dwaze twijfel door me heen en schielijk trok ik de hand terug, waarmede ik nog steeds haar flanken streelde. Gruwzaam stond het beeld van de oude vrouw in de trein me weer voor de geest.
Ik rilde en schoof terzijde, beluisterde met tot in de keel bonzend hart haar moeizame, enigszins ruige adem, welke me aan deze van een asthmalijder denken deed. Aarzelend zocht opnieuw mijn hand haar lichaam. Mijn spieren versteven van louter walg, mijn koude huid trok samen: langzaam onder mijn aanraking voelde ik dit begerenswaardige lichaam verslappen tot een massa zonder innerlijke weerstand of veerkracht, terwijl een weeë, ongezonde geur van ouderdom en organische ontbinding me tegensloeg. In een uiterste inspanning richtte ik me op, verliet het ledikant en rukte de dichtgeschoven gordijnen open. Het weefsel verpulverde in mijn bevende greep. Een kille schemering vulde het vertrek en met walg herkende ik de matrone uit de trein, kwalachtig in haar vetplooien, weerzinwekkend in haar onbeschaamde, blauw dooraderde naaktheid.

Nauwelijks kon ik een kreet van verbijstering en afkeer onderdrukken en wilde vluchten, ofschoon ik niet wist waarheen.
Hier vallen mijn herinneringen stil. Wat er verder met me gebeurd is, weet ik niet, – of veeleer: ik kan geen vrede nemen met wat ik weet. Trouwens, waarom zou ik me in speculatieve beschouwingen verdiepen? Ik weet, dat er een wereld is, die verder reikt dan het koele uiterlijk der dingen, verder dan de grens van onze zintuigen, mijn onbekende vriend. Je zoudt me kunnen vragen, wat er achteraf met me gebeurd is, hoe ik terug de weg vond, naar wat wij hovaardig de werkelijkheid noemen. Hierop kan ik alleen antwoorden, dat ik het niet weet en het nooit weten zal. Waar de tijd stilvalt en we onderduiken in het verzonken continent, – wellicht het land waarheen de armen van geest wederkeren, rijker dan één van ons het vermoeden kan -, dat in ons is, baat de redenering met onze schamele praemissen van één en één is twee niet meer. Daarom, ik bid je, stel me geen verdere vragen thans en weet, dat ik je onuitsprekelijk dankbaar ben voor je geduld… Ik moet je nu vaarwel zeggen, – of neen, tot wederziens, want wie weet of ééns, ééns…”

 

Hubert Lampo (1 september 1920 – 12 juli 2006)

 

Zie het bericht in De Standaard