Marjolijn van Heemstra, Willem Elsschot, Almudena Grandes, Peter Carey, Robert Browning

 

Dolce far niente

 

 
Slaaploze nacht door Nikolaj Romadin, z.j.

 

Slaapdagboek

Slaapadvies 1 tot en met 5:
Verwijder wekkers.
Maak de avond rond en elke handeling een bocht op weg naar slaap.
Creëer gewoontes, simpel als een glas water.
Draag een pyjama om het lijf te overtuigen van de nacht.
Denk als je wakker ligt niet: ik lig wakker. Denk: ik lig en dat is het begin van slapen.

Maar dit begin ligt gekanteld, vier poten en de blik omhoog, als een schaap niet in staat zichzelf te draaien. De nacht heeft in- en uitgeademd, op de wekker die ik wegdeed hebben de wijzers zestiggraden afgelegd, gradaties donker trokken door de kamer tot nu, de meest doorlaatbare, nautische schemer: al urenlang verandert alles, maar niet dit begin — of hoe moet ik het noemen? Een zeef tussen binnen en buiten. Het wiegen van een tak in en uit de schaduw. Dit schommelend in tweeën liggen: half verdwenen, half aanwezig.

Slaapadvies 6: De pijnappelklier, de pit in de hersens die donker meet en doet versuffen kan gebaat zijn met een dosis extra melatonine.

In afwachting van de werking google ik de klier, de pit. De zetel van de ziel, schrijft Descartes, ter grootte van een erwt. Een kogelrond vissenoog dat open en glazig mijn brein verkent; schaamte, klein conflict, wie te bellen, wat te zeggen, wat recht moet, ongedaan gemaakt, het overzichtelijk leed dat leven heet en zich ’s nachts tot rozenkrans rijgt. Het oog schiet erlangs, kraal voor kraal, razendsnel, een waanzinnige erwt, een neurotische non in gebed. Als dit een zetel is, dan een wankele, mijn ziel tot wandelen gedoemd.

Slaapadvies 7: Een bed is groter dan een bed. Het is het hele huis dat je toedekt, inclusief zijn mensen. Ken het ritme van wie naast je ligt.

Maar ik vind geen ritme of het moet het ritme zijn van een ruïne, een langzaam overwoekerd worden. Van zijn lichaam losgeknoopt ligt wie naast mij ligt geduldig te vergaan tot open plek. Wie weet waar hij nu wakker is, met wie zijn geest versmelt. In zijn adem hoor ik geroezemoes van nachtelijk bezoek terwijl ik gesloten op de veren lig.

Slaapadvies 8 tot en met 31:
Vermijd licht. Verduister. Oefen.
Eet bananen. Eet geen fruit.
Zoek het licht op. Drink warme melk.
Kies een houding waarin slaap je overvalt.
Sta op. Val af. Open ramen.
Trek sokken aan. Sokken uit. Vermijd melk. Adem. Handen naast je.
Pieker niet. Lees. Wandel. Lig stil.
Praat. Tel. Vergeet.
Onthaal de slaap.

Achter me een trage voetstap, een paard, in het laatste donker opgedoemd, dat mij volgt, het hoofd een zware engel in mijn nek. Ik verberg me in de manen, val uit mijn wervels, gered. Ik aai, klop, juich maar vergeet het paard te voeren, het loopt doodkalm van mij weg.

Slaapadvies 32:
Becijfer, om grip te krijgen, je slaap van een tot tien.
De laatste tram.
Een dronken galm.
De hese stem van het meisje bij de buren op tv.
Negen, acht.
Het rolluik van de avondwinkel. Zeven.
Laag voor laag afgepeld. Zes, vijf vier, tot dit bangste dier

 

 
Marjolijn van Heemstra (Amsterdam, 10 februari 1981)
Amsterdam bij nacht

 

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Villa des Roses

‘Pension de famille de premier ord re’ was wel een beetje overdreven. Wat het ‘confort moderne’ betreft, dat bestond voornamelijk hierin, dat men dadelijk een huissleutel kreeg en dus ook bij nacht vrij gaan en komen kon zonder iemand te moeten opbellen. Elektrische verlichting en een badgelegenheid daarentegen, hield men er niet op na. Werd er al eens naar gevraagd door een nieuweling die zich na een week of zo onrein begon te gevoelen, of door een die er alles van weten wilde voor hij begon, dan maakte madame Brulot hem duidelijk dat zij van beide nieuwigheden afgezien had wegens het daaraan verbonden gevaar. Het afbranden van de Bazar de la Charité, waarbij een paar honderd mensen het leven verloren, was volgens madame Brulot veroorzaakt door kortsluiting in de elektrische geleiding, en schuin over de Villa was er eens een deurwaarder van nog geen veertig jaar in zijn bad gestikt, zonder dat de buren ook maar één kreet vernomen hadden. Door `déjeuners et diners au cachet’ werd bedoeld dat men ook ’s middags of ’s avonds kon komen eten zonder dat men in de Villa zijn intrek behoefde te nemen, waardoor het aantal monden nogal afwisselde. Het ‘English spoken’ dagtekende uit een tijd toen er onder de kostgangers der Villa een heer was, die in Londen had gewoond en daarom opsneed met zijn Engels. Nog steeds kende madame Brulot een woord of vijf zoals yes, no, money, room en dinner. Laat ons Caesar geven wat hem toekomt. Het dient ter ere van madame Brulot gezegd dat het eten, een paar artikelen van ondergeschikt belang en dan die eieren terzijde gelaten. heus zo slecht niet was. De grondstoffen kocht zij in eigen persoon en het toebereiden ervan werd overgelaten aan de zorgen van een keukenmeid. bijgestaan door een kamermeisje, dat gewoonlijk ook net iets van koken afwist. De spijzen. althans die welke genuttigd werden op de twee grote gemeenschappelijke maaltijden. welke respectievelijk ’s middags om twaalf en ’s avoinds om zeven uur aanvingen, waren voor alle kostgangers dezelfde. Maar toch werden zeer uiteenlopende prijzen betaald. Hierop hadden verscheidene factoren een meer of minder overwegende invloed, en wel in de eerste plaats de grootte, ligging en meubilering der kamer welke men betrok, de hoeveelheid voedsel welke men gebruikte, de financiele reputatie van het land waar men vandaan kwam (Amerikanen bijvoorbeeld betaalden in de regel meer dan Polen of Armeniers) eindelijk de gezondheid en de ouderdom der kostgangers in verband met de meer of mindere last door ieder van hen veroorzaakt. Men werd dan ook nooit anders dan op proef aangenomen, hetzij voor een week, hetzij voor een maand, al naar gelang van de indruk die men hij het eerste onderhoud op madame Brulot maakte, waarbij ook rekening gehouden werd met het gewicht en de kubiekinhoud van het meegebrachte reisgoed. Dit laatste was echter hij de beoordeling gaandeweg minder overwegend geworden, sedert madame Brulot allertreurigste ondervindingen opgedaan had met een paar reusachtige koffers. Madame Brulot beoordeelde haar nieuwelingen nog dikwijls zeer verkeerd, al had zij tijd genoeg gehad om zich in de loop der jaren te volmaken in een studie, welke toch rechtstreeks tot haar vak behoorde. Zo kon zij zich niet geheel losmaken an het vooroordeel, dat dikke mensen altijd veel en magere gewoonlijk weinig spijs en drank gebruiken, zonder te bedenken dat zwaarlijvigen dikwijls matigheid moeten betrachten, terwijl magere kerels vaak met een lintworm rondlopen, wat natuurlijk een ramp is voor een kosthuis.”

 


Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960)
Cover DVD

 

De Spaanse schrijfster Almudena Grandes Hernández werd geboren op 7 mei 1960 in Madrid. Zie ook alle tags voor Almudena Grandes op dit blog.

Uit: De vijand van mijn vader (Vertaald door Mia Buursma)

“Dat was waar, maar ook niet waar. Ze was geboren aan zee, in een buurtschapje van vissers, zo dicht bij Almería dat het haast een buitenwijk van de stad leek. Daar was het nooit koud. Dat wist ik omdat haar jongste zus begin maart was getrouwd en ons had uitgenodigd voor de trouwerij. Aanvankelijk had het bericht weinig indruk op mij gemaakt, want we hadden wel vaker dergelijke uitnodigingen gekregen en daar was nooit iets mee gebeurd, maar die keer was anders dan anders. Ten eerste omdat mijn moeder had besloten ernaartoe te gaan, om weer terug te gaan naar haar dorp waar ze meer dan tien jaar niet was geweest. En ook omdat ze had besloten ons mee te nemen. In 1947 was die reis een enorme gebeurtenis voor elke familie in de Sierra Sur.
‘En waarom gaat papa niet mee?’ durfde ik te vragen toen we al in de streekbus zaten die ons van Fuensanta naar Martos zou brengen, terwijl ik door het raampje naar hem keek en zag hoe hij ons op de stoep stond uit te zwaaien.
‘Daarom niet.’
‘Maar waarom niet?’
‘Omdat hij niet kan.’
‘Moet hij werken?’
‘Ja, natuurlijk.’
Die ochtend was mijn dorp ontwaakt onder een dun laagje sneeuw. In Martos was de sneeuw niet blijven liggen, maar het was er wel heel koud. Dat weet ik nog, omdat de bus ons met ruim twintig minuten vertraging afzette bij het station en we naar de trein moesten rennen, maar ondanks het geren, het gezweet en het gedoe met de koffers met de cadeaus voor de bruid en haar familie kregen we het maar niet warm.
Moeder dreef ons voort als een stel schapen, terwijl ze met een getypt vel papier in haar hand door de gangpaden liep, op zoek naar de twee leden van de Guardia Civil die meereisden in de trein. Ik zat voor het eerst zonder mijn vader in een trein, en hoewel ik probeerde net te doen of alles heel gewoon was omdat ik, doordat hij niet meeging, de enige man van de familie was, was ik voor alles bang. Als hij erbij was, was het anders. Als hij vooropging in zijn uniform, met zijn driekante steek en zijn dienstwapen, gingen de reizigers voor ons opzij, en in plaats van ons naar onze kaartjes te vragen, haastten de conducteurs zich om zo nodig iemand op te laten staan zodat we allemaal bij elkaar konden zitten, maar deze keer ging mijn vader niet mee, en ik vertrouwde niet helemaal op de twee getypte vellen papier die hij ons in een envelop had meegegeven toen hij bij het portier van de streekbus afscheid van ons nam.”

 


Almudena Grandes (Madrid, 7 mei 1960 )

 

De Australische schrijver Peter Carey werd geboren op 7 mei 1943 in Bacchus Marsh (Victoria). Zie ook alle tags voor Peter Carey dit blog.

Uit: Amnesia

“It was a spring evening in Washington DC; a chilly autumn morning in Melbourne; it was exactly 22:00 Greenwich Mean Time when a worm entered the computerised control systems of countless Australian prisons and released the locks in many other places of incarceration, some of which the hacker could not have known existed. Because Australian prison security was, in the year 2010, mostly designed and sold by American corporations the worm immediately infected 117 US federal correctional facil­ities, 1700 prisons, and over 3000 county jails. Wherever it went, it travelled underground, in darkness, like a bushfire burning in the roots of trees. Reaching its destinations it announced itself: THE CORPORATION IS UNDER OUR CONTROL. THE ANGEL DECLARES YOU FREE.
This message and others more elaborate were read, in English, by warders in Texas, contractors in Afghanistan, Kurdistan, in immigrant detention camps in Australia, in Woomera, black sites in the Kimberley, secret centres of rendition at the American “signals facility” near Alice Springs. Sometimes prisoners escaped. Some­times they were shot and killed. Bewildered Afghans and Filipinos, an Indonesian teenager wounded by gunfire, a British Muslim dying of dehydration, all these previously unknown individuals were seen on public television, wandering on outback roads.
The security monitors in Sydney’s Villawood facility read: THE ANGEL OF THE LORD BY NIGHT OPENED THE PRISON DOORS, AND BROUGHT THEM FORTH. My former colleagues asked, what does this language tell us about the perpetrator?
I didn’t give a toss. I was grateful for a story big enough to push me off the front pages where I had already suffered PANTS ON FIRE. I was spending my days in the Supreme Court of New South Wales paying Nigel Willis QC $500 an hour so I could be sued for defamation. Nigel’s “billable hours” continued to accrue well past the stage when it became clear that he was a fuckwit and I didn’t have a chance in hell, but cheer up mate: he was betting 3:2 on a successful appeal. That my barrister also owned a racehorse was not the point.”

 

Peter Carey (Bacchus Marsh, 7 mei 1943)

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Browning werd geboren op 7 mei 1812 in Londen. Zie ook alle tags voor Robert Browning op dit blog.

 

Childe Roland To The Dark Tower Came

VIII
So, quiet as despair, I turn’d from him,
That hateful cripple, out of his highway
Into the path the pointed. All the day
Had been a dreary one at best, and dim
Was settling to its close, yet shot one grim
Red leer to see the plain catch its estray.

IX
For mark! no sooner was I fairly found
Pledged to the plain, after a pace or two,
Than, pausing to throw backward a last view
O’er the safe road, ’t was gone; gray plain all round:
Nothing but plain to the horizon’s bound.
I might go on; nought else remain’d to do.

X
So, on I went. I think I never saw
Such starv’d ignoble nature; nothing throve:
For flowers—as well expect a cedar grove!
But cockle, spurge, according to their law
Might propagate their kind, with none to awe,
You ’d think; a burr had been a treasure trove.

XI
No! penury, inertness and grimace,
In the strange sort, were the land’s portion. “See
Or shut your eyes,” said Nature peevishly,
“It nothing skills: I cannot help my case:
’T is the Last Judgment’s fire must cure this place,
Calcine its clods and set my prisoners free.”

 

 
Robert Browning (7 mei 1812 – 12 december 1889)
Portret door Pen Browning, 1882

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e mei ook mijn blog van 7 mei 2018 en ook mijn blog van 7 mei 2017 deel 2.

Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey, Archibald MacLeish, Rabindranath Tagore

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Tsjip

“Trouwens, ginder ver is geen plaats voor kerels met een schorre stem, die weten hoe ’t in ’t leven gaat. Ook dáár voelt zoo een zich tenslotte verlaten. Ook dáár is hij eindelijk nog slechts een vieze vlek in een onbezoedeld landschap, een hoopje vuil in de feestzaal. En zal ik niet geruster bij den haard stinken dan in dat paradijs?
Ik heb dus mijn taak als razend aangepakt, mijn ridderorde weer opgestoken en mijn zaken gedreven als een die nooit dat land heeft bereisd. Ik schreef mijn rekeningen met vaste hand, groette al wie mij groette, had een minzaam woord voor vriend en vijand en liet mijn schuldenaars afmaken door een deurwaarder, zooals het hoort. Tot ik op een heilloozen dag dat mormel van een kleinzoon in huis gewaar werd, die met zijn gekraai en zijn bloote billen aan ons rotten een eind heeft gemaakt.
Toen heb ik mezelf betrapt bij ’t sluipen naar den zolder waar ik mijn stok heb opgezocht in stof en spinrag. En nu zullen mijn klanten wachten en niets zien komen. Die nog niet betaald hebben kunnen stikken in mijn geld. Ik heb eerst met de keel een toonladder geschraapt en dan met zijn kraaien ingestemd. En mijn beenen jeuken. Kom, jongen, vooruit is de weg.
Mogen vrouw en kinderen mij vergeven dat ik hen een laatste maal verloochen voor die vermaledijde heerlijkheid waar een gouden vogel jubelt, véél hooger dan de leeuwerik.
Ik herinner mij niet precies meer hoe en wanneer de vreemdeling in huis gekomen is, maar hij loopt hier nu voortdurend rond. Zeker heb ik zijn aanwezigheid in ’t begin niet opgemerkt en zat hij boven als ik beneden was. Nu echter ontmoet ik hem op de trap, bots in de gang tegen hem aan en zit tegenover hem aan tafel, want hij eet nu ook mee. Mijn oudste dochter, die hem in huis heeft gehaald, zit naast hem. Zij zijn beiden op de Handelsschool en ik geloof dat hij in ’t begin kwam om met haar te blokken. Hij was zwak in de Fransche taal en zij in Staathuishoudkunde en zij zouden trachten elkander te helpen. Ik heb toen tenminste zoo iets gehoord.
Mijn gesprekken met hem loopen steeds over ’t zelfde: het studeeren aan de Handelsschool en de Europeesche politiek, vooral in en rond Polen. Ik zou goed doen daar wat meer over te lezen want ik val nog al eens stil en kan dan soms, met den besten wil, niet opnieuw demarreeren. Maar tusschen ons in, als een dreigend vraagteeken, staat die dochter. Over haar wordt niet gerept, maar alleen aan haar denken wij beiden. En als ik hem zijn meening vraag over den Poolschen corridor dwars door Duitschland, dan verwacht ik dat hij eindelijk zeggen zal ‘ja, ik bemin Adele en verlang met haar te trouwen.”

 

 
Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960) 
Cover

Lees verder “Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey, Archibald MacLeish, Rabindranath Tagore”

Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey, Archibald MacLeish, Rabindranath Tagore

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Lijmen / Het been

“Ook de notaris scheen in te zien dat het nu uit was en nam zijn hamer in de hand. Driehonderd vijftig éénmaal, driehonderd vijftig andermaal.
Boorman was recht gestaan en had een arm opgestoken als een eerste Mussolini.
– Acht duizend vijfhonderd frank, sprak zijn zware basstem.
Het vrouwtje staarde hem aan met oogen die uitpuilden van verstomming, verslikte zich, hoestte geweldig, probeerde tevergeefs een opwellend gegichel te smooren en bevrijdde zich eindelijk in een onweerstaanbaren schaterlach die de heele zaal meesleepte, en de ruiten daveren deed.
Het publiek was opgesprongen.
– Huu, huu! jouwde een stem.
– Bui-ten, bui-ten, bui-ten, scandeerden de papiermenschen, zichzelf begeleidend met rhythmisch getrappel.
De notaris hamerde geweldig en toen even een windstilte intrad kon hij zich verstaanbaar maken.
– Mijnheer, riep hij, ik verzoek u dringend de orde niet te storen. Hetis hier geen kermistent.
De agent van politie had zich losgemaakt van den wand en slenterde in onze richting.
– Acht duizend vijfhonderd andermaal, brulde Boorman, of hoor jij niet goed? Toewijzen zeg ik!
– Eén millioen achthonderd vijftig duizend frank, schreeuwde opeens een mannetje met een bolhoed dat op een stoel was gesprongen.
Dat bod werd onthaald op een ontzaglijk hoera.
Wat Boorman toen riep was niet meer te verstaan, maar ik zag dat de radelooze notaris met zijn hamer een teeken gaf en de agent pakte Boorman bij den arm.
– Vooruit, beval hij verbeten.
Boorman was niet groot, maar sterk, want het borstbeeld van Leopold ii, een massief marmeren blok  dat voor mij geen vin wilde verroeren, had hij eens opgepakt en alleen van ’t Museum van Inlandsche en Uitheemsche voortbrengselen tot in de gang gedragen, bij gelegenheid van een schoonmaak.”

 

 
Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960) 

Lees verder “Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey, Archibald MacLeish, Rabindranath Tagore”

Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Villa des Roses

“De „Villa des Roses”, waarin het echtpaar Brulot te eten gaf en kamers verhuurde, stond in de rue d’Armaillé, een straat van weinig aanzien in het overigens breed aangelegde „Quartier des Ternes”.
En zooals de straat was, zoo was ook het huis, dat slechts één enkele verdieping had, terwijl de buurt heinde en verre volgebouwd was met huizen van vijf en zes verdiepingen, welke aan weerszijden torenhoog boven de „Villa” uitstaken. Hierdoor deed het pension wel eenigszins aan een gewezen landhuis denken, belegerd en ingesloten door den stuwenden vloed der groote stad, doch voor de nadere omschrijving welke opgesloten lag in de toevoeging „des Roses” had nooit iemand een gangbare verklaring weten op te duiken. Wel was er een tuin aan het huis, wat in Parijs toch reeds een zeldzaamheid is, doch sedert mijnheer en mevrouw Brulot de woning betrokken hadden — en zij woonden er nual meer dan zestien jaar — was er geen zorgzame hand meer naar uitgestoken, zoodat alle rozen en andere bloemen reeds lang tot het verleden behoorden. Ook kwam er maar weinig zon, omdat de naburige huizen met hunne reusachtige schaduwen het gansche terrein der Villa bestreken. Alleen het gras had het onder die omstandigheden weten uit te houden, het gras dat weliger tiert naar gelang men er minder naar omkijkt en dat een vriend is van vergeten steenen en bouwvallen in wording.
In verband met den toestand zooals die nu eenmaal was, had madame Brulot spoedig besloten kippen te houden, waarvan er een dertigtal in het „park” der Villa rondscharrelden. En alsof Parijs niet bestond en de zon in hun rijk niet onderging, legden die beestjes daar waarachtig eieren, welke door mevrouw in de stad verkocht werden à 20 centimes per stuk. Voor het garnizoen der Villa kocht zij er dan Italiaansche voor de helft van dien prijs, legde die ’s morgens hier en daar in den tuin te vinden, waarna zij overdag in triomf naar de keuken werden gebracht. Werd er dan ook al eens geklaagd over vleeschschotels of koffie, omtrent de eieren waren alle dames en heeren het eens: de weerga ervan was kort en goed in de heele stad niet te vinden.”

 

 
Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960)

Lees verder “Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey”

Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Kaas

“Eindelijk schrijf ik je weer omdat er groote dingen staan te gebeuren en wel door toedoen van mijnheer Van Schoonbeke.
Je moet weten dat mijn moeder gestorven is.
Een nare geschiedenis natuurlijk, niet alleen voor haar maar ook voor mijn zusters, die er zich bijna dood aan gewaakt hebben.
Zij was oud, zeer oud. Op een paar jaar na weet ik niet hoe oud zij precies was. Ziek was zij eigenlijk niet, maar grondig versleten.
Mijn oudste zuster, waar ze bij inwoonde, was goed voor haar. Zij weekte haar brood, zorgde voor stoelgang en gaf haar aardappelen te schillen om ze bezig te houden. Zij schilde, schilde, als voor een leger. Wij brachten allemaal onze aardappelen bij mijn zuster en dan kreeg zij die van madame van boven en van een paar buren óók nog, want toen ze eens geprobeerd hadden haar een emmer reeds geschilde aardappelen nog eens te doen overschillen, wegens gebrek aan voorraad, toen had zij ’t gemerkt en warempel gezegd ‘die zijn al geschild’.
Toen zij niet meer schillen kon, omdat handen en oogen niet goed meer samenwerkten, toen gaf mijn zuster haar wol en kapok te pluizen dat door het beslapen tot harde nopjes verworden was. Het maakte veel stof, en moeder zelf was een en al pluis, van kop tot teen.
Zoo ging het maar steeds door, bij nacht zoowel als bij dag: dommelen, pluizen, dommelen, pluizen. En daar af en toe een glimlach doorheen, God weet tot wie.
Van mijn vader, die pas een jaar of vijf dood was, wist zij niets meer af. Die had nooit bestaan, al hadden zij negen kinderen gehad.
Wanneer ik haar kwam bezoeken sprak ik wel eens over hem om te probeeren zoodoende hare levensgeesten weer aan te wakkeren.
Ik vroeg haar dan of zij waarachtig Krist niet meer kende, want zoo had hij geheeten.
Zij deed zich vreeselijk geweld aan om mij te volgen. Zij scheen te begrijpen dat zij iets begrijpen moest, kwam voorover in haren zetel en staarde mij aan met een gespannen gezicht en zwellende slaapaders: een uitgaande lamp die dreigt te ontploffen bij wijze van afscheid.”

 

 
Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960)
Laarmans (Willem Elsschots alter ego) op de stripmuur in de Antwerpse beeldverhaalroute.

Lees verder “Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey”

Charles Dickens, Christine Angot, Peter Carey, Emma McLaughlin, A. den Doolaard, Gay Talese, Rhijnvis Feith

De Engelse schrijver Charles Dickens werd geboren op 7 februari 1812 in Landport. Zie ook alle tags voor Charles Dickens op dit blog.

Uit: Oliver Twist

“The surgeon had been sitting with his face turned towards the fire: giving the palms of his hands a warm and a rub alternately. As the young woman spoke, he rose, and advancing to the bed’s head, said, with more kindness than might have been expected of him:
“Oh, you must not talk about dying yet.”
“Lor bless her heart, no!” interposed the nurse, hastily depositing in her pocket a green glass bottle, the contents of which she had been tasting in a corner with evident satisfaction. “Lor bless her dear heart, when she has lived as long as I have, sir, and had thirteen children of her own, and all on ‘em dead except two, and them in the wurkus with me, she’ll know better than to take on in that way, bless her dear heart! Think what it is to be a mother, there’s a dear young lamb, do.”
Apparently this consolatory perspective of a mother’s prospects failed in producing its due effect. The patient shook her head, and stretched out her hand towards the child.”


Scene uit de film van Roman Polanski, 2005

The surgeon deposited it in her arms. She imprinted her cold white lips passionately on its forehead; passed her hands over her face; gazed wildly round; shuddered; fell back- and died. They chafed her breast, hands, and temples; but the blood had stopped for ever. They talked of hope and comfort. They had been strangers too long.
“It’s all over, Mrs. Thingummy!” said the surgeon at last.
“Ah, poor dear, so it is!” said the nurse, picking up the cork of the green bottle, which had fallen out on the pillow, as she stooped to take up the child. “Poor dear!”
“You needn’t mind sending up to me, if the child cries, nurse,” said the surgeon, putting on his gloves with great deliberation. “It’s very likely it (r)will¯ * be troublesome. Give it a little gruel if it is.” He put on his hat, and, pausing by the bed-side on his way to the door, added, “She was a good-looking girl, too; where did she come from?”

 
Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870)
Standbeeld in Clark Park, Philadelphia

Lees verder “Charles Dickens, Christine Angot, Peter Carey, Emma McLaughlin, A. den Doolaard, Gay Talese, Rhijnvis Feith”

Charles Dickens, Christine Angot, Peter Carey, Emma McLaughlin, A. den Doolaard, Gay Talese

De Engelse schrijver Charles Dickens werd geboren op 7 februari 1812 in Landport. Zie ook alle tags voor Charles Dickens op dit blog.

 

Uit: Bleak House

Mrs. Pardiggle, leading the way with a great show of moral determination, and talking with much volubility about the untidy habits of the people (though I doubted if the best of us could have been tidy in such a place), conducted us into a cottage at the farthest corner, the ground floor room of which we nearly filled. Besides ourselves, there were in this damp offensive room a woman with a black eye, nursing a poor little gasping baby by the fire; a man, stained with clay and mud, and looking very dissipated, lying at full length on the ground, smoking a pipe; a powerful young man, fastening a collar on a dog; and a bold girl, doing some kind of washing in very dirty water. They all looked up at us as we came in, and the woman seemed to turn her face toward the fire, as if to hide her bruised eye; nobody gave us any welcome. . . .

“Well, my friends,” said Mrs. Pardiggle; but her voice had not a friendly sound, I thought; it was much too business-like and systematic. “How do you do, all of you? I am here again. I told you, you couldn’t tire of me, you know. I am fond of hard work, and am true to my word.”

“There ain’t,” growled the man on the floor, whose head rested on his hand as he stared at us, “any more of you to come in, is there?”

 

Patrick Kennedy als Richard en Carey Mulligan als Ada in de BBC-serie “Bleak House”, 2005.

 

“No, my friend,” said Mrs. Pardiggle, seating herself on one stool and knocking down another. “We are all here.”

“Because I thought there warn’t enough of you, perhaps?” said the man, with his pipe between his lips as he looked round upon us.

The young man and the girl both laughed. Two friends of the young man, whom we had attracted to the doorway and who stood there with their hands in their pockets, echoed the laugh noisily.

“You can’t tire me, good people,” said Mrs. Pardiggle to these latter. “I enjoy hard work, and harder you make mine, the better I like it.”

“Then make it easy for her!” growled the man upon the floor. “I wants it done, and over. I wants a end of these liberties took with my place. I wants a end of being frawed like a badger. Now you’re a-going to pollpry and question according to custom I know what you’re a-going to be up to.”

 

Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870)

Lees verder “Charles Dickens, Christine Angot, Peter Carey, Emma McLaughlin, A. den Doolaard, Gay Talese”

Charles Dickens, Christine Angot, Peter Carey, Emma McLaughlin, A. den Doolaard, Gay Talese

De Engelse schrijver Charles Dickens werd geboren op 7 februari 1812 in Landport. Zie ook mijn blog van 7 februari 2007 en ook mijn blog van 7 februari 2008 en ook mijn blog van 7 februari 2009 en ook mijn blog van 7 februari 2010.

Uit: Hard Times

„Coketown, to which Messrs. Bounderby and Gradgrind now walked, was a triumph of fact; it had no greater taint of fancy in it than Mrs. Gradgrind herself. Let us strike the key-note, Coketown, before pursuing our tune.

It was a town of red brick, or of brick that would have been red if the smoke and ashes had allowed it; but as matters stood, it was a town of unnatural red and black like the painted face of a savage. It was a town of machinery and tall chimneys, out of which interminable serpents of smoke trailed themselves for ever and ever, and never got uncoiled. It had a black canal in it, and a river that ran purple with ill-smelling dye, and vast piles of building full of windows where there was a rattling and a trembling all day long, and where the piston of the steam-engine worked monotonously up and down, like the head of an elephant in a state of melancholy madness. It contained several large streets all very like one another, and many small streets still more like one another, inhabited by people equally like one another, who all went in and out at the same hours, with the same sound upon the same pavements, to do the same work, and to whom every day was the same as yesterday and to-morrow, and every year the counterpart of the last and the next.

These attributes of Coketown were in the main inseparable from the work by which it was sustained; against them were to be set off comforts of life which found their way all over the world, and elegancies of life which made, we will not ask how much of the fine lady, who could scarcely bear to hear the place mentioned. The rest of its features were voluntary, and they were these.

You saw nothing in Coketown but what was severely workful. If the members of a religious persuasion built a chapel there — as the members of eighteen religious persuasions had done — they made it a pious warehouse of red brick, with sometimes (but this is only in highly ornamental examples) a bell in a birdcage on the top of it.“

 

Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870)

Buste door Henry Dexter, 1842

 

 

Lees verder “Charles Dickens, Christine Angot, Peter Carey, Emma McLaughlin, A. den Doolaard, Gay Talese”

Charles Dickens, Emma McLaughlin, Christine Angot, Peter Carey, A. den Doolaard, Gay Talese

De Engelse schrijver Charles Dickens werd geboren op 7 februari 1812 in Landport. Zie ook mijn blog van 7 februari 2007 en ook mijn blog van 7 februari 2008 en ook mijn blog van 7 februari 2009.

Uit: David Copperfield

Whether I shall turn out to be the hero of my own life, or whether that station will be held by anybody else, these pages must show. To begin my life with the beginning of my life, I record that I was born (as I have been informed and believe) on a Friday, at twelve o’clock at night. It was remarked that the clock began to strike, and I began to cry, simultaneously.
In consideration of the day and hour of my birth, it was declared by the nurse, and by some sage women in the neighbourhood who had taken a lively interest in me several months before there was any possibility of our becoming personally acquainted, first, that I was destined to be unlucky in life; and secondly, that I was privileged to see ghosts and spirits; both these gifts inevitably attaching, as they believed, to all unlucky infants of either gender, born towards the small hours on a Friday night.
I need say nothing here, on the first head, because nothing can show better than my history whether that prediction was verified or falsified by the result. On the second branch of the question, I will only remark, that unless I ran through that part of my inheritance while I was still a baby, I have not come into it yet. But I do not at all complain of having been kept out of this property; and if anybody else should be in the present enjoyment of it, he is heartily welcome to keep it.
I was born with a caul, which was advertised for sale, in the newspapers, at the low price of fifteen guineas. Whether sea-going people were short of money about that time, or were short of faith and preferred cork jackets, I don’t know; all I know is, that there was but one solitary bidding, and that was from an attorney connected with the bill-broking business, who offered two pounds in cash, and the balance in sherry, but declined to be guaranteed from drowning on any higher bargain. Consequently the advertisement was withdrawn at a dead loss – for as to sherry, my poor dear mother’s own sherry was in the market then – and ten years afterwards, the caul was put up in a raffle down in our part of the country, to fifty members at half-a-crown a head, the winner to spend five shillings.”

dickens

Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870)

 

De Amerikaanse schrijfster Emma Lanier McLaughlin werd geboren op 7 februari 1974 in  Elmira, New York. Zie ook mijn blog van 7 februari 2009.

 

Uit: Nanny Returns

 

“Fuck,” I hear from the front stoop. I stare at the door’s peeling paint with an intensity rivaling Grace’s. “Look, just open up,” he speaks in a plaintive slur. “I left my wallet in the cab…and I just…I heard you…I know you’re — fuck.” I hear a thump and then something sliding heavily down the other side of the door.

Grace drops her head to sniff the jamb. I take a tentative step and ever so slightly lift the curtain. The streetlamp illuminates splayed kh
aki pants ending in shiny loafers. I make out slender fingers drifting open, releasing their grip on a black iPhone. My well-attired assailant is now slipping into unconsciousness? Death?

“Hey.” My voice surprises me and sets Grace barking. “Stop.” I put my hands around her muzzle to listen…Nothing. “Hey!” I slap the door.

“Yeah?” he coughs. “You’re home.”

“Who are you looking for?” I step around where Grace sits, ears squarely perked.

“Um…” I hear a scuffle; he’s attempting to stand up. “I’m looking for a…Nanny?”

My throat goes dry. I peer back out through the frayed lace covering the pane between us. “What?”

“Yeah, Nanny. Are you — ”

“Stand in front of the glass. On your right.”…Nothing. “Hey!”

“Yeah.”

“Your other right.”

Suddenly my view of the stoop is filled with a swerving face — a man — boy — somewhere in between. Beneath the mussed blond hair, atop the faintly freckled nose are two bloodshot blue eyes. They look out at me from the striking bone structure that unmistakably conjures his mother. I push my forehead into the cold glass, feeling at once a hundred years old and twenty-one. “Grayer?”

 

EmmaMcLaughlinNicola Kraus

Emma McLaughlin (Elmira, 7 februari 1974)
Emma McLaughlin (r) en medeschrijfster Nicola Kraus (l)

 

De Franse schrijfster Christine Angot werd geboren op 7 februari 1959 in Châteauroux. Zie ook mijn blog van 7 februari 2009.

 

Uit: Rendez-vous

 

Je connaissais Eric depuis un mois. Je l’avais déjà croisé, dans des bars de théâtre à la fin des spectacles, mais nous n’avions pas parlé, presque pas, rien. Je l’avais vu jouer deux ou trois fois. C’était un acteur génial. Je le connaissais depuis un mois, mais j’avais commencé à entendre parler de lui six ans plus tôt. A l’époque, son nom ne circulait pas comme maintenant, je ne le connaissais pas. Mais sur cinq ou six ans, des gens différents, dans des villes différentes, m’avaient rapporté avec des anecdotes toutes différentes : ah, tu sais il y a un acteur qui t’adore : Eric Estenoza. Ça me faisait plaisir, mais je n’y prêtais pas attention. Ça m’arrivait tout de même de temps en temps d’avoir des retours agréables, ce n’était pas le seul. Surtout avec des acteurs. Souvent les acteurs aimaient mes livres. La particularité était que ce même nom revenait tout le temps, par des sources différentes, et sur une période de temps longue. Et avec intensité. Avec insistance. Comme un encerclement. Et puis toujours ce mot : il y a un acteur qui t’adore. Toujours la même phrase. Avec l’air étonné de la personne qui me le racontait. La première fois c’était en 99, puis six mois plus tard, et puis ça s’était égrené comme ça. Des gens me rapportaient qu’il m’adorait, avec ce mot-là, le message me revenait régulièrement aux oreilles, et ce qui était surtout étrange, par des sources vraiment différentes, sur plusieurs années. Et ce qui était encore plus étrange c’est qu’il m’avait à peine adressé la parole le jour où il m’avait vue, une ou deux fois au cours de ces six années quand j’avais eu l’occasion de le croiser. En 99, je ne l’avais pas encore vu jouer. Et puis je l’avais vu quelques mois plus tard dans une pièce de Sarah Kane. J’étais avec un ami, acteur aussi, qui nous pr
sentait, je n’avais pas du tout l’impression de rencontrer quelqu’un qui m’adorait. Son comportement était tout à fait ordinaire avec moi, tout à fait banal, d’ailleurs je ne m’en souvenais même pas. Lui se souvenait bien de ce qu’il m’avait dit mais moi j’avais oublié.“

 

christine-angot

Christine Angot (Châteauroux, 7 februari 1959)

 

 

De Australische schrijver Peter Carey werd geboren op 7 februari 1943 in Bacchus Marsh (Victoria). Zie ook mijn blog van 7 februari 2007 en ook mijn blog van 7 februari 2008 en ook mijn blog van 7 februari 2009.

 

Uit: My Life as a Fake

 

I have known John Slater all my life. Perhaps you remember the public brawl with Dylan Thomas, or even have a copy of his famous book of ‘dirty’ poems. If it’s an American edition you’ll discover, on the inside flap, a photograph of the handsome, fair-haired author in cricket whites. Dewsong was published in 1930. Slater was twenty at the time, very nearly a prodigy.

That same year I was born Sarah Elizabeth Jane to a beautiful, impatient Australian mother and a no less handsome but rather posh English father, Lord William Wode-Douglass, generally known as Boofy.

Slater’s own class background was rather ambiguous, though my mother, a dreadful snob, had a tin ear, and I know she thought Slater very grand and therefore permitted him excesses she would not have tolerated from the Chester grammar-school boy he really was.

It was Slater who carved my father’s thirtieth birthday cake with his bare hands, who rode a horse into the kitchen, who brought Unity Mitford to dinner during the period she was stealing stationery from Buckingham Palace and carrying that nasty little ferret around in her handbag.

I cannot say that I understood his role in my parents’ marriage, and only when my mother killed herself — in a spectacularly awful style — did I suspect anything was amiss. In the last minutes of her life I saw John Slater put his arms around her and finally I understood, or thought I did.

From that moment I hated everything about him: his self-absorption, his intense angry good looks, but most of all those electric blue eyes which inhabited my imagination as the incarnation of deceit.

When my mother died, poorBoofy fell apart completely. He drank and wept and roared, and after falling down the stairs the second time he packed me off to St Mary’s Wantage in Berkshire, which I did not like at all.“

 

peter_carey

Peter Carey (Bacchus Marsh, 7 februari 1943)

 

De Nederlandse dichter en schrijver A. den Doolaard werd geboren op 7 febrauri 1901 in Hoenderloo. Zie ook mijn blog van 7 februari 2007 en ook mijn blog van 7 februari 2008 en ook mijn blog van 7 februari 2009.

 

Uit: D.H. Lawrence. De gepijnigde polygraaf

 

“Zijn tweede, en eerste goede, roman: ‘Sons and Lovers’ was normaal wat methode betrof: uit karakteren milieu-beschrijving bleek een donker en krachtig realisme, toegespitst op het sexueele. Hij was een kind dat opgroeide in de mijnwerkerswereld, en de deugden en gebreken van een dergelijke afstamming blijven in zijn werk zuiver behouden: hij is oorspronkelijk en fel, schamper en trotsch, zwaar van somberheid en smartelijk bewust van zijn onbedwingbare scheppingsdrift. Deze leefdrift en voortplantingsdrang is hem door haar heftigheid een ziekte, waarvan hij zich tevergeefs zoekt te bevrijden. Dit is geen warmte meer, maar schroeien en zengen, dit is geen liefde meer, maar een gevecht. Afstand kent hij niet; stelling nemen doet hij niet; dag en nacht strijdt hij met de werkelijkheid op den korten afstand, lijf aan lijf; een oneindig aantal malen raakt hij verward en moet zich uit die ‘clinch’ gehavend loswringen. Door het gewelddadig zoeken naar het hart van de werkelijkheid werden zijn handen donker van geronnen bloed en zijn stem schamper en uitdagend. Hij wilde de werkelijkheid overmeesteren van vlakbij, met doorborenden blik en harde knoken. Elk van zijn liefkoozingen wordt door zijn overmatige heftigheid een kneuzing en met elke wonde die hij toebrengt, wondt hij zichzelf.

De bekentenis hiervan zijn z’n verzen, laaiend en verbrokkeld als smeulende lava. Hij weet, dat zijn verzen slecht zijn, en zijn proza soms onbeholpen van heftigheid; hij zoekt en zoekt naar een synthese, een intooming, een kleinste gemeene veelvoud van zijn kunnen; en vindt het van buiten af. Via een landschap en een ras, die de weerspiegeling zijn van zijn ziel. Dat landschap is Mexico, zwavelgeel, ziedend van zonnedrift en overwoekerd door cacteeën; het ras dat hij, sombere Angelsaks, zoekt is eerst het Latijnsche, lachend uitkomend voor het phallische ‘geheim’; en later de Mexicaansche Indiaan, wiens voortplantingsdrift een stage gloed is, verborgen brandend achter glasharde oogen.”

 

DenDoolaard

A. den Doolaard (7 februari 1901 –  26 juni 1994)

 

De Amerikaanse schrijver en journalist Gay Talese werd geboren op 7 februari 1932 in Ocean City. Zie ook mijn blog van 7 februari 2008 en ook mijn blog van 7 februari 2009.

 

Uit: Thy Neighbor’s Wife

 

She was completely nude, lying on her stomach in the desert sand, her legs spread wide, her long hair flowing in the wind, her head tilted back with her eyes closed. She seemed lost in private thoughts, remote from the world, reclining on this windswept dune in California near the Mexican border, adorned by nothing but her natural beauty. She wore no jewelry, no flowers in her hair; there were no footprints in the sand, nothing dated the day or spoiled the perfection of this photograph except the moist fingers of the seventeen-year-old schoolboy who held it and looked at it with adolescent longing and lust.

The picture was in a photographic art magazine that he had just bought at a newsstand on the corner of Cerinak Road in suburban Chicago. It was an early evening in 1957, cold and windy, but Harold Rubin could feel the warmth rising within him as he studied the photograph under the streetlamp near the curb behind the stand, oblivious to the sounds of traffic and the people passing on their way home.

He flipped through the pages to look at the other nude women, seeing to what degree he could respond to them. There had been times in the past when, after buying one of these magazines hastily, because they were sold under the counter and were therefore unavailable for adequate erotic preview, he was greatly disappointed. Either the volleyball-playing nudists in Sunshine & Health, the only magazine showing pubic hair in the 1950S, were too hefty; or the smiling show girls in Modern Man were trying too hard to entice; or the models in Classic Photography were merely objects of the camera, lost inartistic shadows.“

 

talese

Gay Talese (Ocean City, 7 februari 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

Charles Dickens, Emma McLaughlin, Christine Angot, Anna Świrszczyńska, Peter Carey, Gay Talese, Alban Nikolai Herbst, A. den Doolaard, Harry Sinclair Lewis

De Engelse schrijver Charles Dickens werd geboren op 7 februari 1812 in Landport. Zie ook mijn blog van 7 februari 2007 en ook mijn blog van 7 februari 2008.

Uit: A Tale of Two Cities

“The stone faces on the outer walls stared blindly at the black night for three heavy hours; for three heavy hours the horses in the stables rattled at their racks, the dogs barked, and the owl made a noise with very little resemblance in it to the noise conventionally assigned to the owl by men-poets. But it is the obstinate custom of such creatures hardly ever to say what is set down for them.

For three heavy hours, the stone faces of the chateau, lion and human, stared blindly at the night. Dead darkness lay on all the landscape, dead darkness added its own hush to the hushing dust on all the roads. The burial-place had got to the pass that its little heaps of poor grass were undistinguishable from one another; the figure on the Cross might have come down, for anything that could be seen of it. In the village, taxers and taxed were fast asleep. Dreaming, perhaps, of banquets, as the starved usually do, and of ease and rest, as the driven slave and the yoked ox may, its lean inhabitants slept soundly, and were fed and freed.

The fountain in the village flowed unseen and unheard, and the fountain at the chateau dropped unseen and unheard – both melting away, like the minutes that were falling from the spring of Time – through three dark hours. Then, the grey water of both began to be ghostly in the light, and the eyes of the stone faces of the chateau were opened.

Lighter and lighter, until at last the sun touched the tops of the still trees, and poured its radiance over the hill. In the glow, the water of the chateau fountain seemed to turn to blood, and the stone faces crimsoned. The carol of the birds was loud and high, and, on the weather-beaten sill of the great window of the bedchamber of Monsieur the Marquis, one little bird sang its sweetest song with all its might. At this, the nearest stone face seemed to stare amazed, and, with opened mouth and dropped under-jaw, looked awe-stricken.“

dickens-drummond

Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870)
Portret door Samuel Drummond

 

De Amerikaanse schrijfster Emma Lanier McLaughlin werd geboren op 7 februari 1974 in  Elmira, New York. Op de universiteit raakte zij bevriend met Nicola Kraus en samen schreven zij he Nanny Diaries. In Amerika was Dagboek van een nanny een enorm succes: er werden binnen vier maanden meer dan 500.000 exemplaren verkocht en het boek prijkte maandenlang op de bestsellerlijsten van The New York Times en Publishers Weekly. In 2004 verscheen Citizen Girl, in 2007 Dedication.

 

Uit: The Nanny Diaries

 

„The dark vestibule, wallpapered in some gloomy Colefax and Fowler floral, always contains a brass umbrella stand, a horse print, and a mirror, wherein I do one last swift check of my appearance. I seem to have grown stains on my skirt during the train ride from school, but otherwise I’m pulled together–twin set, floral skirt, and some Gucci-knockoff sandals I bought in the Village. She is always tiny. Her hair is always straight and thin; she always seems to be inhaling and never exhaling. She is always wearing expensive khaki pants, Chanel ballet flats, a French striped Tshirt, and a white cardigan. Possibly some discreet pearls. In seven years and umpteen interviews the I’m-mom-casu
al-in-my-khakis-but-intimidating-in-my-
$400-shoes outfit never changes. And it is simply impossible to imagine her doing anything so undignified as what was required to get her pregnant in the first place.
Her eyes go directly to the splot on my skirt. I blush. I haven’t even opened my mouth and already I’m behind.
She ushers me into the front hall, an open space with a gleaming marble floor and mushroom-gray walls. In the middle is a round table with“

 

McLaughlin

Emma McLaughlin (Elmira, 7 februari 1974)
Emma McLaughlin and Nicola Kraus

 

De Franse schrijfster Christine Angot werd geboren op 7 februari 1959 in Châteauroux. Zij is er om bekend dat zij in haar boeken op soms schokkende en niets ontziende wijze persoonlijke ervaringen verwerkt. De kritiek is dan ook verdeeld: de een prijst haar directheid, de ander verwijt haar exibitionisme.

 

Uit: Le Marché des Amants

 

Marc était chaleureux et sympathique, il avait envie de rapports intimes, tout en étant réservé il aimait parler. C’était un intellectuel de la rive gauche, décontracté, rieur, pas très grand, petites lunettes pour lire qu’il posait sur le bout du nez au lieu de les mettre et de les enlever, il lisait la carte au restaurant puis levait les yeux par-dessus pour vous parler. Il avait une voiture pour les longues distances, un scooter pour aller d’un rendez-vous à un autre en évitant les encombrements, un vélo parce qu’il aimait ça: sa pensée restait active, pendant qu’il se déplaçait à un rythme tranquille, en silence, il réfléchissait. Il aimait faire le marché, la cuisine aussi. Les cèpes. De temps en temps un très bon restaurant. Il aimait bien. Il s’occupait de ses enfants, même s’il les voyait peu, il était séparé de leur mère depuis trois ans. Il travaillait beaucoup. Il avait toujours beaucoup travaillé. Il faisait une belle carrière, il avait un bon salaire. Il habitait dans le quartier de Paris qui correspondait à ses centres d’intérêt, et lui permettait en même temps d’avoir une vie de famille. Le quatorzième. Le travail, l’école, les lieux de rendez-vous étaient proches les uns des autres. Il lisait beaucoup, allait au cinéma une fois par semaine, de temps en temps au spectacle. Il recevait les invitations mais évitait les premières, il était rédacteur en chef d’un journal culturel, si parfois il y allait, c’était pour gagner du temps, ça évitait d’avoir à réserver soi-même, c’était tout. D’un point de vue social ce genre de sortie lui déplaisait. Il critiquait ce milieu, cette ambiance tout en disant «m’enfin on va pas parler de ça». Il préférait voir sa vie en dehors de «cette espèce de zoo», il était contraint de s’y mêler, de très loin et en observateur, mais ne se sentait pas sali, pas touché. » 

Angot

Christine Angot (Châteauroux, 7 februari 1959)

 

De Poolse dichteres Anna Świrszczyńska werd geboren op 7 februari 1909 in Warszawa. Zij begon met het publiceren van gedichten in de jaren dertig. Tijdens de bezetting van Polen gedurende WO II zat zij in het verzet, tijdens de opstand van Warschau was zij militair verpleegster. De beroemde dichter en vertaler Czesław Miłosz vertaalde later werk van haar naar het Engels.

 

The Second Madrigal

  

A night of love

exquisite as a

concert from old Venice

played on exquisite instruments.

Healthy as a

buttock of a little angel.

Wise as an

anthill.

Garish as air

blown into a trumpet.

Abundant as the reign

of a royal Negro couple

seated on two thrones

cast in gold.

 

A night of love with you,

a big baroque battle

and two victories.

 

 

 

In een blauwe pyjama

Ik slaap in een blauwe pyjama,
rechts van mij slaapt mijn kind.
Ik heb nooit gehuild,
ik zal nooit sterven.

Ik slaap in een blauwe pyjama,
links van mij slaapt mijn man.
Ik heb mijn hoofd nooit tegen de muur geslagen,
ik heb het nooit uitgegild van angst.

Hoe breed is dit bed niet
dat er plaats is
voor zoveel geluk

 

 

Vertaald door Jo Govaerts en Karol Lesman

 

swirszczynska

Anna Świrszczyńska (7 februari 1909 – 14 augustus 2004)

 

De Australische schrijver Peter Carey werd geboren op 7 februari 1943 in Bacchus Marsh (Victoria). Zie ook mijn blog van 7 februari 2007 en ook mijn blog van 7 februari 2008.

Uit: His Illegal Self

There were no photographs of the boy’s father in the house upstate. He had been persona non grata since Christmas 1964, six months before the boy was born. There were plenty of pictures of his mom. There she was with short blond hair, her eyes so white against her tan. And that was her also, with black hair, not even a sister to the blonde girl, although maybe they shared a kind of bright attention.
She was an actress like her grandma, it was said. She could change herself into anyone. The boy had no reason to disbelieve this, not having seen his mother since the age of two. She was the prodigal daughter, the damaged saint, like the icon that Grandpa once brought back from Athens—shining silver, musky incense—although no one had ever told the boy how his mother smelled.
Then, when the boy was almost eight, a woman stepped out of the elevator into the apartment on East Sixty-second Street and he recognized her straightaway. No one had told him to expect it.
That was pretty typical of growing
up with Grandma Selkirk. You were some kind of lovely insect, expected to know things through your feelers, by the kaleidoscope patterns in the others’ eyes. No one would dream of saying, Here is your mother returned to you. Instead his grandma told him to put on his sweater. She collected her purse, found her keys and then all three of them walked down to Bloomingdale’s as if it were a deli.“

 

Peter_Carey

Peter Carey (Bacchus Marsh, 7 februari 1943)

 

De Amerikaanse schrijver en journalist Gay Talese werd geboren op 7 februari 1932 in Ocean City. Zie ook mijn blog van 7 februari 2008.

 

Uit: A writer’s life

 

I am not now, nor have I ever been, fond of the game of soccer. Part of the reason is probably attributable to my age and the fact that when I was growing up along the southern shore of New Jersey a half century ago, the sport was virtually unknown to Americans, except to those of foreign birth. And even though my father was foreign-born—he was a dandified but dour custom tailor from a Calabrian village in southern Italy who became a United States citizen in the mid-1920s—his references to me about soccer were associated with his boyhood conflicts over the game, and his desire to play it in the afternoons with his school friends in an Italian courtyard instead of merely watching it being played as he sat sewing at the rear window of the nearby shop to which he was apprenticed; yet, as he often reminded me, he knew even then that these young male performers (including his less dutiful brothers and cousins) were wasting their time and their future lives as they kicked the ball back and forth when they should have been learning a worthy craft and anticipating the high cost of a ticket to immigrant prosperity in America! But no, he continued in his tireless way of warning me, they idled away their afternoons playing soccer in the courtyard as they would later play it behind the barbed wire of the Allied prisoner of war camp in North Africa to which they were sent (they who were not killed or crippled in combat) following their surrender in 1942 as infantrymen in Mussolini’s losing army. Occasionally they sent letters to my father describing their confinement; and one day near the end of World War II he put aside the mail and told me in a tone of voice that I prefer to believe was more sad than sarcastic, “They’re still playing soccer!”

 

Talese

Gay Talese (Ocean City, 7 februari 1932)

 

De Duitse schrijver Alban Nikolai Herbst (pseudoniem van Alexander Michael v. Ribbentrop) werd geboren op 7 februari 1955 in Refrath. Zie ook mijn blog van 7 februari 2007 en ook mijn blog van 7 februari 2008.

 

Uit: Meere

 

“Irenes Stolz. Der glühte wie eine Grundierung in ihrem ägyptischen Blick. Der gab ihr die Haltung, wenn sie sich schminkte. Immer saß er gerne dabei, saß auf dem Toilettendeckel und schaute ihr bewundernd zu. Was sie gar nicht schätzte. Bitte, Fichte, laß mich allein. Sie war so intim dann, so grenzenlos selbstbewußt, selbstverliebt; selbst wenn sie masturbierte, war sie nicht inniger mit sich als in solchen Momenten …”

 

alban_nikolai_herbst

Alban Nikolai Herbst (Refrath, 7 februari 1955)

 

De Nederlandse dichter en schrijver A. den Doolaard werd geboren op 7 febrauri 1901 in Hoenderloo. Zie ook mijn blog van 7 februari 2007 en ook mijn blog van 7 februari 2008.

 

Uit: Wampie. De roman van een zorgeloze zomer

 

Wampie werd wakker.

Er zijn mensen wier ogen opengaan net zo snel als een deur wanneer er hard aan getrokken wordt: zo zie je niets, en dan opeens het hele binnenste van het huis. Hun hoofd lijkt het kastje van een kiektoestel: eerst is er niets dan het gladde rustige slapen, altoos eender, net als het gladde doffe overtrek van het kiekkastje. Maar dan wordt er plotseling op een geheimzinnig veertje gedrukt, en het glanzende oog, dat diep binnenin sliep, schiet met een ruk naar voren en kijkt je groot aan.

Maar zo ontwaakte Wampie nooit. Haar wakkerworden leek meer op het langzame neerdwarrelen van een blaadje van tak tot tak en dan in glijvlucht naar de grond. Want opstaan deed Wampie nooit: ze viel altijd
uit bed. Wanneer ze voelde dat ze wakker moest worden, omdat de wekker twee keer afgelopen en er drie keer op haar deur gebonsd was (een keer door haar zusje, een keer door moeder en een slotbons van vader, die bonst zoals alleen een man bonzen kan, die haastig naar kantoor moet, en dan zijn ganse ergernis over de afgelopen en komende vier en twintig uur, plus over het feit, dat hij een geliefde maar ogenschijnlijk luie dochter heeft, in één machtige bons ontlaadt) – dan, door die slag wanhopig losgeschud uit de boom harer dromen, die nog tussen de sterren doorgroeide hoewel het allang dag was, dwarrelde ze naar omlaag“.

 

doolaard

A. den Doolaard (7 februari 1901 –  26 juni 1994)

 

De Amerikaanse schrijver Harry Sinclair Lewis werd geboren in Sauk Centre op 7 februari 1885. Zie ook mijn blog van 7 februari 2007.

Uit: Main Street

 

“Carol was discovering that the one thing that can be more disconcerting than intelligent hatred is demanding love. “She supposed that she was being gracefully dull and standardized in the Smails’ presence, but they scented the heretic, and with forward-stooping delight they sat and tried to drag out her ludicrous concepts for their amusement. They were like the Sunday-afternoon mob starting [sic] at monkeys in the Zoo, poking fingers and making faces and giggling at the resentment of he more dignified race…. They were staggered to learn that a real tangible person, living in Minnesota, and married to their own flesh-and-blood relation, could apparently believe that divorce may not always be immoral; thatÊ illegitimate children do not bear any special and guaranteed form of curse; that there are ethical authorities outside of the Hebrew Bible; that men have drunk wine yet not died in the gutter; that the capitalistic system of distribution and the Baptist wedding-ceremony were not known in the Garden of Eden; … that there are Ministers of the Gospel who accept evolution; that some persons of intelligence and business ability do not always vote the Republican ticket straight; … that a violin is not inherently more immoral than a chapel organ… ‘Where does she get all them the’ries?’ marveled Uncle Whittier Smail…”

 

Lewis-Sinclair-LOC

Harry Sinclair Lewis (7 februari 1885 – 10 januari 1951)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e februari ook mijn vorige blog van vandaag.