Vrij lopend vuur (bij Ornette Coleman & Fela Kuti) – voor David –
Schoonheid is een raar ding het is een klipding en een ringding is het als gegoten en als een klaploper in galop is het als een moegetergde zwaan Kopieerdrift, nieuwigheidsverlangen de elegantie van een passerstel de wensvorm genaamd berging – alles weg Hier opent zich een kraan een raar ding schoonheid die zich schuilhoudt op een straf paar plaatsen oorgesuis, voelgekramp ooglidvernauwingsgareel en nooit eens een normaal woord een klassiekgevormde zin een adempauze die aan insijpeling doet
Wat hebben wij te maken met uw leven wat hebben wij te maken vol te storten met ons gemoed Het is een vorm die komt als een roep Het is wat komt als een groep serieuze eenzaten die almaar gaat en gaat Toewijdingsverbond Trouwzweerdersmacht Zeg het me, spreek als een tang zoek met de kracht van een lintworm op elk continent vrij als de loop die vuurt
uur twee
wat rest van deze oplossing een straal zonder debiet dat is geen probleem het is een feit zoals de Negebwoestijn of Nixon ook een goeie maar minder persistent in de geometrie van het moment verschijnen we als ankers uit de ruimte geen drift, geen verloop wat waait is onze voorspraak het gehengel naar een klatergouden nis waarin het blinken is tot een van beiden smelt ook dat is een oplossing
uur drie
waarop je stil blijft liggen terwijl de golf passeert zo raak je onder maar waaronder niemand ziet er de grap van in of heeft het voldoende geprobeerd is dat een verwijt of een belofte het zijn bij elkaar geveegde brokken wandelstokken die je begeleiden naar het ijs en zo terug naar het strand de golf die nu passeert is massief je laat geen indruk na
Je bestuurde onze razende machine. Plotseling voor ons een regenboog. Een regenboog, riep je een dubbele regenboog! Ik heb al zo lang geen regenboog gezien en nu een dubbele! Zou hij werkelijk rond zijn? Ik kan me niet omdraaien! Ik draaide me om en zei: Ik kan de andere kant zien maar daar is het gewoon maar een. Kun je zien Of hij langs de hele hemel staat? vroeg je opgewonden. Langs de hele hemel, werkelijk rond, dat zou echt mooi zijn! Nee, dat kan ik ook niet zien was mijn antwoord – maar hij is beslist rond. Beslist! zei je nog en toen niets meer. Waarom zijn we niet gestopt?
The sky narrates snow. I narrate my name in the snow. Snow piled in paragraphs. Darkling snow. Geno-snow and pheno-snow. I staple snow to the ground.
In medieval angelology, there are nine orders of snow. A vindication of snow in the form of snow. A jealous snow. An omni-snow. Snow immolation.
Do you remember that winter it snowed? There were bodies everywhere. Obese, carrot-nosed. A snow of translucent hexagonal signifiers. Meta-snow.
Sand replaced with snow. Snowpaper. A window of snow opened onto the snow. Snow replaced with sand. A sandman. Obese, carrot-nosed. Tiny swastikas
of snow. Vallejo’s unpublished snow. Real snow on the stage. Fake blood on the snow.
The sky is a big responsibility…
The sky is a big responsibility. And I am the lone intern. This explains my drinking. This explains my luminous portage, my baboon heart that breaks nightly like the news. Who
am I kidding? I am Diego Rodríguez Velázquez. I am a dry and eviscerated analysis of the Russian Revolution. I am line seven. And my memory, like a melon, contains many dark seeds. Already, this poem has achieved
the status of lore amongst you little people of New England. Nevertheless, I, Dr. Samuel Johnson, experience moments of such profound alienation that I have surrendered my pistols to the care of my sister, Elisabeth Förster-Nietzsche]
Forgive me. For I have taken things too far. And now your carpet is ruined. Forgive me. For I am not who you think I am, I am Charlie Chaplin
playing a waiter embarrassed by his occupation. And when the rich woman I love] enters this bistro, I must pretend that I’m only pretending to play a waiter for her] amusement.
What am I…
What am I the antecedent of? When I shave I feel like a Russian. When I drink I’m the last Jew in Kansas. I sit in my hammock and whittle my rebus, I feel disease spread through me like a theory. I take a sip from Death’s black daiquiri.
Darling, my favorite natural abstraction is a tree so every time you see one from the highway remember the ablative case in which I keep your tilde. (A scythe of moon divides the cloud. The story regains its upward sweep.) O slender spadix projecting from a narrow spathe,
you are thinner than spaghetti but not as thin as vermicelli. You are the first and last indigenous Nintendo
De duisternis verzamelt…
De duisternis verzamelt onze lege flessen, leegt onze asbakken, Bedoelde je ‘dit kan altijd zo doorgaan’ op een goede manier? Boven in de geurige spanten wankelen motten rond fijner stuifmeel. Doe gerust de lichten
aan of uit. Naar de orde van grootte, een glyphe, draagbaar, smal – Verdomme. Ik ben het kwijt. Behalve zijn schaduw. Geworpen op de lange termijn. Terwijl de duisternis aan ons zit. Daarvoor vroeg je, of ik de gegevens zou ingaan als een kamer, nou ja,
Ofwel is de zon begonnen met de verbranding Van zijn manuscripten of ik ben een sukkel, een sukkel met mijn elf halfedelstenen ringen. Echte sneeuw op het podium. Nepbloed in de sneeuw. Zou dit altijd kunnen
doorgaan op een goede manier? Een brein liet kant achter door tijd of bliksem. De kip is een beetje droog en/of je hebt mijn leven verpest.
“When I was in eighth grade my sister helped kill another girl. She was in love, my mother said, like it was an excuse. She didn’t know what she was doing. I had never been in love then, not really, so I didn’t know what my mother meant, but I do now. This was in Ashaway, Rhode Island, outside Westerly, down along the shore. That fall we lived in a house by the river, across the road from the mill where my grandmother had met my grandfather. The Line & Twine was closed, posted with rusty NO TRESPASSING signs, but just above the dam someone had snipped a hole in the fence with bolt cutters so you could sneak in the back. We used to roller-skate up and down the aisles between the dusty looms, Angel weaving, teaching me how to do crossovers and go backwards. She could do spins like an iceskater, her hands making shapes in the air. I wanted to do spins and be graceful like her, but I was chubby and a klutz and when I stood beside her in church I was invisible. My mother said I shouldn’t worry, that in time I’d find my special talent. “I was a late bloomer,” she said, as if that was supposed to be comforting. What if I didn’t have a special talent? I wanted to ask. What if a hopeless nerd was all I’d ever be? My mother’s talent was finding new boyfriends and new places for us to live. She worked as a nurse’s aide at the Elms, an old folks’ home in Westerly where my great-aunt Mildred lived, and didn’t make any money. Fridays she’d come home and change, brushing her hair out, making up her face, using too much perfume. She’d been a cheerleader and could dance. She dieted, or tried to. Facing the narrow mirror on her closet, she complained that nothing fit her anymore. I used to look like you, she told Angel, like a threat, and it was true, in her old pictures they could have been twins. If she’d wanted to, she said, she could have married a doctor, but they were all assholes. Your father was sweet. We knew our father was sweet. What we didn’t understand was when he’d become an asshole, or why. My grandmother had never liked him because his family was Portuguese. He’d tricked my mother into turning Catholic and then abandoned her. Never trust a Port-a-gees, she said, like it was a joke. I had his dark hair and eyes, so what did that make me?”
Musik summt im Gehölz am Nachmittag. Im Korn sich ernste Vogelscheuchen drehn. Holunderbüsche sacht am Weg verwehn; Ein Haus zerflimmert wunderlich und vag.
In Goldnem schwebt ein Duft von Thymian, Auf einem Stein steht eine heitere Zahl. Auf einer Wiese spielen Kinder Ball, Dann hebt ein Baum vor dir zu kreisen an.
Du träumst: Die Schwester kämmt ihr blondes Haar, Auch schreibt ein ferner Freund dir einen Brief. Ein Schober fliegt durchs Grau vergilbt und schief Und manchmal schwebst du leicht und wunderbar.
2
Die Zeit verrinnt. O süßer Helios! O Bild im Krötentümpel süß und klar; Im Sand versinkt ein Eden wunderbar. Goldammern wiegt ein Busch in seinem Schoß.
Ein Bruder stirbt dir in verwunschnem Land Und stählern schaun dich seine Augen an. In Goldnem dort ein Duft von Thymian. Ein Knabe legt am Weiler einen Brand.
Die Liebenden in Faltern neu erglühn Und schaukeln heiter hin um Stein und Zahl. Aufflattern Krähen um ein ekles Mahl Und deine Stirne tost durchs sanfte Grün.
Im Dornenstrauch verendet weich ein Wild. Nachgleitet dir ein heller Kindertag, Der graue Wind, der flatterhaft und vag Verfallne Düfte durch die Dämmerung spült.
3
Ein altes Wiegenlied macht dich sehr bang. Am Wegrand fromm ein Weib ihr Kindlein stillt. Traumwandelnd hörst Du wie ihr Bronnen quillt. Aus Apfelzweigen fällt ein Weiheklang.
Und Brot und Wein sind süß von harten Mühn. Nach Früchten tastet silbern deine Hand. Die tote Rahel geht durchs Ackerland. Mit friedlicher Geberde winkt das Grün.
Gesegnet auch blüht armer Mägde Schoß, Die träumend dort am alten Brunnen stehn. Einsame froh auf stillen Pfaden gehn Mit Gottes Kreaturen sündelos.
Zang van een gevangen merel
Donkere adem in de groene takken. Blauwe bloemen zweven rond het gezicht Van de eenzame, zijn gouden tred Sterft weg onder de olijfboom. Fladdert de nacht op met dronken vleugels. Zo stilletjes bloedt ootmoed, Dauw, die langzaam druipt van de bloeiende doorn. Van stralende armen de barmhartigheid Omarmt een brekend hart.
Vertaald door Frans Roumen
Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914) Borstbeeld door Hans Pacher bij het Trakl-Haus in Salzburg
wat zich hier inzingt: woord voor woord – om te tonen: beeld voor beeld – als stukwerk werkstuk wordend neemt het zich in het Nu Niets voor – dan poort te zijn naar ´t huis van spreken, teken – wilden, zachten ook, zoals in iedereen die durft, in kijkt en benoemt wat in het woord de plek bouwt, in beelden niet altijd wat het in zijn schild voert toont – als zin kerft het van binnen meer dan buiten steen en teer – de huid is niet de grens van wat hier binnen ruimte is, voorbeeld: de leegte, en ze vult meteen, verenigt fijn en grof, fluist´rend geheim, vloeide over, maar houdt vol in, ontnuchtert nooit – want wat het zo noch anders zeggen kan zal zich dan juist laten zien als plan, maar zonder plan in ´t stuk, dat zoekt zijn heil (en lof) vooral in het gebruik.
Dit is mijn muts, dit is mijn jas, hier is mijn scheerset in een linnen zak. Conservenblikje: mijn bord, mijn beker, ik heb in het vertinde blik mijn naam gekrast. Gekrast hier met deze kostbare nagel, die ik voor hebzuchtige ogen verberg. In mijn broodzak zitten een paar wollen sokken en een paar dingen die die ik niemand vertel, zo dient hij als kussen voor mijn hoofd ’s nachts. Het karton hier ligt tussen mij en de aarde. De potloodstift is mij het dierbaarst: Overdag schrijft hij verzen voor me die ik ’s nachts heb bedacht. Dit is mijn notitieboekje, dit is mijn tentdoek, dit is mijn handdoek, dit is mijn draad.
Dat is het eerste van de lente in de havenstad: een volle bries van de stroom, zo vol als het gelaat van een boerejongen die in een mondharmonika blaast een bries die over de stad vaart en even onvermoeid is als die dorpsmuzikant. De wind die de eerste maal dit jaar een zelfstandige vreugde heeft gevonden. Enkel wind te zijn, tomeloos, mateloos, ongebonden. Wind te zijn, te waaien in de boom, in al de bomen. Geen enkele vertoont groen en toch is geen enkele nog winterdood. Tijd van blijde boodschap, zelfstandige tijd die een eigen leven scheppen gaat: een eigen geboorte, een eigen leven, oogst en dood. Wind te zijn: de kerktorens, de oude heksen, te buigen, te dwingen tot kinderspel.
Wind te zijn, even dwaas tegenover de jonkvrouwelijke kathedraal. En zó’n goddelijk genot met de ernst te zwetsen: de hoed van een parlementslid vijftig meter ver te dragen of legendarisch akelig te doen achter schilden en uithangborden.
Een grote dag die de kristelijke liefde bezingt in een nog heidense roes. Als gister misschien schijnen bomen even dood. Maar de lucht is de millionnaire trilling van leven daarrond. Geen winteravond meer, doch elk gerucht vergaat in vreugde-echo. Zo’n dwaas geluk kent een knaap die plots te zwemmen gevat heeft, of fiets te rijden. Er is nog niets tastbaars veranderd. Dat is juist het grote van het genot. Gister: alexandrijnen over wintermajesteit. En nu: de lach van een volksjongen die van een vlondertje het water invalt, het goede, warme water, – en daarom lacht. Nergens is er één detailbewijs van de nakende lente. Enkel de algemene adem. De jongen die blaast in een mondharmonika! De wind van de stroom. Over de stad, het land in. De kleine dorpen schommelend. Over de bergen! Broedergroet aan het volk van over de grenzen De wind van onze haven die al de volkeren verfrist. De muziek van de wind: de bassen onderlijnen door een Internationale! Morgen zullen de mannelijke cello’s het lied hervatten.
Paul van Ostaijen (22 februari 1896 – 18 maart 1928) De Keyserleiin in Antwerpen, de geboortestad van Paul van Ostaijen
Auf einem offenen Altane sangen Greise orgelspielend gegen Himmel, Indes auf einer Tenne, ihm zu Füßen, Der Schlanke mit dem bärtigen Enkel focht, Daß durch den reinen Schaft des Oleanders Ein Zittern aufwärts lief; allein ein Vogel Still in der Krone blütevollem Schein Floh nicht und äugte klugen Blicks herab. Auf dem behauenen Rand des Brunnens aber Die junge Frau gab ihrem Kind die Brust.
Allein der Wandrer, dem die Straße sich Entlang der Tenne ums Gemäuer bog, Warf hinter sich den einen Blick des Fremden Und trug in sich – gleich jener Abendwolke Entschwebend über stillem Fluß und Wald – Das wundervolle Bild des Friedens fort.
Gute Stunde
Hier lieg ich, mich dünkt es der Gipfel der Welt, Hier hab ich kein Haus, und hier hab ich kein Zelt!
Die Wege der Menschen sind um mich her, Hinauf zu den Bergen und nieder zum Meer:
Sie tragen die Ware, die ihnen gefällt, Unwissend, daß jede mein Leben enthält.
Sie bringen in Schwingen aus Binsen und Gras Die Früchte, von denen ich lange nicht aß:
Die Feige erkenn ich, nun spür ich den Ort, Doch lebte der lange Vergessene fort!
Und war mir das Leben, das schöne, entwandt, Es hielt sich im Meer, und es hielt sich im Land!
Schneeglöckchen
Schneeglöckchen, ei, bist du schon da? Ist denn der Frühling schon so nah? Wer lockte dich hervor ans Licht? Trau doch dem Sonnenscheine nicht!
Wohl gut er’s eben heute meint, Wer weiß, ob er dir morgen scheint? „Ich warte nicht, bis alles grün; Wenn meine Zeit ist, muss ich blühn.”
Dageraad
Nu ligt en trilt aan vale horizon, Verzonken in zichzelf, de donderbui. Nu denkt de zieke: ‘Dag! Nu zal ik slapen!’ En doet de hete ogen dicht. Nu strekt De vaars op stal naar frisse morgenlucht De brede neus. Nu, in het stille bos, Richt de landloper, ongewassen, zich Uit ’t zachte bed van lang verwelkt blad op, Grijpt met brutaal gebaar zomaar een steen, Gooit die naar ’n duif die nog slaapdronken vliegt, En huivert zelf wanneer de steen zo dof En zwaar op aarde valt. Nu rent het water, Als wilde het de nacht die wegsloop na, Het duister in, snel, onverschillig, wild, Als koude luchtvlaag voort, terwijl daarboven De Heiland en zijn moeder zachtjes, zachtjes, Op ’t brugje met elkander spreken; zachtjes, En toch zijn hun luttele woorden eeuwig En onverwoestbaar als de sterrenhemel. Hij draagt zijn kruis en zegt alleen maar: ‘Moeder!’ En kijkt haar aan, en: ‘Ach, mijn lieve zoon!’ Zegt zij. – Nu heeft de hemel met de aarde Een stom, beklemmend tweegesprek. Dan gaat Een rilling door het oude, zware lijf: Zij maakt zich op een nieuwe dag te leven. Nu klimt het schimmig ochtendlicht. Nu glipt Er iemand blootsvoets uit een vrouwenbed, Snelt als een schaduw, klautert als een dief Zíj́n kamer door het venster binnen, ziet Zich in de spiegel, is plotseling bang Voor deze bleke, nachtdoorwaakte vreemde, Als had hij zelf de brave jongen die Hij was in deze nacht vermoord, als kwam Hij nu zijn handen wassen in de kan Als om het offer dat hij bracht te honen; Daarom misschien was de hemel zo drukkend En alles in de lucht zo wonderlijk. Nu knarst de staldeur. En nu is het dag.
Vertaald door Nina Brunt
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929) Cover
in die dierbare tijden hadden we inderdaad geen gebrek aan zingende zusjes en brabbelende broers.
zo werden we ondermeer bezocht door Piet Sybrandi – de nederlandse Pat Boone -, in staat binnen vijf minuten een ruwhouten kruis in elkaar te zetten, dit tijdens een zgn. jeugddienst.
en de drie gebroeders Spaargaren, Zeeuwen, voerden de kruisvlag in top van hun opvouwbaar orgeltje. één van hen speelde, twee zongen – eerste en tweede stem – dat het langs de wolken ruiste;
verwekten hierdoor in iedere keel een brok vlak naast het pepermuntje.
God ziet alles.
Men verplaatst zich
Men verplaatst zich, maar nooit even snel, in tegengestelde richting.
Nooit met eenzelfde zakdoek mooi symmetrisch wuivend – even wit, even droog.
Eén blijft er staan, verwijdert zich.
Bij gebrek aan wie verliet langzaam kleiner wordend.
Hou toch op!
Of het al niet erg genoeg is, heb je mensen, om de paar jaar kraaien ze om het hardst: ik ben aan een nieuwe uitdaging toe.
Alsof, als ze daarop ingingen, het beste in hen waar we al zo lang op zaten te wachten vanzelf naar boven kwam dan.
En alsof, was dat al het geval, dat voor iemand anders dan voor henzelf ook maar van het minste belang zou kunnen zijn.
Alle mensen zijn zwanger, sprak Diotima, hun lijf is zwanger en zwanger is hun geest, o, wat willen ze uit alle macht graag baren. Schoonheid is baren. Geboorte is waarlijk schoon.
Zo sprak Diotima tegen Socrates. Socrates vertelde het verhaal verder op het feest van Agatothon. Dat hoorde de jonge Aristodemos, en hij vertelde het later door aan Apollodoros, die het zijn vrienden vertelde.
De kleine Plato speelde buiten met kevers. Waar komen al die kevers vandaan, dacht hij, misschien uit een hele grote kever hoog in de hemel? Die we niet zien?
’s Avonds legde zijn moeder hem in de kamer te slapen. Bij Agathon begon een homofeest, en omdat niemand meer kon drinken, gingen ze discussiëren: laat ons vandaag spreken over de liefde. Spreken over de schoonheid.
Zij speelden niet, zij trouwden in de spiegel op de gang. Ring en zoen en eerste dans, hen bond een feit van glas. Zij dachten dat dit alles was.
En trouwden niet, maar spelen ieder met een ander toen. Zij zagen zich voor later staan, nu zien zij zoveel minder meer. Zij denken juist, net omgekeerd.
Alice na wonderland
De kamer geurt naar zeer oud zweet, Alice is uit wonderland opgestaan. Het duizelt in haar hoofd van avontuur, zij krijgt haar sloffen weer niet aan,
kamt een stuk of wat haren plat en stapt uit haar kleed. Alles schudt. De spiegel is mist, haar adem is zuur. Uit haar lichaam ontsnapt de nacht.
Het meisje Alice is terug in de tijd. Zij kijkt door de sleet op haar ogen en ziet aan de kant van haar droom een vrouw, lelijk van werkelijkheid.
Zo
Het laatste is aanwezigheid. Dat stoel en kast stoel en kast staan te zijn, eindelijk poten. Dat zij ’s ochtends lippen zet, ogen lijst, haren – klaar voor een dag in hun bestaan. Dat in hun grote verstomming de bomen, in leegte de tuin, en dan ineens en hardop de bloemen. Dat theepot en hemel, mijn hand, dat alles zo onnodig, zo oneindig bedreven wil zijn in er zijn.
Bernard Dewulf (30 januari 1960 – 23 december 2021
zomer betekent voor jou beenhaar gilletteren je strekt je dijen uit ik moet aan kippenvleugels denken als je de pluisjes wegveegt bij het open raam in de condenssporen hemel lach je daarbij haat ik het felle zonlicht en het bruin het liefst heb ik jou zeg ik maan-bleek in de halo van panthenol en antioxidanten
De Oostenrijkse schrijver. Antonio “Tonio” Schachinger werd geboren op 29 januari 1992 in New Delhi, India. Schachingers vader is een Oostenrijkse diplomaat, zijn moeder is een kunstenares van Mexicaans-Ecuadoriaanse afkomst. Ze ontmoetten elkaar in Wenen, waar de moeder schilderkunst had gestudeerd aan de Academie voor Schone Kunsten. Vanwege de baan van zijn vader pendelde het gezin aanvankelijk tussen Nicaragua en Wenen, waar Schachinger verbleef na de scheiding van zijn ouders. Schachinger bezocht de middelbare school Theresianum in Wenen en studeerde Romaanse talen en Duits aan de Universiteit van Wenen, evenals taalkunde aan de Universiteit voor Toegepaste Kunsten, waar hij co-redacteur was van het literaire tijdschrift “Jenny”. Tonio Schachinger woont in Wenen. In 2018 publiceerde Schachinger samen met kunstenaar Anna Schachinger het geïllustreerde boek “Sicherheit” waaraan hij de tekst “Sicherheit, Umzug, Interieur” bijdroeg. Als auteur werd hij in 2019 bekend in de Duitstalige wereld met zijn debuutroman “Nicht wie ihr”. Het verhaal over de rijke Oostenrijkse profvoetballer en familieman Ivo, die een affaire begint met zijn jeugdliefde Mirna, kwam op de shortlist voor de Duitse Boekenprijs 2019. Volgens Schachinger vond de roman zijn uitgangspunt in een cursus van de Oostenrijkse schrijfster Anna Kim, die hem ook ondersteunde tijdens het schrijfproces en bij de latere zoektocht naar een uitgever. De actieve amateurvoetballer Schachinger onderzocht het materiaal met behulp van de sociale mediakanalen van voetballers. Hij ziet “Nicht wie ihr” niet als een sleutelroman en laat bewust de dagelijkse werkzaamheden van de voetballer achterwege. De Frankfurter Allgemeine Zeitung noemde het boek een “roman die even grappig als scherp geobserveerd en pretentieloos is”.
Uit: Nicht wie ihr
„Wer keinen Bugatti hat, kann sich gar nicht vorstellen, wie angenehm Ivo gerade sitzt. Er streckt die Beine aus und schaut durch seine Sonnenbrille nach draußen auf den Platz vor dem Merkur, wo nichts ist, nur eine Telefonzelle und ein leerer Käfig. Er hätte gar nicht mit dem Bugatti kommen sollen, aber er ist froh, es gemacht zu haben, weil durch den Bugatti alles besser wird, die Fahrt her, die Fahrt zurück und sogar das Warten. Bugattis sind Autos für Leute, die nicht warten, und sie alle, die, die keinen Bugatti haben und die, die keine Zeit haben, in ihrem zu warten, verpassen etwas. Ivo würde gerne für immer so in seinem Bugatti sitzen. Die Mittagshitze sieht durch die verdunkelten Scheiben aus wie früher Abend und die 33 Grad, die es draußen angeblich hat, erreichen den Innenraum des Autos nicht. Ivo stellt sich vor, wie das von außen aussieht, ein schwarzer Bugatti, ganz alleine irgendwo im 20. Bezirk, wie ein Raumschiff aus einer anderen Welt, das von der Sonne nicht berührt wird; eine Black Box, die alle anschauen, ohne reinsehen zu können, eine Fata Morgana in der heißen, flimmernden Luft. Wer jetzt aus dem Merkur kommt und ihn sieht, wird glauben zu träumen, außer es ist Jessy, die wird Ivo sagen, dass er nicht mit dem Bugatti hätte kommen sollen. Ivo lässt seinen Blick über den Platz schweifen. Für einen Moment rinnen ihm die Hitzewellen als Kälteschauer über den Rücken, und er lehnt sich noch weiter zurück. Die Türen vom Merkur gehen auf und heraus kommt nicht Jessy, sondern ein Mann, irgendein fades Opfer mit Stoffsackerl, und natürlich schaut er her, aber nicht wie jemand, der mitten in der Wüste eine Oase sieht, sondern wie jemand, der Scheiße riecht. Er hält sich eine Hand vor die Stirn, als würden die goldenen Felgen ihn blenden, und verzieht seinen Mund. Soll das ein Lachen sein? Ivo setzt sich ein bisschen auf und kneift die Augen zusammen, um ihn besser zu sehen, aber das hätte er nicht machen müssen. Er könnte sogar noch 30 Meter weiter weg stehen und ein Brett vor dem Kopf haben und würde trotzdem das Gleiche wissen: dass dieser Typ einfach ein Hurenkind ist. Er sieht es an der Art, wie der den Mund seitlich verzieht, wie er lacht, ohne ein Geräusch zu machen. Er sieht, dass der Typ nicht echt ist. Der Mann holt sein Handy heraus, lehnt sein Stoffsackerl gegen die Wand, macht ein Foto, und Ivo sieht seinem Gesicht an, dass er überlegt, was er Witziges dazuschreiben soll, bevor er es hochlädt. »Du Hurenkind«, sagt Ivo, und die Entspannung fällt von ihm ab, »du dummes, dummes Hurenkind.« Er würde gerne das Fenster eine Handbreit runterfahren, nur damit dem Typen sein schiaches Lächeln vergeht, damit er sieht, dass er beobachtet wird und Angst bekommt vor dem, der da im Auto sitzt, der Ivo, aber genauso gut auch ein Mafiaboss sein könnte, und vor einer ganzen Welt, die er nie betreten wird.“
Ik heb niets na te laten Behalve beschreven papier, Bestanden die op een USB-stick passen Welk voorrecht heb ik Vanwege leeftijd, eventuele eerdere ziekten, Boven anderen Het virus is slechts een symptoom Op Facebook Las ik over een zelfhulpgroep Voor autisme Eindelijk is normaal Wie sociale contacten mijdt
De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.
Het dooit onder de korven
(bij het tienjarig jubileum van het literaire tijdschrift Awater)
(naar Martinus Nijhoff)
4. Nogmaals, de opdracht is helder als zat. Men pakke een torenspits, een kwast en smeren die hap: kind kan de was. Ieder doet tien liter nectar per dag en denkt eraan: altijd van u af.
Hebt u de kerk en de zendmast gehad smeert dan goed door op rotonde, parkeervak een afslag, de voetbalstip in het gras – hun vallen op geometrische vormen. Zorgt dat morgen dit hele dorp plakt.
Ja zo doen wij dat. Wij gaan stap voor stap ons vaderland met koninginnenpap volsauzen. Wij hebben lang genoeg gewacht. Laat dijken geuren, zoet als het graf. ’t Is tijd om hun neer te swaffelen.
Verblindt hun met bloemen, kleurig en strak liggen Hollandse bollen in slagorde. Maakt dat hun landen, zwaait! lacht! Maakt ons onmisbaar van bovenaf. En zoekt ten allen tijden contact.
Laat het volk zoemen als een moeras ontsteekt de broeikassen op volle kracht opdat wij die kutgoden eerste klas met de stront in hun ogen zullen verrassen. Dat hun neerstorten – recht op ons af.
5. Ze gingen ons het dooien leren. Praten als normale mensen. Hier op aarde zou men het licht van ons af schrapen. Hier leren goden zich te gedragen.
We moesten in plassen nederdalen mochten geen enkele afstand laten. Het was de totale thuiskomst. Naakt vloeiden ze door onze ijzige navels.
Het dooit, alle maanden, alle uren gaapt het heelal als een glazen oog. Ivoren korven hangen leeg en verlaten. Teken noch taal scheiden ons nu.
Broederlijk dalen wij af naar de bron. En het smeltwater stroomt, lager en lager tot waar geen enkele moeder of vader geen vallende sneeuw ons nog halen komt.
Wiegelied
(bij de discussie over de verblijfsvergunning van Mauro Manuel)
slaap zacht mijn land vannacht ga ik niet weg
de hoeken van je dromen zal ik kraken voor ons twee
mijn tongval modderzacht haakt zich reeds vast, daar
zal ik wachten, daar alleen in vaste slaap je opzoeken
onderduiken samen fluisteren voetballen uren achtereen
en dan gehakt met jus en prei deze nacht stelen we tijd
zullen wij slapen, thuis als vroeger zonder schaamte
Voor het eerst hoorde ik waarschijnlijk in groep 8 iets over raadselachtige vissterfte in de zomer verboden mestafvoer van varkensmesterijen in naburige plaatsen ik zag scheuren en vogelsporen in rottingsslib rond het uitdrogende oog van het stuwmeer in een plas een dode kroeskarper met ontblote kieuwen ik rende over de stangenweg naar huis met dit beeld voor ogen
van de aanblik van uitgescheurde kieuwen word ik vandaag nog wakker hoor je naast me in mijn slaap jammeren ook jij droomt nog steeds van school van eindeloze examens ik weet en stel mijzelf ermee gerust dat rond onze ogen jaarringen groeien zonder botox-injecties